Op zoek naar een mooi, leuk en uniek kado? Ga in nieuw scherm naar mijn PASFOTOBOEKJES en schrijfboekjes-site.











Of bekijk de kleurrijke schilderijen-expositie van m'n broer.
Ga in nieuw scherm naar
mijn-site
P A S F O T O B O E K J E S









Ga in nieuw scherm naar
mijn broers-site
K U N S T * S C H I L D E R I J E N * K U N S T


Ontdekking van de
Vrije Friezen








Reisverslag van hun route (Versie 2.24)

Dit is ons vierde reisverslag. Na de reisverslagen 'Kruistocht in Spijkerbroek', 'Rondje om Zwitserland' en 'weekendje Noord-Groningen', is dit eigenlijk een soort vervolg op het weekendje Noord-Groningen. Gegrepen door het uitgestrekte landschap en het verhaal van de Vrije Friezen, gaan we op zoek naar het land van deze Friezen (in een gebied wat nu buitenland heet), te weten Ost-Friesland en Nord-Friesland. Oogt dat land hetzelfde wat we ontdekt hebben in Noord-Groningen? Waarom heet Groningen eigenlijk Groningen en niet bijvoorbeeld ook gewoon Friesland (ik noem maar iets)? Is er naast West-Friesland ook nog een Zuid-Friesland? Of zijn dit onzinaanduidingen? Hoe zit het nu eigenlijk met die Friezen en vooral de Vrije Friezen. Kortom een zoektocht naar het verhaal van en over de Friezen.
Uiteraard hebben bij deze reis ook weer een hoop foto's gemaakt om het verhaal te illustreren. Maar ook kwamen we bijzonder veel nieuwe boeken tegen die hopelijk antwoorden bevatten op de gestelde vragen. Naast het reisverslag, zal dit dus ook uitmonden in een literatuuronderzoek.


Voor het gemak is de route hierbij geplaatst. Klik op de route-afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm. (Afhankelijk van de scherminstelling, vergroot de afbeelding op originele grootte en klik dan met de scroll op de afbeelding, zodat er niet gescrold hoeft te worden, maar de richting met muisbeweging gedaan kan worden.)
Of u klikt op de Google-maps link op de route hierin te volgen.
Ook voor de foto's en andere afbeeldingen geldt: klik op de afbeelding voor een vergroting in nieuw scherm.
Reist u weer mee?






Dag 1: van huis naar Emden
Via de A37/E233 de Nederlands-Duitse grens over. In Duitsland de 102/E233 volgen tot de 31. Hierna de 31 richting het noorden (Emden). Voor de Eems verlaten wij de 31 en rijden via de L15 richting noorden langs de Eems. Bij Jemgum aangekomen gaan we het dorp in en rijden richting de dijk, die via de Ziegeleistraße te bereiken is. Hier zien we voor het eerst de Eems of Ems.
We vervolgen de L15 en komen al vlot ons eerste -als direct herkenbare- wierdendorp tegen: Midlum. Zo gaan we er hopelijk nog een aantal tegenkomen.
Het volgende dorp Critzum voldoet ook zeker aan de eisen.
route tot Emden k  a a r  t  1 kaart in Google Maps
13:45 de Eems

13:47 Jemgum

13:58 Achter d'Kark, Critzum

De straten "Achter d'Kark" en "Unner d'Wierd" zijn prima te begrijpen vanuit het ABN en 't Gronings.
Een week hiervoor hadden we plaatsen rondom Wymeer enkele begraafplaatsen bezocht, om te kijken of hier mogelijk nog bekende familienamen voorkomen, aangezien een aantal van mijn voorouders hier vandaan komen. We hebben echter geen enkele gevonden. Wel vonden we dat er wel een hoop Nederlands-achtige namen er nog steeds voorkomen. De meeste graven zijn recente datum. Oude graven komen hier zelden voor.
Dus eens kijken hoe dit bij Critzum zit. Op dit kleine begraafplaats lijken de namen inderdaad ook hier en daar Nederlands.
We rijden door en zien nog een aantal wierden voorbij komen, al zijn ze niet allemaal radiaal, sommige zijn ook vierkant of rechthoekig/langwerpig: Hatzum, Ditzum en Pogum.
Bij Ditzum werden we aangetrokken door de molen en kerktoren en zodoende reden we dit dorpje via de Hofstraße even binnen. Het dorpje bleek toch iets groter te zijn, dan het op het oog lijkt.
Ook hier valt meteen de stenenkleur op, waarvan de straat, stoep, de huizen en muurtjes zijn gemaakt. Allemaal uit hetzelfde klei lijkt het wel. Bij sommige stenen zie je het snijden van het klei nog voor je. Soms zit er een hard stukje in het klei en dit harde stukje veroorzaakt een kras als je gaat snijden. Je ziet dit dan als een boog van de snijrichting terug in het klei.
Nu we hier waren uitgestapt, gingen we maar even aan de wandel. We stonden naast de kerk geparkeerd en liepen rechtdoor naar een bruggetje dat we zagen. Het bruggetje ging over de Ditzum-Bunder Sieltief. En we zagen aan het einde van dit diep de siel/zijl. De siel van de Ditzum-Bunder Sieltief ziet er eender uit als die we in Termuntenzijl hebben gezien. Uiteraard zijn ze nu een stuk geavanceerder dan het eerste exemplaar uit zeg de 12e eeuw. Hierover komen we nog te spreken.
Wat verder opvalt op de foto is het gele reclamebord. Dit draagt de tekst "Tee is klor". Vanuit het gronings "Thee is klaar". Hoezo? Bij ons staat de koffie altijd klaar. Waarom hier de thee? En hoezo "Tee is klor" en niet op z'n duits?
We liepen terug van het bruggetje en gingen rechtaf de Kirchstraße en via Sielstraße naar het sluisje. Hier hadden we een mooi uitzicht over het haventje. In het sluisgebouw staan enkele herinneringsteksten gemetseld:

Mit dem bau der Deiche - ca 1000 n Chr. wurden für die entwässerung des binnenlandes Siele erforderlich.
Aus dem Jahre 1546 ist der neubau eines Sieles in Ditzum, damals aus holz, überliefert. Das erste massive Siel aus Ziegelsteinen wurde 1752 errichtet. Dieses Siel wudrde 1891 abgebrochen und an gleicher stelle, auf der alten pfahlgründung, das noch heute erhaltenen und im binnenhaupt und gewölbe unverärte grösseren Siel gebaut.
Zum besseren schutz gegen Sturmflutten wurde das Siel im aussenhaupt verlängert und verstärkt.
Diese arbeiten wurden 1985/86 im rahmen des neuen Sturmflutschutzes für die ortslage Ditzum ausgeführt.

"Nach schweren sturmfluten entstand aus besiedelter landschaft ein gezeitenmeer: Der Dollart (1362-1509). Ostfriesische und Niederländische anrainer wagten eine neue existensz: Die Wattfischerei.
Bis mitte des 20. Jahrhunderts trugen frauen den Dollartfisch weitin in Stadt und Land. Tragejoch un Frachtkörbe waren ihre kennzeichen.
Die Skulptur "Tant' Dientje" im Fischer- und Fährhafen Ditzum erinnert an den Frauenalltag am Dollart."

de Wikipedia in Plattdüütsch gebied van het Plattdüütsch Even verderop zien we het Eems-pontje Ditzum-Petkum binnenkomen. Hierop kunnnen ook enkele auto's, maar is voornamelijk bestemd voor fietsers en wandelaars. Aangezien wij de hele polder gaan rondrijden, maken wij dan ook geen gebruik van dit pontje.
We liepen het rondje in het dorp af en gingen nog even iets drinken bij dat lüttje Café. Aan de achterzijde hadden we het bord "Tee is klor" gezien. Met de man van het café even gesproken over het bord. Het gaat om een aan het Gronings verwante Plattdüütsch (of plattdeutsch, Nedderdüütsch). Op de site van het cafe staat in het Plattdüütsch een gedicht van Enno Wilhelm Hektor.

Hierna reden we door naar Pogum en bij Dyksterhusen gingen we even op de dijk kijken naar de Dollard.
Bij Heinitzpolder reden we door de oude dijk. Op de foto kun je de beveiliging voor hoog water nog zien zitten.

Even verder zagen we Nederland alweer opdoemen en konden het niet laten om even naar Nederlands grondgebied te lopen, want met de auto gaat dat niet: Nieuwe Statenzijl.
Hier loopt het water van de Westerwoldse Aa door de sluis de Dollard in. De Dollard/Dollart is een belangrijke kraamkamer voor brakwatervissen en Noordzeevis. Daarnaast is het een belangrijke tussenstop voor de trekvogels. Hiervoor staat -als enige in Nederland- een vogelkijkhut "de Kiekkaaste" buitendijks. Het pad ernaartoe is een vernoeming naar Marcellusvloed van 1362: Marcelluspad.
9-12-2011
Hoog water Nieuwe Statenzijl Hoog water in december 2011 in dit Dollard-gebied. Konden we deze zomer door het riet naar het Kiekkaaste lopen, door vloed met opstuwende wind vanaf de Noordzee gaat dit nu niet. Zie ter vergelijking de vakantiefoto 'Kiekkaaste bij Nieuwe Statenzijl' hiernaast. Het bordje van het pad staat bijna onder water. We hebben hier slechts te maken maken met een verhoging van ongeveer 1½ meter.
9-12-2011
Hoog water Nieuwe Statenzijl
bij het Kiekkaaste Multi-instrumentalist Bert Ridderbos, maker van deze foto's ziet echter ook een heel ander probleem van deze verhoging. En deze zit aan de binnenkant van dijk. Als de zeewaterstand hoger is dan de kanaalstand kan het water niet gespuid worden. En er is sinds 1 december nogal wat hemelwater gevallen. Dit water komt binnen 3 à 4 dagen hier naar toe. En dus stijgt hier in het kanaal ook de waterstand.
Als de wind (en dus het opstuwen) niet afneemt kan er niet gespuid worden en zal uiteindelijk het water over de polderdijk komen. Gelukkig is de wind afgenomen en de zeewaterstand gedaald, zodat het overtollig binnenwater geloosd kan worden.
zie ook Literatuurparagraaf Eb en Vloed Op het informatiebord van het Groninger Landschap staat verder ook een waarschuwing te lezen vanwege dit buitendijkse pad: Aangezien het eb en vloed hoogteverschil hier 3 meter is wegens komstuwing, moet men bij storm of zeer harde westen of noordwestenwind op de dijk blijven. Bij normaal weer is het pad ook bij vloed begaanbaar. Mocht men overhoopt toch overvallen worden door hoog water, blijf dan veilig in het Kiekkaaste totdat het water weer zakt.
Bij de sluis stond ook het gedicht/lied van Ede Staal: Nij Stoatenziel.

Na dit Gronings uitstapje liepen we weer terug naar de auto en reden via de diverse polders naar Bunde. Hier namen we de autosnelweg om via de tunnel onder de Eems naar de andere kant te komen.
Aangekomen bij de 70 gingen we naar Neermoor, waar we de L2 pakten om weer naar de Eems te rijden. En zo reden we door Terborg, Middelsterborg, Woltersterborg, Rorichem, Oldersum, Gandersum, Petkumer Münte, Petkum, Jarßum en Borssum en kwamen we aan in Emden. Gezien het tijdstip, leek het ons het moment om hier een hotel te zoeken. We reden door het centrum en zagen dat er genoeg hotels voorbij kwamen. We reden het vestinggedeelte weer uit en kwamen op de Auricher Straße Hotel Kronprinz tegen. Dit leek ons wel iets. We waren nog niet echt ver uit het centrum, dus daar konden we zo naar toe lopen en het was hier al gratis parkeren, dus op verlopen parkeerkaartjes hoefden we ook niet te letten.
We checkten in en konden de auto op het terrein achter het hotel parkeren.

En vervolgens liepen we terug naar het centrum, om een restaurant te vinden.
Onderweg kwamen we een boekhandel tegen en zochten we een centrumplattegrond van Emden. "Zo groot is Emden niet," kregen we te horen van het personeel en namen we een algemene plattegrond van Emden. Ondertussen was ook onze interesse gewekt door een tafel met boeken, kaarten ed over Ost-Friesland. Daar moesten we de volgende dag maar even naar gaan kijken. Als advies kregen we mee om te gaan eten op het Feuerschiff Restaurant, wat tevens ook een museum was. Ook kregen we uitleg waar het Ostfriesische Landesmuseum zat.
We liepen de winkelstraat verder uit en zagen het schip liggen. Gezien het menu konden we hier wel eten.
Omdat het nog vroeg was, liepen we langs de promenade terug richting de kerktoren. (Aangezien de kerktoren meestal in het midden van het dorp of stad ligt, lopen we daar meestal ook naar toe er van uit gaande dat het ook het midden is.) Via Am Delft en Große Straße kwamen in de Kirchestraße en bij de Große Kirche Emden, tegenwoordig huist hierin de Johannes A Lasco Bibliothek. Ook hier lag een kerkhof en daarop zijn we gaan kijken. Ook hier vonden we Nederlandse namen en weer bijna geen oude graven. Van een aantal had ik het idee, dat de namen me bekend voorkwamen en deze heb ik voor de zekerheid maar gefotografeerd.
Vervolgens liepen we via de aangeduide "Altstadt" terug, maar tot onze grote verbazing kwamen we welgeteld 2 oude gebouwen tegen. Tegenover de kerk hadden we nog een betonnen blokkedoos gezien vol met grafitti. De rest was allemaal lelijke jaren 50-60 "nieuwbouw". Vreemd.
Nu gingen we maar eens richting de Georg-Breusing-Promenade en traden we aan boord van de voormalige Brandweerboot "Amrumbank", waar we gingen eten. Na het eten gingen we nog even in Grand Café Am Stadtgarten een paar lekkere koffies drinken.
Na de koffie teruggewandeld naar het hotel, waar we al tegen 22:00 gingen slapen. We waren kennelijk erg moe.

14:15 de molen in Ditzum

14:16 de kerk in Ditzum

13:58 de 'siel' of zijl van Ditzum

14:30 haven van Ditzum

14:28 "Tant' Dientje" bij de zijl te Ditzum

14:41 auto en fietspontje van Ditzum

15:14 op de dijk bij Dyksterhusen

15:31 de dijk bij Heinitzpolder, met afsluitbare weg.

15:43 Nieuwe Statenzijl

15:31 Kiekkaaste bij Nieuwe Statenzijl

18:02 Jantje Vis
Emder Fischermädchen

18:05 1887-1956
"Peterke"
Emder Strassenfegerin

18:18
Große Kirche te Emden

18:34
"Amrumbank" te Emden

19:28
tafel "Amrumbank" waaraan we aten

19:28
vanuit "Amrumbank"

20:53
Hotel Kronprinz te Emden

Nij stoatenziel

Nij Stoatenziel, doe bist mien end en mien begun
Doe bist mien moan, en doe bist ook mien zun
En bie leeg wotter spaigelt Dollerd zich in 't sliek
Nij Stoatenziel, doar wil ik strunen achter diek, oh joa
Nij Stoatenziel, doar wil ik strunen achter dien

Vlak achter Drijburg in mien mooie polderlaand
Ligstoe te dreumen aan die gruine diekenraand
En in November zai 'k de ganzen in heur vlucht
Ze schreven dien noam tegen de strakke blauwe lucht, oh joa
Ze schreven dien noam tegen de strakke blauwe lucht

Nij Stoatenziel, veur wel de rust en roemte wil
Doar staait 't tij en sums de tied nog even stil
En bie leeg wotter spaigelt Dollerd zich in 't sliek
Nij Stoatenziel, doar wil ik strunen achter diek, oh joa
Nij Stoatenziel, doar wil ik strunen achter diek
Nij Stoatenziel, Nij Stoatenziel
Nij Stoatenziel, Nij Stoatenziel...



Ede Staal
In Oostfreesland is't am besten

In Oostfreesland is't am besten
over Freesland geit der nix!
War sünd woll de Wichter mojer,
war de Jungse woll so fix?
In Oostfreesland mag ik wesen,
anners nargens lever wesen,
over Freesland geit der nix.

Nargens bleiht de Saat so moje,
nargens is de Buur so riek,
nargens sünd de Kojen fetter,
nargens geiht de Ploog so liek,
nargens gifft't so feste Knaken,
weet man leckerder to maken
Botter, Kees' un Karmelkbree.

Nä,'t is nargens, nargens bäter
as war hoch de Dieken staan,
war up't Eiland an de Dünen
hoch herup de Bulgen slaan;
war so luut de Nordsee bullert,
war ji könen up de Dullert
Dreemast-Schepen faren seen.


War in'd Wagen Törf un Kienholt
worden haalt van't Hochmoor her;
war de ganse Welt sück lüstig
makt up't Is bi't Eierbeer;
war s' int Feld mit Kloten scheten,
wor se Bookweit-Schubbers eten,
Harm up Freersfoten geit.

För Oostfreesland, för Oostfreesland
laat ick Blot un Leven geern,
was'k doch man weer in Oostfreesland,
war so mennig söte Deern!
In de Frömde wünsk ik faken:
Kunk doch Moders Breepott smaken;
sat'k doch weer in 'd Hörn bi't Für!



Enno Wilhelm Hektor






Dag 2: van Emden naar 'Großes Meer' Südbrook-
merland

Vanwege het vroege slapen, waren we ook weer bijtijds wakker en zo zaten we al fris en fruitig om 7:30 uur aan het ontbijt.
route tot 'Großes Meer' Südbrookmerland k  a a r  t  2 kaart in Google Maps
08:03 vroeg aan het ontbijt

08:03 bijzondere aankleding

Heleen had gisteren al een aantal grappige bijzonderheden in de hal waargenomen. Ook in de ontbijtzaal zaten er een aantal. Zo hing er een bord met 'Versugslabor' op de deur naar de keuken en hadden ze tussen de gebruikelijke schilderijen ingelijste kindertekeningen opgehangen. Kortom, doe maar gewoon hoor, dat doen wij ook.
Na het ontbijt onze spulletjes weer in de auto geladen en uitgecheckt. De auto een straatje verderop geparkeerd, omdat we nog naar het Ostfriesische Landesmuseum wilden. Hieraangekomen bleek deze echter pas om tien uur open te gaan. Dus liepen we het winkelstraatje "Bruckstraße" maar verder door tot aan de Rote Mühle. Onderweg kwamen we nog een houten zeilschip tegen in de haven en de Neue Kirche Emden. Ook rondom deze kerk lag een kerkhof en we zijn dan ook hier even over heen gelopen.
Een van de eerste opvallende stenen was beschreven in het Nederlands:
09:22 Opregtheid die
geen schuld verbloemt,
In niets dan in
genade roemt,
Bezield hem voor
Gods oogen.
Met raad en daad
voor land en kerk,
Bedreef hy yv'rig
's Heeren werk.
Zocht Jezus te verhoogen
Zyns Heilands wekstem
wacht hy af,
En ryst dan heerlyk
uit het graf.

******

Beeldhouwwerk: 2 neerwaarts gekruisde brandende fakkels
----
Let op den vromen
en ziet naar den
opregten,
want het einde
van dien man
zal vrede zyn

Ps.37 vs.37
----
Beeldhouwwerk: gekruisd kruis en anker bijelkaar gehouden door drinkbeker

*******

09:22 Beeldhouwwerk: vlinder
-----
Hier rust
het stoffelyk deel
van den
WelEerwaarden Heer
Henricus Johannes
Hitjer
in leven Bedienaar
des H.Evangeliums;
geboren te Emden
den 17 Febr. 1798,
en gestorven aldaar
den 11 Mei 1843.

*******

DANKBARE LIEFDE
PLAATSTE
DIT MONUMENT.


09:39 Archeologische opgraving in de Neue Kirche Emden

Ook hebben we even binnen gekeken, maar in de kerk werd het binnenwerk gerenoveerd. Ook was er een technicus voor archeologisch onderzoek bezig om de bodem uit te spitten.
Hij had nog niets bijzonders gevonden. Op het moment dat ik binnenkwam, was hij tot de laag van de brand gekomen. Brand ontstaan na bombardement in WOII. De kerk was compleet verwoest. Alleen de buitenmuren stonden nog zo'n 2 meter hoog.



Hierna brachten we een bezoekje aan het Ostfriesische Landesmuseum. Het ging mij in eerste instantie om te kijken of ze hier ook de geografische kaart van de Dollard hadden, die ooit in het raadshuis van Emden had gehangen. Ze bleken nog veel meer te hebben. Yes! Ook de andere verdiepingen lieten een mooi beeld zien.
We begonnen helemaal bovenaan: uitzicht over Emden.
10:11 10:12
10:13 10:13

Vervolgens zakten we af naar de 4e verdieping: de Emder wapenkamer. Als je dit gezien hebt moet je de beelden die je uit alle films die je gezien hebt bijstellen, want dit zijn toch werkelijk iets andere wapens dan die ik normaal gesproken op het doek zie. Gelukkig is dit allemaal bewaard gebleven. Want toen we de 3e etage bekeken hadden, begrepen we waarom Emden eruit zag, zoals ze er uitziet. In WOII was Emden met de grond gelijk gebombardeerd. Op een enkel gebouw na, lag het helemaal in puin. Het was erg triest om te zien hoe een verwoeste stad eruit ziet in bewegend beeld. Je kunt bijna de stank en brandlucht ruiken. En dit alleen maar, omdat een aantal mannetjes niet weten hoe ze met macht moeten omgaan. Triest, diep triest!
.....

11:24 Weer een verdieping lager, zagen we diverse schilderijen, van personen, van schepen en van landschappen etc.
Hier een schilderij "landschap in de storm" van olieverf op hout uit 1640 van Maerten Fransz. van der Hulst (1605-1645), een Leidenaar.
Een mooi beeld hoe de dijken met siel er in die tijd uitzagen.

Ook kwamen we hier naast handschriften, oude gedrukte boeken tegen. Een titel en auteur wil ik hier toch even noemen:
* Korte Bekendtnisse der christlicken Lehre / Menso Alting (1541 Eelde - 1612 Emden)

Op de eerste verdieping werd het vroegere leven verbeeld in een mooie maquette. En op de begaande grond was een zaal ingericht met lades met prachtige kaarten. Aangezien het bijna onmogelijk is hiervan goede foto te maken (glasplaat, licht) wil ik toch een plaatje tonen, die de werking verbeeldt van een siel. Deze afbeelding is een uitsnede van een kaart van Johann Baptist Homann 1718 en verbeeldt de stormvloed van 25 december 1717. Helaas is de tekst niet te lezen. Gelukkig kwam ik naderhand een prachtig kaartenboek tegen.

entreebewijs Ostfriesische Landesmuseum Intussen was het middag geworden en werd het tijd voor een terrasje met lunch. Dezelfde waar we gisteravond nog even een koffie hadden gedronken.
Na de lunch wilde in nog even in de Große Kirche in de Johannes A Lasco Bibliothek kijken, omdat het een bibliotheek is en omdat er vanuit het Ostfriesische Landesmuseum naar verwezen werd. Daar aangekomen, bleek het pas later in de middag open te gaan. Jammer.
Wel konden we nog een foto maken van het lelijke betonnen blokkendoos, wat dus een bunker voor de bewoners bleek te zijn.

Op de terugweg naar de auto, kwamen we de boekhandel weer tegen en daar wilden we nog even scoren.

boektitel met link naar uitgever Frisia Orientalis : Alte Karten und Geschichte von 1550 bis 1800 / Lutz Albers
ISBN 978-3-939870-84-5











boektitel met link naar boekhandel Ostfriesland : Vom Leben unserer Vorväter zwischen Meer und Moor / Jan Tjaden
ISBN 978-3-937843-23-0
De heer Tjaden neemt ons mee, in zijn ontdekkingstocht naar zijn voorouders. Hij probeert zijn familie met deze achternaam te achterhalen in Ost-Friesland. En zo komt hij ook langs plaatsen in het verdronken Dollardland, maar ook in Appingedam en het vroegere (punt van) Reide. Onderwijl verhaald hij interessante wetenwaardigheden over de omgeving, geschiedenis, ((belang)rijke) mensen en gebruiken. Zo geeft hij als reden voor het dragen van een gouden oorring door zeelui: mochten ze dood aanspoelen na schipbreuk geleden te hebben, dat ze dan met deze oorring een christelijke begravenis kunnen betalen.
Zo wijdt hij vanaf pagina 111 tientallen pagina's aan een verklaring voor de piraterij of zeeroverij op de Oostzee en de verdere gevolgen. Veroorzaakt door rivaliteit tussen koningin Margaretha 1353-1412 (Denemarken en Noorwegen) en de Koning Albrecht van Mecklenburg (Zweden). Door een zeeblokkade (later kwam haar opvolger de achterneef Erik van Pommeren op het idee om tol te heffen, de Sonttol 1429) op te zetten, probeerde ze Zweden dmv uithongering onder druk te zetten. Echter de hoofdstad Stockholm hield stand, mede door hulp van ene Fries Klaus Störtebeker uit Friesland of Groningen (Termunten) die met zijn clubje de Likedelers (gelijkdelers), de schepen van de Denen beroofde en deze voorraden (de victualiën) afdroeg aan Stockholm en zo kregen ze de bijnaam Victualiënbroeders.
En door deze Sonttol-registers ben ík weer in staat om de Oostzeereizen van mijn eigen voorvaderen, bijvoorbeeld Klaas Piebes, te traceren.
Op pagina 110 beweert Tjaden, dat de Cirksenas met hulp van de Hanse, Ostfriesland weer enigszins gestabiliseerd kreeg ten opzichte van de zeekapingen en dat de boeren weer een beetje vertrouwen kregen in de Friese vrijheid.
Daarnaast presenteert hij op pagina 108 naast het reeds bekende groet 'Eala fria Fresena' en nieuwe "het ghilt eele frye fryse". Deze groet levert op het internet slecht één document op, en geeft dan ook nog geen vertaling. Wel wordt in dit gevonden "It aade Friesche Terp; of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen" van J. van Leeuwen (ed) en Johannes Hilarides (toegeschreven auteur 1677) het verhaal van de Upstalsboom verteld, waar deze groet werd gebruik: Daar vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom, en zingen haar volkslied:
»Mayboom, Mayboom, holt die faste,
Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!”

Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp, dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel liggen twee akkers, nog de Wandelakkersgenaamd, waar men wil, dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor een ’geharnasd’ man, met eene spies in de regter en een zwaard in de linkerhand, staande onder een’ bladerrijken boom. Het groote doel dezer landdagen was,—zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,—om in het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo noodig te verbeteren.
(pagina 400-401)
Een nieuwe vinding zo rond 1350 te Bremen, heeft de Friezen ook geen goed gedaan. Tjaden haalt op pagina 83 Ubbo Emmius aan die hierover schrijft: Dies war die Zeit, da die Bremer ihren Gerstensaft, den sie Bier nenne, als erste von allen nach Friesland und in andere Gebiete. (...) Wirklich zum großen Schaden Frieslands, denn man kauft diesen Stoff für maßlose Verschwendung ebenso begierig wie teuer.
Later (1530), wanneer andere steden ook het brouwen onder de knie hebben, loopt het volledig uit de hand. De inwoners van Emden ruilden al hun producten als vis, boter, bonen en vee tegen rogge, wijn en bier. Ze verdronken het en sloegen elkaar -in een roes- de hersenen in.


boektitel met link naar boekhandel Die Friesen : Das Volk am Meer / Franz Kurowski
ISBN 978-3-868200-18-8













Google fulltext Ostfriesland: Oldenburger Land / Sven Bremer
Dumont Bildatlas 2
ISBN 978-3-7701-9232-8











boektitel met link naar de uitgever TravelMag Das Reisemagazin : Deutsche Nordseeküste / Friederike von Bülow
Kunth-verlag
ISBN 978-3-89944-504-6








boektitel met link naar de uitgever Einzigartiges Ostfriesland / Fritz-Dieter Köpcke
Isensee verlag
ISBN 978-3-89995-762-4












boektitel met link naar de uitgever So schön ist Ostfriesland / Ewald Christophers, Michael Meadows, Mireille Patel, Dirk Rademaker
Sachbuchverlag Karin Mader
ISBN 978-3-921957-84-4





Nadat we bij de auto aangekomen waren, konden we ons opmaken voor het vervolg van de reis. We zouden Emden verlaten en een volgend hoogtepunt gaan zoeken: de Upstalsboom.

Volkskrant artikel
Volkskrant-artikel van 4 juni 2011 met ISAN 201106049044220711 handelt toevallig over de scheve torens van de Walfriduskerk te Bedum, de toren van Pisa en deze in Suurhusen.
We reden over de 210 Emden uit en als eerste kwamen we Suurhusen tegen. Wereldberoemd vanwege de Evangelisch Gereformeerde kerk die behoorlijk uit het lood staat. Het claimt dan ook met "Der schiefsten Kirchturm der Welt" de scheefste te zijn. 5,19 graad was de stand volgens de eigen site in januari 2007. We waren de discussie over de scheefste ook al tegengekomen tijdens ons tripje in Noord-Groningen. Dus als toerist even het dorp in gereden, om een plaatje te schieten en vervolgens weer verder langs Loppersum (ook een wierde plaats die we in Groningen zijn tegengekomen). Even naar Georgsheil sloegen we rechtsaf verder het Südbrookmerland in. We reden door het dorpje Theene en bij Westerende Holzloog gingen we linksaf de L1 op richting Aurich. Hier op het hoekje staat een mooi voorbeeld van het metselwerk, zoals de huizen hier er vaak uitzien.
Vervolgens kwamen we door Weeringerhorn en Westerende Kirchloog. Hierna moesten we even goed opletten tot we iets zagen met Upstalsboom. Eerst zagen links een hek met daarop Upstalsboom en vervolgens ook aan de linkerkant een straat met de naam "Am Upstalsboom". Hier schoven we langzaam in en we kwamen al snel op een klein zanderig parkeerplaatsje.
Uiteraard begon het nu spannend te worden.
Gedenkteken plaats Upstalboom Geschiedenis der Zeventien Nederlanden / P.H. Witkamp Ik had in een geschiedenisboek van P.H. Witkamp met de titel Geschiedenis der Zeventien Nederlanden, deel III. - Arnhem-Nijmegen, gebrs. E.&M. Cohen, 1882 op pagina 625 een afbeelding gezien van het gedenkteken.
Maar waar gaat het nu eigenlijk om?
Zoals we op de afbeelding kunnen lezen, gaat het hier om een 'Gedenkteken ter plaatse van de Upstalboom bij Aurich' uit 1870. Volgens Witkamp p.626: Voor het vierde Zeeland was die werf aan de bekenden Upstalboom bij Aurich, een aangenaam woud aan de zuidwestzijde der Oostfriesche hoofstad. De werf was beroemd, doch er is geen voldingend bewijs voor het beweren, dat die plek het middelpunt van alle Zeelanden is geweest.
Op het huidige herdenkingsteken staat het volgende: Auf der Versammlungs Stäte ihrer Vorfahren, dem Upstalsboome, errichtet von den Ständen Ostfrieslands im Jahre 1833.
Op een informatiebord staat het volgende te lezen:
Upstalsboom
Grabhügel und Versammlungsplatz im Mittelalter
Auf der höchsten Stelle des Sandrückens, der sich hier östlich der einst bei Emden in de Ems mündenden Eha (Aa) erstreckt, sind bei Vorarbeiten für den Bau eines geplanten Denkmals 1815, bei den Bauarbeiten der heutigen Pyramide 1833 und bei archäologische Untersuchungen um 1990 Metallgeräte und Tongefässe gefunden worden, die nur aus frühmittelalterlichen Gräbern stammen können.
Ein rheinisches Importgefäss sowie ein aufwendig geschmiedetes und reichhaltig verziertes Schwert sind Kosbarkeiten, die auf mindestens zwei, um 800 datierte Gräber sozial hochrangiger Persönlichkeiten vermutlich in einem Hügel hinweisen.
Auf Grund der Funde ist eine Besiedlung und Bewirtschaftung des Sandrückens seit dem frühen Mittelalter anzunehmen.
Upstalsboom, älteste bekannte Ansicht
von C.B. Meyer (1790)
Mit Upstalsboom wurde in Mittelalter ein Pfahl oder Mal aus Holz (Boom) in einem für eine Versammlung von Mensche oder Vieh eingefriedigtem Stück Landes (upstal) bezeichnet. Nach der Überlieferung des 16. Jahrhunderts befand sich an dieser Stelle derjenige Upstalsboom, bei oder vor dem sich im Bedarfsfall Abgesandte der freien Frieslande zwischen Lauwers bzw. Zuidersee (NL) und Underweser, die im Mittelalter einen Bund der sog. Sieben Seelande bildeten, in der Regel am Dienstag nach Pfingsten versammelten, um gemeinsam für die Verteidigung der Freitheit und Bewahrung des Friedens zu sorgen. Dieser Bund trat ersmals Mitte des 12 Jahrhunderts und zum letzen Mal 1361 in Erscheinung. Der Upstalsboom wurde auch über das Mittelalter hinaus zum Symbol der Friessischen Freiheit und Einheit.
Gedenkteken plaats Upstalboom 1368

Witkamp beschrijft op p.624 het gebied der Friezen tot de tiende eeuw: in eerste instantie zou het gaan om het gebied tussen de Rijn en de Eems. Nadat de Romeinen van het toneel waren verdwenen ging de uitbreiding naar het zuiden tot het Nauw van Calais en naar het noorden tot aan Jutland. Ook gingen ze naar Groot-Brittannië. Ten tijde van Karel de Grote werd het gebied van de Friezen weer gereduceerd.
Witkamp beschrijft op p.626 de 7 gewesten:
1e Zeeland: tussen Reekerwad en het Vlie.
2e Zeeland: tussen Vlie en de Lauwers.
3e Zeeland: tussen Lauwers en de Eems.
4e Zeeland: tussen de Eems en de Weser.
5e Zeeland: tussen de Weser en Elbe.
6e Zeeland: tussen de Elbe en Eider.
7e Zeeland: tussen de Eider en Konings-Aa (of Kong-Aa).

Daarna werd de druk (ook religieuze) van alle kanten groter en verliezen de Friezen langzaam hun vrijheid en eigenheid in hun gebieden.

het Oera Linda boek
Tijdens het speurtochtje op internet kom ik een verwijzing tegen van een geclaimd oudste Fries document, waarin de 4000 jaar oude geschiedenis beschreven staat. Hier wordt al ruim 150 jaar onderzoek naar gedaan. Opmerkelijk!
Wat heeft wikipedia te zeggen over de Upstalsboom/Opstalboom/Upstalbeam/Opstallisbaem:
de.Wikipedia (Duits/Deutsch)
nl.Wikipedia (Nederlands)
fy.Wikipedia (Fries/Frysk)
nds.Wikipedia (Saksisch/Nedersaksisch)
nds-nl.Wikipedia (Plat-Duits/Plattdüütsch)
stq.Wikipedia (/Seeltersk)

Dus resumé: op de 1e dinsdag na Pinksteren kwamen de vrije Friezen van de zeven Zeelanden tussen (ongeveer) 1150 en 1361 (dus ruim 200 jaar) hier bijeen om de vrede te bewaren en de vrijheid te verdedigen.

Na dit opmerkelijk uitje, rijden we door Aurich. We gaan hier tevens een hotel zoeken. Gelukkig staan de bordjes "Hotel-route" ruim van te voren voor ons klaar. Dapper volgen we het bordje. We komen echter niets tegen. Iedere keer worden we het voor auto-verkeer doodlopende centrum ingedreven. En dat willen we niet, omdat daar veelal de duurdere hotels staan. Dus we een poging de stad uit, maar ook daar komen geen hotel tegen. Dan maar weer de weg terug, en volgen een ander bordje. Hier kwamen een hotel tegen, vlak naast een sexshop. Dat leek ons dus ook niet echt iets.
Dus toch maar het centrum in. Echter, de 1e hotel was vol. De 2e hotel was ook vol. Dus maar geprobeerd bij een kroeg die ook kamers had. Maar ook deze was vol. Dit vonden we toch wel erg vreemd. Op naar de VVV die daar naast stond, om te vragen of zij nog een slaapplaats wisten. Ze wisten ons te vertellen dat er in heel Aurich vandaag geen slaapplaats meer te vinden was. Vreemd genoeg morgen wel. Maar ze verwezen op door naar een hotel aan het grote meer (Großes Meer). Dat was dus weer terugrijden richting Emden. Maar ja, we moesten natuurlijk ergens slapen en dus op naar Hotel Landhaus aan de Großes Meer (wel grappig eigenlijk. Normaal heet een zee Meer in het Duits en andersom, maar in Ost-Friesland dus even niet.)
Daar aangekomen was het wel tijd voor een pilsje/wijntje op een zonnig terras.
Aansluitend binnen het diner genuttigd. En omdat het toch een vermoeiende dag was, ben ik toch maar een powernapje gaan doen. Heleen volgde later ook. We werden tegen 22:30 uur weer wakker. Tja, 't werd een powernap.
Dus toch maar nog maar even een korte avondwandeling langs het meer gemaakt. En dik uur later maar weer echt gaan slapen.

08:36 kamer

08:36 badkamer

08:36 Algemene ruimte 2 etage

09:08 houten zeilschip

09:16 Rote Mühle Emden

09:16 Neue Kirche Emden

09:16 de kleurrijke kroon van de toren van de Neue Kirche Emden

09:20 oostdeur Neue Kirche Emden

09:32 westdeur Neue Kirche Emden

11:46 Emder wapenkamer

11:33 wierde

11:34 vernietigende storm met overstroming

12:05 werking van een siel

12:41 terrasje Emden

13:44 WOII bunker Emden

14:57 de scheve toren van Suurhuusen

20/7 12:28 huis met mooi metselwerk te Westerende Holzloog

15:33 Upstalboom

15:34 Upstalboom

15:34 Upstalboom

15:45 pad vanaf Upstalboom

15:51 Upstalboom

15:51 Upstalboom

18:37 hotelkamer Hotel Landhaus

19:16 seelachs

19:16 grillteller

20:21 zwaluwen op het dak van Hotel Landhaus

22:37 de avondnacht aan de Großes Meer






Dag 3: van 'Großes Meer' naar Norden
Vanochtend waren we ook weer bijtijds wakker en reden na het gebruikelijke ontbijtje naar Aurich. We parkeerden de auto gratis op een parkeerterrein bij een niet meer in gebruikzijnde hotel.
route tot Norden k  a a r  t  3 kaart in Google Maps
10:06 Landgericht Aurich

Via de Filosofenweg kwamen we uit bij een prachtig Justitiegebouw: Landgericht. Via de Burgstraße kwamen we in de winkelstraat van Aurich. Het Historisches Museum Aurich was helaas nog gesloten, maar er moest natuurlijk toch even een foto gemaakt worden "als ridder".
Hiervoor moest ik me natuurlijk nog even bemoeien met een stel op een bankje. We liepen de winkelstraat helemaal uit en liepen via een zijstraatje Wallstraße naar de Marktstraße. Hierna gingen we via de Markplatz en Norderstraße naar de Nürnburgerwal. En zo kwamen op de Kirchstraße langs het hotel waar we gisteren ook waren. Hier staat ook een mooi pand van de Ostfriesische Nachrichten.
Na een bakje koffie gingen we maar weer eens richting auto. Heleen had in één van de vele gekochte reisboekjes gelezen dat we ook nog hier naar de begraafplaats moesten. Ik had op een kaart gezien dat ergens een doodlopend steegje was, dus we reden het Krähennestergang in, waarna we makkelijk de begraafplaats konden bezoeken, op zoek naar het mausoleum van Cirksena.
Maar eerst liepen gewoon kris-kras over de begraafplaats en ook hier staan nog redelijk veel Nederlands-achtige namen. Voor mij was de naam Nolte weer een bekende.
Maar waar was het mausoleum van Cirksena? We zochten eigenlijk naar een niet zo groot gebouw, maar het enige gebouw dat op deze begraafplaats stond was wel groot. Ik ging er vanuit dat dit gebouw gebruikt werd voor de rouwdienst. Maar na het lezen van het bord, bleek dit dus het mausoleum van de Cirksena's te zijn. Oké.
Op het bord staat het volgende te lezen:
Neoromanischer Zehneckbau mit Kuppelgewölbe
Erbaut 1875/76 vom Auricher Mauermeister Gerhard Neemann
Seit 1880 Ruhestätte der Grafen- und Fürstenfamilie Cirksena von Ostfriesland
Vorher Grabkeller unter der Lambertikirche
Detaillierte Informationen erhalten Sie im Historischen Museum, Aurich, Burgstr. 25

Helaas waren we niet in het museum geweest.

WIKI Categorie:Geschiedenis van Friesland WIKI Kategory:Skiednis fan Fryslân WIKI Kattegerie:Geschiedenis van Frieslaand WIKI Kategorie:Fräiske Geschichte WIKI Categorie:Geschiedenisse van Friesland In de Friese geschiedenis canon staat Edzard Cirksena (1462-1528) ook genoemd als 1e die in staat was om een soort van staatsvorm te creëren van Friesland. Wat dus eigenlijk ook het einde van de Friese vrijheid was.

Na het Mausoleum reden we het land in waarin zij leefden. En om iets van die tijdgeest mee te krijgen reden we door het Südbrookmerland naar Moordorf waar ook een Moormuseum gevestigd is. We reden de stad Aurich uit via het westen (210) en sloegen bij Extum af. In dit dorp slaagden we er in om toch enigszins te verdwalen (voor zover wij kunnen verdwalen). Na diverse nieuwbouwwijken gezien te hebben bereikten we de grens van het dorp en bereikten we via het buurtschap Rahe de L1. Ik wilde deze weg nog een keer berijden, om een reeds getoonde foto te maken, van het mooi gemetselde huis te Westerende Holzloog. We sloegen rechtsaf bij Weeringerhorn en volgden de weg door Neu Barstede. Uiteindelijk kwamen we bij het Moormuseum uit, althans er zat nog een kanaal tussen ons parkeerplaats en het museum. Gelukkig hadden ze een brug over de Abelitzkanaal gemaakt.
Moormuseum Moordorf : Leitfaden für die Besucher des Freilichtmuseums Moordorf Het Moormuseum van Moordorf is niet overdreven groot, maar wel erg leuk om gezien te hebben. Je krijgt in ieder geval een goed beeld de behuizing en hoe deze gemaakt zijn. Ook krijg je uitleg over hoogveen en laagveen.

Bij de intree krijg je eerst een minimuseum en daarna loop je over het pad naar buiten langs hoe je een muurtje bouwt en vervolgens de daken. Daarna komen de verschillende modelhuizen, ingericht naar de laatste mode van toen. Wat opvalt is dat de huizen erg donker van binnen zijn.
Na het laatste huis werd het hoog tijd dat er geluncht werd. Gekozen werd voor heerlijke ouderwetse gerechten: Dikke rijst met kaneel en bruine suiker, hier bekend onder de naam Milchreis mit Zimt und Zucker, in het Nederlands rijstebrij.

Gelaagd landschap link naar uitgever
(Gelaagd landschap : Veenkolonisten en kleiboeren in het Dollardgebied / Henny Groenendijk en Rolf Bärenfänger. - Archeologie in Groningen 5. - Profiel Uitgeverij, Bedum. - ISBN 978-90-5294-424-1. - p.59-61)
We reisden weer verder. Eerst weer de weg terugrijden naar de 210, deze vervolgens volgen naar Georgsheil, waar we rechts afslaan en over de 72 richting Marienhafe. Links zien we een dorpje op een wierde, waar we eigenlijk even door hadden moeten rijden, genaamd Alt Siegelsum (met straatnamen als Diekweg en Karkpad) voorbij. Voor Marienhafe sloegen we linksaf de L26 op. We kwamen door Wirdum, Grimersum en Eilsum (allen op een wierde?, het lijkt er wel op). Onderweg zagen we in Wirdum nog een boerderij gebaseerd op de 'Friese schuur'. Ik had in "Gelaagd landschap" hierover het een en ander gelezen. Een mix van de Oldambster boerderij en Reiderlandse Gulfhaus. Deze met wel 3 'krimpen' en extra ramenpartij voor de zaadzolder, oogt dan ook enige luxe, volgens de toen geldende maatstaven.
Bij Grimersum reden we langs landbouwgrond. Links van de weg zagen we, als je dit landschap leest, een wierde liggen. Nu is het onbebouwd, maar het lijkt er sterk op dat hier ooit iets heeft gestaan.
Bij Eilsum gingen we naar Greetsiel, waar -zoals we nu weten- de Cirksema's vandaan kwamen. Maar ook Ubbo Emmius (5.12.1547-9.12.1625 Groningen) kwam uit Grietjezijl of Grietzijl.
Met Ubbo Emmius' grootste werk "Rerum Frisicarum historiae libri 60" - de zestig boeken van de Friese geschiedenis en als pleitbezorger van het recht op verzet van de bevolking tegen de (toen al ontstane) overheid, neemt hij een bijzondere plaats in.

Kan hieruit geconcludeerd worden, dat de Friese Vrijheid in de periode al volledig is verdwenen, maar dat de behoefte er nog wel is?

Greetsiel heeft zich ontwikkeld tot een toeristisch oord. Naar onze smaak iets te toeristisch. De omgeving van Greetsiel vond dat kennelijk ook, want in de wijde omgeving, kwamen we protestborden tegen die tegen uitbreiding van het toerisme in Greetsiel waren. We besluiten toch maar om hier rond te gaan kijken. Zo groot is niet en we moeten ook weer even de benen strekken.
Het geeft natuurlijk ook aan dat er iets te zien is. Zoals bijvoorbeeld het pandje aan Sielstraße 15: het woonhuis uit 1792 met het opschrift "IN DOMINO CONFIDO" ("Ik vertrouw op God"), deze voorgevelsteen suggereert de fantasie van de dorpskroniekschrijvers. (bron: greetsiel.org)
We liepen een stuk over de dijk, het dorp uit. Hierdoor krijg je iets meer het zeebeeld van Greetsiel. Al is deze haven volledig ingedijkt. We zijn dan ook niet helemaal tot het echt zeegat gelopen, want dat ligt enkele kilometers verderop. Bij de scheepshelling zijn we weer teruggelopen via de haven.
Naast een paal met de werkelijke hoogte staat een bord met stormvloeden. Hierop staat het volgende vermeldt:
Sturmfluten vergangener Jahrhunderte
16.01.1219Erste MarcellusflutFriesland/Niederlande
23.11.1334ClemensflutFlandern bis Ostfriesland
16.01.1362Zweite MarcellusflutOstfriesland und Nordfriesland, erster Einbruch des Dollart
09.10.1374Erste DionysiusflutOstfriesland, Untergang des Dorfes Westeel, größte Ausdehnung der Leybucht
09.10.1377Zweite DionysiusflutOstfriesland, Deichbrüche bei Lütetsburg und Bargebur
26.09.1509Kosmas- und DamianflutOstfriesland, Durchbruch der Ems bei Emden, größte Audehnung des Dollart
31.10.1532Dritte AllerheiligenflutNordseeküste vom Kanal bis Jütland
01.11.1570Vierte AllerheiligenflutUntergang von Oldendorf und Westbense, Flutmarke and der Kirche Suurhusen
26.02.1625Fastnachtflutzahlreiche Deichbrüche in Ostfriesland
22.02.1651Petriflutganz Friesland, Juist und Langeoog durchgerissen
24.12.1717Weihnachtsflutganze Nordseeküste von Friesland bis Schleswig in Ostfriesland ertranken 2752 Menschen 930 Häuser wurden weggespült
31.12.1720Neujahrfluthöher als Weinachtsflut
03./04.02.1825FebruarflutOstfriesland bis zum Geestrand überschwemmt
04.01.1855JanuarflutflutOstfriesland schwere Zerstöring der Inseln höchste festgestellte Flut an der ostfriesischen Küste
13.03.1906Märzflutschwere Sturmflutschäden an der ostfriesischen Küste
16./17.02.1962Zweite JulianenflutOstfriesland, Nordfriesland, große Überflutungen in Hamburg und Bremen, rd. 300 Tote
Herbst 1973NovemberflutSturmfluten, schwere Schäden auf den Ostfriesischen Inseln
03.01.1976januarflutschwere Sturmflutschäden Deichbrüchen an der Elbe

Zoals op de gebruikte achtergrondfoto te zien is, zijn stenen een item in dit verhaal en dan komen we al gauw uit bij tichelwerken of steenfabricage. Om dit de begrijpen zijn staan hier een aantal links:
bekijk de tv uitzending Steenfabriek Biezeveld, de enige Nederlandse steenfabriek die iedere steen, profiel of plavuis nog met de hand maakt. Biezeveld heeft dan ook stenen aangeleverd voor de restauratie van de Greetsieler Kirche. Bekijk ook de beelden (3.12.2011) gemaakt door RTL's Eigen huis en tuin: Lodewijk op bezoek in de steenfabriek.
Steenfabriek De Werklust in het Twentsche Losser, heeft een helder verhaal over wat er allemaal zo komt kijken bij de fabricage van de baksteen.
In het boek Lipsker op de Groninger tichelwerken: een geschiedenis van de Groningse steenindustrie wordt dit verhaal uitgebreid verteld.
Verder staan er hierover in de Literatuurlijst nog diverse werken.

Uiteraard hebben we ook weer een kijkje genomen in de evangelisch gereformeerde kerk van Greetsiel "evangelisch-reformierte Greetsieler Kirche". Terecht wordt hier aandacht geschonken aan de bijzondere stand van de muren. Als je binnen staat, krijg je het idee, dat het elk moment kan instorten. We eindigden dit uitstapje op een terras in het dorp en gingen daarna weer terug naar de parkeerplaats.
Aangezien het niet meer erg vroeg was, besloten we op in Norden te gaan kijken voor een slaapplaats en het daar ook vol was, konden we altijd nog naar het Großes Meer terugrijden. Ja, de humor hadden we intussen flink ontwikkeld. We reden via de diverse polders naar Norden. Hier volgden we ook weer de bordtjes Hotel-route. Soms heb je het zwaar met deze bordjes, vooral als ze naar hotels verwijzen die in een autoloze winkelstraat zit. De eerste die we proberen was sowieso al een complex hotel. Parkeerplaatsen aan de overkant van het Norder Tief en inchecken aan een winkelstraat, waar je dus niet met de auto kon komen. Dus na wat geklooi de auto op een plekje neergezet, waar die niet in de weg stond. En na de incheckbalie gelopen. Nee, helaas, vol. Dat vonden wij toch wel vreemd. Maar goed. Op naar de volgende. Ook hier hadden we problemen met het vinden van de deur. En ook dit hotel was vol. We snapten het niet. We waren nu 3 dagen door dit gebied aan het rijden en waren nog geen buitenlander tegengekomen.
We werden nu gelukkig doorverwezen naar hotel zur Post (richting Nordeich). Hier aangekomen, was er niemand aanwezig. Melden bij 'Das Lila Haus' ernaast. Daar was de eigenaresse een klant aan het overtuigen, dat mensen niet meer nadenken, alles voor lief nemen en niets meer zelf kunnen doen of maken. Ik mocht haar meteen! Was dit nog een echte vrije Fries?
Rampjaar 1672 link naar uitgever
(Rampjaar 1672 : Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte / Luc Panhuysen. - Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen. - ISBN 978-90-450-1916-1)
Na de discussie die gevoelsmatig nog wel een kwartier doorging, melden we ons met de vraag of we hiernaast in het hotel konden slapen. Dat kon, tot onze opluchting. We lieten onszelf binnen en zochten onze kamer. Een echte originele Hotel zur Post, zoals het er al honderden jaren stond. Bij mij kwamen meteen beelden op die door Luc Panhuysen in Rampjaar 1672 waren opgeroepen. De brieven, pamfletten en pakketten werden in die tijd ook al verspreid door postkoetsen, gestructureerd en zodoende dat er in alle belangrijke plaatsen die op de route lagen, wel een Hotel zur Post was, waar de paarden en postbodes konden uitrusten en/of vervangen kon worden. Dat ze -net als wij- moe van de reis onder het poortje doorrijden en hun koets achter het hotel plaatsen, waar de paarden verzorgd kon worden. Want zo zag het er wel een beetje uit.

Toen we alle spulletjes uit de auto hadden gehaald en hadden geinstalleerd, gingen we op "jacht" naar een restaurant. Uiteraard bekeken we ondertussen ook wat we tegenkwamen. In de Osterstraße staat een geweldig mooi pand, Art Deco-stijl. Nadat we rechtaf waren gegaan der Neuer Weg in, kwamen we langs Traditionsgaststätte Mittelhaus een bord tegen dat "Originale Ostfriesischen Apfelstrudel von geklauten Äpfeln" aanprees. Ook humor.
Bij de Coneruslohne (laan) zagen we een Pizzaria, dus liepen we hier in. Om het hoekje van een klein pleintje stond een herdenkingssteen aan de vernietiging van de Synagoge op 9.11.1938 en aan de met geweld omgekomen en verdreven joodse medeburgers.

Na het eten liepen we verder door Norden. Dezelfde weg terug door de winkelstraat. Nu viel op dat er hier en daar kleine ronde herdenkingsplaatjes zaten, met teksten als hier woonden die en die. Dit waren Joodse medeburgers die ook zijn gevlucht of zijn omgekomen.

Am Markt staan naast de kerk ook nog andere interessante gebouwen. Het ging al een beetje schemeren en dus gingen we maar weer naar het hotel. De kroeg was intussen open, dus gingen we daar ook maar zitten om nog iets te drinken. Roken was hier toegestaan vanwege de m² van de ruimte. Onder de 75 m² is het een kleine kroeg en is het toegestaan.
Kneipe im Hotel zur Post: das zischt hmmm lecker.
We waren echter alweer bekaf en dus gingen we met ons glaasje naar onze kamer, om nog een paar letters te lezen en alweer vroeg te gaan slapen.

10:06 Landgericht Aurich

10:08 Landgericht Aurich

10:20 winkelstraat Burgstraße Aurich

10:21 winkelstraat Burgstraße Aurich

10:23 bij Historisches Museum in Burgstraße Aurich

10:51 mooi metselwerk in Nürnburgerwal Aurich


10:41 Markplatz Aurich

10:55 Kirchstraße Aurich

12:10 mausoleum van familie Cirksena te Aurich

12:49 Moormuseum Moordorf

12:58 begin van een lemen muurtje, Moormuseum Moordorf

13:05 turf, hoog- en laagveen, Moormuseum Moordorf

13:11 graszoden/plaggenhuis Moormuseum Moordorf

13:14 minihuis Moormuseum Moordorf

13:13 binnenkant minihuis Moormuseum Moordorf

13:14 minihuis met toilet Moormuseum Moordorf

13:32 binnenkant boerderij Moormuseum Moordorf

14:03 dikke rijst met suiker en kaneel, mmm, Moormuseum Moordorf

15:01 'Friese schuur' langs de weg K225, de Loppersumer Straße, Wirdum

15:27 Schöpfwerk Greetsiel

15:30 'Friese schuur' als hotel, Greetsiel

15:30 bekend baksteen, hier met afgeronde hoek, Greetsiel

15:32 haven Greetsiel

15:33 Sielstraße 15 Greetsiel

15:39 de garnalen (in duits: krabben) worden gelost, haven Greetsiel

15:43 haven Greetsiel met uitzicht op 2 molens en siel

15:49 Paal met werkelijk dijkhoogte en hoogwaterstanden

15:55 sluis, Greetsiel

15:56 hollandse 2-master haven, Greetsiel

15:59 sluis, het water zie je kolken, Greetsiel

16:02 Evangelich gereformeerde kerk binnen, Greetsiel

16:03 vrijstaande kerktoren, Greetsiel

17:52 achterkant Hotel zur Post, Norden

21/7 8:43 Hotel zur Post, Norden

18:11 Osterstraße, Norden

18:15 Mittelhaus, Neuer Weg, Norden

18:32 Coneruslohne, Norden

20:16 Osterstraße, Norden

20:19 Am Markt, Norden

20:19 Am Markt, Norden

20:23 Am Markt, Norden

20:26 Am Markt, Norden

21:11 in de kroeg van het hotel, Norden






Dag 4: van Norden naar Nordenham
Om acht uur zaten we aan het ontbijt in ons Hotel zur Post. We pakten onze spulletjes weer in de auto en waren vanaf 8:30 weer onderweg. Eerst naar Norddeich gereden en vanaf daar langs de kust naar het oosten.
route tot Nordenham k  a a r  t  4 kaart in Google Maps
9:15 't wad, Norddeich

9:17 't wad, Norddeich

In het hoekje Tunnelstraße/Westerlooger Strohweg ligt een klein parkeerplekje, waar je de auto neer kunt zetten als je over de dijk wil. En dat wilden we.
We werden daarna gedwongen om toch weer iets naar het zuiden te rijden. We konden niet meer over of langs de dijk rijden. En dus over de L5. Echt spannend of opwindend was het hier niet. We reden nu voornamelijk langs dorpjes in plaats van er door. Zo passeerden we om de 10 à 15 km (zo'n 2-3 uur gaans) de volgende sielen: Hilgenriedersiel, Neßmersiel, Dornumersiel/Westeraccumersiel, Bensersiel, Neuharlingersiel. Hier werd de weg de L6. En bij de volgende kwamen we eindelijk door een dorp, waar we koffie konden drinken: Carolinensiel. Na de koffie hadden we het wel een beetje gehad met steeds hetzelfde polderlandschap en besloten we over de 461 naar Wittmund te rijden. En zo reden door het sedert 1545 langzaam ingepolderd gebied. Want ook hier had de waddenzee een inkeping als de Dollart en Jadebusen, maar dan veel kleiner. En dus moest de siel ook steeds verplaatst worden. Harlesiel is de jongste (1956), daarvoor was Carolinensiel (1729) eeuwen de spuisluis voor dit gebied. Neufunnixsiel was vanaf 1658 de grens en daarvoor was Altfunnixsiel de kust. "Wittmund - die Stadt mit den roten Klinkern im Herzen Ostfrieslands!" Ook hier rode bakstenen.
Hier hebben we even een rondje om de kerk gelopen. Letterlijk. Hier zagen we op een bepaalde plek naast de deur een rond plaatje zitten wat diende voor de hoogtemeting. Op een bord naast de kerk stond de uitleg. Heerlijk simpel schemaatje en het was compleet duidelijk wat de hoogtemeters nu eigelijk altijd aan het doen zijn.
Daarnaast kwamen we Jan Schüpp Brunnen tegen. Dit heeft alles te maken met die Friese levenshouding: Niet alles zo zwaar zien en jezelf ook eens op de schop nemen / niet zo serieus nemen / voor paal zetten. (bron)

Daarna reden we over de 210 verder naar Jever. Zo'n 2 uurs gaans verder. De Altstadt van Jever zag er al een stuk interessanter uit dan die van Wittmund.
We vonden nog een vrije parkeerplaats "Am Alten Tief" en liepen door de Wangerländische Straße, over het plein van Schlachte, door de Schlachtestraße naar de Alt-stadt, waar bij de restanten van de kerk uitkwamen. De kerk was gerestaureerd, althans het gedeelte wat er nog stond, de rest was er -ook erg apart- als nieuwbouw aangebouwd. De Stadtkirche was grotendeels in oktober 1959 door brand verwoest. Binnen was een (mini)tentoonstelling van boekbinders. Ze hadden een opdracht om de kerk als omslag voor de bijbel te gebruiken. Het resultaat was uiteenlopend. Maar ik (als hobby-boekbinder) was niet echt onder de indruk. Dat hoeft natuurlijk ook niet. Sommige zagen er leuk uit. Eentje was nog wel spannend gemaakt. Deze had een kerkdeur, die open kon en gaf toegang tot het altaar.
entreebewijs Schloss Museum Jever We verlieten Am Kirchplatz en liepen verder naar de Schloßstraße en Alter Markt. Hier kwamen we Maria tegen. Enige twijfel hadden we wel of we dit museum ook moesten bekijken. We hadden de Schlosstuin bekeken. Niet echt bijzonder. We hadden het heuveltje in de tuin opgeklommen en kwamen bij een molensteen uit omringt door struiken en bomen oftewel geen uitzicht.
Het bordje binnen bij de ingang van de museumroute gaf echter de doorslag.
Teksten als "omvangrijke verzameling over de geschiedenis van de regio en de landheren" en "inzicht in veelvoudige cultuurhistorische verbanden." zijn aan mij wel besteed. Dus toch maar entreekaarten à 4,50 Euro gekocht en op ontdekkingstocht gegaan in het Schloss Museum Jever. En dat is het ook. Voornaamste reden hiervoor is het ontbreken van een (werkende) looproute of bewegwijzering. Voordeel is dat het dan ook een ontdekkingstocht is. Goed kijken, onthouden wat je hebt gezien, herkennen om een andere, nieuwe weg te nemen.
Van enkele hoogtepunten staan hier foto's, van andere niet. Soms is het wel grappig om nieuw geleerde zaken te herkennen. Zo hadden we in het Ostfriesische Landesmuseum een historisch filmpje gezien, waarin een oude dame uitlegt hoe er op speciale dagen (bijvoorbeeld kerst) de vloer van de kamer werd versiert met zand. Op de foto's hiernaast van sommige keukens en woonkamers is dit verschijnsel ook op de vloer te zien. Hier is het echter een egale massa.
De oude dame ging er erg handig met een hulpmiddel (bijvoorbeeld een grove kam) er golvend doorheen "harken", zodat er een patroon ontstond, bijvoorbeeld een kerstboom.
Dit leek erg op wat ik onlangs een keer op tv zag van een zandkunstenaar. Ook heb ik hier een videoclipje van gezien: Dichtbij van Marco Bosato.
Zo zie je maar weer, dat sommige nieuwe dingen, toch vaak een al hele oude oorsprong hebben. Dit doet verder niets af, aan het prachtige werk dat de zandkunstenaar Gert van der Vijver maakt, want ook daar kun je naar blijven kijken.

Na de rondgang waar op de bovenste verdieping nog een herkenbare verrassing was -jaren 60-80, muziek- en discothekencultuur- brachten we een bezoekje aan het museumwinkel:

Eala Frya Fresena : Die Friesische Freiheit im Mittelalter "Eala Frya Fresena : Die Friesische Freiheit im Mittelalter" een brochure van de Ostfriesische Landschaft zou antwoord kunnen geven op de vele vragen die we in tussen hebben.
De groet 'Eala Frya Fresena' staat in deze brochure vertaald als 'seid gegrüßt, freie Friesen'. Echter op diverse plaatsen op het het internet wordt getwijfeld aan deze versie. Het "Eala" kan ook als "Heil" of "Oh" vertaald worden, maar ook als "auf, erhebe Dich". En hier volgde dan als reaktie: "Lever dod as Slaav". Dit is duidelijk genoeg, denk ik. Hoe het ook zij, het gaat allemaal dezelfde richting op.

boektitel met link naar de uitgever Seefahrer, Händler und Piraten im Mittelalter / Dirk Meier
Thorbecke
ISBN 978-3-7995-0142-2











boektitel met link naar boekhandel Brände, Stürme, Hungersnöte. Katastrophen in der mittelalterlichen Lebenswelt / Kay Peter Jankrift
Thorbecke
ISBN 978-3-7995-0109-5











Voor de aansluitende beeldvorming kwamen deze boeken wel in aanmerking, dachten we.
We verlieten het museum en liepen langs de Kosakenbrunnen de Große Burgstraße in, waar we op het hoekje bij café Maria op een terrasje neerploften.
Hier konden we even bijkomen van het museumbezoek. Nadat we voldoende waren uitgerust gingen we weer verder door de Steinstraße en Neuer Markt. Hier kwamen we weer een boekhandel tegen. En we konden het niet laten om even te kijken. Ik had toch al een paar keer een boek met de intrigerende titel "Die Deutsche Hanse, Eine heimlich Supermacht". We waren voor deze vakantie bezig om ook eens een vakantie te besteden aan een bezoekje aan de Hanze-steden, dus een Hanze-steden-route. Dit boek lag ook weer in deze boekhandel en ik kon de verleiding niet weerstaan:
boektitel met link naar de uitgever Die Deutsche Hanse : Eine Heimliche Supermacht / Gisela Graichen, Rolf Hammel-Kiesow. -ZDF. -ISBN 978-3-498-02519-9

bekijk de ZDF-uitzending
(Quicktime): Teil 1 Teil 1 High Teil 2 Teil 2 High

boektitel met fulltextlink naar Googlebooks Mecklenburg-Vorpommern: Ländliche Idylle / Wolfgang Schmidt
Dumont Bildatlas 97
ISBN 978-3-7701-9221-2










boektitel met link naar uitiger Nordseeküste, Schleswig-Holstein: Land hinterm Deich / Sven Bremer
Dumont Bildatlas 015
ISBN 978-3-7701-9274-8











Hierna lopen we weer 'zwaarbepakt' naar de auto, nadat we nog even langs de Elisabethufer zijn gelopen om de bierbrouwer van Ost-Friesland Jever, van naderbij te zien. Echter, dit was niet voor publiek beschikbaar.
We vervolgden onze autorit over de K94 en bij Schortens de K31 tot Reepsholt. Hier pakten we de L11. (In dit gebied liggen Amerika en Rußland naast elkaar.) Daarna volgden we 436 en 437. Deze volgden helemaal tot we in de punt van Jadebusen gekomen waren, bij Diekmannshausen. Hier konden we de K197 pakken die dichter langs het water kwam. Bij Stolhamerdeich gingen we eraf en namen de L860 naar Nordenham. Hier volgden we ook weer de bordjes hotelroute en kwamen we aan bij het Hotel am Markt van Ringhotel. Na een gesprekje bleken ze ook een nieuw (3 sterren) hotel te hebben: Hotel Küste Garni aan de Hansingstraße. Dat scheelde alweer. Daar konden we zo naar toe lopen, maar wij namen de auto maar. Daar aangekomen bleek te telefoon al z'n werk te hebben gedaan. We konden inchecken in de laatste beschikbare kamer. En na de auto leeggehaald te hebben, gingen we weer op zoek naar eten. En dan blijkt dat ook dat soms niet eenvoudig is. Het gebied van Nordenham waar we ons nu in begaven was compleet nieuwbouw. We hadden gezien dat er een restaurant bij het Hotel am Markt was. De straten die we nu aan het lopen waren boden weinig tot geen alternatief. Uiteindelijk kwamen we weer uit bij Am Markt. En we besloten dan toch maar bij dat hotel te gaan eten. En dat was prima eten.
Na het eten nog een poging gedaan om iets interessants te zien, maar dat is hier kennelijk niet mogelijk.
We waren ook weer redelijk moe. Dus maar snel weer naar het hotel. We hadden vandaag ook weer een hoop gezien en ook nog eens -voor ons doen- een grote afstand (ruim 160 km) overbrugd. Dus na weer een stukje lezen weer vroeg gaan slapen.

9:17 mosjes Norddeich

10:42 Carolinensiel

11:08 Lutherse St. Nicolai Kerk, Wittmund

11:10 Hoogtemeting Wittmund

11:22 Jan-Schüpp-Brunnen Wittmund

11:58 Stadtkirche, Am Kirchplatz, Jever

12:16 Am Kirchplatz, Jever

12:19 Schloss Museum Jever

12:23 Maria, Alter Markt, Jever

12:41 Schloss Museum Jever

12:41 Schloss Museum Jever

12:45 Schloss Museum Jever

12:45 Schloss Museum Jever

12:45 Schloss Museum Jever

12:46 Schloss Museum Jever

12:47 Schloss Museum Jever

12:59 Schloss Museum Jever

13:48 Schloss Museum Jever

13:51 Kosakenbrunnen Jever

14:30 Jeverbrouwerij Jever

17:57 herdenkingsplaatje familie Löwy, Nordenham

18:08 plein aan Marktstraße, Nordenham

Gunter Demnig Weer terug van vakantie las Heleen in Reader's Digest Nederland, 2011 nr. 7 een artikel van Philip Jacobson over de maker van deze plaatjes, Gunter Demnig.
In diverse talen zijn er artikelen te vinden, waaronder de duitse: Spur der Steine. Helaas zit de nederlandse versie er nog niet tussen.
Op de site van ASTRID LOUVEN worden de "Stolpersteine" van "Initiator des Projekts, der Objektkünstler Gunter Demnig" gevolgd.






Dag 5: van Nordenham naar Bad Bramstedt
Na weer 10 uur geslapen te hebben zaten we om kwart over 8 aan het ontbijt. Omdat we van Nordenham niets meer verwachten reden we hier vandaan. Maar we hadden de hele Weser nog niet gezien.
route tot Bad Bramstedt k  a a r  t  5 kaart in Google Maps
8:10 hotelkamer Nordenham

8:37 ontbijt Nordenham

Aangezien deze rivieren een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van dit gebied, wilde ik toch wel even een blik werpen op de Weser. Bij Großensiel (het buurtschap onder Nordenham) gaf ons het contact met deze stroom. Vanaf hier reden we naar de 212 en daarna over de 437 de Wesertunnel door. Hierna reden we stukje over de autosnelweg 27 om Bremerhaven links te laten liggen. Bij het buurtschap Debstedt gingen we eraf en volgden we de K66 naar de kust. Hier reden we door schattige dijkbuurten, waar nooit iemand komt, behalve de bewoners natuurlijk. In de buurt van Paddingbütteler Altendeich komen we opeens een herdenkingsteen tegen van Oberdeichgrafen Eibe Siade Johans die op 25 juni 1659 was geboren en op 30 januari 1720 is overleden. Hij had zich erg verdienstelijk gemaakt tijdens de kerstnachtvloed van 1717.
Een eindje verderop in Dorumer Neufeld, gaan we maar eens een poging doen op een bakje koffie te krijgen. Dat lukt met een beetje moeite in een groot recreatiegebouw Am Kutterhafen. We zien op het wad diverse groepen zich klaarmaken voor een wandeltocht. Na het bakje koffie nog maar even in het geultje gekeken waar alle kotters op droge lagen, omdat het eb was. Omdat het hard waaide en niet echt warm was zijn we maar snel weer naar de auto gelopen en verder gereden over binnenweggetjes richting Cuxhaven.
Bij Cuxhaven aangekomen stonden we meteen in een file voor de 3 stoplichten die ons door het centrum moesten loodsen. We waren er meteen al klaar mee en hoopten dat we hier weer snel weg waren. "Helemaal gestresst raakten we in het volgende dorp de weg kwijt. Tja, dat lukt ons alleen maar in dorpen. Na de volgende poging kwamen we dan toch op de weg die we in ons hoofd hadden. In Otterndorf hebben we maar eens geluncht bij Brünning, Am Kirchplatz 2.
8:38 ontbijt Nordenham

9:07 haven Großensiel met blik op Weser

9:07 haven Großensiel met zicht op de siel

9:18 ingang Wesertunnel

9:18 Wesertunnel

10:06 herinneringssteen Eibe Siade Johans (1659-1720)

10:28 Am Kutterhafen, Dorumer Neufeld

12:10 torens in Altenbruch

12:40 Das Rathaus, Otterndorf

13:20 Der Utröper, Otterndorf

13:22 Das Haus, in dem Rektor Voß wohnte (mitten), Otterndorf

13:24 Otterndorf

Na een klein uurtje de benen gestrekt te hebben, waar we even naar de begraafplaats op en neer zijn gelopen, waar we zo op het eerst oog geen Nederlands-achtige namen meer tegenkwamen, gingen we weer verder rijden.
13:27 Otterndorf

13:38 Otterndorf

13:42 Otterndorf

13:55 Der Süderwall, Otterndorf

We vervolgden de 73 en reden door diverse plaatsen als Belum, Neuhaus, Cadenberge en Hemmoor. Hier volgden we de 495 richting Elbe. We reden hier de Oste over die ook in de Elbe stroomt. Bij Neuland sloegen we linksaf richting Wischhafen, waarna we rechtaf sloegen richting pont. We konden meteen aansluiten in de rij. Volgens het nieuws op zender ffn (Funk & Fernsehen Nordwestdeutschland) was de wachtijd voor de pont Wirtshafen-Glückstadt 90 minuten. Gelukkig (bleek later) waren ze continu met 4 ponten op en neer aan het varen en was het om de 7 minuten weer een stukje opschuiven. Dit gaf tijd om rond te kijken. Mensen die over hekken klommen en achter de dijk verdwenen.... en een aantal minuten weer te voorschijn kwamen. De (jonge) koeien hadden dat ook ontdekt en klommen, nieuwsgierig als ze zijn, ook de dijk op. Gek genoeg klommen er daarna geen mensen meer over het hek.
Al lezend in Ostfriesland, Vom Leben unserer Vorväter zwischen Meer und Moor van Jan Tjaden en kaartlezend de verdere route verzinnend waren we ruim een uur later toch aan de buurt om op de pont te rijden. kaartje Elbfähre Nog nooit gedaan op zo'n "kleintje". En natuurlijk moest ik me als een van de laatste half schuin nog ergens tussen wurmen. En ik ben al zo'n ster, om met deze auto een kort bochtje te nemen. En de 'aanwijzer' maar met handen snel wenkend draaien. "Ja, ja, ik ben bezig, rustig." Toch weer stress?
De overtocht zonder schade gehaald! En als was het erg bewolkt, indrukwekkend blijft zo'n rivier toch. Toch weer een stuk breder dan de rivieren bij ons.
We verlieten nu het land Niedersachsen en kwamen het land Schleswig-Holstein binnen. Nog steeds het land der Friezen.
Het plan was om ook langs de Oostzeekust te rijden. Dus staken we over, richting Hansestad beck. En zo reden we over de L119 door Krempe, de L112, de L116 door Lagerdorf, de L115 door een Moorgebied. Bij Kellinghusen volgden we de 206 tot aan Bad Bramstedt. Hier volgende we weer het bekende bordje dat ons weer helemaal de stad uitleidde naar uiteindelijk een soort "vakantiekoloniehuis" uit de jaren 70: Hotel Tanneneck. Ook de inrichting kwam uit deze periode. De prijs was er ook na. We waren weer prima op tijd. En konden dan ook zo aanschuiven.
We raken er alweer aan gewend. Veel zien, reizen en dus vroeg moe. Na het eten nog een aantal letters gelezen en weer lekker slapen.
15:55 Elbe

15:56 Elbe

15:59 Elbe

16:00 Elbe

16:01 Elbe

16:01 Elbe

16:05 Elbe

17:54 hotelkamer Tanneneck, Bad Bramstedt






Dag 6: van Bad Bramstedt naar Husum
Enigszins verward waren we beiden. Gingen we echt naar de Oostzee. We waren nu al vijf dagen bezig met de Friezen en vonden deze ontdekkingstocht eigenlijk wel leuk. En we waren hemelsbreed nog maar zo'n 200 km opgeschoten.
route tot Husum k  a a r  t  6 kaart in Google Maps
22/7 17:55 hotelkamer Tanneneck, Bad Bramstedt

22/7 17:55 hotelkamer Tanneneck, Bad Bramstedt

Misschien moesten we de Oostzee en daarbij horende Hanzestedenroute maar een andere vakantie doen en ons nu maar bezig blijven houden met de Friezen. En zo besloten we verder te gaan naar Nord-Friesland.
De "Heleen-Heleen" had in de gekochtte bladen en boeken weer een hoop ideeën opgedaan, waar we naar toe konden rijden om bijzondere dingen te zien. En dus waren we weer vroeg op pad.
Door de bewolking met af en toe een plensbui reden over de 206 richting Itzehoe, waarna we een stukje 5 tot Wilster volgden. Hierna gingen over de L135 naar het "Tiefste deutsche Landstelle" en staan dan op -3,6 m NN. Dit is te vinden aan de Burgerstraße in Neuendorf Sachsenbande. Hier wordt aangegeven hoe hoog de huidige Elbedijk is, nl 8 m. Verder staat op de paal een overzicht van stormvloedhoogten:
Middag-Humsterland link naar uitgever
Middag-Humsterland : Op het spoor van een eeuwenoud wierdenlandschap / Jan Delvigne. - Archeologie in Groningen 4. - Profiel Uitgeverij, Bedum. - ISBN 978-90-5294-423-4. - p.23-24
1843 - 4,16 m
1936 - 4,22 m
1916 - 4,32 m
1825 - 5,30 m
27.02.90 - 5,33 m
21.01.76 - 5,37 m
24.11.81 - 5,50 m
17.02.62 - 5,83 m
03.01.76 - 6,76 m

Een eindje verderop konden we een mooie foto maken van weilanden met traditionele vorm van kunstmatige drainage, zoals beschreven op pagina 23 paragraaf 3.4 in Middag-Humsterland van Jan Delvigne: een zeer ondiepe (10-20 cm) greppels op onderlinge afstand van zo'n 10 meter. Dit is middels Google-maps ook goed te zien aan weerskanten van de L137.
Hierna reden we de 6 op, om de Hochbrücke Brunsbüttel te bestijgen, die ons over de Nord-Ostsee-Kanal zou brengen.
Daarna via de L138 en L139 naar Burg, dat duidelijk op een hoge heuvel ligt (zo'n 65 m) ligt. Hier hebben aan de Holzmarkt een bakje koffie gedaan en bij de bakker aan de overkant wat lekkere broodjes gehaald.
En verder gingen we over de L140 naar Sint Michaelisdonn, via de L144, een stukje 6 naar Busenwurth, hier rechtsaf naar Wolfenbüttel en daar de L138 op, richting Meldorf. Hier via de 5 naar de L153 en deze tot aan de 203 volgen. Hierna linksaf de 203 volgen tot Büsen. We konden hier niet echt wegwijs worden en kregen al snel het "te toeristisch"-gevoel. Nadat we een kijkje in de haven hadden genomen was het dus snel dezelfde weg terug, al kan dat dan nooit snel genoeg.
Gasthof Ulmen Klause
Der älteste Gasthof in Wesselburen (ca. 1735). Pate stand für den Namen eine uralte Ulme die auf dem Vorplatz des Hauses stand. 1986 wurde die Ulme von Krankheiten gezeichnet, zur Trauer aller unter reger Anteilnahme der Einwohner gefällt.
Heute ziert an gleicher Stelle eine Linde den Vorplatz. (bron: Eiergrogseminar)

Bij Oesterdeichstrich de L156 op naar Wesselburen. Hier staat een bijzondere kerk (St. Bartholomäus-Kirche), de enige met een siepeltoren in Schleswig-Holstein. We hebben hier even onze benen gestrekt en Am Markt wat gegeten en gedronken bij Gasthof Ulmen Klause.
Hierna gaan we linksaf de L305 op, richting Eider Sperrwerk. Hier hebben even kort van het uitzicht genoten en flink uitgewaait op de dijk. Windkracht 7 was het zeker.
We vervolgen de weg naar Sankt Peter Ording. Ook hier maakten we snel rechtsomkeert via de 202. Hier zagen opeens een grote kerk (St.-Nikolai-Kirche) verschijnen in een ogenschijnlijk klein buurtschap met zo'n 200 zielen: Kotzenbüll. Hier zijn we toch maar even gaan kijken. De kerk was er slecht aan toe en er werd dan ook aan de bezoekers om een donatie gevraagt. Opmerkelijk was een deels ondergrondse graftombe. Ook waren er oude stenen in de muur van de kerk gemetseld (1567/1596).
Buiten de kerk om kwam het grasland erg ruig, hobbelig, drassig over. Geeft een beetje een beeld hoe het vroeger uitgezien zou kunnen hebben.

We vervolgden de 202 en kwamen uit bij Friedrichstadt. Friedrichstadt is voor Nederlanders een aparte stad in deze regio. Ze presenteren zich dan ook "die Höllanderstadt". We parkeerden auto Am Deich en liepen dit stadje in via de Inselweg.
16:55
Hier Leit Begraven Beeltie Korstens HuysVrouw van Claus Korst Gebooren Anno 1665 Den 18 January Overleden Anno 17..(00) Den 20 January Oudt Synde 35 Jaer .....
16:56
HIER RUHEN
PIETERNELLA
CORNELIA BRINK
GEB REGELMEIJER
1832-1857
UND
AALTJE BRINK GEB
HEIJDENRIJK
1818-1859
MATTH 5.v.8.
Via een bruggetje kwamen we op de Ostergrabenstraße. Hier sloegen we linkaf de Prinzess Straße in. En zo kwamen we langs de Remonstrantse kerk. (Door de beperkte godsdienstvrijheid in Holland waren er velen gevlucht, zo ook hier naar toe, op verzoek van de toenmalige Herzog Friedrich III. von Schleswig-Gottorf, die deze stad speciaal hiervoor heeft laten bouwen.
Wij gingen even op dit kerkhof kijken, want hier moesten we natuurlijk wel Nederlandse namen tegenkomen. De meeste oude grafstenen lagen rondom uitgelegd. Ook dit kerkhof heeft te lijden gehad onder het instorten van de kerk. Twee stenen waren nog heel. ->
We liepen verder en kwamen uit Am Markt. Hier zit oa een antiekwinkel, die we natuurlijk even gingen bekijken. Er stond vanalles, wat mogelijk interessant kon zijn. M'n oog viel eerst op een schilderij, wat de kustomgeving weergaf. Een huisje op een wierde met daarom heen weiland en het wad. Verder stonden er een aantal kasten en kastjes die erg mooi waren. Verderop en boven zag ik nog meer schilderijen die wel leuk waren. Ze waren niet extreem geprijst had ik het idee, maar daar heb ik dan weer onvoldoende verstand van. Ook ontbreekt de kennis of het kwalitatief goed is geschilderd. Voor hetzelfde geld is het gedrukt. Met lege handen gingen we weer verder naar het Am Mittelburgwall. Eerst het bruggetje over de gracht over en daarna rechtsaf langs de gracht. Hierna de bocht naar links volgen de Holmertorstraße in. Deze liepen door tot we weer linksaf met de bocht mee, naar de Schmiedestraße in moesten. Hier begon het harder te regen, zodat we gauw weer linksaf Am Stadsfeld de brug weer over naar Am Markt liepen om daar in het Altes Amtsgericht wat te gaan drinken.
We liepen daarna via de Prinzenstraße en Mittelgrabenstraße weer naar de Ostergrabenstraße, het bruggetje over en het eilandje weer terug naar de auto.

We rijden verder over de 202 die prachtig tussen meanderende rivieren Eider, Treene en Alte Sorge doorloopt. Geweldig gebied om te peddelen!
Bij Norderstapel buigen af naar het noorden over de L39 richting Bünge, waarna we de L37 nemen naar Husum.
De Hotelbordjes worden ditmaal 2 keer gevolgd omdat we weer eens de weg kwijt zijn. Dat is ook beter, want dan pakken we niet de eerste beste hotel. Nu kwamen uit bij Hotel Am Schlosspark. Omdat vanuit het hotel het Schlosspark absoluut niet te zien is, vinden we dit ietsjes overdreven, maar goed, wij overdrijven ook regelmatig. We nemen ons intrek in dit hotel en denken er slim aan te doen om de auto niet op het hotelterrein te parkeren, maar op de aangelegen parkeerterrein van de supermarkt. Zodat we de volgende morgen de auto niet hoeven te verplaatsen als we Husum gaan bekijken.
chinees restaurant Mandarin
von Liron Na het inchecken lopen we het centrum in, om naar eten te zoeken. Al gauw komen een chinees restaurant genaamd Mandarin tegen. De eerste tot nu toe deze vakantie. Dus deze houden we maar even in onze achterhoofd. We lopen verder en komen bij de haven. Hier zijn ook genoeg restaurants. Het haventje ziet er ook gezellig uit. Ik zie op een aanplakbiljet dat er in een gebouw morgen een marktje met kunstnijverheid is. Altijd leuk. En aangezien het morgen zondag is, zal alles wel dicht zijn. Hebben wij weer.
We kiezen voor chinees eten vanavond. En we laten het ons goed smaken. Na afloop, nemen we de winkelstraat als terugweg en zo komen we ook weer over onze autorijroute door de winkelstraat. Dat hebben ze hier wel apart opgelost. Het is niet omgebouwd tot voetgangersgebied. Op zich gaat om een best brede straat. Toch is het een éénrichtingverkeersweg. En het opvallende is dat je er max 10 km mag rijden. Dat is best te doen. Je bent er als automolist zo doorheen, maar het verstoort het winkelend publiek niet.
Wij waren weer blij dat we ons buikje vol hadden en een bedje gevonden hadden.

9:23 spiksplinternieuwe weg naar Itzehoe, druk hè?

10:13 Tiefste deutsche Landstelle

10:14 Tiefste deutsche Landstelle

10:22 weilanden bij Ecklakerhörn

10:30 Hochbrücke Brunsbüttel over Nord-Ostsee-Kanal

10:31 Hochbrücke Brunsbüttel over Nord-Ostsee-Kanal

10:31 Nord-Ostsee-Kanal

10:32 op de Hochbrücke Brunsbüttel

10:42 Hochbrücke Brunsbüttel

12:47 hafen, Büsum

14:00 St. Bartholomäus-Kirche, Wesselburen

14:00 Wesselburen

14:01 Gasthof Ulmen Klause, Wesselburen

14:13 Eider Sperrwerk

14:20 Eider Sperrwerk

14:20 Eider Sperrwerk

15:01 Kotzenbüll

15:01 Kotzenbüll

15:04 Kotzenbüll

15:42 Remonstrantse kerk, Friedrichstadt

16:05 Am Markt, Friedrichstadt

16:06 Am Mittelburgwall, Friedrichstadt

16:06 de brug Am Mittelburgwall, Friedrichstadt

16:11 Holmertorstraße, Friedrichstadt

16:25 Altes Amtsgericht, Friedrichstadt

18:50 Hafenstraße, Husum

18:51 Hafenstraße, Husum

20:32 Krämerstraße, Husum

20:39 Schloßgang, Husum

20:41 Schloßstraße, Husum

20:43 Schloßstraße, Husum met uitzicht op Best Western Theodor-Storm-Hotel






Dag 7: van Husum naar Bredstedtvia Süderlügum

Na het ontbijt weer rustig naar het haventje gelopen, waar we een bezoekje brachten aan het Kunstnijverheidsmarktje. Er werden bij een paar kraampjes wel leuke spulletjes gemaakt. Met een kraamhouder gesproken over de gang van zaken op dit soort marktjes. Dat het soms wel duur is om een kraampje te huren. De prijzen variëren van zo'n 40-50 Euro tot bij gewilde markten wel het dubbele. Dan verdient er in ieder geval iemand een goede boterham.
Nadat we de twee etages hadden bekeken met totaal zo'n 30 kraampjes, gingen we weer naar buiten. Het weer was nog steeds regenachtig.
route tot Husum k  a a r  t  7 kaart in Google Maps
8:45 hotelbalkon Am Schlosspark, Husum

8:46 hotelkamer Am Schlosspark, Husum

8:46 hotelkamer Am Schlosspark, Husum

We liepen een stukje onder de paraplu langs het haventje en zagen toen dat het Schiffahrtsmuseum Nordfriesland open was. Dus daar ook maar een kijkje genomen. En dat was zeer boeiend.
En omdat het de 4e zondag in de maand was, was het gratis entree en mochten we na afloop zelf een schenking doen.
Aan het einde moest er toch nog een boek gescoort worden: boektitel met link naar uitgever Gestrandet bei Uelvesbüll : Wrackarchäologie in Nordfriesland / Hans Joachim Kühn
Husum Druck- und Verlagsgesellschaft
ISBN 978-3-88042-917-8
In der nordfriesischen Marsch, im Wattenmeer und unter den Außensänden liegen zahlr. Wracks begraben - Reste der über 700 Frachtsegler, die nachweislich zwischen Eiderstedt und Sylt gestrandet sind. Dieses für die archäologische Forschung unerschlossene "Bodenarchiv" ist erst im Jahre 1994 im Uelvesbüller Koog mit der geradezu sensationellen Entdeckung eines 400 Jahre alten Wracks geöffnet worden. Das Wrack und sein überraschend reichhaltiges Inventar werden in diesem Band ausführlich vorgestellt und Details über Schiffbautechnik, Schiffsausrüstung und auch das Leben an Bord vermittelt. Mit seiner "Strandungsgeschichte" beschreitet der Autor den schmalen Grat zwischen fach- und populärwissenschaftlichem Anspruch auf spannende, gelungene Weise.
Dit schip ligt namelijk in dit museum en is best wel groot. Het gaat hier om een hollandse platbodem. Waarschijnlijk is het rond 1600 gebouwd en in het na 20-30 jaar gezonken. Op z'n laatste reis had het saat-hafer (Avena sativa) haver aan boord.
Naast dit wrak en diverse modellen, wordt er ook aandacht besteed aan het maken van een houten schip, de gereedschappen, visserij, navigatie etc.
En een andere ruimte (buiten) hing aan de muur diverse scheepsnaamborden, onder andere van "Jacob & Catharina".

Nadat we tegen de middag klaar waren met kijken, zochten we de auto weer op om onze reis te vervolgen.
Op gevoel richting het noordoosten de stad uitgereden om te ontdekken dat we op de K81 richt Hattstadt aan het rijden waren. We namen vervolgens de afslag L273 naar Horstedt. Via een landweggetje komen we in Olderup uit. Daarna rijden we naar de 200, waar we linksaf gaan. We nemen bij Viöl de L28 linksaf en rijden door Norstedt, een leuk stukje bos (komen we niet vaak tegen!), Dreldorf en Bredstedt. Hier rijden we onszelf klem op de Marktplatz omdat paaltjes het vervolg van de weg versperren. Dus maar even keren en via Markt en Herrmannstraße komen we op de 5 uit die ons naar de L5 brengt. Hier rijden we over een dijkweg door Ost-Bordulum en West-Bordelum (Bordelum zelf, bestaat kennelijk niet), Uphusum, Ebüll en Sterdebüll. Hier rijden we rechtdoor en komen op de L191 op en zien een redelijk leeg polderlandschap. Uiteraard staan ook hier diverse windmolens om electra op te wekken. Die komen we in grote getale tegen langs de kust.

Tijd om even dit landschap te fotograferen. Een dijk, een boerderij op een wierde en een spaarbekken. Daarna wordt het toch echt tijd voor wat eten en een bakje koffie. Dat had eigenlijk al in Bredstedt moeten gebeuren, maar daar zat het dus even tegen. Hier kwamen weer een sluis tegen: Schlüttsiel, waar we -genietend van het vrije uitzicht- ons broodje konden nuttigen. Het was weer eb en we konden met het blote oog diverse eilandjes zien liggen. Al is dat wel moeilijk te zien met eb. Het zou me niks verbazen, dit wad op de kaart in ogenschouw nemend, dat ik binnenkort ergens ga lezen dat dit wad vroeger ook allemaal land was, maar door een paar noordzeeinbraken toch te laag ligt om het al milliumstijgende zeewater te weerstaan. En zonder goede dijken blijft dit natuurlijk ook zo. Inmiddels bewuste keuze, om dit wad zo te houden en dus omgedoopt tot beschermd natuurpark.

13:40 Zoals op de foto goed te zien, kalft het grond hier ook nog steeds verder af. Kan dit gebied ook niet de vele regen aan, die onlangs gevallen is? En is het door de droogte van dit voorjaar zo uitgedroogd, dat het nu afbrokkelt?
Na een wandelingetje door de haven van Schlüttsiel, waar we zien dat er flink wat water wordt weggepompt uit het achterland, lopen we dijk weer op om een bakje koffie te halen. Het zonnetje breekt eindelijk weer eens door, dus kunnen we buiten in zon gaan zitten.
Hierna vervolgen we de L191 route en komen we uit in Niebüll. Hier zagen we een bordje Friesisches Museum en dus volgden we dit bordje. Zoals gebruikelijk in een dorp, raakten we weer de weg kwijt. Dus besloten we de auto maar naast de bakkerij te zetten en weer even teruglopen naar de ingang. Die zat dan ook wel op een vreemde plek. Aan een klein doodlopend weggetje, ga je door een wit hekje en dan loop je over een groot -goed onderhouden- grasveld naar de deur van een boerderij. (Achteraf bleek dat we beter vanaf de Osterweg hadden kunnen komen.)
15:41 Nordfriesisches Heimatmuseum (Freilichtmuseum). 200 Jahre altes Bauernhaus mit Originalausstattung: Möbel, Hausrat, landwirtschaftliche Arbeitsgeräte aus der Zeit vor der Industrialisierung (19. Jh.), Delfter Kacheln, Beilegeöfen und komplette Küche, 400 Ausstellungsstücke friesischer Volkskultur. (bron: Erlebnistouren-Nordfriesland) We traden naar binnen en hoorden stemmen: een oudere man was een stel zaken aan het uitleggen. Het stel werd verzocht rustig op hun gemak zelf verder te kijken. Zo kon de man ons te woord staan. Na een vriendelijke kennismaking konden we de entreegelden betalen.

10:42 Hoogwater in het riviertje Husumer Mühlenau, wat z'n water loost in het haventje van Husum, waar het water Husumer Au heet.

10:42 Uitleg spuisluis. Door waterdrukverschil openen de sluisdeuren bij hoogwater in het riviertje en eb in de haven. En bij vloed gaan ze weer dicht.

11:01 Hollandse Schooner Kofschip (middenplank, 2e van links), Schiffahrtsmuseum

11:01 Hollandse Schokker, Tjalk, Poon en Smak (2e plank van boven, 2e van links ev), Schiffahrtsmuseum

11:23 Friesenschiff (nagebouwd), Schiffahrtsmuseum

11:23 het wrak, Schiffahrtsmuseum

11:25 Nederlandse scheepstypen, Schiffahrtsmuseum

11:28 het oudst bekende boot van rendiergeweien, hazelaarstokken en dierenhuiden, Schiffahrtsmuseum

13:20 Polderdijk, vanaf de L191, thv Louisenkoog

13:23 boerderij op een wierde, vanaf de L191, thv aansluiting L11

13:26 Speicherbecken, vanaf de L191, net na Gaarde

13:35 't Wad en het eiland Oland, vanaf Schlüttsiel

13:36 't Wad en het eiland Gröde, vanaf Schlüttsiel

13:41 Schlüttsiel

13:43 water uit Schlüttsiel
13:43 bakje koffie in de zon, Schlüttsiel
boek van en over Friesisches Museum Ook was het boekje over deze boerderij natuurlijk van groot belang en kochten we dan ook. Daarna werden we op sleeptouw genomen door de oude baas, die honderd uit vertelde. Ook op onze vragen ging hij gretig in. Dit ging echter ten kostte van het fotograferen van diverse zaken. Aangekomen bij de gereedschappen kwamen we bij een nieuw aanwinst, de muizenval. Met trots -zoals bij alles- vertelde hij hoe het werkte. Op de foto zien we in de zijkant 5 poortjes (dus voor 5 muizen) met een deurtje ervoor, behalve de middelste, deze is half open. Verder zien we 2x5 rijen hokjes. Een rij van 5 (met dus 5 poortjes) en daarachter ook weer 5 rijen. In het midden kunnen we nog net zien, dat hier ook open poortjes zitten (dus zonder deur). Het geheel in afgedekt met fijnmazig gaas.
In de achterste 5 rijen word iets lekkers voor muizen gelegd (kaas) en het is de bedoeling dat de muizen dit gaan pakken. Ze moeten daarom door het voorste poortje, waarvan de deur openstaat, naar binnen. Hiergekomen komen ze een obstakel tegen om in het tweede kamertje te komen waar het lekkers ligt. In het tweede poortje zit namelijk een touwtje gespannen, zodat de muis er niet door kan. Dus moet de muis eerst het touwtje doorknagen om bij het lekkers te komen. Echter op het moment dat het touwtje doorgeknaagt is, valt het valdeurtje naar beneden en zit het muisje opgesloten. Het muisje kan echter nog wel genieten van het lekkers. Dus omkomen van de honger zal het niet. En daarna kan het in de vrije natuur weer vrijgelaten worden.
vlag van de Friese Raad Daarna liepen we naar de stal, waar diverse geografisch kaarten hingen van de omgeving. Ook hier hebben ze last gehad van diverse Noordzee-inbraken en lag Niebüll ook soms aan de kust in plaats van in de polder. Ook wist de man ons te vertellen dat er nog steeds een Interfreeske Raad/Fryske Rie/Friesenrat/Friese Raad/Fräisken Räid/Frisisk Råd bestaat, die jaarlijks bijeenkomt! Kijk dat is leuk om te horen.
Minder leuk was, dat de bevolking van deze regio zich enigszins in de steek gelaten voelt, omdat er te weinig gedaan wordt aan de dijkverhoging terwijl de bewoners ook gewoon belasting betalen. Het probleem is echter dat er dit gebied relatief zo weinig mensen wonen, dat het geld liever aan gebieden worden besteed, waar méér mensen wonen.
Thet is Frisesk riucht
Naar aanleiding van het verhaal over het opgeven van het kustgebied, kan ik het niet laten om hier alvast een stukje uit het literatuuronderzoek te plaatsen. Dat is namelijk hier op z'n plaats. Het betreft een citaat uit "Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland : een studie naar de Oudfriese boeteregisters" van Han Nijdam. Hij citeert en vertaald uit het Riustringer register (10):
Thet is ac londriucht, thet wi Frisa hagon ene seburch to stiftande and to sterande, enne geldene hop, ther umbe al Frislond lith; ther skil on wesa allera ierdik iuin har oron, ther thi salta se betha thes dis antes nachtes to swilith. Ther skil thi utrosta anti inrosta thes wiges plichtich wesa, tha strete thes wintres and thes sumures mith wegke and mith weine to farande, thet thi wein tha oron meta mugi. Alsa thi inrosta to tha dike cumth, sa hagere alsa gratene fretho opa tha dike, alsare oua tha wilasa werpe and alsare oua tha wieda stherekhoui; heththere thenne buta dike alsa felo heles londes and grenes turues, thetterne dikstathul mithi halda mugi, sa halde hine thermithi. Ac neththere nauwet sa felo buta dike heles londes and grenes turues, thetterne dik mithi halda mugi, sa hagere binna dike thritich fota turues and thritich fethma to gerse; thet skel wesa alla fennon anda fili er sante Vitesdi.
Vta skilu wi Frisa vse lond halda mith thrium tauwon, mith tha spada and mith there bera and mith there forke. Ac skilu wi use lond wera mith egge and mith orde and mith tha bruna skelde with thene stapa helm and with thene rada skeld and with thet unriuchte herskipi. Aldus skilu wi Frisa halda use lond fon oua to uta, ief us God helpa wili and sante Peder.

Dit is ook landrecht, dat wij Friezen een zeeburcht moeten stichten en versterken, een gouden band, die om heel Friesland ligt; op die zeedijk, waar de zoute zee dag en nacht tegen aan spoelt, moet elke roedemaat even hoog zijn als de andere. Daar zullen de vlak bij de dijk wonende mensen en de meer landinwaarts wonende beide onderhoudsplichtig zijn voor de weg, zodat de straat ’s zomers en ’s winters met paard en wagen zo te begaan is, dat de ene wagen de andere kan passeren. Als degene die meer landinwaarts woont naar de dijk komt, dan heeft hij recht op een net zo hoge vrede op de dijk, als hij heeft op de ongewijde dingplaats en op het gewijde kerkhof; en heeft hij dan buitendijks zoveel land en groene zoden, dat hij het dijklichaam daarmee kan onderhouden, dan moet hij het daarmee onderhouden. Maar indien hij niet zoveel land en groene zoden buitendijks heeft, dat hij het dijklichaam daarmee kan onderhouden, dan mag hij binnendijks dertig voet zoden en dertig vadem gras afgraven; dat geldt voor alle weiden in het steile kustgebied voor St. Vitusdag.
Tegen de zee toe moeten wij Friezen ons land beschermen met drie werktuigen, met de schop en met de berrie en met de greep. Ook moeten wij ons land beschermen met zwaard en speer en met het bruine schild tegen de hoge helm en tegen het rode schild en tegen de onrechtvaardige heerschappij. Zo moeten wij Friezen ons land behouden van binnenland tot aan de zee, als God en Sint Pieter ons helpen willen.
Kortom, jullie kunnen beter naar hogergelegen gebieden verhuizen, want wij de belastingontvanger, gaan jullie probleem niet oplossen. Toch typisch is dat. Want als het hier nat gaat, gaat het elders ook nat. En je raakt een hoop landbouw/grasland kwijt. Wat ook typisch is dat de bevolking hier eeuwen heeft gestreden om hun eigen huis en haard te beschermen met wierden en dijken, ook in de periode dat ze zich nog Vrije Friezen konden noemen en er nog helemaal geen centraal gezag was, laat staan belastinggeld, en dat ze nu, nu alles zo goed is geregeld, technisch van alles mogelijk is, de centrale overheid zegt, dat de bevolking beter kan verkassen. Erg typisch. Ik vraag me af, waar is het mis gegaan? En vooral, wat is hieraan te doen? Erg benieuwd wat ze op zo'n jaarlijkse bijeenkomst doen en wat ze daar zoal bespreken.
Na deze discussie kwamen we weer in de blauwe woonkamer, waar ik hem wees op de boeken. Hij pakte er eentje en dat was een poos niet gebeurd. De boeken staan hier overduidelijk niet goed. Het papier was duidelijk aangetast door vocht, vorst en hitte. Jammer. Hij zou kijken of ze mogelijk ergens anders konden staan.
Vervolgens kwamen er weer een nieuw stel binnen en begon hij weer van voren af aan. En wij gingen weer verder met onze reis.
Voordat we wegreden uit Niebüll wil ik eerst nog even een in mijn ogen prachtig pand op de foto zetten. Het staat schuin tegenover de bakker waar we de auto hadden staan. Volgens een plakaat had hier in de periode 1894 - tot aan z'n dood in 1917 de schilder Carl Ludwig Jessen gewoond. De Friesenmahler, omdat hij bekend was van het schilderen van het boerencultuur en het Friese landschap.
We gingen door het dorp verder naar Süderlügum, ons laatste hoogtepunt op de kaart. Hierna gaan we weer naar beneden en rijden via de L301 Lexgaard tegemoet. Wat een uitstraling heeft dit buurtschapje (57 zielen in 2010). Je wordt er vrolijk van. Het is dat het nog steeds een grauwe dag is met af en toe een regenbuitje. Maar Lexgaard schijnt zelf, al zie je dat niet echt op de foto. De werkelijk is echter anders dan wat een foto kan vangen.
Via de L246 rijden we verder naar Leck. Daarna over de K115 en K89 naar Lindholm, over de L10 naar Risum-Lindholm. Bij het wierdebuurtschap Waygaard (het hof van Weig) gaan we rechtsaf de L6 op en nemen verder de L13 bij Addebüll. Bij Goldelund nemen we verder de L12 naar en komen we weer uit in Bredstedt. Gezien het tijdstip gaan we hier toch maar kijken naar een hotel. De eerste aan de Oosterstraße zat vol en verwees ons door naar de "die Friesenhalle" aan de andere kant van de Markt. Dus reden een stukje verder en zagen links de paaltjes die ons vanochtend nog hadden geblokkeerd. Helaas hadden de eigenaren van de Friesenhalle andere plannen met hun leven en waren gestopt. Dus vervolgden we de weg en kwamen "Ulmenhof" tegen. We aarzelden, maar hadden ook geen zin in verdere zoektochten.
Ze hadden nog een kamer vrij, later zal blijken waarom, dus deze namen we maar. We namen intrek op onze kamer in dit mooie pand. Wat opviel was, dat er aan diverse objecten prijskaartjes zaten. Dus ze waren ook nog een antiekwinkel. Of een antiekwinkel gebruikte het hotel als vitrinekast, kan ook. Ook slim!
Omdat we wel al een eindje uit het centrum waren gereden, bleven we ook maar in het hotelrestaurant eten. Vreemd genoeg waren was het hele restaurant leeg en stonden er nauwelijks auto's op het parkeerterrein. Hoezo dan maar een kamer nog vrij. Deze vraag werd al snel beantwoord toe we aan ons voorgerecht zaten. Een buslading met 65+ers werd hier afgezet en het was gedaan met de stilte. Gelukkig was het personeel ons niet vergeten en werd met enige regelmaat gekeken of we toe waren aan ons volgende gang.
Na het eten trokken we ons terug op de kamer, waar nog wat gelezen hebben voordat we weer vroeg gingen slapen. Deze nacht was ik voor het eerst de weg kwijt, tijdens de toiletgang. Half slapend stond ik in de walk-in-kast. Tja, ik moest dus toch een andere kamer in het donker zoeken. Heleen moest er hartelijk om lachen, want die had mijn gestommel wel meegekregen. Dat is het leuke aan die mooie panden, ze hebben houten vloeren, dus elke stap, kraakt en alles wat ook op deze plank staat beweegt mee en maakt eventueel z'n eigen geluidje en verder piept natuurlijk elke authentieke deur.
14:47 keukenhaard, Friesisches Museum, Niebüll

15:06 hand-karn-machiene, Friesisches Museum, Niebüll

15:11 muizenval, Friesisches Museum, Niebüll

"Dat zet geen zoden aan de dijk."

De oorsprong van dit spreekwoord kan verklaard worden middels het hiernaast staande landrecht!

15:45 Deezbüller Straße, Niebüll

16:38 Lexgaard, een stralende buurtschap, als je niet zonnig bent, dan wordt je van het aanzicht van dit dorp wel!

16:38 Lexgaard

18:05 hotelkamer, Ulmenhof, Bredstedt

18:06 hotelkamer, Ulmenhof, Bredstedt






Dag 8: van Bredstedt naar Glückstadt

We werden deze ochtend gewekt door enkele personen die buiten, maar toevallig onder onze open raam een sigaretje met een gezellige babbel aan het roken waren. Wij waren kennelijk dan ook uitgeslapen, anders zouden we hiervan niet wakker geworden zijn.
Het personeel had er kennelijk vanochtend moeite mee om deze buslading te verwerken, want toen we aan ons ontbijt wilden beginnen, was er niemand te vinden en was de eetzaal een grote chaos. Ok, ik overdrijf. We maakten een redelijk schoon tafeltje voor onszelf klaar en gingen op zoek naar een jus-tje, eten en personeel. Na enige tijd hadden we dit voorelkaar en konden we gaan ontbijten.
Grappig was, dat ook dit hotel weer over een sauna en zwembad beschikte. Zoals gebruikelijk moet ook dit een uur van te voren aangevraagd worden. Zou hiervan vaak gebruik gemaakt worden? Na het ontbijt en inpakken gingen we weer op pad. Duidelijk met het gevoel dat we op de terugreis waren, begonnen we deze rit op de 5, namen we het dorpje Hattstedt even mee, om na Husum op de L135 terecht te komen.
Bij Rantrum kwamen we een ooievaarsnest langs de kant van weg tegen. Ook hier geldt, als je een foto ervan wilt maken, dan moet je het nu doen, want straks kan het niet meer.
route tot Glückstadt k  a a r  t  8 kaart in Google Maps
9:06 hotel Ulmenhof, Bredstedt

9:06 hotel Ulmenhof, Bredstedt

9:51 ooievaarsnest Rantrum

We vervolgden de weg naar Oldersbek en sloegen rechtsaf richting Ramstedt en Schwabstedt. Hier kwamen we het riviertje Treene weer tegen. Middels de L38 kwamen we weer uit in Seeth, waarna we voor de 2e keer de 202 in dezelfde richting bereden naar Nordenstapel. Nu sloegen we echter rechtaf en bleven we op de 202 naar Erfde. Hier sloegen we weer rechtsaf de L172 op en kwamen we de Eider weer tegen. Dat lijkt me een prachtige rivier om eens een boottocht over te maken. We rijden verder over de het verlengde van de L172 en komen op de L150 die ons naar Heide brengt. Hier parkeren we auto in het doodlopende straatje "Kleine Westerstraße" met vrij parkeren en lopen naar het centrum via deze straat en de Große Westerstraße. We komen uit op Markt en gaan eerst even een bakje koffie drinken aan het begin van de winkelstraat Süderstraße.
Daarna struinen we deze winkelstraat af, waar we meteen al een antiekwinkel induiken en ook weer interessante zaken zien. Maar ja, zonder kennis van zaken iets kopen is niet slim, dus ook hier weer met lege handen uit. In de Friedrichstraße kwamen we weer boekhandels tegen en ook hier konden we het weer niet laten.
boektitel met link naar uitgever Die Nordseeküste : Geschichte einer Landschaft / Dirk Meier
Boyens
ISBN 978-3-8042-1182-7
Dirk Meier zeigt, wie die heutige Küstenlandschaft entstand, erläutert den Anstieg des Meeresspiegels, beschreibt das Leben der ersten Siedler an der Küste und erzählt, wie die Menschen sich durch den Bau von Deichen und Warften vor Sturmfluten zu schützen versuchten.




boektitel met link naar uitgever Nordseeküste und Schleswig-Holstein : Die 66 schönsten Ausflüge und Tipps für Ihre Freizeit und Kultur / Jutta Kürtz
Merian
ISBN 978-3-8342-0684-8













boektitel met link naar uitgever Schleswig-Holstein anschaulich : Streifzüge durch das Land und seine Geschichte / Heinz-Joachim Draeger
Convent Verlag
ISBN 978-3-86633-017-7









boektitel met link naar uitgever Nordseeküste Niedersachsen / Roland Hanewald
Reise Know-How
ISBN 978-3-8317-1963-1
Das optimale Handbuch um die Region individuell zu erleben und die Schönheiten der niedersächsischen Nordseeküste entlang der Störtebekerstraße zu entdecken: von Leer über Emden und Norden nach Wilhelmshaven, um den Jadebusen herum, nach Bremerhaven und Cuxhaven bis nach Stade.








Na het rondje winkelstraat gelopen te hebben, komen we weer uit bij Markt, waar we bij een Italiaanse ijssalon een koffie gaan drinken. Hierna sloffen we weer naar de auto om een poging te doen een begraafplaats te vinden. Na een poosje rijden gaan we het maar eens vragen (we zijn dan ergens aan het begin van de Rosenstraße aangekomen). We worden weer in de richting gestuurd waar we vandaan kwamen. (Bleken we er dus vlak onder te zitten.) Na paar straten gaven het maar op en probeerden op gevoel de stad weer uit te komen. Aan het einde van de Loher Weg in het buurtplaatsje Lohe Rickelshof ligt een klein parkeerplaatsje, waar we maar even ons broodje gingen eten en een nieuw plannetje gingen maken. We moesten nog over het Nord-Ostsee-Kanaal en niet over de snelweg en niet dezelfde als de heenreis en niet met een (fiets)pont. Dan bleef er maar eentje over. En dus reden we naar Hemmingstedt waar we via de 5 naar Meldorf namen. Hier gingen we verder over de 431-L316 over de HochBrücke over de Nord-Ostsee-Kanaal. Echt hoog is deze brug. Daar past elk schip onder door. En verder gingen we weer met de L131 en L127 naar Itzehoe. Nu we hier toch waren, toch maar even kijken. Het is niet echt groot. En dus waren we er binnen een uurtje ook weer weg. Al hadden we daar een beetje problemen mee. En aangezien ze natuurlijk net op de weg waar wij verkeerd reden, ook met de weg bezig waren, duurde het ook nog enige tijd, voordat we dit konden corrigeren. Maar goed, uiteindelijk hadden we Itzehoe achter ons gelaten en reden we naar Glückstadt. We wilden eigenlijk een poging doen om niet de weg naar de pont te nemen, want daar stond natuurlijk een rij voor. Gelukkig voor ons kwamen we deze niet tegen. En konden we rustig de auto parkeren Am Markt, waarna we na 1 mislukte poging meteen naar de plaatselijk vvv gingen. Hier lieten voor 2,50 een kamer zoeken. Deze bleek boven de bakker te zitten, ook Am Markt. Dus dat was geregeld.
Als we snel waren, konden we nog het personeel treffen om ons de sleutel te geven. Dus liepen we even snel naar de bakker. Een meisje liep met ons mee naar de kamer, met een overdekte buitentrap naar de vierde verdieping. Aan deze trap woonden nog diverse andere mensen. Apart. Maar goed, wij hadden weer een bed en daar ging het om. Niet echt een kamer om de koffer naar toe te slepen. De auto stond goed op het plein, vanaf 9:00 weer betaald parkeren, maar dan waren wij al weer weg. We konden nu lekker in de zon gaan zitten, want die schijnt in Glückstadt, immer! Terrasjes genoeg en dus kozen we er een, waar de zon het langste zou schijnen, zodat we ook lekker buiten konden eten. Dat werd dus Ricci's Restaurant. Lekker.
Dat schall glücken und dat mutt glücken, un dann schall se ok Glückstadt heten“ – Mit diesen optimistischen Worten ließ der dänische König Christian IV. 1617 den ersten Grundstein für unsere schöne Stadt legen. Wanneer ik deze verklaring lees, dan krijgt de naam toch een andere betekenis, dan dat ik eerst dacht. Eerst dacht ik het vertaald "Gelukstad" zou heten, maar ik vertaal de uitspraak van de deense Koning toch meer als "Dat zal (ge)lukken en dat moet (ge)lukken". Tja, en dat is meer een poging laten doen slagen.

Na het eten een wandeling langs de haven en naar de pier gemaakt. Hier hadden we een groots uitzicht over de Elbe. In de haven zagen we nog een zeehond zwemmen. Helaas wou hij niet op de foto. Daarna weer via een andere weg naar ons pleintje, waar we buiten nog iets hebben gedronken bij de buurman Hotel & Restaurant Raumann. Toen het donker werd, zijn we naar onze kamer gegaan en nog wat gelezen. En toen lekker slapen en genieten van de kerktoren die precies de tijd aangeeft. Kwart over ... 1x hoog slaan, half ... 2x hoog slaan, kwart voor ... 3x hoog slaan, heel ... 4 x hoog slaan plus het aantal uren laag slaan. (hoog slaan is een hoge toon en laag slaan een lage toon torenklokbel.) Tja, dat duurde wel even....

11:27 St. Jürgen-Kirche, Heide

14:49 Nord-Ostsee-Kanaal thv L316 vanaf de HochBrücke

14:50 Nord-Ostsee-Kanaal thv L316 vanaf de HochBrücke

14:51 Nord-Ostsee-Kanaal thv L316 vanaf de HochBrücke

14:59 L316 en de HochBrücke

15:53 Stadtkirche St. Laurentii, Itzehoe

16:07 Adelige Kloster, Itzehoe

16:09 Klosterhof, Itzehoe

16:31 boekenleencel, Kirchenstraße, Itzehoe

18:17 rondje Am Markt (12), Glückstadt

18:17 rondje Am Markt (2), Glückstadt

18:17 rondje Am Markt (4), Glückstadt

18:17 rondje Am Markt (6), Glückstadt

18:17 rondje Am Markt (7:30), Glückstadt

18:17 rondje Am Markt (9), Glückstadt

18:36 Ricci's Restaurant, Am Markt, Glückstadt

19:47 Am Fleth, Glückstadt

19:48 de Stadsbakkerij sinds 1631, Am Fleth, Glückstadt

19:59 Am Hafen, Glückstadt

20:23 op de pier met uitzicht op de Elbe, Am Hafen, Glückstadt

20:26 op de pier met uitzicht op de Elbe, de pont van morgen, Am Hafen, Glückstadt






Dag 9: van Glück-stadt naar Elsfleth

route tot Elsfleth k  a a r  t  9       kaart in Google Maps

7:28 kamer boven bakkerij, Glückstadt

7:28 kamer boven bakkerij, Glückstadt

Nadat we genoeg kwartiertjes voorbij hadden horen komen, zijn we maar eens opgestaan. Het was nog vroeg, maar... bakkers zijn ook vroeg.
Genietend van de nieuwe dag naar buiten kijkend, zag ik de familie kauw ook wakker worden. Ze kwamen één voor één de schoorsteen uitkruipen, waarbij ze uitrekkend de nieuwe dag aanschouwen, even de nacht uit de veren schuddend aan de kant gaan staan, zodat pa of ma ook fatsoenlijk eruit kan klimmen. Vervolgens worden de veertjes verder gepoetst. Erg leuk om eens te zien. Ze gaapten nog net niet.
Nadat wij ook gepoetst waren gingen we naar beneden waar de bakker ons ontbijtje al klaar had staan.
Nadat we van 4hoog onze spullen hadden gehaald en in de auto hadden gelegd, gingen we nog een klein rondje om de kerk maken. En toen konden we echt Glückstadt verlaten.
kaartje Elbfähre Omdat het nog vroeg was, stond er natuurlijk ook nog geen lange rij voor de oversteek met de pont. 4 auto's stonden er voor ons. Dus ook dat hadden goed bedacht en de uitwerking klopte.
Na weer een leuke boottocht (en op de boot even gekeken hoe de wc eruit zag, bleek dat onder het dek nog een hele verdieping te zijn, waar mensen konden zitten, maar ook eten konden kopen etc.) kwamen we vlot aan de overkant. Hier vervolgden we de 495 tot we over de L111 konden gaan rijden en namen de L110 het Hanze vestingstadje Stade in. We reden eerst een rondje om de stad om te kijken waar we auto konden neerzetten en zo hadden we meteen inzicht hoe groot het centrum was. Wat een alleraardigst stadje. Dus de auto bij een grote supermarkt, net buiten het centrum, geparkeerd en in zomerkledij (het zonnetje scheen al lekker) de stad in. We liepen de Alt-Stadt binnen bij Wasser Ost. Dit zal onvermijdelijk de meest fotogenieke omgeving van Stade zijn!
Aan het einde van deze gracht (wat onderdeel is van de Schwinge dat door en om de Alt-stadt stroomt) hebben we even een koffie gedronken. Daarna trokken we de stad in. Via de Kehdinger Straße, rechtsaf de Hökerstraße in. We werden vervolgens afgeleidt door een kerktoren en dus liepen naar de Ss. Cosmae et Damiani-kerk.
Glasbläserei Christian Bernschein Terug gelopen naar de Hökerstraße, zagen we dat de straat naar beneden er ook leuk uitzag. Dus liepen wij rechtdoor de Neue Straße in. Op de hoek met de Steile Straße zagen we geblazen glas producten en dus hebben even gekeken. Indrukwekkend vonden we de producten waarin een groot glazen object in de buik van een flesachtig object zaten. Om het hoekje kon je ze aan het werk zien.
We vervolgden de Hökerstraße, en liepen we langs het Raadshuis, hier kon je zo even naar binnen lopen. Hierna volgde een boekhandel en zowaar, we kwamen met lege handen hieruit. We zagen weer een kerk en liepen door de Flutstaße naar de kerk. Bij de Schiefestraße ging we rechtsaf en bij de Archivstraße weer. Deze straat komt uit op een parkeerterrein Am Sande. Zo kwamen langs de Poststraße, waar je een indrukwekkend beeld had op de Ss. Cosmae et Damiani die duidelijk lager ligt dan de deze kant van de stad. Wij gingen aan het einde van de straat weer naar rechts de Holzstraße in.
The Fisherman and His Wife Hierdoor kwamen we op de Pferdemarkt uit. Hier waren een aantal dingen te zien. Allereerst een waterpartij met beelden: "der Fischer und seiner Frau"-brunnen naar aanleiding van het sprookje "Von dem Fischer und seiner Frau". Ook zagen de putdeksels er leuk uit. Verder was er nog een mozaïk-kompas te zien, met daarop de afstanden naar andere steden. Wij accentueren de richting en afstand naar
Zwolle (255 km, 006º06'E,52º30'N) en
Soest (242 km, 008º06'E,51º34'N).
Daarna kon ik even een goed kijkje nemen in de Sattelmacherstraße, en zag op het dak van de slagerij de slager en een varken lopen. Vervolgens liepen we dezelfde weg terug naar de auto. En we gingen weer verder. Eerst reden via de L140 de stad weer uit om linksaf een stukje L110 te rijden, waarna we opeens weer op de L140 zaten en tevens Stade weer inreden. We vervolgden onze weg met de 73 (weer Stade uit) om te ontdekken hoe de hemelpoort eruit zou zien. We reden Himmelpforten in en waren er ook zo weer uit. Bij Hechthausen reden we de Oste over gingen we even wat eten en drinken. Vervolgens reden we over de L116 richting Laumühlen naar Vor dem Moor en Lamstedt. Daarna volgden Mittelstenahe en Moorausmoor, Lintig, Hainmühlen waar we verder gaan over de L128, Köhlen, Vorm Moor, Geestenseth en uiteindelijk Beverstedt waar we weer een poging gaan doen om iets te drinken. Wel grappig dat deze plaatsnamen zich laten lezen, zodanig dat je weet in welke omgeving je bent. Na een rondje gelopen te hebben vonden uiteindelijk een bakker waar we kopje koffie konden krijgen. Omdat er verder niets boeiend te vinden was reden we maar weer verder. Middels de L134 reden we door Stubben, Bramstedt, Hagen im Bremischen. Hier pakten we de K51, reden al snel over de E234/27 heen en kwamen Sandstedt bij Weser uit.
kaartje Schnellfähre Brake-Sandstedt Hier namen we het pontje naar Brake. Dit pontje was een stuk kleiner dan die over de Elbe.
We waren eigenlijk er nu ook wel weer een beetje klaar mee (met autorijden). Dus maar op zoek naar een slaapplaats. We wilden niet naar Oldenburg, want daar waren we twee jaar geleden al een dagje naar toe geweest. En we wilden ook niet te dicht in de buurt van Bremen komen, daarom waren we juist met het pontje overgestoken. Dus hoopten we maar dat er nog iets langs de Weser zouden vinden. En daar kwam Elsfleth al in zicht en na de eerste bocht zagen we Hotel-Restaurant Alte Mühle staan. KLAAR! (...)
Er was voor ons uiteraard een kamer en ook eten, dus we konden met een gerust hart even uitpuffen en daarna lekker eten.

Na het eten een lange wandeling door Elsfleth gemaakt. We dachten dat Elsfleth een soort van lintbebouwing had en klopte ook wel. Een hele lange lint. We begonnen op de dijk Weserstraße. De dijk moet bescherming bieden tegen de Weser, eigenlijk z'n zijtak de Hunte. We kwamen hier aan het begin van de dijk ook al in de mogelijkheid om de Hunte van dichtbij te zien. Dat hebben dus maar even gedaan. Deze dijkweg was ongeveer een kilometer lang. Daarna kwamen op een overslaghaventje uit. Hier moest Heleen natuurlijk even aan de kettingen hangen.
En toen bleek dat Elsfleth ook nog een centrum had. Op het pleintje (Bahnhofstraße) stond een enorm "Denkmal des Schwarzen Herzogs". [Friedrich Wilhelm von Braunschweig-Lüneburg-Oels (1771–1815); am Hafen steht das Denkmal des Schwarzen Herzogs. Es wurde 1859 zum Andenken an ihn und seine Schwarze Schar errichtet, die gegen Napoléon Bonaparte kämpfte und sich nach dem Gefecht bei Ölper hier und in Brake am 6./7. August 1809 nach England einschiffte.]
We liepen dit centrum in via de Steinstraße. Deze liepen we echter maar zo'n 300 meter, want daarna was het centrum alweer afgelopen. Het was wel een leuk dorpswinkelstraatje. Daarna liepen we dezelfde weg weer terug (bang als we waren om te verdwalen). En we liepen over de parallelweg van de Weserstraße, genaamd de Mühlenstraße, weer terug. Al met al toch een kleine 3km gelopen.
Hier zagen we alweer iets op het dak staan van een woning. Dus hierbij de tip in de deze omgeving: Kijk ook eens naar boven.
Na de verkwikkende wandeling was het nog steeds lekker weer, dus konden we voor het hotel op een terras nog van een lekkere Weißen en witte wijn genieten. Daarna op de kamer met hetzelfde recept nog een paar bladzijden lezen en lekker slapen.

9:19 Elbe

9:19 Elbe

10:42 Der Hansehafen, Stade

10:43 Am Wasser West, Stade

10:44 Bürgermeister-Hintze-Haus, Am Wasser West, Stade

11:20 Ss. Cosmae et Damiani, Stade

11:22 in het Alte Rathaus, Stade

11:24 in het Alte Rathaus, maquette, Stade

11:41 Ss. Cosmae et Damiani (door de Poststraße), Stade

12:08 "Von dem Fischer und seiner Frau"-Brunnen, Pferdemarkt, Stade

12:10 Pferdemarkt, Stade

12:11 putdeksel, Pferdemarkt, Stade

12:14 Sattelmacherstraße, Stade

12:26 Rathaus (1667), Stade

12:33 Die Fischfrau von F. Müller-Benecke am Hansehafen, Stade

12:35 Stade

13:28 Himmelpforten

15:43 Beverstedt

16:28 Weser (pont Brake-Sandstedt)

16:30 Weser (pont Brake-Sandstedt)

20:22 Elsfleth

20:24 Elsfleth

20:30 Elsfleth

20:46 Elsfleth

21:48 kamer Hotel-Restaurant Alte Mühle, Elsfleth






Dag 10: van Elsfleth naar Leer

route tot in Nederland k  a a r  t  10       kaart in Google Maps

9:12 Hotel-Restaurant Alte Mühle, Elsfleth

Na goede nacht slaap, konden weer aan het ontbijt verschijnen. Wat zouden we vandaag nog doen? We zaten vlakbij Oldenburg. Bovenlangs hadden we al gezien, dus dan maar onderlangs. Met een grote boog. Onze oog viel op een wel heel Friese plaatsnaam: Friesoythe, dus daar zouden we het dan maar op aansturen en daarna doorrijden naar Leer.
Dus op naar Friesoythe.
We reden Elsfleth uit over de 212 tot Hüntebrück. Hier reden over de Hunte en konden we ook even langs de Hunte rijden over de L866. Bij Wüsting vervolgden we de weg K348, L868 en L871 tot aan Kirchhatten. Hier reden we met de L888 het Naturpark Wildeshauser Geest in. Bij Dingstede gingen we rechtsaf richting Brettorf. Voor Brettorf weer rechts naar Neerstedt over de K236. Aan het einde van de weg linksaf de K242 op. Na Amelhausen rechtsaf de K238 volgen tot Großenkneten. Hier rechtdoor met de L871 door Sage, over de autosnelweg 29, tot Garrel. Hier naar rechts over de L835 en deze volgen tot onze eerste koffiestop van vandaag Friesoythe.
Het is dat er een mooie weg naar toe gaat, maar Friesoythe heeft ook last van de oorlog gehad. Het was vroeger mooier dan nu, zo te zien aan de oude foto's die her en der langs de kant van de weg staan om te laten zien hoe het er vroeger was.
We zaten ook hier weer bij een bakkerij koffie te drinken en bij het afrekenen was het niet helemaal goed gegaan. Ik had kennelijk het bonnetje van m'n voorganger afgerekend, want er stond een andere küche op de bon en ook nog goedkoper. Dus maar even dit rechtgetrokken bij de kassa. Het meisje was verbaasd, en blij met deze eerlijkheid.
Er stroomt nog wel een leuk beekje door het centrum: Soeste, dat heeft de oorlog gelukkig niet kunnen verwoesten.
stadswapen Friesoythe De verbindtenis met het Friese is natuurlijk overduidelijk. Ook in het stadswapen komt het terug. In het Seeltersk-wiki staat hierover dat er 2 Poapskenbleede in staan. En dat zijn natuurlijk in het Fries "Pompeblêd", en dat zijn de bladen van de gele plomp, wat weer verwijst naar de zeven Friese zeelanden met z'n zeven Pompebloader in hun vlag. Het wapen van Denemarken had vroeger ook deze blaadjes. Nu lijken het meer hartjes. Net als bij de Groningse vlag, welke dus ouder is dan de Friese provincievlag. Hierin staan ook de op blaadjes lijkende hartjes. En zo zijn er nog meer, net anders gestilleerde vormen bekend: Seeblatt.
Dit vergt echter -net als andere hier genoemde onderwerpen- nog verdere onderzoek.
Nadat ik bij the Phone House Sylvie van der Vaart-Meis tegenkwam en daar mee op de foto mocht, gingen we de reis maar eens voortzetten.

Via de L832 verlaten we deze stad. Na Barßel rijden we gelijk op met de L827 naar Hengstforde, waarna we de L821 volgen naar Leer, waar we een dik uur later aankwamen.
Het winkelcentrum ziet er eender uit als vele andere steden. Aan het einde van de winkelstraat is er nog een Alt-Stadt, wat aangeeft dat Leer een stuk minder geleden heeft in de laatste oorlog. We proberen nog te genieten van deze dag, al weten dat het einde van de vakantiereis nadert, zodra we weer Nederland binnenrijden. Dus nemen we nog maar een terrasje van Zur Waage und Bürse aan het water van de haven van Leer. Hier bespraken we, wat we vonden van de grote kasten die we gezien hadden bij "Das Altes Packhaus". Nadat we langs het haventje terug zijn gelopen, gingen we terug naar de auto en reden we langs de oude vesting Leerort, over de 436 richting Weener en de andere dorpjes als Stapelmoor, Diele, Stapelmoorerheide, Wymeer, Heerenland en Kloster Dünebroek, die we drie weken geleden hadden bezocht, om de begraafplaatsen te bekijken, op zoek naar familienamen.

Na dit enerverende gebeuren mochten we de volgende dag nog een dagje niksen in één van de veluwse sauna's. Uitrusten;-)

11:39 Friesoythe

11:42 Friesoythe

11:46 Friesoythe

14:19 Leer

14:55 Leer

14:55 Leer

14:57 Leer

14:57 Leer

15:01 Leer

15:04 Leer






Begraafplaats van Große Kirche Emden
Johannes Buisman
geb. zu Jemgum
den 17 Juli 1762,
gest. zu Emden
den 21 October 1846.

Dessen Ehefrau Hilke
geh. Garrels, geboren
zu Westerhusen
den 31 Januar 1764,
gest. zu Emden
den 3 Januar 1832.

Deren Sohn Johannes
geb. den 27 Mai 1797,
gest. den 2 Juni 1825.
Max Schulze
17.7.1890 - 7.4.1944
Katharina Schulze
geb. Jetses
20.6.1891 - 30.3.1967
Hugo Dirks
27.9.1900 - 27.7.1969
Margarethe Dirks
geb. Dinter
9.4.1901 - 20.6.1985
Begraafplaats van Neue Kirche Emden
Luise Schoon geb. Klaassen
9.3.1910 - 11.2.1970

Friedrich Schoon
5.9.1909 - 21.11.1980

Gerhard Klaassen
29.9.1876 - 14.11.1929

Georgine Klaassen geb. Wegener
9.4.1880 - 2.4.1964
Adam Folkers
27.2.1857 - 21.8.1897

Johanne Folkers
4.3.1890 - 24.2.1938

Christine Folkers
1-.--.1884 - 13.8.1968
familie Staal
Een week eerder hadden een aantal dorpen nabij Bunde bezocht en gekeken of hier nog bekende familienamen zouden voorkomen op de diverse begraafplaatsen. Het resulteerde in een klein lijstje met namen.
Begraafplaats van Evangelisch-reformierte Kirchengemeinde in Stapelmoor
BUSEMANN
Gerhardine
4.11.1876 - 12.2.1935
Bront Jans
23.4.1874 - 07.10.1952
Johann E.
x.8.1901 - 28.4.1941

Engelbert Busemann
15.7.1907 - 19.5.1979
Johanne Busemann geb. Peters
30.10.1906 - 2.1-1985
Jan Sanders Kievit (Malermeister)
18.9.1856 - 10.5.1926
Hinderika Kievit geb. Stock
25.1.1854 - 11.12.1894
Annette Kievit geb. Stock
x.1.1858 - 21.12.1935
Teelke Wildeboer
22.8.1900 - 12.6.1956
Trientje Wildeboer
15.9.1904 - 30.6.1987
Begraafplaats van Evangelisch-reformierte Kirchengemeinde in Wymeer
Hinrich Gerhard Busemann
9. Mai 1861 - 5. Juli 1936
Aaltje Busemann geb. Brouwer
25. Juli 1861 - 5. Nov. 1892
Jan Frieseman Viëtor
geb. zu Mitling
d. 22. Sept. 1776,
seit 1801 Prediger
zuerst in Oldenzijl,
dann in ten Boer und endlich
seit 1807 hieselbst,
gestr. d. 3. Juni 1852

Hinderika Viëtor,
geb. Van der Tuuk,
geb.d. 26. Mai 1787.
gest.d. 5. Janr. 1859.

Dem Andenken des Theuren
gewidmet von der Wittwe
und den Kindern.

Was soll ich predigen?
Das Heu verdorret,
die Blume verwelket;
aber das Wordt unsers Gottes
bleibt ewiglich.
Jes. Cap. 40 v.6,8.

Martin Herm. Busemann
30.9.1912 - 15.10.1970
Feena Busemann geb. Aeissen
19.1.1918 - 11.7.2001
Hier ruht unser liebes Söhnchen
Aeisse J. Busemann
20.2.1937 - 20.9.1937
Etta Johanna Busemann geb. Aeissen
19.1.1910 - 11.11.1983
Zum Gedächtnis an
Johann H. Busemann
22.1.1909 - 6.1.1946 in Klinzi Russland

Stoffer Sap
19.5.1927 - 3.4.1991
Harmina Sap geb. Kuiper
24.7.1926 - 10.10.1994
Harm Kuiper
19.1.1898 - 11.9.1970
Geeske Kuiper geb. Willems
17.6.1899 - 22.6.1972
Gebke Kuiper
12.3.1920 - 1.3.1946
Christian Fokken
30.8.1894 - 6.7.1984
Janna Fokken geb. Kuiper
27.9.1896 - 31.7.1983
Bij Kloster Dünebroek zijn we de grens over gegaan en reden we over de Hoofdweg Bellingwolde door. Aan deze weg kwamen we de volgende zaken tegen:
14:39
'Oldambster boerderij' met 3 lagen ramen voor de zaadzolder - Hoofdweg, Bellingwolde
zie ook dag 3
Even verderop kwamen we de laat gotische Hervormde kerk van Bellingwolde tegen. Hier lagen nog een aantal oude grafstenen, welke grotendeels voor mij op dat moment onleesbaar. Wel herkende ik op een van de stenen een herkenbaar wapengedeelte: op een grasgrond een boom, waartegen een omgewend hert klimt. Dit ben ik ook tegengekomen in het wapen van de familie Van der Tuuk. 14:39
Dekplaat van een graf met een wapen verwijzend naar de Upstalsboom en jachtrecht.






Taal links:
vertaling deutsch-plattdeutsch
plattdeutsch

Instituut för nedderdüütsch Spraak
Institut für niederdeutsche Sprache
Institut für niederdeutsche Sprache/Instituut för nedderdüütsch Spraak

NDR: Die Geschichte der plattdeutschen Sprache - auf Plattdeutsch
NDR: Die Geschichte der plattdeutschen Sprache - auf Plattdeutsch






Natuur links:
Het ontstaan van de Nederlandse duinen
Natuurinformatie.nl: Het ontstaan van de Nederlandse duinen

Doorsnede Hollandse kust omstreeks 6000 jaar geleden (zeeniveau 7 m beneden NAP)






Kruistocht in Spijkerbroek

reisverhaal Kruistocht in Spijkerbroek

Rondje om Zwitserland

Rondje om Zwitserland

Weekendje Noord-Groningen

Weekend Noord-Groningen

Free counter and web stats











Literatuuronderzoek

Inhoud
1 Intro

2 Intro nieuw gelezen en verwerkte boeken en artikelen

3 Geschiedenis

4 Oorlogen

5 Overstromingen/stormen

6 Religie

7 Geografisch

8 Mens

9 Lessen

10 Literatuurlijst






Intro
Een levend literatuuronderzoek... aan verandering onderhevig... bij elk nieuw gelezen boek zullen de kaarten anders kunnen komen te liggen.
Het verhaal zal dan ook telkenmale herschreven worden. De feiten verdraaid? Of juist onderuit gehaald! Wat is aannemelijk en wat juist ongeloofwaardig.
En krijgen we antwoord op de reeds gestelde vragen?
We zullen het allemaal kunnen zien de komende jaren. Want het is ongelooflijk, de hoeveelheid documenten die gelezen kunnen worden over dit onderwerp. Mogelijk en hopelijk vallen af en toe weer een paar puzzle-stukjes op z'n plaats.
Ik hoop dat de sneeuwbaleffect-methode een steentje gaat bijdragen, om de te lezen boeken binnen de perken te houden.






Intro nieuw gelezen en verwerkte boeken en artikelen
'Feitjes stampen verrijkt ons' / Peter Giesen. - INTERVIEW Joshua Foer (in: de Volkskrant : het Vervolg, 24-09-2011, p. 6-7). - ISAN 201109249040080611
Joshua Foer onderstreept nog maar weer eens dat het weten van feiten belangrijk is. Zodoende kun je namelijk combineren en tot nieuwe inzichten komen. Snoeihard concludeerd hij dan ook "Tot nu toe heeft Google nog nooit één creatieve gedachte gehad".
Tuurlijk, Google en de vele andere databases zijn handig om dingen in op te zoeken, maar de mens zal het toch zelf moeten lezen en onthouden om nieuwe stappen te kunnen zetten.
terug naar Witkamp

Groninga Dominium Groninga Dominium – geschiedenis van de cartografie van de provincie Groningen en omliggende gebieden van 1545-1900 / Piet H. Wijk. - Groningen / Assen : Philip Elchers en Van Gorcum, 2006. - ISBN 9789023242413

Van Standen tot Staten Van Standen tot Staten : 600 jaar Staten van Utrecht 1375-1975. - (Stichtse Historische Reeks, I.) - Utrecht: Stichting Stichtse Historische Reeks, 1975. - ISBN 9025702724
Dit boek geeft een aardig beeld hoe het er aan toe ging, vanaf 1375.
Opmerkelijke zaken:
p68: 1593, de tijd van Oldenbarnevelt. Om aan de Franse burgeroorlog een einde te kunnen maken werd door de Franse gezant Choart de Buzanval aan de Staten-Generaal om een subsidie gevraagd. Utrecht was de enige die bleef weigeren hun aandeel op te brengen. Hierdoor kwam echter de gehele subsidie in gevaar. Waarom? De bedragen van sommige andere provinciën werden berekend als veelvoud van Utrecht. Dus als Utrechts bedrag 0 bleef, dan zou een veelvoud van 0 ook 0 opleveren. Buzaval was echter niet voor één gat te vangen en ging naar Utrecht. Hij wist alsnog de zaak te regelen door aan de Staten van Utrecht het bedrag van hun aandeel uit de verleende subsidiegelden terug te betalen. Had Utrecht een invloed van zo'n 6%, Holland had zo'n 60% en Friesland zo'n 12%. De truc die Buzaval uithaalde was dus Utrecht bereidt vinden om bijvoorbeeld 60.000 te betalen, zodat hij bij de anderen totaal 940.000 kon ophalen, waarna hij de 60.000 weer aan Utrecht terug betaalde. En zo kon dan toch met bijvoorbeeld 880.000 netto naar huis. (Het zou me ook niets verbazen als Utrecht -in dit rekenvoorbeeld- iets meer dan die 60.000 terugkreeg, dan wel eiste!)
p69: Een opstandje door democratisch gekozen burgerhoplieden over een 5% huurbelasting, terwijl de 170 kanunniken (met "vette prebenden") van deze belasting zouden worden vrijgesteld, ging niet door omdat Van Meeteren de burgerhoplieden in het gelijk stelt. Grotius noteert dit als zodanig in de Annalen. De Staten van Holland laten dit echter na diens dood in een herziene uitgave herschrijven, in een voor de kanunniken gunstige zin.
Anonieme prent (ets), 17de eeuw Prent van Claes Janszn. Visscher, midden 17de eeuw Prent van Simon Fokke en zijn zoon Arend Fokke uit 1776 tekening van Esaias van de Velde uit 1619 p86: Nadat in februari 1619 op de Dordtse synode de remonstranten waren veroordeeld en alle predikanten waren afgezet en waren vervangen door oa Maurits (prins van Oranje) gunstelingen, kwamen er toch een aantal in de problemen. Ledenberg dacht -nadat hij gevlucht was- dat de kust weer veilig was, omdat Maurits Utrecht had verlaten, zonder arrestaties te verrichten. Dit was een misvatting. Hij te Utrecht, Oldenbarnevelt en de zijnen te Den Haag werden tegelijkertijd in augustus gearresteerd en naar Den Haag overgebracht. Ledenberg sneed zichzelf de keel door, om zo een veroordeling met verbeurdverklaring van goederen te voorkomen. Echter de Staten-Generaal en de Staten van Utrecht wilden zich echter die buit niet laten ontgaan en zo werd Ledenberg acht maanden na zijn dood alsnog veroordeeld om in zijn doodkist aan een galg te worden opgehangen, terwijl zijn vermogen verbeurd werd verklaard.
p120: Dat mensen er altijd tot doen en dat het altijd mensenwerk is die veranderingen doorvoeren of dit pogen, blijkt oa uit de strijd die Gisbertus Voetius, primarius theologiae professor voerde en z'n hoogtepunt in 1660 kreeg. De strijd van scheiding tussen kerk en staat. Of te wel iemand kan niet van beide wallen eten, wat meestal neerkwam dat men overstapte naar de kerkgemeenschap waar men nog een functie met prebenden kon scoren.
p144: Rond 1689 zijn diverse partijen ongerust over het schandaal, dat regenten der belangrijkste steden van Holland de grootste staatsgeheimen doorvertelden aan hun familieleden. Specifiek ging het om Huydecoper van Maarseveen en Timmerman. Pijnlijk was dat deze familieleden contact hadden en dineerden met d'Avaux (de ambassadeur van de Franse koning). Beiden waren echter ook getrouwd met een dochter van Joan Coymans en daardoor nauw betrokken waren bij het Amsterdamse huis Coymans & Co., dat weer grote commerciële belangen had in Spanje en in deze jaren in het bezit was van het asiento, het recht [!] om negerslaven aan de Spaanse koloniën in Amerika te leveren.
Op pagina 112 (met noot 126 op pagina 132) staat voor mij nog iets onduidelijks vermeldt:
De zeven vrije landen, geboeid aan voet en handen
door Willem en door Fagel, twee goden van 't Jan Hagel

zie: Burleske notulen van de Staten van Zeeland, toegeschreven aan de Vlissingese pensionaris Michielsen. RA Zeeland, Collectie De Jonge 47
Op diverse plaatsen wordt het rampjaar 1672 aangehaald. Deze teksten kunnen natuurlijk vergeleken worden met het boek van Luc Panhuysen: Rampjaar 1672 : Hoe de republiek aan de ondergang ontsnapte. Te gebruiken zijn oa de pagina's 94, 105, 125 en noten p. 129 en namenindex vanaf p 253.
Op pagina 164 staat een relaas over Engelse en Franse correspondenten die schrijven over de situatie van de Republiek in 1705. Volgens hun staan er twee groep tegenover elkaar: de orangistische partij die de stadhouder van Friesland tot stadhouder van alle gewesten wilde aanstellen en de staatsgezinde groep on der leiding van Welland (Godard Willem van Tuyll van Serooskerke, heer van Welland). Dit roept bij mij de vraag op: Was heel Friesland intussen orangist of waren dit slechts enkele machthebbers?
In het laatste gedeelte van dit boek over de periode rond 1975 en derhalve niet besproken, welke echter wel her en der erg grappig is geschreven door J. Schuttevâer, staat een leuk citaat uit NRC Handelsblad over Het statenlid die ik hier toch even wil vermelden:
Volgens moderne theorieën waren alle grote staatslieden en legeraanvoerders niet anders dan succesvolle delinquenten. De geschiedenis van de mensheid zou veel beter verlopen zijn, als ze allen tijdig onder reclasseringstoezicht waren gesteld. Tegenwoordig gebeurt dat ongetwijfeld ook, vandaar dat we alleen middelmatige politici overhouden.
J.J. Abspoel in Hollands Dagboek, Zaterdag Bijvoegsel, 3 augustus 1974

'Geluk wordt overschat' / Peter Giesen. - INTERVIEW Simon Critchley (in: de Volkskrant : het Vervolg, 01-10-2011, p. 6-7). - ISAN 201110019040080611
Enkele uitspraken en denkbeelden gebruikt in 9 Lessen.

17,5Mb pdf download 1e druk versie
Nederland als Polderland Nederland als Polderland : Beschrijving van den eigenaardigen toestand der belangrijkste helft van ons land, tevens bevattende de topografie van dat gedeelte met de voornaamste bijzonderheden, toegelicht door kaarten en teekeningen / Dr. A.A. Beekman. - Zutphen : W.J.Thieme & Cie, 1932. - 3e druk

Zoals de ondertitel al doet vermoeden, maar nog niet geheel duidelijk geeft Beekman in dit ruim 500 pagina's tellend boekwerk gedetailleerd uitleg over ons waterstaatkundige gebied. Mijn insteek hierin is om begrip te krijgen van de rivieren en kanalen, de kust, eb en vloed. Met dit begrip valt misschien ook beter te begrijpen welke strijd de Vrije Fries aanging voor het behoud van zijn woongebied. Immers de huidige invloeden van zee en rivieren waren er toen ook al. We denken dat ze nu redelijk getemd zijn, al blijkt regelmatig dat de strijd nooit over zal gaan. En zo kunnen we misschien beter duiden waaraan de Friezen van 2000 jaar geleden nog moesten beginnen.

De Friese hoofdeling opnieuw bekeken / J.R.G. Schuur (in: BMGN, CII (1987), afl. 1, p. 1-28)
Schuur bevestigd hierin nog eens het gelijk van N.E. Algra en toont hiermee het ongelijk aan van de theorie van I.H. Gosses, met betrekking tot die tijd -jaren 50 van de 20e eeuw- heel bijzondere politieke en maatschappelijke systeem van de 'Friese Vrijheid'. Althans dat beweert Schuur zelf. Aangezien ik nog totaal geen kaas gegeten heb van deze discussie, kan mij slechts beroepen op m'n leesvaardigheid en onkunde mbt dit onderwerp. En dus heb ik alleen maar vragende opmerkingen en gewone vragen:
Op p. 23 gaat het over de werkelijk machtsverhoudingen. Mijn primaire reactie is dan een van inleving in die periode (en dat is volgens mij niet veel anders dan heden, als het om dit onderwerp gaat). Bij inbeelding over de gang van zaken toen, kom je misschien tot andere inzichten. Immers, macht of neutraler gesteld (tijdelijke) invloed krijg je van de anderen, omdat zij dit aan je geven en/of toevertrouwen. Dat dit soms ook wordt beschaamd, daarvan zijn voorbeelden te over. Wordt het beschaamd dan lijkt het logisch dat deze persoon deze invloed kwijt raakt en voorlopig niet meer terug krijgt. Dit wordt ook ondersteunt door de in de vorige pagina's genoemde transacties.
Op p. 24 wordt ingegaan op de veranderende situatie met betrekking tot de 'rechtsomgang', van wisselen naar het langdurig innemen van een bepaalde functie door één bepaalde persoon.
Enkele zinnen zijn:
Hieruit trek ik de conclusie dat de hoofdelingen de supervisie over de rechtspraak en alles wat daarmee samenhing in handen hadden. Als reden ervoor wordt opgegeven dat op deze wijze recht en vrede beter konden worden gehandhaafd.;
Dus ook in dit geval werd om een goede rechtspleging te kunnen waarborgen de functie van rechter blijvend aan hoofdelingen opgedragen.;
Feitelijk zal dit hebben betekend, dat Sicke Sjaarda met de leiding van het gerecht van Franeker werd belast.
Hieruit kan ik lezen dat men het specialisme van taken aan het uitvinden is, net als die van de molenaar, bakker etc. Dat hieruit een bepaalde verantwoordelijkheid uitgaat, staat als altijd voorop. Immers de bakker heeft ook zo zijn verantwoordelijkheid. Met misbruik zou hij ook het hele dorp kunnen uitroeien.
Dat op p. 25 met Zonder medewerking van deze machtigen kon geen rechterlijk vonnis worden geëxecuteerd. Tegenover een weerspannige overtreder en zijn helpers stond de rechtsgemeente geen ander middel ter beschikking dan een beroep te doen op de persoonlijke macht van enkelen in wier vermogen het lag hierin verandering te brengen. naar een machtmisbruik wordt gezocht, kan zo zijn, maar dat hoeft natuurlijk niet. En omdat de functie niet meer als tijdelijke extra taak wordt gezien, is het natuurlijk ook logisch dat deze persoon ook een vergoeding hiervoor krijgt. Dat deze uit de zelf binnengeharkte boetes moet komen, werkt natuurlijk niet bevorderend voor de neutraalheid van dit ambt. Dit hoeft echter nog steeds niet de gelijkwaardigheid van de Vrije Fries in de weg te staan. Dit staat dus wat mij betreft de conclussie in de weg dat het "onomstotelijk vastgesteld is dat de hoofdelingen boven de andere leden van de rechtsgemeente hebben gestaan." Ook "Concreet betekende dit dat de 'ondersaten' aan de jurisdictie en de heerban van de hoofdeling waren onderworpen. Die moest van zijn kant voor bescherming van zijn 'ondersaten' zorg dragen." sluit volgens mij niet uit dat dit zo is. Immers voor iedereen gelden dezelfde regels en afspraken en natuurlijk dient (= komt van dienen!) deze persoon er voor zorg te dragen dat de anderen door deze regels beschermd worden. Hetzelfde geld voor de bakker en de zijl-molenaar. Voor deze en andere functies binnen de gemeenschap zal er echter juist weinig op papier zijn toevertrouwd omdat het zo vanzelfsprekend is. Vergelijk dit maar eens met de situatie van onze huidige tijd: Neem bijvoorbeeld de kranten, ze staan vol van politie- en justitieberichten. Vindt daarentegen maar eens een berichtje over de bakker of zijlmolenaar (i.c. de waterschappen). Sterker: de waterschappen worden elk decennia weer bedreigd om opgeheven te worden. Mensen snappen kennelijk niet dat we droge voeten houden door deze waterschappen. Vertrouwen op elkaars kunde en inzet. Ook het in dit artikel genoemde oproepen tot een verdedigende strijd zie ik geen hiërarchie, immers iemand moet een signaal geven dat er vijandelijke troepen aankomen of een storm op komst is of de dijken op springen staan - ook dit levert een verdedigende strijd op. Kunde, inzet en vertrouwen in gelijkheid kan prima.

Hef waterschappen niet op / Rik Smits. - Opinie & Debat (in: de Volkskrant, 19-11-2011, p. 31). - ISAN 201111199040113111
Hef waterschappen niet op / Rik Smits De bits van het bovenstaande stukje waren nog niet opgedroogd, of de discussie begint alweer. Zoals hierboven al aangehaald, telkens weer ontbreekt er bij een generatie de kennis over de waterschappen. Onbekend maakt onbemind. De mens heeft behoefte aan een aantal zaken, zoals drinken, eten, slaap, dak boven je hoofd. Een Nederlander heeft daarnaast (net als andere mensen trouwens) ook behoefte aan droge voeten. De Nederlander moet dit echter zelf organiseren, omdat dit ons gezamenlijk erfdeel is.
Dit drooghouden of eigenlijk voldoende droog en nat houden (want zo slim zijn we dan ook wel weer) door we al eeuwenlang middels de waterschappen. Dit is niet zomaar een indeling. Nee, deze indeling houdt rekening met de stroomgebieden van de rivieren (wat heeft invloed op welke gronden), boezemgebieden, kanalen, sluizen, etc etc. Vanwege deze indeling kunnen overeenkomstig ook wijze beslissingen worden genomen en aanpassingen worden gedaan, zonder dat dit voor onnodige conflictsituaties met andere (water)gebieden en hun bewoners zorgt. Iedereen wil immers droge voeten houden. En dit staat verder los van politieke voorkeuren of andere geografische indeling waarin macht een rol speelt. Een andere indeling is eenvoudig niet voorhanden. Rik Smits legt het ook nog eens uit.






Geschiedenis

bron: Wikipedia
Karte der germanischen Stämme zw. 50–100 n. Chr. Eerste kennismaking
Witkamp noemt de Friezen voor het eerst in een rijtje van Germaanse stamen die allerwaarschijnlijkst Oost-Europa en daarna Noord-Europa binnenkwamen, nadat de Kelten waren verdwenen. In het zuiden van Europa zaten uiteraard de Galliërs en de Romeinen. We zitten nu zo rond het begin van onze jaartelling.
Naast de Friezen zijn er de Teutonen, Khauken, Cherusken, Broekteren, Sikambren, Katten, Ubiërs, Markomannen, Kwaden, Hermonduren, Longobarden, Lugiërs, Bourgondiërs, Gothen, Rugiërs en Herulen.
De Germanen zijn sterk gespierd en van een rijzige kloeke gestalte, een krijgshaftig voorkomen, open gelaat, blank, blauwe ogen, blond of rossig haar dat òf langs de brede schouders golfde òf op het hoofd was bijeengebonden. (Gelukkig zagen ze er allemaal er zo uit!)
Ze waren eenvoudig en huiselijk van aard, maar ook woest in de vele handelingen en van inzicht. Verder stond de liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid boven alles. Ook was hij dapper, eergierig, oprecht, trouw, mild, gastvrij en kuis. Maar ook belust op de buit bij het dobbelspel, van de oorlog, vetes en kon zich overgeven aan dronkenschap (Witkamp I, p. 22).
Over het dobbelspel (en vooral wanneer het hierbij mis gaat - met eventueel en waarschijnlijk een slok op) staat er in de Brokmerbrief geschreven: Hwetsar sketh et warste and et hlothe binna wagem, en ield and enne frethe. ‘Wat er ook maar gebeurt bij een gelag en bij het dobbelspel binnen de vier wanden van een huis: enkelvoudig weergeld en enkelvoudig vredegeld.' (Nijdam/Lichaam, p. 246; Brokmer Recht § 59).
bron: VPRO: Nederland van boven VPRO: Nederland van boven
Ontwikkeling kustlijn
Hoe de kustlijn van Nederland door de jaren heen is gevormd.
bron: NCRV Op reis met Van Rossem NCRV Natuurlijk - Op reis met Van Rossem - Texel, Friesland en Groningen
Maarten van Rossem laat op Texel de uitermate bijzondere tuinwallen zien, gemaakt van plaggen. In Friesland beschouwd hij enkele terpen met kerken, de afgravingen en in Groningen wierden, o.a. één van de oudste, zo'n 2500 jaar, die van Ezinge.
Dat dit minder is dan de meervoudige compensatie die normaal gesproken gevraagd wordt, wanneer er geen drank in het spel is, geeft al aan dat men de daders niet helemaal voor volledig toerekeningsvatbaar aanzag. Dus het risico dat je gezamelijk hieraan deelnam gaf minder recht tot klagen.

Wonend in de lage Nederlanden plaatsten zij hun woningen op kustmatige hoogten: terpen, wieren, vliedbergen en hillen genoemd.

Het begin van deze eerste verhogingen in het landschap vonden in Friesland al vroeg plaats. Men begon hier al in de eerste eeuw voor Christus - tweede eeuw n.C. (Witkamp I, p. 22)
Maar het kan ook al iets eerder geweest zijn, zo rond de 3e eeuw vC. Men was zo omstreeks 525 vC al begonnen met nederzettingen te maken in de kwelders die toen droog waren. Later, toen het water weer wat hoger werd ging met de eerste ophogingen maken. Men gebruikte hiervoor waarschijnlijk huisafval, dierlijke mest en zoden. (Schroor/Hoogeland, p. 29)
Volgens Plinius de Oudere, die van 23 tot 79 nC leefde in zijn belevenissen in zijn Naturalis Historia de tochten beschreef, vermeldde over de Friezen, dat dit armzalige volk dat op omhoogstekende heuvels woont, die deze met de blote handen heeft opgeworpen (Schroor/Hoogeland, p. 32).
Vanaf de elfde eeuw begon het op grote schaal. Land was kostbaar in Friesland en om elke vierkante meter werd gestreden met de zee. Mocht men onderling strijd krijgen over gewonnen land, dan moesten de boeteregisters uitkomst bieden. Hoogste graad van londbrekma, het beschadigen van land, was dat men het land van een ander afgraaft en verdiept en de aarde op zijn eigen hof brengt (Nijdam/Lichaam, p. 236-237).
Men kan zich hierbij van alles bij voorstellen, welke drama's dit tot gevolg zou kunnen hebben.

wierdebouw wierdebouw Maar dit punt roept wel een belangrijke vraag op. Hoe kwam de Fries aan aarde om z'n wierde te bouwen?
Tijdens ons tripje door Noord-Groningen, de Ommelanden, zagen we hiervan al fraaie voorbeelden hoe dit zou kunnen. Een verhoging creëeren met aarde en tegelijkertijd een gracht maken. Dat is een optie. Ook kun je een laagje van het omliggende terrein halen om hiervan een heuveltje te maken. Of een mix van deze twee.
Zand en klei
Wat is het verschil tussen zand en klei?
Waaruit bestaat dit materiaal?
De natuur draagt door opslibbing zelf bij dat deze laagjes weer aangevuld en/of verhoogd wordt. Op plaatsen waar de getijdenstromen het krachtigste waren werd het grover zand afgezet. Op rustige, luwe plekken zette zich slib (silt en klei) af. Het verschil tussen deze soorten wordt gemaakt door de grootte van de korrels: zand > 0,05 mm; silt tussen 0,002 - 0,05 mm; klei < 0,002 mm. Opmerkelijk is hierbij dat de lichtere deeltjes juist zorgen voor de zwaardere (klei)gronden, omdat hier zich minder lucht kan ophouden, er is hiervoor geen plaats (Schroor/Hoogeland, p. 16).
Om een beetje een idee te krijgen in welk tempo dit dichtslibben kan gaan, even een sprekend voorbeeld uit de eerste helft van de 17e eeuw, hoe er mooi samengewerkt kan worden met de natuur. Men had toen bedacht om een stuk kronkelend traject van 6 km van het Reitdiep te vervangen voor een recht stuk van 2 km. De winst is duidelijk. Snelheid voor de scheepvaart, landbouwgrond voor de boeren, snellere afwatermogelijkheden. Vraag is hoe je die 6 km opvult. Gebruik je hiervoor het grond van de 2 km? Nee, dit werd gebruikt voor de dijk van dit kanaal. Maakte men misschien kleiputten buitendijks, die zich vanzelf weer zouden vullen en vervoerde men dit naar het te dempen Rietdiep? Nee, dit zou veel te veel kosten. Men liet het Reitdiep het zelf oplossen! Buitengewoon slim.

Wierdenbouw over langere tijd

Wierden
bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 2
Bij archeologisch onderzoek in Boomborg 1963-1969 zien we de start van de wierdenbouw voor de eerste maal. Jongere generaties bouwen hier vervolgens overheen.
Uiteraard nadat het vorige was afgebroken of verwoest.
Ik kan me voorstellen dat dit juist niet op de exacte plaats van de voorganger zit, om te voorkomen dat de grondpalen elkaar in de weg zitten.

bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 2
Nadat het 2 km kanaal gegraven was, maakte men halvewege de 6 km een dam. Hierdoor zou aan beide kanten van de dam langzaamaan slib gaan afzetten, omdat het niet kon doorstromen en het water tekenmale tot stilstand kwam tussen eb en vloed. Met het gevolg dat in 1640 de 6 km aan beide zijden afgedamt kon worden, omdat het bijna gelijke hoogte had bereikt.
Hierdoor is een mooie berekening te maken: 11 jaar x 365 dagen x 2 getijden geeft zo'n 8.000 getijden. Hierin werd de zo'n 4 meter diepe rivier gedempt, wat neerkomt op zo'n 0,5 mm per getij (Delvigne/Middag-Humsterland, p. 47).
Omgerekend naar een laagje à 5 cm, dan moet je zo'n 50 dagen wachten voor je weer een laagje kunt 'oogsten'.
Hoe lang is men met het maken van zo'n wierde bezig? Mogelijk kon onze Fries reeds gebruik maken van een ossenkar, maar we gaan er maar even vanuit dat hij alleen de beschikking heeft over een schep.
Ik kan me zo voorstellen, dat ze dit soort werkzaamheden voornamelijk in het voorjaar tot het stormseizoen deden. Lang licht, rustig weer. Ook weten we dat ze dit op ongeveer een uur lopen van hun huidige woonplaats deden. Ook bedenk ik dat ze dit alleen deden als er een noodzaak was. Bijvoorbeeld, de kinderen gaan de deur uit. En zo werd langzaamaan, generatie na generatie de kustlijn veroverd. Oudste kind erfde ouders' wierde, de ander kinderen zochten het een eindje verderop. Het lijkt me dan ook dat de er tijdens zo'n generatie-verhuizing met vereende krachten zo'n wierde in elkaar werd gezet, zodat er voor iedereen, die er moest gaan wonen, plek was. Dit zou dan de verschillende oppervlakte van de wierden kunnen verklaren.
We gaan een wierde maken waarop ruimte is voor 5 gezinnen. In het Moormuseum van Moordorf hebben de ontwikkeling gezien van de 'boerderijen' via graszoden, turf en plaggenhutten (zie voor de bouw van de muren het filmpje van Maarten van Rossem over de tuinwallen), naar rietgedekte leemhutten. Veel verder komen in deze periode niet. Het materiaal was allemaal in de omgeving voorhanden. Kwestie van hard en veel werken.
met de hand een wierde bouwen Om zo'n wierde te maken, ga ik er vanuit, dat ze eerst kleintjes maken, waarop ze hun huisje kunnen bouwen, zodat ze het grootste gedeelte van het jaar hier konden verblijven om aan hun toekomst te werken. In mijn berekening ga ik er vanuit, dat ze het volledig met te voet en schep aanlegden. Dus binnen een straal van zo'n 80 meter, dat niet binnen de uiteindelijke terp lag, hun zand of leem met een schepje gingen halen en weer naar de wierde liepen, om het daar te storten. Om hun huisterpje met doorsnede van 9 meter en 1½ meter hoogte zijn ze ongeveer 2 jaar bezig. Het op en neer lopen met een schepje schat ik in op maximaal 2½ minuut per keer. Ze moeten ongeveer 121½ kub zand verplaatsen. Een schep draagt ongeveer 0,002 kub. Dit zijn dan 60750 scheppen en op en neer lopen. En dit duurt 2531 uur.
Het zal vast wel sneller gegaan zijn. De te lopen afstand was natuurlijk niet altijd het maximale. En men zal vast gebruik gemaakt hebben van iets wat meerdere schepjes in 1x kan verplaatsen. Maar er moesten natuurlijk ook nog andere taken geregeld worden om het leven in stand te houden. Verder zal het niet door 1 persoon gedaan worden. Vele handen maken licht werk oftewel folle hânnen meitse maklik wirk.
Om de rest van zo'n wierde met een doorsnede van 80 meter op 1½ te krijgen, was men op deze manier nog wel 10 jaar bezig. In de loop der eeuwen kan zo'n wierde dus makkelijk meters in de hoogte worden bijgesteld. Ook kan de omvang steeds beetje bij beetje groter gemaakt worden.
Deze berekening is slechts om een klein beetje een beeld te krijgen. Misschien wordt het in de loop van het onderzoek nog duidelijk hoe het werkelijk ging.
animatiefilm Museum Wierdenland Hoe het er uiteindelijk na een aantal generaties uitziet? Museum Wierdenland heeft op haar site een prachtige animatiefilm staan van Jouke Nijman. Deze animatie van 150 Mb kunt u downloaden en vervolgens bekijken.

bron:
 BEKNOPTE
 GESCHIEDENIS
 VAN
 FRIESLAND
 IN HOOFDTREKKEN
pagina xxvii Witkamp (deel I, p. 26-27) geeft aan dat elke vrije Germaan in de kracht van z'n leven een krijgsman is en altijd z'n wapens droeg. Het hoofdwapen was de framee: een korte speer met scherpe punt. Deze gebruikte als werp- of als handwapen. Sommige hadden ook een pijl en boog. Als schild gebruikten ze een smal en lang van tenen gemaakt vlechtwerk met hierover plankjes samengesteld.
Beschaving van de geest was er volgens het tijdsbeeld van Witkamp niet in het Germaanse huisgezin te vinden. Niettemin werd een helder oordeel op prijs gesteld, en het herinneringsvermogen door dichterlijke overleveringen geoefend. Tegenwoordig wordt daarover anders gedacht. Feitjes stampen verrijkt ons
Tot de verstandige ontwikkeling van de man moet het deelnemen aan openbare volksvergaderingen veel bijdragen. De vrouw hield zich bezig met de geestenwereld en verborgen krachten bij planten en dieren en de heelkunst.
Bij de Germanen waren kennelijk ook rangen. Deze konden afgelezen worden aan de hoeveelheid erven en akkers. En alleen de vrijgeborene konden land bezitten. Uit de grootgrondbezitters ontstond de adel. De derde stand waren de onvrijen, laten of lijfeigenen. Dit waren vaak krijgsgevangenen of kinderen daarvan. Zij droegen ter herkenning kort haar, droegen uiteraard geen wapens en waren in volledige dienst van hun eigenaar, die ze naar willekeur kon verkopen, straffen en doden. Echter zo'n vaart liep het niet bij de Germanen, gezien een grote vierde klasse: de vrijgelatene.
>Zouden de nazaten van een vrijgelatene, dan nu weer een vrijgeborene zijn?

Witkamp (deel I, p. 31) beschrijft de route die de Batavieren en hoe ze zich uitbreidden in dit gebied tot onder andere de Kaninefaten. Boven hun waren de Kleine en Grote Friezen gevestigd van de Rijnmond bij Katwijk tot aan de Eems. Rond de Eemsstroom zaten de Eemslanders of Amisivariërs. aan de Regge, Dinkel en Boven-Vecht streken de Tubanten neer. Aan de oevers van de IJssel en Beneden-Berkel vonden de Chamaven hun plek. Verder naar beneden, aan de Geul en Roer streken de Ambivariten neder. (Hun naam is nog terug te vinden in het dorp Amby bij Maastricht.)
Deze zuidelijke volken hadden intussen kennis gemaakt met de uitbreidingsdriften van de Romeinen.
De Romeinse Keizer Augustus (Witkamp I, p. 39) had voor 16 voor Christus al een nederlaag geleden tegen de Germanen. Hierdoor besloot hij (wat nu in de buurt van Xanten is) de Vesting Castra Vetera aan te leggen, om zo het Germaanse volk de Sikambren -"de moordadigste volk van de wereld," alsdus een dichterlijke romeins lofzang voor Augustus- te onderwerpen.

Romeinse sporen in Fries Dollardgebied
12 vC - 16 nC
bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 2

Frisia
Germania Magna rond 10 A.D.
bron: wikimedia commons User:Cristiano64
Keizer Augustus stelde 12 vC. zijn 23-jarige stiefzoon Claudius Drusus aan als zijn vertegenwoordiger in het gebied ten westen van de Rijn. De toegesproken Galliërs waren in staat om de Sikambren tegen te houden om over de Rijn te steken. Zodoende kreeg Drusus de ruimte om de Rijn af te zakken en zo voor het eerst kennis te maken met de Friezen. Hij name ze aan als verbondenen -net als de Batavieren, maar de Friezen verplichten zicht tevens tot het leveren van een aantal ossenhuiden.
Dit vredesverdrag was nog niet gesloten of de Drusus kwam in de problemen op het Wad. Doordat het eb was geworden, was hij met zijn Hulken, vast komen te zitten op de drooggevallen platen. Hierdoor bestond natuurlijk het gevaar dat hij overmeesterd kon worden door vijandigheden, zoals bijvoorbeeld de Kauchen, waarna hij onderweg was. Echter de Friezen kwamen hem redden. Zij stuwden zijn voertuigen weer naar de diepere kreken, zodat hij weer veilig de Rijn bereikte.
Drusus wordt (Witkamp I, p. 41) gezien als de verantwoordelijke voor het aanleggen van diverse dijken, kanalen en wegen in de omgeving van de Betuwe. Onder andere de verbinding tussen de IJssel en Rijn (Drususgracht, zie kaart hierboven van "Beknopte geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken", en Nieuwen-IJssel) en zodoende een verbinding tussen de Rijn en Fliemeer (Fries gebied) creëerde.
bron: Witkamp I, p. 44
Overblijfselen der houten bruggen door de Romeinen in de Drenthsche moerassen aangelegd bron: http://www.livius.org/pn-po/pontes_longi/pontes_longi.html Na het overlijden van Drusus, werd zijn broer Tiberius in zijn 33e levensjaar opvolger in dit gebied (9 v.C.). Hierna werd het opperbevel overgedragen aan Domitius Aenobarbus. Domitius breidde de wingewesten uit tot aan gene zijden van de Elbe. Hij word gezien als grondlegger (Witkamp I, p. 43) van de pontes longi, dit zijn houten wegen door drassige gronden. Restanten zijn nog gevonden in de moerassen tussen Valthe en Ter Apel, maar ook in Limburg en het Rijnland.
Echter, volgens een artikel van Roelof Hoving uit Spitwa(a)rk, maandblad van de Historische Vereniging Carspel Oderen, blijkt de veenbrug tussen Valthe en Ter Apel door pollenanalystisch onderzoek bron: Witkamp I, p. 52
Cecina doet de houten bruggen door het moeras herstellen en met name door radioactieve koolstofdatering te stammen uit 500-200 v.C.
De romeinen hebben hier dus niets mee te maken. Ze zijn er hoogstens over teruggevlucht om sneller aan hun kant van de Rijn te komen. En mogelijk hebben ze hier of elders herstelwerkzaamheden aan de bruggen laten uitvoeren, zoals Witkamp (I, p. 51-52) stelt, wanneer Aulus Cecina, romeins bevelheber in Neder-Germanië, weer eens aan de andere zijde van de Rijn vertoefde en in dit geval door Herman (de leider van de Germanen) werd teruggedrongen.

Producten
bron: De vlasserij in 's-Gravendeel
Doctoraalscriptie Maatschappijgeschiedenis van Marjon Kunst, april 2003 Van vlas naar linnen
In "De vlasserij in 's-Gravendeel" van Marjon Kunst wordt de economische, sociale en culturele betekenis van de vlasteelt en vlasbewerking voor 's-Gravendeel vanaf de achttiende eeuw tot het einde beschreven. In dit doctoraalscriptie wordt in een aantal hoofdstukken de produkten van vlas uitgelegd.
Naast de ossen hielden de Friezen ook schapen, paarden en varkens. Ook werd er landbouw bedreven. Ook de akkerbouw werd op de wierden uitgeoefend. Werden er akkers buiten de wierden gebruikt (de valgen), dan werd dit omheind, om te voorkomen dat het loslopende vee er doorheen ging lopen. Ook kwam het voor dat de valgen werden beschermd door kleine dijkjes. Meestal werd akkerbouw gepleegd op de hogere kwelderwallen. Deze gronden waren rijk aan mineralen en kalk en door zijn grover korrelstructuur goed doorluchtbaar en te onwateren. Oogstrijpe haver
bron: wikipedia zesrijige Emmertarwe
bron: wikipedia zesrijige aren van gerst
bron: wikipedia
De grond werd bewerkt met gereedschap gemaakt van de geweien van herten, het hertshoorn.
Men verbouwde onder ander haver, meerrijige gerst (wat dus kon bestaan uit vierrijige gerst en zesrijige gerst, tegenwoordig wordt in Nederland alleen tweerijige zomergerstrassen geteeld), emmertarwe (ook wel emmer of tweekoren genoemd), paardenbonen (een kleinere variant van de tuinboon, die wel tegen een beetje verzilting kan) en vlas (basisgrondstof voor linnen en lijnzaadolie).
Van vlas kon men onder andere de volgende producten maken: zeildoek, zwaardoek, canvas, zakken, filterdoeken (oa kaasproductie), naaigarens, zeilmakersgaren, tafellinnen, beddegoed, lakens en slopen, droogdoek, handdoeken, zakdoeken, bekledingsstoffen, gordijnen, kleding.
Naast de produktie van deze voedingsstoffen en linnen en olie, leverden de schapen natuurlijk wol en huiden en vlees, het rundvee leverde huiden, vlees en melk, waaruit weer kaas werd gemaakt. Verder kon ook leer gemaakt worden. Ook uit de botten werden benen voorwerpen gemaakt. Daarnaast was het op de uitgestrekte grasvlakten geen enkel probleem om eieren te rapen van de vele vogelsoorten die in dit gebied nestelen.
paardebonen
bron: Maarten Hell vlasveld
bron: wikipedia vlasbloem en zaadbol 
bron: wikipedia
De bijzondere klikkleigebieden, met dus zijn zware klei, waren geschikt voor de vervaardiging van potten en andere objecten.
Kortom de Friezen waren een prettige handelspartij. Ze dreven dus ook al vroeg handel met de kustgebieden en ook met de romeinen. De romeinen betaalden met munten of ruilden met terra sigillata (aardewerk), beeldjes, sierarden en allerhande gebruiksvoorwerpen.
het repelen
bron: Docentenhandleiding 'Van vlas tot linnen'
Het repelen
Docentenhandleiding "Van vlas tot linnen"



Vlasvezels 
bron: wikipedia

Vlasmuseum It Braakhok
Foeke Sjoerdstrjitte 9 te Ee In Ee is er nog een vlasmuseum te vinden waar gedemonstreerd wordt hoe er linnen van vlas gemaakt wordt.
Hiervan zijn door H. Zijlstra in 4 delen al enkele filmpjes op YouTube gezet:
In deel 1 en 2 De heer Broersma geeft een demonstratie van vlasbewerking in het interessante Vlasmuseum It Braakhok te Ee. Vlas is de basis voor het maken van linnen. Veel linnenwevers in Noordoost Friesland zijn van katholiek Duitse afkomst (Munsterland en omgeving).
In deel 3 legt de heer Broersma uit, wat het verschil is tussen het aloude blauwbloeiende vlas en het in Noordoost Friesland ontwikkelde witbloeiende vlas, dat langer maar minder sterk is.
In deel 4 demonstreert de heer Broersma de machines in de vlasverwerking.

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Deel 4

(Schroor/Hoogeland, p. 34-35; Kunst/vlasserij, schema3; Wikipedia; Maarten Hell)

De Friezen hadden tot nu toe weinig tot geen last van de Romeinen. Naast natuurlijke bescherming, als rivieren en uitgestrekte moerasgebieden (zie kaart Germania Magna), waren de Batavieren immers een eerste buffer. En de andere Germaanse stammen hielden de Romeinen bezig aan gene zijde van de Rijn. In het jaar 21 n.C. toen Germanicus en Herman twee jaar dood waren, had ene Olennius, die was opgeklommen van hopman tot landvoogd aan het Fliemeer het in z'n hoofd gehaald om dezelfde grote huiden van de Friezen te verlangen als hij kreeg van runderhuiden. Echter de Friezen hadden wilde ossen, en die waren kleiner. Olennius eiste bij in gebreke blijven van de Friezen eerst hun runderen, daarna hun graslanden en vervolgens de vrouwen en kinderen als slaaf uit te leveren.
De Friezen waren ziedend en namen het recht in eigen hand. De eerste de beste die wilde innen namens Olennius werd opgepakt en zonder genade aan een boom opgehangen.
Ollenius, opgeschrikt door zijn niet winstgevend plannnetje vluchtte naar het kasteel op Flevum. De Friezen vielen dit slot aan. Echter de romeinse landvoogd van Neder-Germanië, Lucius Apronius was met leger op weg naar deze sterkte om het beleg te breken. Echter de uitermate getergde Friezen sloegen de aanvallen van de romeinse hulpbenden, van Batavieren en Kaninefaten, af. Vervolgens werden de romeinen tot vier maal toe afgeslagen. Labeo koos uiteindelijk eieren voor z'n geld, want het wingebied, gaf op deze manier maar weinig profijt en trok zich terug, zonder de doden mee te nemen of te begraven.
Van de incassering van de onrechtvaardige verhoogde cijns kwam nu niets. Er was zelfs verlies geleden. De romeinse cesar Tiberius gaf de opperbewind van het Friese land niet meer uit handen om zo problemen te voorkomen. Hij werd echter na negen jaar, zoals gebruikelijk onder de romeinen, vermoord. Tiberius (78 jaar) werd door verstikking met zijn kussens in bed door zijn opperbevelhebber Macro te Rome om het leven gebracht.

Tot het jaar 48 n.C. leefden de Friezen vrij van de Romeinse verbindtenissen (Witkamp I, p. 67). In dit jaar versloeg de nieuwbenoemde romeinse landvoogd Domitius Corbulo op zee de eerste grote vloot van de Kauchen, die onder leiding stonden van een uitgeweken Kaninefaat genaamd Gannascus. Gannascus had met deze vloot de door de romeinen bezette kustgebieden vereert met strooptochten. De Friezen waren zo onder de indruk van deze overwinning dat ze gijzelaars zonden naar Corbulo en stilzwijgend genoegen namen met de landen die hij hun toewees om te bebouwen en bewonen. Verder benoemde hij een raad en overheden om hen te besturen en vaardigde wetten uit. Ook bouwde hij een sterkte, waarschijnlijk op dezelfde plaats waar nu de stad Groningen te vinden is.
Corbulo wilde na het vernietigen van Gannascus vloot ook het land van de Kauchen intrekken. Hij liet hieraan vooraf een aantal boden naar de Eems vertrekken om de bewoners te overtuigen dat ze het romeinse oppergezag moesten erkennen. De boden hadden ook de opdracht gekregen om, wanneer de kans zich voordeed, Gannascus om te brengen. Hierin slaagden de boden. Echter dit had voor Corbulo niet het gewenste uitkomst. De Kauchen kwamen met hun buren in opstand, zodat de romeinse keizer Tiberius Claudius (de jongste zoon van Drusus) Corbulo zelfs de opdracht gaf, om zich terug te trekken.

bron: Witkamp I, p. 68
Verritus en Mallorix in den schouwburg van Pompejus te Rome Twee brutale Friezen
Rond het jaar 65 n.C. was in het gebied der Batavieren de vrede zover gevorderd, dat de romeinen speer en zwaard verwisselden en spade en houweel ter hand namen (Witkamp I, p. 68, 70). De Germanen waren in de veronderstelling dat het de romeinen verboden was om nog te vechten. Verritus en Mallorix, die aan het hoofd stonden van de Friezen, moedigden de Friezen aan om zich meester te maken van de braak liggende terreinen aan de Rijnoevers. Deze waren echter bedoeld voor de romeinse krijgslieden. De Friezen hadden hun hutten geplaatst en waren al aan het zaaien geweest, als of het nieuw gewonnen erfgronden waren. De romeinse landvoogd Dubius Avitus was hier niet blij mee en verzocht de Friezen zich terug te trekken naar hun vroegere haardsteden of andere akkers aan de keizer te vragen.
En dat is precies wat de twee Friezen hoofden gingen doen. Verritus en Mallorix trokken naar Rome om tot keizer Nero toegelaten te worden. Tijdens het wachten werden ze meegenomen naar de schouwburg van Pompejus. Toen ze tussen de gasten ook andere in uitheemse klederdracht gehulde mensen tussen de raadsheren zaggen zitten, vroegen zij waarom deze daartussen mochten zitten. Het antwoord was dat dit om mensen gingen die uitblonken in dapperheid en vriendschap jegens de romeinen. Verritus en Mallorix liepen ook naar deze plek, reagerend", "Dan is daar ook onze plaats, want niemand gaat de Friezen in trouw en moed te boven." De raadlieden merkten dit met welgevallen op.
Of hun verzoek nog tot Nero is gekomen en of het geresulteerd heeft in iets, verteld dit verhaal niet.

De Franken
Het rommelt in het romeinse rijk, vanuit diverse regio's worden de eigen heersers als leiders gekozen. Valerianus, in 253 romaanse keizer geworden, was niet in staat op de diverse opstanden uit de wingewesten het hoofd te bieden (Witkamp I, p. 97). In het oosten maakten de Perzen, Scythen en Gothen bij de Eufraat en Donau onrust en aan de Rijn bedreigden een verzameling van onderscheidende germaanse stammen onder de naam van Franken - vrije mannen - de romeinen. Dit bondgenootschap bestond onder andere uit de Sikambren, Tenkteren, Usipeten, Broekteren en Atuariërs.
Op 28 augustus 284 word de Dalmatiër Diocletianus te Chalcedon tot keizer van het romeinse rijk uitgeroepen. Hij neemt de leiding over het oostelijke deel, terwijl hij Maximianus Herculius (voorheen krijgsoverste) de leiding geeft over het westelijk deel. Maximianus streed regelmatig met de Germanen om te voorkomen dat ze Rijn overstaken. De Bourgondiëers, de Allemannen, de Cavionen en de Herulen waren of verjaagd of vernietigd. De Frankse koning, gevestigd in Batavië had de vrede als een gunst ontvangen.
Echter de zeeschuimers bezochten nog regelmatig de kusten van Gallië, Brittanje en Spanje. Om dit tegen te gaan had Maximianus een vloot uitgerust om deze stranden te beveiligen. Hij stelde de Menapiër Valerius Carausius aan als leider, om jacht te maken op deze rovers.
Echter deze Menapiër had een bijzondere taakopvatting. Hij gaf de zeeschuimers alle gelegenheid om te roven. Vervolgens overmeesterde hij en nam hun de buit af. De romeinse keizer kon dit uiteraard niet toelaten en gaf de opdracht op Carausius uit de weg te ruimen. Maar Carausius had nu voldoende middelen om de officieren om te kopen en liet zich verschepen naar Brittanje. Hier riep hij in 286 zichzelf uit tot keizer van Zuid-Albion. Dit breidde hij uit met Gesoriacum (Boulogne sur Mer). Hij liet de Franken toe om zich uit te breidden tot aan de Schelde en zo was Brittanje en het gebied tussen de Seine en Flie een eerste soort Frankse Keizerrijk onder bescherming van de Frankse coalitie (Witkamp I, p. 99).
Dit keizerrijk word zelfs in 292 door de romeinen erkend. Echter lang kon keizer Carausius er niet van genieten. Hij werd het jaar erop, zoals ook de meeste romeinse keizers overkwam, in 293, door zijn eerste staatsdienaar Allectus trouweloos vermoord.
Hierdoor waren de romeinen weer in staat om hun orde te herstellen met de Rijn als grens. Voortaan werden ook christenen beschermd.

Constantius Chlorus was het, die rond 297 (De Franken in Nederland / D.P. Blok, pagina 17) weer orde op zaken stelde. De vijanden worden verdreven en de grenzen hersteld.
> Uiteraard moeten we dit soort mededelingen zien vanuit een bepaald perspectief. Kennelijk schrijft Blok in dit geval vanuit de romeinse!
Belangrijk voor de romeinen was ook van belang dat de verbinding Rijn - Noordzee - Engeland weer vrij was, ivm de korenvoorziening. Het is mogelijk dat toen de Franken toestemming hadden om binnen de Rijngrens te blijven, maar misschien waren het ook de Salii in de Betuwe, die omstreeks deze tijd uit Salland, waaraan zij dan de hun naam hebben gegeven, waren verdreven.
In eerdere pagina's verhaald Blok over de hypothese van de naamgeving (Blok, p. 11-16): Blok neemt als uitgangspunt dat de Salii de oorspronkelijke dragers waren van de Frankische naam. Hierbij sloten dan als een soort 'stammenzwerm' -verzonnen door Wenskus- andere stammen bij aan of deelden deze groepsnaam. De Salii worden sinds 358 zo genoemd, in 360 de Chattuarii, 388 de Bructeri, Chamavi, Amsivarii en Chatti. Van de door Witkamp genoemde stammen De Sikambren, Tenkteren, Usipeten, Broekteren en Atuariërs, kan ik Broekteren koppelen aan Bructeri. Voor de rest zie ik geen overeenkomsten.
Verder word 'Frank' als een Germaans woord gezien: onstuimig, dapper. Dus ook de stammen noemden zichzelf zo. Want de romeinen noemden de bewoners (geografisch ingedeeld) van de Nederrijn 'Franken' en van de Bovenrijn 'Alamannen'. Tevens hadden de romeinen misschien als critirium dat alle varenden stammen 'Franken' waren, dus ook de Friezen en Saksen, die dus duidelijk daar niet bij hoorden.
Ook wordt er melding gemaakt (Blok, p. 19) dat er maar weinig bekend is over de tussenliggende tijdspanne. De romeinen, onbekend met eb en vloed, hebben misschien het rivierengebied verlaten, vanwege veranderende stromingen of wateroverlast. Daarom zijn er deze periode weinig archeologische vondsten in dit gebied. En omdat ze er niet meer zaten, werd er ook niets over geschreven. Wel maakten andere stammen hiervan gebruik. Zo werd dit gebied, Batavia door de Salii en Chamaven bewoond. De Salii trokken zelfs door naar Toxandrië, het stroomgebied van de Dommel.

Volksverhuizing
bron: Wikipedia
De invasie in het Imperium Romanum 100-500 nC Vanaf halverwege de eerste eeuw van onze jaartelling, had in het verre oosten in het hart van Noord-Azië, het Altaïgebergte, zich het mongoolsche volk Hung-noe ontwikkeld (Witkamp I, p. 104-106). Als Hunnen leerden de romeinen ze kennen. In 375 trokken de Hunnen de Wolga over en namen de Alanen op. En zo volgden vele volken. Verjaagd, vernietigd of opgenomen. In 400 stonden ze in Italië. Dit was het sein om alle Romeinse legioenen terug te trekken. Dit had een enorme volksverhuizing tot gevolg. De Wandalen stonden in 406 al aan de gene zijde van de Rijn en de Franken konden hun nog net aan. Maar toen de Wandalen hulp kregen van de Alenen, redden de Franken het niet meer. En hierna kwamen de Sueven, Bourgondiërs, Quaden, Herulen en Saksers. Ze breidden zich uit tot Gallië en Pyreneën. Alles wat door de romeinen was opgebouwd werd vernietigd.
Echter de romeinen kwamen terug en samen met de Franken en andere germaanse stammen probeerden ze hun gemeenschappelijke plunderende vijand de Hunnen uit Gallië te verdrijven.
In 444 had Attila de alleenheerschappij over de stammen in Pannonië gekregen en ging met 750.000 man op pad om een rondje door Europa te doen. Alles plunderend en verzwolgen. Ook nu besloot Rome weer alle legioenen terug te trekken. Brittanje werd aan de Britten overgelaten en waren vrij geworden. Echter de Britten, het vechten verleerd omdat ze onder romeins toezicht stonden, hadden problemen om de volken (Schotten en Picten) vanuit het noorden tegen te houden. En dus vroegen ze in wanhoop bescherming van hun Germaanse zeeschuimers, die al 150 jaar op hun stranden kwamen plunderen. De eerste twee die gevraagd werden waren de zonen van de Saksische veldoverste Witigisil genaamd Hengist en Horsa. Met drie schepen landen ze op uitnodiging van koning Vorigern (of Gwrtheyrn) op de britse kust. En ze versloegen vervolgens de Picten. Nadat deze Caledonische rovers waren vertrokken, kregen de twee broers als beloning het vruchtbare eiland Thanet. Tevens werd verzocht om versterking te regelen. En zo staken duizenden Friezen, Anglen, Saksers en Jutten naar Albion over.
Helaas voor de Britten hadden deze Germanen geen zin om de Picten verder te verdrijven. Samen met hen werden de Britten gedood, gevangen genomen of verdreven naar de bergen van Wales en Armorica (uiterste westhoek van Gallië).
En zo ontstond in 455 het begin van het Angelsakische koningrijk.

Friesche uitbreiding
Door deze verplaatsing van diverse stamen uit de omgeving van de Friezen, kregen zij rond 455 alle ruimte om zich uit te breiden naar het zuiden tot aan de Schelde en richting het oosten tot aan de Weser en zelfs daarover. In het westen hadden de Friezen nu alleen nog de Franken als buren en in het oosten Saksen. De Batavieren waren waarschijnlijk opgelost in de Franken, net als vele andere stammen (Witkamp I, p. 106).

In het Oudengelse epos Beowulf, in de Historia Francorum van Gregorius van Tours en in een later Frankisch geschiedwerk, wordt gesproken over een aanval van de scandinavische koning Hygelac. Hij zou rond 526 een aanval op het land van de Friezen en Franken gedaan hebben om het volk van de Hattuarii te plunderen. De Hattuarii woonden ten zuiden van de Rijn, oostelijk van Nijmegen in de Hettergouw.
Theoderik, koning van het noordoosteljke deel van het Merovingische rijk, waarin de Hattuarii dus woonden, stuurde zijn zoon Theodebert met een leger achter Hygelac aan. Hygelac werd gedood, zijn vloot verslagen en de buit heroverd. Hierover werd verhaald:
"En er zijn monsters van wonderbaarlijke grootte, zoals koning Higlac, die het bevel voerde over de Geti en door de Franken gedood is; vanaf zijn twaalde jaar kon geen paard hem dragen. Zijn gebeente is bewaard op een eiland in de Rijn, waar deze in de oceaan uitstroomt, en wordt als iets wonderlijks getoond aan reizigers die van verre komen." (Liber monstrorum, rond 900)
Verder is er nog een 'romantisch' verhaal van de Byzantijnse schrijver Procopius. De koning van de Varini, die aan de Rijnmond leefden, was gehuwd met een zus van de Frankische koning Theudebert (534-547). Uit een eerder huwelijk had de koning van de Varini een zoon gekregen, genaamd Radigis. Eerst wilde hij dat zijn zoon met een prinses uit Engeland zou trouwen, maar vlak voor zijn dood vreesde hij de Franken meer en werd de verloving verbroken. Radigis trouwde met zijn stiefmoeder.
De engelse prinses kon dit echter niet verkroppen. Ze kwam met een leger vanuit Engeland, versloeg de Varini en nam Radigis gevangen en trouwde hem.
Ook dit verhaal geeft aan dat de verbanden na de volksverhuizing er nog steeds waren. Ook taalkundig. Er vormde zich een linguïstische eenheid rondom de Noordzee, waarvan de Oudengelse en Oudfries de belangrijkste waren, maar ook de Oud-Saksische, Hollandse, Zeeuwse en Vlaamse hoorden bij -wat Blok neutraal noemt- Noordzeegermaans.
Uit een lofdicht van Venantius Fortunatus blijkt dat ook nog gestreden werd. Chilperik I, koning van het Westfrankische gedeelte (561-584), heeft kennelijk de Friezen en Suevi een gevoelige slag gebracht. Chilperik word "de schrik der ver weg wonende Suevi en Friezen" genoemd. En "ze durfden niet meer strijden, maar lieten zich beteugelen", wat mogelijk inhoud dat ze Chilperik als heer hadden aanvaard.
Vanaf 550 gaat de Noordzee een belangrijke rol spelen in de Europese handel. De Friezen speelden hierin een belangrijke rol met een groeiend aandeel. Belangrijke knooppunten waren Dorestat en (het later zo genoemde) Domburg, toen mogelijk aangeduid met Walcheren (Blok, p. 24-30).
Blok ontkracht later in zijn boek dat Walcheren later Domburg is gaan heten, danwel dat Walcheren de plaats is waarover gesproken wordt en zodoende nu de plek is waar Domburg ligt. Waar gaat het om: rond 775 worden in een aantal schenkingen aan het klooster Lorsch gedaan en hierin worden als plaatsbepaling de volgende ambachten genoemd, waarin een ambacht gezien dient te worden als ambtsdistrict, wat bij ons aan de kust gebruikelijk is: in Engilbrehtes ambehte, in Helicriches ambahte, in Wudarres ambachte (of Wudraces, Wadreaces ambachte). Koch wilde dit lezen als Walacr ambachte en Walacr(a) is dan Domburg. Blok toont eerder aan dat Walcheren een koningsgoed was en kon dus niet door een particulier weggegeven worden. Blok gaat er dan ook vanuit, dat in Wudarres ambachte foute overleveringen zijn gezien de rr en de ch. Bij de andere staat immers ambathe ipv ambachte. Ook zijn de namen duidelijk persoonsnamen in de tweede naamval: Engelbert (Engilbreht), Helicrich en Wudar (?) (Blok, p. 90-91).

In deze periode tot 613 wisten de Friezen en Saksen zich samen te handhaven naast de Franken. De Franken hadden Europa grotendeels in handen. Door verdeling -bij troonopvolging- verbrokkelde de Frankse samenhang en door diverse moordpartijen werd het Frankse rijk weer samengebracht. Door samenwerking wisten de Saksen en Friezen hun gebied tegen de Franken te stabiliseren, al moest hier ook strijd voor geleverd worden (Witkamp I, p. 114).
Het verzet tegen overheersing bleef bij de Friezen en Saksen een gevoelig punt. In Metz en Parijs ging men er van uit de de Saksers en Friezen waren onderworpen door het Frankische Rijk. En van tijd tot tijd probeerden de koningen of hun groothofmeester dit gezag te staven. Dus toen de Saksers de Frankse koning Clotaris II verstaan hadden gegeven dat zij van niemand bevelen wilden ontvangen, de Saksische boodschappers -met schending van het recht der volkeren- dit met een schandelijke dood zouden moesten bekopen. Gelukkig voor de boodschappers kwam de Bisschop van Meaux tussenbeiden. Door de christelijke doop werd de huid van deze boodschappers gered. Clotaris zond ze, in plaats van te doden, nu met rijke geschenken terug (Witkamp I, p. 114-115).
De Saksen bleven niettemin in hun verzet volharden. Clotaris zoon, Dagobert, die het noordelijk gebied beheerde stak daarom de Rijn over, het gebied van de Saksen. De Saksen (met hulp van de Friezen) zorgden voor een warm onthaal onder leiding van de Saksische koning of hertog Berthold en brachten Dagobert zo in het nauw dat deze de hulp van z'n vader nodig had.
Dagobert en zijn troepen werden ontzet en bij de Weser werd Berthold ingehaald. In een merkwaardig tweestrijd tussen Berthold en Clotaris moest Berthold het met de dood bekopen.
Gehele Saksische en Friesche streken werden door de Franken volledig verwoest. Tevens kreeg het leger de opdracht op alle mannen groter dan de Frankische koning een kopje kleiner te maken en de vrouwen en kinderen gevangen te nemen om als slaaf in Frankenland verkocht te worden.
Ook schijnt Utrecht in deze periode aan de Friezen ontnomen te zijn. Dagobert stichtte hier in 631 een kapel, aan St. Thomas gewijd (Witkamp I, p. 115).
Uit een brief uit 752/753 van Bonifatius aan paus Stephanus III schrijft Bonifatius dat Dagobert eens het castellum Utrecht met een kerkje erin aan bisschop Kunibert van Keulen had geschonken, onder voorwaarde dat dit zou dienen tot missie onder de Friezen. Kunibert had aan die voorwaarde niet voldaan en later vond Willibrord het kerkje totaal vernield terug.
Hieruit blijkt dat Dagobert Utrecht veroverd had (Blok, p. 35-36).

In de tweede kwart van de 7e eeuw (625-650) verhuisde de Frankische muntmeester uit Maastricht naar Dorestat om daar tot halverwege de 7e eeuw (650) munten te slaan. Dat doe je niet als zo'n plaats niets voorsteld en in handen is van een ander volk (i.c. de Friezen), maar Dagobert stichtte in 631 te Utrecht een kapel, dus waarschijnlijk is dat het hele gebied in Frankse handen was.
bron: Atlas Maior / Joan Blaue, p. 218
Hollandia comitatvs Dus mogen we er vanuit gaan dat Dorestat al enige alure had vóór 625. Archeologisch is dit niet te staven, maar dit is te verklaren doordat de oude Dorestat (uit de naam blijkt al dat deze minstens uit de romeinse tijd moet stammen) om een vrij gevaarlijke stromingsplek ligt. Allereerst lag het aan een buitenbocht van de Rijn, waar deze naar het noordwesten buigt. Door het ontstaan van de Lek kwam het helemaal onmogelijk te liggen, door dat de bovenmond van de Kromme Rijn als het ware naar het westen werd getrokken. De oudste kern van Dorestat moet in de tweede helft van de negende eeuw (850) met kerk en al weggespoeld zijn (Blok, p. 36).
Ter illustratie hierbij een kaart uit de Atlas Maior van Joan Blaue, hoewel eeuwen later gemaakt, geeft mogelijk een beetje inzicht in de toenmalige situatie. Er van uitgaande dat Dorestat Wijk bij Duurstede is, hier Duierstede Wijck genoemd (op de kop).

bron: www.rivierkrommerijn.nl In dit delta-gebied woonden, zoals we eerder zagen, de Batavieren. Mogelijk noemden zij dit gebied Teisterbant (het rivierengebied ten westen van Tiel) en Suifterbant (het mondingsgebied van de Gelderse IJssel). Blok herkend hier respectievelijk zuidelijke gouw en noordelijke gouw. Volgens Wikipedia kunnen we dit omschrijven als 'rechts gelegen' respectievelijk 'links gelegen'. Ook Blok beschrijft dit als zodanig op pagina 86. Hoe het ook zij, dit zijn wel aanduidingen vanuit een bepaald punt, namelijk de van de Batavieren. Immers de romeinen, de Friezen en Franken hebben dit gebied continue van stuivertje zitten wisselen.
Nadat de Romeinen waren vertrokken, hebben de Friezen zich uitgebreid tot over de Rijn tot aan de Lek. Ze hadden immers Dorestat en Utrecht in bezit. Later is dit verovert door Dagobert. Deze verovering bleek van korte duur. We lazen al dat de muntmeester maar tot 650 bleef slaan. De eerste Friese koning of hertog die we bij naam kennen is Aldgisl, die omstreeks 678 regeert. Hij moet dan wel voorgangers hebben gehad. Immers omstreeks 650 worden de Franken uit Utrecht en Dorestat gejaagd en tot uit het rivierengebied Maas en Waal verdreven. En krijgen tot met Zeeland onder hun gezag. Deze door de Friezen veroverde gebieden waren echter niet van oorsprong Friesch. Hiervan getuigd ook een naam als Vreeswijk, 'Friezenwijk', een naam uit 8-9e eeuw. Hieruit blijkt dat de Friese kooplui die zich in de 'wijk' hadden gevestigd, eigenlijk vreemde eenden in de bijt waren (Blok, p. 36-38).

Koning Adgil/Aldgisl
In 677 vertrok de Bisschop Wilfried of Wilfrid van York zijn thuisland om naar Rome te gaan en onderweg zijn beschermeling Dagobert II te Metz een bezoek te brengen. Wilfrid, abt van het klooster Ripon was namelijk in conflict gekomen met de aartsbisschop van Engeland omdat hij het niet eens was met de opslitsing van zijn diocees en werd daarom door aartsbisschop uit zijn functie gezet. Hij wilde naar de paus om recht te zoeken. Volgens Witkamp kwam hij tijdens zijn overtocht door stormen uit in het Friesche land. Blok geeft als reden, dat de Franken ook nog een appeltje met hem te schillen hadden en hij daarom via de Rijnmond reisde. Nijdam beschrijft het iets algemener door een verband te leggen met de woelingen in het Frankische rijk. En zo kwam hij via de Rijndelta in het gebied der Friezen.
Hij werd met de meest mogelijke gastvrijheid onthaald door de Friesche koning Adgil en verbleef de hele winter van 678/'79 aan het hof van de Friese koning Aldgisl.
De Friezen waren nog trouw aan de godsdienst van hun voorouders. Maar van Adgil mocht Wilfried het evangelie prediken in geheel Friesland. Adgil liet dit ook toe om Ebroïn (is Efyrwin in Vita Wilfridi), de Frankische machthebber (hofmeier), te tartten. Ebroïn wilde Wilfried namelijk in zijn macht krijgen om hier voordeel uit te kunnen halen met betrekking tot Austrasië die hij door Wilfried was kwijtgeraakt. In een brief en mondeling, verzoekt Ebroïn dan ook Adgil om Wilfried over te dragen dan wel vast te houden. De Friesche koning Adgil moest hier niets van hebben en stelde Wilfried hiervan op de hoogte door de brief voor te lezen en deze brief ten overstaande van alle aanwezigen te verbranden. Nijdam concludeert hieruit dat Aldgisl 'klaarblijkelijk was zo machtig, dat hij met het hier beschreven gemak een verzoek van de machtige Frankenhertog terzijde kon schuiven. Blok laat Wilfrid in 679 weer verder reizen (Witkamp I, p. 118; Blok, p. 38; Nijdam/Redbad p. 19).

Gouwen
Friesland heeft nu bijna z'n grootste omvang gekregen. Welke onderdelen kunnen we nu omschrijven:
Per huidige provincie gaat het om de volgende:
Ostfriesland:
Brookmerland/Brookmerlandes
Auricherland
Overledingerland
Moormerland
Harlingerland/Harlingerlân

Groningen:
Humsterlân/Humsterland (Hugmerchi)
Hunzegoa/Hunsingo (Hunusgo)
Fivelgoa/Fivel(in)go
Reiderland
Eemsgoa
Gorecht

Friesland:
Westergoa/Westergo
Eastergoa/Oostergo
Súdergoa/Zuidergo
Teksla/Texla
Bornego (na 11e eeuw)

Holland:
Westflinge, waarin: West-Fryslân/West-Friesland, Zeevang en Callantsoog.
Wiron/Wieringen
Kinmerlân/Kinheim, Kennehim of Kinnin (Kennemerland)
Rynlân
Masalân

Skelde-Maas-Ryngebiet/Schelde-Maas-Rijngebied:
Niftarlake
Rijnland
Masaland

Hettergoa/Hettergouw (Hattuaria), waarin: Duffelgoa/Duffelgouw,, Keldagoa/Keldagouw en Mulgoa/Mulgouw..
Walcheren (Walacra)
Maasgoa/Maasgouw, eigenlijk Masau
Tubalgoa

Hamalân/Hamaland (Hamelant):
Sallân/Salland/Sallaand
Teisterbant
Betuwe (Batua of Betua) (Over-Betuwe)
Veluwegouw (Felua) (Veluwe)
Flethite of Flethetti (Utrechtse Heuvelrug, Gooi en het westen van de Gelderse Vallei)
Germepi Omgeving Woerden
Opgooi of Upgoye (Kromme Rijngebied)
Isla et Lake

Drente:
Drinte/Treanth of Theanti (Drenthe)
Flethite

Redbad en Wulfram : kerstening van de Friezen in de zevende en achtste eeuw / J.A. Nijdam Noot 2 uit Nijdam/Redbad p. 4. geeft een mooi overzichtje van de verschijningsvormen van de naam van de Friese koning. In de diverse bronnen, zie Literatuurlijst voor verwijziging op het internet, komt hij onder andere voor als Rathbod (Vita Wulframni), Rabbod (Vita Willibrordi), Rethbod (Vita Bonifatii), en wordt in de literatuur Radbod, Radboud of Redbad genoemd. Ik gebruik de naam zoals het gebruikt wordt in de aangehaalde bron.
Radboud, Franken en kerstening
De volgende Frankische heerser, Peppin van Herstal, stimuleerde de verspreiding van het Evangelie en spoorde in 688 de Ierse monnik Egbert aan om het werk van Wilfried en Eligius voort te zetten in Friesland.
Dit werk was echter een stuk moeilijker worden. De Friesche koning Adgil was intussen overleden en opgevolgd door zijn zoon Radboud of Redbad (±688-719). Radboud had, gebruik makend van de botsingen tussen de Austrasiërs en Neustriërs, de Franken weer uit Utrecht verdreven en ook de St. Thomaskapel verwoest (Witkamp I, p. 118).

In de schriftelijke bronnen (van buiten Friesland!) wordt Redbad met twee titels aangesproken. In de Angelsaksische bron wordt hij meestaal als rex, een sacraalkoning, die naast het gewone koningschap ook de religieuze functies vervulde en waarvan men aannaam dat hij van goddelijke komaf was. Dankzij hem gaat het goed met de mensen en het land. De Frankische bronnen hebben het veelal over dux, een heerkoning, een gekozen aanvoerder, die bij een oorlog de veldtocht leidde.
Beide functies worden echter door Redbad gedaan. Dit blijkt uit teksten gevonden in Vita Willibrordi en vooral Vita Wulframni, al zijn de riten die Redbad uitvoerd voor deze bronnen van verdervelijke aard en uiteraard heidens. Dit is natuurlijk te verwachten vanuit hun perspectief.
Ook zou het verschil gezocht kunnen worden in het hiërarchische. De Frankische koning ziet Redbad natuurlijk liever als een lager iemand. En beiden zagen elkaar alleen oorlogvoerend en dus lag dux meer voor de hand (Nijdam/Redbad p. 19-20).
> Het is gebruikelijk door leiders om voor eigen parochie in een bepaalde richting te spreken. Uiteraard wat hun het beste uitkomt en daarvan maken de bronnen dan ook melding van. Opgemerkt is dat de auteurs van het gebruikte literatuur er ook allen over reppen. Vreemd hierbij is echter dat er geen correctievertaling wordt gemaakt. Het is begrijpelijk dat men blijft uitgaan van wat men in de bronnen aantreft en daarbij de opmerkingen plaats. Maar echt aannemelijk maken, hoe het verhaal dan gelezen kan worden, doet men niet. Ook niet als men het hele verhaal kent. Over de discussie rex en/of dux, zou ik bijvoorbeeld kunnen zeggen, dat een tijdelijk gekozen aanvoeder voor het verdedigen van het Frieze gebied mijn voorkeur zou hebben. Dat dit door de Franken dux genoemd wordt, daar ligt geen 'Fries' wakker van, wat zij denken (juist) niet hierarchisch, zoals we zullen weten, wanneer het gehele verhaal gelezen is.

Een storm belette de Ierse monnik Egbert de bekering van Friesland te volbrengen en droeg de opdracht over aan zijn reisgezel Wigbert, die na twee jaar prediken weer onverrichte zake naar zijn vaderland terug keerde.
De Friezen haten de Franken intussen zo erg dat ze zelfs niet dezelfde goden gemeen wilden hebben. Daarom hadden alle geestelijken het in deze periode erg zwaar en werden dan ook uit het land verdreven.
De geboren Angelsakser en Ierse monnik Egbert kon het echter niet verkroppen, dat zijn missie nog niet voltooid was. Hij zond daarom in 690 de zoon van Wilges, Willebrord naar Rijnmond. Willebrord was een edelman in Northumberland en had vanaf z'n zevende levensjaar in het klooster te Rippon gezeten. Vanaf z'n twintigste had hij zich onder de hoede van Egbert in Ierland gesteld.
En nu ging hij samen met de diaken Adelbert en tien ander monniken naar het Friese land. Koning Radboud vond het een slecht plan. Willebrord ging verhaal halen bij het Austrasische hof, waar hij werd ontvangen door Peppin. Met Peppin medewerking ging Willebrord door naar Rome, om de wijding tot zijn ambt te bekomen van paus Sergius.
Tijdens deze reis, lagen de Friezen en Franken alweer in de clinch met elkaar en in 693 moest Radboud wederom Utrecht prijsgeven aan de Franken (Witkamp I, p. 119).

Omdat de schriftelijke bronnen veelal geschreven zijn door christelijk schrijvers -immers, de Friezen hadden nog geen schriftelijke cultuur- en deze schrijvers hadden het niet echt op met de inheemse religies, zijn ook de door hun geschreven verhalen natuurlijk ook erg gekleurd. Teksten als 'wanneer een prediker zijn neus liet zien, er massa's op af kwamen en zich ook meteen lieten dopen' moeten we dan ook met korreltje zout nemen. Er was met de Friese kerstening eerder sprake van een cultuurbotsing, welke -zoals we gaan zien- enkele eeuwen gaat duren, voordat dit enigszins met elkaar versmolten is. Nijdam noemt dit proces echter wel belangrijk, omdat het deel uitmaakt, van wie we zijn. Kortom, het maakt deel uit van de drie cultuurpijlers: klassieke beschaving, christendom en inheems erfgoed, waarvan dit kersteningsproces aan het begin staan. (Nijdam/Redbad p. 4-5)

De strijd van 688 tot 695 tussen Pippijn en Redbad, waarbij Redbad het castrum Duristate wederom moest prijsgeven, schijnt een onderdeel van de verovering van Frisia Citerior te zijn geweest. Want in 696 beheerst Pippijn Utrecht weer en vlak daarna gaat ook weer de Frankische munt in Dorestat weer draaien. Echter of de slag bij Dorestat op 689 heeft plaatsgevonden, daar wil Blok niet aan.
Mogelijk gaat het in deze periode om 2 veldtochten van Pippijn. Eentje van 689-690 vlak voor de komst van Willibrord naar Francia en eentje in 695 met de slag om Dorestat en Utrecht.
Dat Redbad tot aan het Vlie zou zijn verdreven, wordt als onjuist geacht, aangezien de geschiedenis van Wursing verteld dat zijn erfgoederen die in de Vechtstreek lagen, door Redbad wegens ruzie waren onteigend. Wursing zou dit pas na Redbads overlijden terugkrijgen, toen het door Karel Martel (718) was veroverd (Blok, p. 41-42).
Verder is men het eens over dat Pippijn II tussen 688-695 ook Zeeland veroverd heeft. En dat dit daarvoor tot Frisia Citerior behoorde (Blok, p. 46).

Willebrord, intussen teruggekomen uit Rome, koos de Rijnstreek als uitgangspunt van zijn werk. Na 2 redelijk succesvolle jaren toog Willebrord weer naar Rome om in 696 terug te keren als Clemens, aartsbisschop der Friezen. Peppin schonk hem Utrecht als kerkzetel. Willebrord (Clemens) bouwde op de plaats van het verwoeste St. Thomaskapel de St. Maartenskerk als kathedraal van zijn bisdom. Daarnaast bouwde hij de St. Salvatorskerk en richtte hij scholen op. Zijn werkgebied breidde hij uit van de Ardennen tot aan Denemarken.
De Friezen bleven zich echter verzetten tegen deze evangelie-verspreiding. Ook deed Radboud regelmatig onverhoedse aanvallen op de Frankische grensgebieden. Samen met Everard die in Elst woonde ondernam had dit. Echter Peppin trok eenmaal tegen hun op, ter hoogte van het bediscuteerde Dorestad (Duurstede aan de Rijn). De Friezen schoten te kort en Everard was zijn goederen kwijt. Er moest een verdrag aan te pas komen om deze oorlog ten einde te brengen. En wat doe je dan? Je huwelijkt je kinderen aan elkaar. Dus Radbouds dochter Theudesinde trouwde met Peppin van Herstals tweede zoon Grimoald.
Voor de deken Adelbert kwam dit ook als een geschenk, want hij kon zijn evangelisatiegebied uitbreidden tot Egmond (Witkamp I, p. 119).

Voor de grote staatsman Peppin van Herstal naderde het einde in 714. Hij had onder vier koningen, met souvereine macht Austrasië gedurende vierendertig jaar en de drie koningrijken gedurende zevenentwintig jaar bestuurd. Even dacht men dat hij al eerder in dat jaar zou overlijden, omdat hij ernstig ziek was. Van die verwarring maakten enige tegenstanders (een Fries) gebruik om zijn enige wettige zoon Grimoald in Luik te vermoorden. Peppins eerste actie was, nadat hij enigszins hersteld was, de moordenaars te straffen en zijn kleinzoontje Theodebald (dus ook kleinzoon van Redboud!) positie te verzekeren. Echter Theodebald stierf tijdens een onderlinge strijd tussen de diverse Frankengroepen in 715 (Witkamp I, p. 124; Blok, p. 46).

In 680 was Winfried als zoon van een edel Angelsaks te Kirton in Devon geboren. Op z'n twaalfde ging naar het klooster van Exceter, waarna hij als jongeling naar abdij van Nutcell verstrok. Op zijn dertigste ontving hij de priesterwijding en voelde de begeerte ontkiemen om de heidenen in Friesland, Saksen, Thüringen en andere streken van het vaste land tot het christendom te bekeren. Met dit voornemen voer Winfried, ook wel Bonifacius genoemd, naar de Rijnmonden tot aan Duurstede. Hiervandaan ging hij naar Utrecht, waar hij zich alle moeite gaf om van koning Radboud toestemming te krijgen om het christendom te mogen prediken in de omliggende streken. Echter Radboud volhardde in zijn eigen oude Germaanse godsdienstleer en gaf geen toestemming. Voor Winfried zat er niets anders op weer terug te keren naar Nutcell, waar hij later tot abt verkozen werd (Witkamp I, p. 124).

bron: Wikipedia
Francia at the death of Pepin of Heristal, 714 Peppin had ook nog een kind verwekt bij een andere vrouw genaamd Alpaïde verwekt. Deze zoon, Karel, groeide uit tot een krachtige man met onstuimige moed en met veel kracht in zijn armen, zodat hij de bijnaam kreeg van Martel, Marteel of den Hamer.
Deze Karel Martel komt rond 717 tussen twee kampen te liggen. Vanuit het noorden trekken de Friezen onder leiding van Radboud/Redbad op en vanuit het westen de pas gekozen zoon van Childerik II, de monnik Daniël, nu met naam Chilperik II, de Saksen.
Redbad kreeg hier zijn zoete wraak: hij heroverde Utrecht en waarschijnlijk een groot deel van Frisia Citerior en bedreigde in 716 met zijn vloot zelfs Keulen. Even leek het erop dat het heidense Friese rijk zijn macht in de delta blijvend zou herstellen.
In het nabuurschap van Stavelot (de Ardennen) overwon Karel beide partijen en de Neustriërs en op 19 maart 717 bracht hij ze tussen Arras en Kamerijk nogmaals een nederlaag toe. Het jaar daarop 718 verdreef hij de Saksen (Witkamp I, p. 126; Blok, p. 46-47).

En toch bleef het Winfried trekken. Daarom trok hij in 718 naar Rome en kreeg van paus Gregorius III een volmacht om aan alle Duitse volken het evangelie te prediken. En zo toog hij van Tyrol en Beijeren, naar Thüringen, verbleef hij drie jaren in Friesland en daarvandaan ging hij naar Hessen en Saksen.
In 723 werd Winfried bij paus Gregorius geroepen en werd hij op 30 sepember tot bisschop verheven en kreeg hij de naam Bonifacius.
Terug naar Duitsland deed zich in Hessen een voorval voor dat een ommekeer betekende. Omstreeks Geismar, in een heilig woud, stond een eeuwenoude aan Thor geheiligde eik. Op de geringste schending zou Thor bestraffen met een dodelijke bliksem, aldus de heidense priesters.
Bonifacius, vol vertrouwen, begint met het hakken in de eik in het bijzijn van de heidenen. Er gebeurde niets. Geen bliksemstraal die Bonifacius dodelijk treft. En dus hakt hij verder, tot deze reus geveld is en hij een hoog opgeheven kruis kan neerzetten. Vanaf nu lag de weg open voor het stichten van kerken en velen volgden in zijn voetsporen (Witkamp I, p. 126).

In het verhaal "Vita Vulframni episcopi senonici" uit MGH SS rer. Merov. 5 S. 668 staat het doopweigeringsverhaal van Redboud te lezen: Praefatus autem princeps Rathbodus, cum ad percipiendum baptisma inbueretur, percunctabatur a sancto episcopo Vulframno, iuramentis eum per nomen Domini astringens, ubi maior esset numerus regum et principum seu nobilium gentis Fresionum, in illa videlicet caelesti regione, quam, si crederet et baptizaretur, percepturum se promittebat, an in ea, quam dicebat tartaream dampnationem. Tunc beatus Vulframnus: 'Noli errare, inclite princeps, apud Deum certus est suorum numerus electorum. Nam praedecessores tui principes gentis Fresionum, qui sine baptismi sacramento recesserunt, certum est dampnationis suscepisse sententiam; qui vero abhinc crediderit et baptizatus fuerit, cum Christo gaudebit in aeternum'. Haec audiens dux incredulus - nam ad fontem processerat, - et, ut fertur, pedem a fonte retraxit, dicens, non se carere posse consortio praedecessorum suorum principum Fresionum et cum parvo pauperum numero residere in illo caelesti regno; quin potius non facile posse novis dictis adsensum praebere, sed potius permansurum se in his, quae multo tempore cum omni Fresionum gente servaverat. At beatus Christi pontifex: 'Heu pro dolor', inquit, 'deceptum te video a seductore, qui humanum decepit genus! Sed nisi poenitentiam egeris et credideris et in nomine sanctae trinitatis baptizatus fueris, ianuam regni perhennis non intrabis, sed aeternae dampnationis poena plecteris'. Haec dicente et docente sancto pontifice, multi Fresionum credebant et baptizabantur, praedicto rege in paganismo perseverante.
bron: Witkamp I, p. 121
Voorgenomen doop van Koning Radboud Karel Martel had het gehad met Radboud en ging de strijd aan bij Utrecht aan de oevers van de Rijn. Hier werd Radboud gedwongen om de Frankische oppergezag ter erkennen en de prediking van het evangelie toe te staan.
Waarschijnlijk moest Radboud ook de belofte doen om het christelijke geloof aan te nemen. Want er werd een plechtigheid voor de doop van Radboud georganiseerd. Wulfram of Wolfran, de bisschop van Sens, kwam hiervoor speciaal naar Friesland. De doopplechtigheid werd gehouden te Hoogwoude, maar volgens anderen te Medenblik (beiden in het huidige West-Friesland).
Volgens de oude kronieken had Radboud tijdens deze plechtigheid al een voet in het doopvont gezet, toen hij plotseling aan de bisschop vroeg: "Zal ik in het paradijs, dat u mij beloofd, mijn voorvaderen en Frieslands helden terugzien?" Waarop de bisschop antwoordde: "Wat wilt u? Nee, die zijn bij de duivel in het eeuwige vuur." Hierop reageerde Radboud, zich uit het doopvont terugtreden: "Als dat zo is, dan verkies ik uw doop niet. Ik ben liever bij mijn voorouders in de zalige gewesten van Wodan, dan met het kleine hoopje Christenen in de hemel."
(Witkamp I, p. 122)
Nijdam bevestigd dit beeld in zijn Nederlandse vertaling van dit verhaal. Al zet hij wel een aantal vraagtekens bij het verloop van het verhaal. Het verhaal loopt namelijk niet logisch door; er zijn twee verhaallijnen na elkaar in te ontdekken. (Nijdam/Redbad p. 3/55/101)
Het gaat mij hier te ver om dit hier verder te verhalen, al is het wel interessant om ook dit te lezen en te weten, vanwege de betrouwbaarheidsfactor.

Volgens een noot (gedrukt in 1882) van Witkamp toont men in de kerk van Hoogwoude nog een doopvont "die bij deze voorgenomen doop gediend zou hebben".
De overlevering meldt tevens dat Radboud drie dagen na de weigering overleed.
Redbad kan dat ook met recht gezien worden als de eerste 'Nederlander' van formaat uit de middeleeuwse geschiedenis. Hij was enige tijd een grote tegenstander in het noordelijke gebied van het Frankse rijk. Reden genoeg om over hem -op veelal negatieve wijze- te schrijven (Blok, p. 40). Van Redbad kan gezegd worden dat hij tot aan zijn dood overtuigd zijn eigen geloof bleef aanhangen. Dit wordt volgens Nijdam het mooist beschreven in S. Bonifatii et Lulli epistolae waar onder ander (Deus omnipotens) inimicum catholicae ecclesiae Rathbodum coram te consternuit staat en hij vertaald als '(De almachtige God) heeft de vijand van de katholieke kerk Redbad voor jou neergeslagen'. (Nijdam/Redbad p. 5, noot 8)
Karel Martel bleef na Redbads overlijden niet bij de Oude Rijn staan. In één moeite door werden Holland tot het Vlie, de huidige provincie Utrecht en wellicht de Veluwe tot aan de IJsel veroverd. Misschien onderwierp hij toen reeds Friesland tot de Lauwers, want als hij daar in 734 bij de Boorne de Friezen verslaat, was deze opstand iets waarbij de Friezen trachtte de reeds aan Karels gezworen trouw te verbreken (Blok, p. 47-48).

Karel Martel had intussen bijna alle volkeren onder het Frankische Rijk geschaard en moest dit aan alle kanten met strijd bijelkaar houden. Echter, er dreigde nu weer een heel ander gevaar. En deze was misschien wel groter dan die uit de tijd van Attila. De Arabieren, die met den Islam de stelling hadden omhelsd dat het beter is den heiligen krijg te voeren dan gedurende vele jaren achtereen te binnen hadden om Mohamed's leer uit te breiden, zich sinds 632 als een geweldige stroom over heel West-Azië en Noord-Afrika uitgestort en waren in 711 Spanje binnengedrongen. Vervolgens trokken ze over de Pyreneën en naderden het Frankische Rijk om in het westen van Europa het Christendom voor de Islam te doen zwichten. Onder de indruk van elkaars materiaal, de Franken van de prachtige Arabische tenten en schitterende wapenuitrusting van de ruiters, en andersom de Arabieren van de ijzeren wapenuitrusting en grote zwaarden en lange speren, kwam het toch in 732 tot een eerste treffen, welke werd gewonnen door Karel Martel (Witkamp I, p. 128).
Karel zat -zoals reeds vermeld- in 734 weer in Friesland om met de Friese hertog Bubo (ook bekend als Poppo) om aan de Boorne een opstand de kop in te drukken en Friesland tot aan de Lauwers definitief te veroveren (Blok, p. 49).
Karel kon in 736 meteen verder naar het Noorden. Hier waren de Friezen weer hun eigen gang aan het gaan. De Friezen waanden zich veilig achter hun moerassen en wildernissen. Maar Karel had een heel ander plan gemaakt. Hij ging met een vloot op de tot voorheen ongenaakbaar geachte kust naar de stranden van de Middelzee. Hier vond een bloedige veldslag plaats waarbij Poppo, de Friesche veldheer, eigenhandig door Karel dodelijk werd getroffen. Koning Adgil stierf van hartzeer.
Volgens Wikipedia ging het weer net iets anders: Na een korte periode van vrede met de Franken, kwam hier evenwel een einde aan, toen Karel Martel in 733 opnieuw de Friezen aanviel. Met een vloot stak hij over naar het huidige Friesland en sloeg de Friezen terug naar Oostergo. Het jaar daarop (734) keerde hij terug en versloeg het Friese leger geleid door Poppo in de Slag aan de Boorne, waarbij de Friese koning sneuvelde. En met deze Frankische overwinning was de macht van de Friese koningen gebroken.

De Franken dachten het heidendom te kunnen uitroeien. Ze vernielden dan ook de altaren, tempels en gewijde bossen in Oostergoo en Westergoo. Hiervoor in de plaats brachten ze predikaten van het christendom. bron: Witkamp I, p. 129
Bonifacius bij Dockum vermoord Tevergeefs, immers zulke geweldadige middelen voedden alleen maar de wraak van de Friezen. De Franken waren niet bij machtte om de Friezen zo te overtuigen van hun christelijk geloof, waarvan ze zelf als belijders niet het geringste kenmerk droegen in hun handelen.
Karel kon meteen weer naar Zuid-Frankrijk voor een volgende treffen met de Arabieren.

In 754, wanneer Bonifacius de behoefte voelt om op hoge leeftijd zijn bekeringsopdracht in Friesland te beeindigen, hij was inmiddels 74 jaar, toog hij naar Dokkum. Hier had hij op een veld zijn tenten laten oprichten om de gelovigen toe te spreken. Echter op deze 5 juni waren er naast nieuw-bekeerden die de zegenprediking van Bonifacius ontvangst wilden nemen, ook een groot aantal heidenen die onverwacht onder een vervaarlijk gedruis kwamen aansnellen en deze plechtigheid verstoorden. In het ontstane strijdgewoel trad Bonifacius naar het midden en sprak de menigte toe. Hij was nog maar nauwelijks uitgesproken of de onstuimigsten van de vijanden naderen de plek waar hij stond en enige momenten later stierf met drieënvijftig anderen de marteldood.
Door de dood van Bonifacius ontstond er onder de Friezen een tweespalt. De bekeerde Friezen sloten zich aan bij de Franken om de misdaad te wreken. En zo werd koning Radboud, zonder bewijs, schuldig bevonden voor de dood van Bonifacius en zag zich genoodzaakt te vluchten. Eerst naar de Saksen, bij Hertog Witekind en vervolgens naar het afgelegen Jutland (Witkamp I, p. 127-128).
> Hier raak ik Witkamp toch even kwijt. Witkamp laat koning Radboud vluchten (754), terwijl hij 3 dagen na z'n doop-weigering overlijdt (719). Hierop hoop ik later terug te komen.

Blok meld dat Van de Kieft terecht verondersteld wegens voorgaande kerkelijk onderlinge ruzies er voor heeft bijgedragen dat Bonifatius aan het einde van z'n leven door de rijkskerk op dood spoor is gezet. Dit was voor hem ook de reden om de laatste jaren van z'n aardse zwerftocht weer te besteden aan zijn Friese missie, waarmee hij in 716 was begonnen.
DEUTSCHES RECHTSWÖRTERBUCH (DRW)
Heidelberger Akademie der Wissenschaften Die MAGNUSKÜREN
Audi de uictoria Fresonum.
Höre von dem Sieg der Friesen!

[1] Tha thet strid vphewen warth twisc Romera heran andthene kening Kerl, tha brochtma tha nakene Fresan alles afara, hu se erst alle forslain worde. Tha nethtend tha Fresan mitha liwe and efter bifuchten hiat mithta hondum, thet se Rome wonnen an thredda tyd thes deys, tha Romera heran ouer hiara mose weren. Tha brochte Magnus, ther Fresena foner was, sinne fona vppa thene allerhagesta turn, ther binna Rome was. A, hu leith thet kening Kerl was, er weren se alle nakend Fresan heten, tha het se thi kening and bad ma tha herum gold and gode wed; tha bad ma allerekum sinne breda schild mitha rada golde to bislain; tha bad ma tha herum allerekum to settane in ene sunderga rike and mam therof thianede, ala ma ena weldicha kening scholde. Alle tha iefta, ther thi kening bad, tha withsprec Magnus an kas en alle betera. An kas thet, thet alle Fresan were freiheran, thi berna and thi vneberna, alsa longe sa thi wind fonta himele weide and thio wralde stode, and wellat wesa mith kere thes keninges herenatan.
[1] En hij koos, dat alle Friezen vrije heren zouden zijn, de geborenen en de ongeborenen, zo lang als de wind van de hemel zou waaien en de wereld zou staan, en dat zij met deze keur de heergenoten van de koning wilden zijn. (Nijdam/Lichaam, p. 273).
[1] Als der Kampf zwischen den Herren der Römer und König Karl anfing, da führte man die nackten Friesen ganz nach vorne, damit sie alle zuerst erschlagen würden. Da wagten die Friesen ihr Leben dafür und nachher erkämpften sie es mit den Händen, daß sie Rom eroberten zur dritten Tageszeit, als die Herren der Römer bei Tische saßen. Da setzte Magnus, der der Fahnenträger der Friesen war, seine Fahne auf den allerhöchsten Turm, den es in Rom gab. Ah, wie leid war das dem König Karl, zuvor wurden sie alle nackte Friesen genannt, nun nannte sie der König alle Herren und bot man den Herren Gold und feine Gewänder an; da bot man einem jeden an, seinen breiten Schild mit rotem Golde zu beschlagen; da bot man jedem der Herren an, ihn in ein besonderes Reich einzusetzen und (daß) man ihm daraus diente, wie man einem mächtigen König sollte. Alle Gaben, die der König anbot, lehnte Magnus ab und wählte sich eine weit bessere. Und er wählte dies, daß alle Friesen Vollfreie sein sollten, der Geborene und der Ungeborene, solange der Wind vom Himmel wehen und die Welt bestehen würde, und daß sie aus freien Stücken des Königs Heergenossen sein wollten.

[2] Alderefter kas Magnus then otheren kere, and alle Fresan au Magnus kere ien, thet ma tha Fresan tha witta ofta halse spande and hia ammermar frei were, thi berna an thi vneberna, and se mitha kere were thes keninges herenatan.
[2] Danach wählte Magnus die zweite Küre und alle Friesen waren mit der Wahl des Magnus einverstanden, (nämlich) daß man den Friesen die Holzbänder vom Halse lösen sollte und sie immerfort frei wären, der Geborene und der Ungeborene, und sie aus freiem Willen des Königs Heergenossen wären.

[3] Tha kas Magnus thene thredda kere, an alle Fresan an sine kere ien, thet se nene keningschelde ne hachra gulde than riuchte hwslotha tha scheltata, hit ne were thet hit dumme liude in tha bonnum hiara vrbreke an hias thenna vngulde.
[3] Danach wählte Magnus die dritte Küre und alle Friesen waren mit seiner Wahl einverstanden, (nämlich) daß sie keine höhere Königssteuer zahlen sollten als die rechtmäßige Haussteuer an den Skeltata, es sei denn, daß unverständige Leute dies für ihre Person durch Bannbußen verwirkten und sie die dann entrichten müßten.

[4] Tha kas Magnus then fiarda kere, thet se nene himelschilda ne hachra gulde than riuchten dekma tha proueste, ther tha haudsto bisiunge, hit nere thet hit alle dumme liude in tha bonnum hiara vrberde and ses thenna gulde.
[4] Danach wählte Magnus als vierte Küre, daß sie keine höhere Kirchensteuer zahlen sollten als den rechtmäßigen Zehnten an den Propst, der die Messe in der Hauptkirche läse, es sei denn, daß ganz unverständige Leute dies für ihre Person durch Bannbußen verwirkten und sie die dann entrichten müßten.

[5] Tha kas Magnus thene fifta kere, thet se nene herefert nelde farra fara than aster to there Wisere and wester to tha Fli, vp mitha flod an vt mitha ebba, thruch thet, thet se hudat deis ande nachtis withen nordischa kening and with thene wilda witzend and thene deikisflod mith fif wepnum: mith swerde, mith schelde, mith spada, mith forka and mith ettegris orde.
[5] Danach wählte Magnus als fünfte Küre, daß sie auf keiner Heerfahrt weiter ziehen wollten als ostwärts bis zur Weser und westwärts bis zum Fli, landeinwärts zur Flutzeit und zurück zur Ebbezeit, weil sie bei Tag und bei Nacht das Meeresufer vor dem nordischen König und dem wilden Wiking und der täglichen Flut mit fünf Waffen: mit Schwert, mit Schild, mit Spaten, mit Gabel und mit der Speerspitze schützen.

[6] Tha kas Magnus thene sexta kere, thet hia hiara ain riucht welde halda binna hiara ayna sogen selondum bi thes paws ande kaysers iefte an bi alle riuehta bonnum, bi asega domum and bi riuchta papana ordele, alsa hia hethe twen leyan to folgre.
[6] Danach wählte Magnus als sechste Küre, daß sie ihr eigenes Recht in ihren eigenen sieben Seelanden halten wollten gemäß dem Privileg des Papstes und des Kaisers und nach allen rechtmäßigen Geboten, nach den Sprüchen des Asega und durch rechtmäßiges Urteil der Priester, wenn diese zwei Laien als Beistimmende hätten.

[7] Tha kas Magnus thene sogenda kere, thet him ti paws Leo and thi kening Kerl welde iewa bref and insigel and hia ther moste one scriua vij keran an xvij kesta, xxiiij londriuchta and xxxvj sindriuchta. Thet orlof ief thi paws and ti kening Kerl mith munde and efter weddaden set mitha hondum. En helich biscop set tha to and screuet mith sine hondum and Magnus spreket mitha munde vt ther stenena teula, thet God her Moyses ief vp tha birge to Synai. Tha thit bref birat was, hv frey monich Fresa thes was! Tha gingen se alle tofara thene paws stonda and tofara thene kening. Thet bref him thi paws jef. A, hu hage hit himman biplichte and het, thet hia thet riuchte helde, sa feste sa hia then cristena noma halda wolde and hia tha sutherna hera riuchte heroch wesa wolde, hwant hia in thet northkeningrike er herden and alle hethen weren.
[7] Danach wählte Magnus als siebente Küre, daß Papst Leo und König Karl ihnen Brief und Siegel geben möchten und sie darauf (diese) 7 Satzungen und (die) 17 Küren, 24 Landrechte und 36 Sendrechte schreiben dürften. Die Erlaubnis dazu erteilten der Papst und König Karl mündlich und nachher bekräftigten sie die durch Handschlag. Ein heiliger Bischof saß dann dabei und schrieb es mit den Händen auf und Magnus sprach es ihm mündlich vor von der steinernen Tafel, die Gott Herrn Moses auf dem Berge Sinai gegeben hat. Als dieser Rechtsbrief fertiggestellt war, wie freute sich mancher Friese darüber! Da stellten sie sich alle vor dem Papst und vor dem König auf. Der Papst übergab ihnen den Rechtsbrief. Ah, wie nachdrücklich trug er es ihnen auf und gebot er, daß sie das Reeht halten sollten, ebenso fest wie sie den Christennamen behalten möchten und sie dem südlichen Herrn Rechtens untergeben sein wollten, denn sie gehörten ehedem zu dem nördlichen Königreich und waren alle Heiden.

[8] Allererst ther himman thet bref in tha honde kom, tha hof se vp anne loflaysasong ande sungen 'Krist, vnse genathe, kyrieleison'. Tha remden se thet keninges Kerles hof and thet Romera lond. Ac bundens to hiara skefte thes keninges hereteken, hv hit alle folke trowe were, thet alle Fresan frei were, thi berna and thi vneberna, alsa longe sa thi wint fonta wolcnum weide and thio wralde stonde. Thet bref brochte Magnus inna Fresena merka to Almenum in tha sinte Michaelisdome to Hernze, ther in ther tyd mith holte and mith rheide remat was. Ther nas ellekes in Freslond nout monich. Ther lesma vta brewe vij keran, xvij kesta, xxiiij londriuchta and xxxvj sindriuchta, alle Fresum to lowe an to erum.
[8] Als der Rechtsbrief ihnen zuerst in die Hände kam, da stimmten sie ein Loblied an und sangen: "Christ, sei uns gnädig, Kyrie eleison!" Dann räumten sie den Hof König Karls und das Land der Römer. Auch banden sie des Königs Heerzeichen an ihre Lanzen, damit es allen Leuten sicher wäre, daß alle Friesen frei seien, der Geborene und der Ungeborene, solange der Wind von den Wolken wehen und die Welt bestehen würde. Den Rechtsbrief brachte Magnus nach dem Friesenland nach Almenum in den St. Michaelsdom zu Harlingen, der damals aus Holz und Rohr erbaut war. Es gab (damals) in Friesland sonst nicht viele (Kirchen). Dort liest man in dem Rechtsbrief 7 Satzungen, 17 Küren, 24 Landrechte und 36 Sendrechte, allen Friesen zu Lob und Ehren.

De winter van 753 en 754 bracht hij in Utrecht door, om in het voorjaar weer op pad te gaan in Friesland. Op deze tocht is hij en oa bisschop Eoba door een bende heidenen -die waarschijnlijk van over de Lauwers kwamen- bij Dokkum vermoord.
Wat vreemd is, is dat deze moord op zo'n belangrijke persoon (toch nog altijd aartsbisschop der Frankische kerk en bisschop van Mainz), zo weinig reactie heeft uitgelokt. Er waren weliswaar een paar bekeerde Friezen die een strafexpeditie ondernamen, maar van een officiële Frankische tegenzet is niets bekend. Een vermoorde zendeling is altijd een goede reden voor christelijk ingrijpen (Blok, p. 54).

Gregorius zette het werk van Bonifacius in Friesland voort. Ook zendde hij kwekelingen naar Westfalen en andere streken. Onder hen bevond zich de Fries Ludger, uit Wierum. Ludger zou later de eerste bisschop van Münster worden.

Saksen
Op 24 september 768 laat de Frankische vorst Peppin te St. Denis het leven, na terugkomst van een veldtocht tegen de hertog van Aquitanië, Vaïfer. Zijn twee zoons krijgen het opgedeeld rijk Karel, nu 26 jaar, krijgt zeggenschap over Austrasië met bijna geheel Germanië. De jongste, Karloman, krijgt Bougondië, met Provence, het Narbonnais, Schwaben en de Elzas. Daarnaast werden Neustrië en Aquitanië beiden in tweeën gesplitst en onder beide broers verdeeld. Dit gebeurde omdat beide gebieden de neiging hadden om zelfstandig te worden. Bij een opstand zouden ze zo de macht van beide heersers ervaren.
Al na drie jaar werd de spitsing van Frankenland ongedaan gemaakt door het overlijden van Karloman op 4 december 771. Zijn gebieden werden nu door de bevolking ondergebracht bij Karel. De weduwe van Karloman ontvluchtten met de kinderen Frankenland, terwijl dit voor Karel niet nodig was.
Karel de Grote is nu alleenheerser.
Ook Karel heeft grote moeite om alles onder controle te krijgen en houden.

In 772 begon Karel de Grote zijn eerste veldtocht tegen de Saksen. Dit zou uitmonden in een 30-jarige strijd. De eerste onderwerping was gereed in 775, waarna de grote opstand onder leiding van Widukind in 778 begon tot aan 804 toe. Lag het grootste gedeelte van de strijd in het noorden tussen de Weser en Elbe. In 778 speelde ook de strijdtaferelen aan het oostelijke gedeelte van de IJssel, waar in Deventer voor de tweede maal de kerk in vlammen opging.
In 784 werden ook onder leiding van Windukind Friesland (van Vlie tot Eems) bij de strijd betrokken. In 785 is voorlopig de strijd over. De Saksen (behalve het noordoostelijk deel) zijn onderworpen en Windukind bekeerd. En daardoor komen Friesland ten oosten van de Lauwers nu in vaste handen van Karel. Liudger word weer door Karel als missionaris aangewezen in de gouwen Hugmerchi, Hunusga, Fivelga, Emisga en Rederitga en het eiland Bant.
Ook onderneemt Karel de Grote in de loop van 789 een veldtocht over de Elbe tegen de Wilzen en in 791 trok hij diep Hongarije binnen, om de Avaren, aan de Hunnen verwant, terug te dringen. Bij beide tochten maakten zowel Friezen als Saksers deel uit van Karel's heerban.
Dit zegt echter niets over de verhoudingen tussen de Franken en Saksen en Friezen. Een laatste opstandje door de Friezen was omstreeks 793 onder leiding van Unno en Eilrat.
Tussen 794 en 798 moest Karel meerdere keren uitrukken om de Sasksische opstanden tussen de IJssel en Elbe de kop in te drukken. En hoe volhardend de Saksen ook hun vrijheid probeerden terug te krijgen, het lukte niet.
In de tussenliggende periode werd Karel door steeds meer gebieden erkent en zo kon hij gekroond als koning en keizer heerser genoemd worden van het Avondland.
Karel beëindigde de Saksische oorlog met het verdrag van Selz in 803. De Saksers werden hierbij, onder de voorwaarde van zich te laten dopen, als een vrij volk in 't verband van het grote Frankische Rijk opgenomen. Ze hoefden alleen maar tienden op te brengen voor de geestelijken. En verder mochten ze naar hun eigen gewoonten en wetten leven.
Er was echter een vreemde uitzondering voor 10.000 Saksers. Zij werden geherhuisvest met hun gezin, in gebieden als bij de Rijnmond, Vlaanderen, in de Ardennen en Helvetië (Witkamp I, p. 137-138; Blok, p. 57-59). (Volgens Witkamp is hieruit te verklaren waarom er in Zuid-Holland als in Luxemburg een dorp Sassenheim bevindt. Huis van Saksen.)

Gunstbrief Karel de Grote
Witkamp schrijft dat er in Friesche kronieken verhalen staan over een gunstbrief, waarin Karel de Grote zo rond 802 of 810 vrijheid schonk aan de Friezen. Ook kregen ze hiermee het recht om door landgenoten Verhandeling over de benaming van Vrije Friezen
Geschiedkundig toegelicht door L.H.W. van Aylva Baron Rengers
Vrije Fries V p 193-225 bestuurd te worden en een hoofd te kiezen. Witkamp verwijst deze dichterlijke vrijheid naar de prullebak. Want, stelt hij, deze gunstbrief was totaal overbodig. Witkamp gebruikt de woorden van Aylva Baron Rengers om dit kracht bij te zetten: "Karel had niet noodig den Friezen vrijheden en voorregten te geven: hij liet hun slechts behouden, wat zij van overlang bezaten." (Witkamp III, p. 626)
Witkamp refereert vervolgens aan de "Verhandeling over de benaming van Vrije Friezen, Geschiedkundig toegelicht door L.H.W. van Aylva Baron Rengers":
Te midden nu dier bevolkingen van lijfeigenen
en hofhoorigen, schotbare lieden
['schatbare luiden',
volgens Witkamp], zwoegende onder de
opbrengsten van cijns en onder de verpligtingen van zoo
vele heerendiensten, zag ieder Fries zich in het volle genot
van persoonlijke vrijheid; hij kon gaan, waarheen hij
wilde, en verdienen zijn brood, op welke wijze hij ver-
koos; hij was tot geene andere dienst verpligt, dan tot
den algemeenen heerban, of de volkswapening tot ver-
dediging van den vaderlandschen bodem, en nimmer kon
hij, zonder eigen toestemming, buiten de grenzen van zijn
land tot krijgsdienst gedwongen worden; hij bezat zijn
eigendom, de erfenis zijner vaderen, in veiligheid, en had
het volle genot daarvan, tot geene belasting of geldelijke
opbrengst hoegenaamd gehouden zijnde, dan tot die, waar-
in hij zelf toestemde; hij leefde onder de oude voorva-
derlijke wetten en eigen gebruiken, waarvan de uitvoering
opgedragen was aan Overheden, Regters en Ambtslieden,
door de vrije keus des volks benoemd, tot weder-
opzeggens toe, of die op bepaalde tijden door anderen
werden vervangen; ieder landeigenaar was regtens lid van
de volksvergadering, en alle leden dier vergaderingen
hadden gelijke regten. Men ziet, dat de tegenstelling
- (met
de harde onderwerping en de zware dienstbaarheid bij
de andere volkenvan Europa) voegt Witkamp toe - groot
was, en de vergelijking den Friezen wel regt kon geven
tot een hoog opgedreven gevoel van eigenwaarde.

Kortom, eventueel wel edelen, geen vrijheren. Wel aanvoeders, maar als eerste onder gelijken, zonder titel, waarop de adel buiten Friesland zo belust was.
Dit stel ik me dan ook voor bij de eervolle Fries, die al die poespas niet nodig heeft. Gewoon met beide voeten in de klei, zorgdragen voor degenen of het gebied waar je -als erfbare- zorg over gekregen hebt, of wat je zelf ontgonnen hebt.

Een ander mogelijk is echter dat het hele verhaal symbolisch bedoeld is. Kort gezegd kan men de vrijheid van de Friezen vergelijken met het scheppingsverhaal: De mens werd in het begin der tijden door God geschapen door middel van een aantal transformaties. Van de aarde maakte God het vlees van de mens, van steen zijn botten, van water zijn bloed, van de wind zijn hart, van de wolken zijn gedachten, van de dauw zijn zweet, van gras zijn haar en zijn ogen van de zon. Toen blies God zijn adem over Adam en de eerste mens was daar. De Vrije Fries werd geschapen door Karel de Grote. Van de naakte, lage, eerloze en wetteloze slaaf die een houten band om zijn nek droeg, maakte hij een geklede, hoge, eervolle en wettelijke Fries. Om zijn nek kreeg hij een gouden halsketting en zijn haar werd opgeschoren als symbolen van de verworven vrijheid. De Vrije Friezen bezaten eer, land en een huis. En ze bezaten deze vrijheid voor eeuwig – zowel de geborenen als de ongeborenen – ‘zolang als de wind van de wolken waait en de wereld bestaat’. [...] Net zoals om de vrije hals van de Vrije Fries een gouden halsketting hing om zijn vrijheid te symboliseren, zo lag om het land een ‘gouden band’ (geldene hop), een ringdijk die het land vrij maakte van het zeewater en de Friezen welvaart bracht. (Nijdam/Lichaam, p. 279).
Zou dit dan inhouden de verhalen, de keuren etc dan ook symbolisch gezien kunnen of moeten worden? De onstaansgeschiedenis van de Vrije Fries gedegradeerd tot een literair roman? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de Friezen rond 800 gedacht hebben, 'kom, laten we een ringdijk maken, dit komt de symboliek ten goede', want de dijken liggen er. Daar is niets symbolisch aan. Ze beschermen de opgeworpen terpen of wierden die als kralen, ongeveer een uur lopen van elkaar verwijderd zijn. En nu is een dijk metaforisch een parelmoeren-ketting. Het draadje voor de kralen mag ook.

Zeven Zeelanden
Nadat de Franken diverse gebieden op de Friezen hadden veroverd bleven er nog de volgende gebieden over: de zeven Zeelanden.

  • 1e Zeeland: tussen Reekerwad en het Vlie.
    Het oostelijk daarvan ligt nu in het IJsselmeer. Het westelijk deel is bekend onder de naam West-Friesland, waarvan het oostelijk deel bekend staat onder de naam Drechterland.
  • bron: Leeuwarder Courant 8-3-1958
  • 2e Zeeland: tussen Vlie en de Lauwers.
    Oostergoo, Westergoo, Stavoren en Stellingwerf.
    Oostergoo en Westergoo werden gescheiden door de Middelzee. Na dichtslibbing ging er een deel van Stavoren naar Westergoo en het overige vormde met Stellingwerf de Zevenwolden.

  • 3e Zeeland: tussen Lauwers en de Eems.
    Humsterland, Langewold, Vredwold, Middagten, Hunsego, Fivelgo, het Oldampt, Reiderland en Westerwolde.
    Onzeker is of Drenthe, met Drentherwolde (Groningen en het Goregt) bij dit Zeeland hoorde of deel uitmaakte van een ander Zeeland.

  • 4e Zeeland: tussen de Eems en de Weser.
    Eemsland, Moermerland, Broekmerland, Norderland, Harlingerland, Wangerland, Ostringen, Rustringen, Ammerland en Butjadingerland.

  • 5e Zeeland: tussen de Weser en Elbe.
    Würsten, Kedingen, het Alteland, Stedingerland en Hadelerland.

  • 6e Zeeland: tussen de Elbe en Eider.
    Dithmarschen (noord en zuid)

  • 7e Zeeland: tussen de Eider en Konings-Aa (of Kong-Aa).
    Noord-Friesland

  • (Witkamp III, p. 626)

    stamboom Liudger
Familie / geslacht Ado Ludger/Liudger
    Ludger werd omstreeks 744 te Wierum bij Dockum geboren. Hij had in Utrecht het onderwijs genoten van Gregorius. Ludger heeft ijverig meegewerkt met het verspreidden van het christelijk geloof onder de Friezen en Saksen. Door zijn toedoen was de kerk te Deventer herbouwd, werd er een dorpskerk in z'n geboorteplaats gesticht en werd de afgodstempel in Helwerd bij Rottum (Hunsego) van zijn aanzien beroofd.
    Ludger reisde geruime tijd door Humsterland, Hunsego, Fivelgo, Reiderland en Borkum. Overal predikte en doopte hij. Karel vroeg hem op een gegeven moment om het bisdom van Mimigernford of Münster te gaan leiden. Hier won hij het vertrouwen van de mensen, omdat hij al zijn bezittingen en dat van het bisdom inzette voor de armen en werken van liefde. Ook toen hij verheven werd tot bisschop, bleef hij in de streken tussen de Lauwers en de Eems actief met bekeren. Hierdoor kreeg hij de erenaam van apostel der Groningers.
    Ludger overleed 26 maart 809 (van der Aa/Biographisch, p. 701-704).
    Anderen geven aan dat Liudger bij Suecsnon, Zuilen aan de Vecht werd geboren. (Diekamp/Liudgeri, p. IX)
    detail pagina 272
Handboek der middel-nederlandsche geographiepagina 169
Handboek der middel-nederlandsche geographie Verder zijn er ook die 742 als geboortejaar aanhouden, wat meer aannemelijk is. (Ludgerkring)
    Ook de zoektocht van Weetgierig op de discussiepagina Nifterlaca heeft ook een mooie benadering. Via de bronnen komt ook "Zuylen an der Vecht", gevolgd door Zwezen (een Voormalig gehucht op de Zwezer Eng, vlakbij Zuylen) in zicht. Verondersteld wordt dat dit het "Suecsnon" is "waar" volgens een 10de eeuwse abdij-goederenlijst Liudger zou zijn geboren. Vervolgens komt er een vage verwijzing naar "Handboek der middel-nederlandsche geographie" van L.Ph.C. van den Bergh. In dit oorspronkelijke in 1852 uitgekomen en hier gebruikte handboek "naar de Bronnen Bewerkt" kan ik op pagina 169 en 272 iets vinden. Noot 27 rept over Swegion - Rudinhem, (A. en M.) Suegon, (H.) Suegsnon. Beide plaatsen zijn onbekend of het eerste moest Zwezereng zijn, eene buurschap bij Zuilen. Noot 28 Suesna, misschien Sulesna, (A.) Suegsna, (H.) Suesna, (M.) Suigna. Het is het dorp Zuilen aan de Vecht. In Altfridi vita S. Lugeri (Pertz Mon. Germ II.) heet het "Sualisna juxta Trajectum". uitgaven (A.) Asch van Wijck, (H.) Heda, (M.) Mieris detail kaart 1743
Nieuwe kaart van den Lande van Utrecht
volgens ordre van
d'Ed. Mog. Heeren Staten van Welgemelden Lande
doen meten en in kaart brengen, door
Bernard du Roy, ingenieur
    Verder gaat deze zoektocht naar de bron Altfridi, Vita Sancti Liudgeri waar we op pagina 405 lezen, dat hier Suabsna staat, met als extra in rhythmica vita Sualisna dicitur, in MS. Budic. Suahsna.. In dit vita valt te lezen dat Suabsna 'naast Traiectum' ligt.
    Wanneer we bij de kaartendatabase van de RUG gaan zoeken op Traiect*, vinden we onder ander dat 'Traiectvm = Wtrech' met een kaart erbij. De tweede titel boven de kaart uit 1743 luidt volgens de titelbeschrijving: Nova tabula dioeceseos Traiectinae.
    De discussie is echter nog niet afgelopen!

    Ook de bisdommen van Osnabrück en Seligenstadt (Salingstede) kregen Friezen aan het hoofd, namelijk Wilko en Hildebrand.
    De eerste opvolgers van Albrik in Utrecht waren ook van Fries bloed. Theodard bestuurde het bisdom van Utrecht er van 784-790, Harmokar van 790-806 en Rixfried van 806-828 (Witkamp I, p. 138).
    Verder hebben we tussen 828-838 nog Bisschop Frederik. Hij was de opvolger van Rixfried. Men denkt dat hij een achterkleinzoon van Radboud I is en uit Sexbierum bij Harlingen kwam. Frederik moest op een gegeven moment naar Walcheren om een einde te maken aan de huwelijken van broers en zussen en zelfs van zonen met hun moeders. Bisschop Frederik werd 18 juni 838 door een bediende van Judith doodgestoken, omdat deze haar relatie met Graaf Bernard van Barcelona had bekend gemaakt.

    link naar Cartago, overzicht pagina's Lex Frisionum
    In het "Groot Placaat en charter-boek van Vriesland", uitgegeven door G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (Leeuwarden 1768-1793; 5 delen) is het enige algemene oorkondeboek betreffende de provincie Friesland. Hierin is vanaf pagina 1 de Lex Frisionum/Vriesen wet in twee talen te lezen.
    Groot Placaat en charter-boek van Vriesland detail pagina 1
    Lex Frisionum
    Een belangrijk initiatief van Karel de Grote was, om alle volksrechten van de gebieden dat hij veroverd had, te laten opschrijven. Voor het Friese gebied zullen er waarschijnlijk verschillende versies zijn geweest. Tussen Zwin en Vlie, tussen Vlie en Lauwers en tussen Lauwers en Weser waren er waarschijnlijk verschillende varianten van de Lex Frisionum. Dan hebben we nog de Ewa quae se ad Amorem habet, "de wet die bij de Amor geldt" voor het rivieren gebied; de Lex Saxonum voor het oostelijk deel van ons huidige land. Het Frankische recht, voor Zuid-Nederland en voor de Franken, was het al eerder opgetekend in respectievelijk Lex Salica en Lex Ribuaria.
    Dat al deze verschillende rechtspraakvormen al ingewikkeld waren en er ook nog rekening gehouden moest worden met kerkelijk recht en immuniteiten, vormen van belastingheffing, politie (van kerk en staat). Om deze complexe materie te ontwijken, werd -volgens sommigen in het Frankische rijk ontwikkelende- personaliteitsbeginsel ingevoerd en ontwikkeld. Dit hield in dat een Fries in Nijmegen volgens het Friese recht berecht moest worden (Blok, p. 91-93).
    Verder zijn er ook van andere gebieden vroege rechtsteksten bekend: Op de Britse eiland van de eerste Kentse koningen, waarvan de oudste die van koning Æthelberht (ca. 590-616), geschreven in de volkstaal.
    Deze verzamelde teksten horen allen bij de Leges Barbarorum, de wetten van enkele Germaanse volkeren binnen de Merovingische en Karolingische invloedssfeer.

    De Lex Frisionum bestaat uit een hoofdtekst en een ‘toevoeging van de wijze mannen’ Additio sapientum, de wondlijst of compensatielijst. Deze twee wijze mannen waren Wlemar en Saxmund. Deze wondlijst is veruit de langste of uitgebreidste lijst van de bekende lijsten (Nijdam/Lichaam, p. 67-68).
    Mogelijke oorzaken van of argumenten voor de lengte van deze boetelijst zijn:
    "Dankzij de autonomie onderhielden de Friezen een eigen rechtssysteem. De boeteregisters waren tegelijkertijd een uiting van de ideologie van de Friese Vrijheid – want onderdeel van het Friese recht – en een instrument om vetes te beëindigen of met behulp van een rechtszaak te voorkomen" (Nijdam/Lichaam, p. 26).
    "Het mechanisme [van compenseren/boetelijsten] floreert echter in een samenleving zonder een sterke (centrale) overheid – dus waar de staat niet het geweldsmonopolie bezit – en waar vrije mannen samen de rechtsstaat vormen" (Nijdam/Lichaam, p. 53).
    "In middeleeuws Friesland ontbrak namelijk een centrale overheid met een ontwikkeld justitieel en politioneel apparaat, die actief misdadigers vervolgde, boetes oplegde en toezag op het betalen ervan" (Nijdam/Lichaam, p. 61).
    We zien dat de Friezen ook hierin een uitzonderingssituatie vormen met de rest van de volkeren uit zijn omgeving. Deze hebben naast een overheersende staat en machthebber en naast politie ook nog eens een kerkelijke (mogen we zeggen religieuze politie) met bijbehorende regels en wetten.

    We moeten vervolgens vijf eeuwen geduld hebben, voordat er een schriftelijk vervolg komt onder het kopje Oudfriese Boeteregisters. Ga verder naar Boeteregisters

    Had Witkamp het over een hiërarchische indeling van vrijgeborene (met grootgrondbezitters als adelstand), de onvrijen/laten/lijfeigenen (de krijgsgevangen en hun nazaten), en de vrijgelatene. Nijdam haalt uit de Lex Frisionum onder andere de edele (nobilis), vrijen (liberes) en halfvrijen (lites) en slaven (servi) (Nijdam/Redbad, p. 19).
    In het boetegedeelte over doodslag www.Cartago.nl - Placaat en charterboek Vriesland1 - www.Cartago.nl - Placaat en charterboek Vriesland10 wordt gesproken over Edelman (nobilis), Vryman (liberum), Laat (litum) en www.Cartago.nl - Placaat en charterboek Vriesland11 Slaaf (feruus), waarbij opgemerkt kan worden dat de slaaf uit alle geledingen een Heer kan hebben.
    > Het lijkt erop dat deze twee niet helemaal hetzelfde zijn. Vooral bij de de onvrijen/laten/lijfeigenen (de krijgsgevangen en hun nazaten) en de vrijgelatene gaat mank met Laat (litum) en Slaaf (feruus). Zal de Lex Frisionum onder invloed van de Franken dan toch anders geïnterpreteerd moeten worden? Want de vrijgelatene kan ik niet als Slaaf (feruus) zien. Terwijl de Laat (litum) tekstueel wel overeenkomt met onvrijen/laten/lijfeigenen (de krijgsgevangen en hun nazaten), terwijl ik deze wel als Slaaf (feruus) zou kunnen zien.
    Daarnaast vraag ik me af in hoeverre in deze periode al sprake is -in de Friese landen- van grootgrondbezitters en daaraan gekoppelde adelstand/Edelman (nobilis). Dit lijkt me dan meer een invloed uit het Frankenland, waarin dit wel veelvuldig voorkwam.

    de Denen
    In 806 vond Karel het tijd om de deling onder zijn drie zonen van zijn rijk te bespreken. In Diedenhoven (Thionville) aan de Moezel kwamen de rijksgroten en de drie zonen Karel, Lodewijk en Peppin samen.
    Hier werd waarschijnlijk ook het gevaar uit het noorden besproken. Want ondanks dat de Saksen nu onder het Frankische Rijk viel, sommige werkten met de Denen samen, om invallen over land en zee te plegen. Ook Friesland kreeg met de plunderingen te maken. In september 807 werden de Friesche dorpen Westerwierum en Dijkshorne in de as gelegd. In 808 volgden Ezonstad en andere plaatsen aan het Vlie. In 810 werden, behalve het ontluikende Groningen, vele naburige eilanden en streken geheel uitgeplunderd en vernield (Witkamp I, p. 138).
    De dapperheid van de Friezen deed niettemin de deense rovers die overwinningen duur verkopen. Ook Karel en diens zoon en naamgenoot Karel dreven de aanvallers terug. In 811 werd er tussen de Denen en Franken overeengekomen dat voortaan de Eider de grens is tussen de twee rijken.

    In 800 had Karel de Grote langs de kust een vloot gelegd en wachtposten ingericht. Dit voorkwam echter niet de grote inval van de Denen in 810. Of deze verdediging er ook aan de Friese kust lag of niet werkte, wordt mij niet duidelijk. Karel gaf in ieder gevel de opdracht weer een vloot te formeren en schepen te leggen "in alle rivieren die vanuit Gallië en Noord-Germanië in de oceaan stromen"en plaatste bij alle havens en bevaarbare riviermoningen wachtposten (Blok, p. 83).

    Lodewijk de Vrome
    28 januari 814 overleed Karel de Grote en nam Lodewijk als 36-jarige midden-Europa van zijn vader over.
    Had Karel geprobeerd het Friesche en Saksische verzet proberen te breken, door het erfrecht van deze 2 volken af te schaffen. Lodewijk herstelde dit, zodat ze wat milder tegenover hem stonden. Dit werd weer teniet gedaan door zijn gedweeheid tegenover de pauselijk stoel.
    Wat ook niet het eerbied en vertrouwen versterkte, was het feit, dat hij reeds in zijn vierde regeringsjaar zijn rijk onder zijn drie zonen Peppin, Lodewijk en Lotharius wilde verdelen.
    De noormannen diende zich weer aan op het Friesche (en dus Frankische) grondgebied en zodoende moest Lodewijk hier ook ingrijpen. Hij mengde zich in het Deense koningshuis, waar een tweespalt was ontstaan. Lodewijk koos voor de zijde van Heriold en beval de Friezen en Saksen om hem weer terug op de Deense troon te krijgen. De Denen hadden echter gekozen voor de zonen van Godfried. En hierdoor kregen de Denen weer oog voor Friesland en Saksenland en lieten een spoor van vernielingen achter.
    Verder maakte Lodewijk de fout om Heriold en zijn volgelingen in delen van Friesland en Saksenland te laten wonen. Heriold ontving Rustringen (Riustri) aan de Weser en Dorestad (of Duurstede aan de Rijn). Roruk Kinhem kreeg Kennemerland en Hemming ontving Walcheren. Kwamen de vijanden in eerste instantie de tegenstanders van hun koning bestrijden. De te halen buit nodigde hun uit om vaker terug te komen. Volgelingen van Heriold, Roruk en Hemming hielpen de tegenstanders hiermee. Het vertrouwen van de Friezen en Saksers in deze vreemde medebewoners was hierdoor tot het nulpunt gedaald. Zonder ondersteuning van de machthebbers (Lodewijk), werden bij regelmaat de kusten belaagd en werden de steden geplunderd en verwoest.
    Lodewijk, weduwe geworden, hertrouwde met een Beijerse gravendochter Judith, waarvan hij nog een zoon kreeg, later Karel de Kale geheten. Hierdoor wilde Lodewijk in 829 de verdeling onder zijn 4 zonen anders regelen. Dit vond echter geen doorgang. Diverse wijzigingen volgden elkaar op, zonder dat het werd doorgevoerd en op 26 juni 840 blies Lodewijk z'n laatste adem uit, het Rijk in grote verwarring achterlatend (Witkamp I, p. 146-147).

    bron: Wikipedia
Gereconstrueerde gouwkaart uit 1898 van de verdeling van het Frankische Rijk bij het Verdrag van Verdun (843) Opdeling
    De overgebleven zonen (Peppin was inmiddels overleden) van Lodewijk, Lodewijk, Lotharius en Karel moesten nu de macht onderling herschikken.
    Lotharius frustreerde Karel's zeggenschap, door Heriold uit te nodigen Denen in te huren om in Karel's gebied invallen te doen. Ook kregen de Saksen weer vrije godsdienstkeuze. Hierdoor gingen velen weer terug naar het heidendom. Karel en Lodewijk maakten prompt een einde aan alle gewetensbezwaren.
    Ook sloten de beide broers op de oevers van de Rijn te Straatsburg op 14 februari 842 een verbond, welke werd voorgedragen in het duits en waals aan beide legers.
    Een jaar later, in augustus 843, kwam er eindelijk vrede tussen de drie broers, middels het verdrag van Verdun.
    En zo werd het grote Frankische Rijk in drie redelijk gelijke taartpunten opgedeeld, waarbij het hart van de verdeling in ons land lag. Hierdoor kreeg Lotharius oa het Oostelijk België en Friesland; Karel de Kale oa het gebied van de Scheldemond en Lodewijk II oa Saksenland (Witkamp I, p. 148-150).

    de Denen II
    Omdat de drie broers niet in staat bleken om samen te werken aan hun gemeenschappelijk belang, gingen diverse medeheersers en andere machtige vassallen steeds meer voor zichzelf werken. Ook de Deense / Noorse aanvallen bleven komen. In 843 werd Nantes geplunderd. In maart 845 voeren ze met 120 schepen de Seine op en werd de omgeving van Parijs leeggeplunderd en Parijs verwoest. Om dit soort activiteiten tegen te gaan, want voor strijd waren ze te zwak, was Karel de onderhandelingen met de 'woeste Noormannen' aangegaan. Hij kwam overeen, dat als in vrede zijn gebied zouden verlaten, hij ze 7000 pond goud en zilver zou geven. Deze gift namen de Noormannen natuurlijk aan. De volgende keer waren ze nog wreder en wilden ze nog een hogere afkoopsom. En zo werden de Noormannen beloond. Dit ging zo lang door, dat er op een gegeven moment de bevolking zich aansloten bij de Noormannen en dit betekende dan ook het einde van het christendom voor deze mensen.
    Echter niet iedereen was het verdedigen verleerd. De Friezen, Saksers en Franken waren hun voorvadelijke dapperheid nog niet vergeten en versloegen de Noormannen, na hun Parijse avontuur, toen ze Friesland aandeden. 12.000 Denen verloren hierbij het leven.
    Toen de Noormannen, met nieuwe strijders in 846 opnieuw Friesland (bij Oostergoo en Westergoo) aandeden om verhaal te halen en wraak te nemen, dolven de Friezen het onderspit.
    Op steun van de heersers hoefden ze niet te rekenen, want deze sidderden van angst en durfden niets te ondernemen. En zo werd het grote rijk van alle kanten aangevallen. Griekse kapers in Marseille, Arabieren vanuit Afrika in Rome.
    Eindelijk kwamen de zonen van Lodewijk tot het inzicht dat ze echt moesten samenwerken. En zo kwamen ze in februari 847 tesamen in Meersen aan de Geul (bij Maastricht) om plechtig te beloven elkander met alle vermogen te helpen.
    De eerste stap maakten ze naar de Deense koning, waaraan ze vroegen om zijn onderdanen voortaan te bedwingen.
    Ter bevestiging kwamen de Noormannen nog hetzelfde jaar naar Duurstede en zonder tegenstand van de graven Sigar en Liothar, werd de hele Betuwe geplunderd. Kortom het verzoek aan de Deense koning had niet geholpen.
    De bewoners begonnen nu de gebannen Deen Heriold te wantrouwen en waren ervan overtuigd dat deze Deen met de Noormannen samenwerkte. De bewoners overvielen hem en hij werd van het leven beroofd. Ook moest zijn broer Roruk in Kennemerland moest het ontgelden. Hij werd gevangen genomen, maar wist te ontkomen naar Lodewijk II in Saksenland, waar hij aan de grens van Denemarken kon verblijven. Roruk wist een grote bende Denen om zich heen te verzamelen, waarmee hij als zeekoning op de noordkust van Lotharingen was geland. Even later had hij Duurstede zo stevig in handen dat de keizer hem daar met geen mogelijkheid meer vandaan kon krijgen.
    Dus besluit Lotharius een verdrag met Roruk te sluiten. Rurok kreeg de stad en omringende oorden op voorwaarde dat hij de staatsinkomsten voor het rijk zou innen en het gebied tegen de Noormannen met kracht zou verdedigen. Witkamp laat zich hier voor het eerst negatief uit over deze handelswijze: "Zoo zwak en magteloos waren de verdeelde vorsten geworden, dat zij zich gedwongen zagen om belooningen, die voor trouwe diensten bestemd hadden moeten blijven, aan hunne vijanden af te staan! Geen wonder dat deze lafhartige toegevendheid de Noormannen slechts tot menigvuldiger en stouter invallen aanmoedigde.
    En inderdaad, in 852 verschenen de Noormannen in grote getalle en tegelijkertijd voor de monden van de Rijn, Schelde en Seine. Geheel Friesland, dus inclusief het huidige Holland en Utrecht, en de Betuwe werden geplunderd. Het paleis te Aken, klooster en kerken, Trier, Keulen, de St. Bavo-abdij te Gent, heel Neustrië tot Beauvais en Rouen werden geplunderd, vernield en in brand gestoken. Duizenden inwoners verloren hierbij het leven of werden verminkt.
    bron: Witkamp I, p. 153
Deensche zeeschuimers in de 9de eeuw De Deen Godfried ontving van Karel een graafschap tussen Bretagne en Picardië.
    Geluk had Lotharius met de burgeroorlog die in het Deense rijk was ontstaan. Hierdoor vertrokken Roruk en Godfried het Frankische gebied in de hoop de Deense kroon te kunnen bemachtigen. Lotharius maakte van deze gelegenheid gebruik om het bewind in Friesland (de Noordelijke Nederlanden) over te dragen aan zijn tweede zoon met dezelfde naam Lotharius II. Net op tijd, want vader Lotharius overleed in 855 (Witkamp I, p. 150-151).

    Ook nu werd het gebied van Lotharius in drieën verdeeld. Zijn broer, Lodewijk II, kreeg Italië met keizerlijke titel; zijn andere broer Karel het koningrijk Provence. Lotharius II kreeg dus Lotharingen, het gebied tussen de Rhône, Schelde en Noordzee.
    Het was prins Roruk niet gelukt om de Deense kroon te bemachtigen en hij kwam, met gevolg, terug naar Friesland, waar hij zich wederom vestigde te Duurstede. Ook Lotharius II zag geen andere mogelijkheid dan om Roruk als zijn vassal te zien en erkennen. Maar wederom verliet Roruk Duurstede om zijn Deense aanspraak te doen gelden. Helaas viel de verlaten Duurstede meteen ten prooi aan andere Noormannen. Ook diverse dorpen in de Betuwe en aan de Kromme Rijn kwamen aan de beurt. Zelfs Utrecht werd belegerd en overwonnen. Door de vijand werd Utrecht in 857 versterkt, zodat de buit veilig kon worden geborgen.
    In 859 kwam een derde golf Noormannen, die de Betuwe plunderden. En zo ging het maar door: 863 voeren ze de Rijn op om naar Keulen te gaan, Duurstede ging werd weer geplunderd en ging in rook op.
    In 866 wisten de Friezen weer eens een overwinning op Roruk te behalen. "Friesche landlieden met de naam van Conkingi verdreven Roruk." Witkamp vindt het aannemelijk dat de Konkingen de bewoners van Kockengen (bij Breukelen) zouden kunnen zijn, al schrijft Bolhuis in 'De Noormannen in Nederland' dat dit "belagchelijk" is (Witkamp I, p. 153).
    Het haalde echter niets uit. In 868 veroverde Roruk met nieuwe Deense strijdkrachten Duurstede weer terug. Sterker nog, door het overlijden van Lotharius II in augustus 869 kreeg hij zelfs meer invloed (Witkamp I, p. 150-154).
    Het gebied van Lotharius II werd onder de twee broer Lodewijk de Duitscher en Karel de Kale verdeeld. Karel de Kale zocht samenwerking met de 2 Deense ballingen (Roruk en diens neef Rudolf) toen zijn neef Keizer Lodewijk (Italië) ook aanspraak maakte op gebied van Lotharius II.
    bron: wikimedia
De ontwikkeling van het Frankische Rijk
van 481 tot 870 In 873 kwam er een einde aan Rudolfs leven. De Noordsche zeeschuimers waren weer eens in Friesland geland met een bloedige veldslag tot gevolg. In 874 stond de gevreesde noorman Rollo voor Walcheren. Zelf hulp vanuit België en Friesland mocht niet baten. Walcheren werd volledig verwoest. Rollo ging via het meer Almari naar Friesland en vernielde daar ook de dorpen en hoeven, alsmede Egmond.
    In 875 en 876 waren de Schelde-oevers weer aan de beurt. En ook verder zuidwaarts. Rollo kreeg naar dertig jaar aanvallen op de Franksche westkust eindelijk een gebied in vaste hand. Dit gebied heet sedert dien Normandië (Witkamp I, p. 154).
    Op pagina 155 maakt Witkamp melding van (in de oude kronieken genoemde) Biorzuna, waar vandaan zegevierende Noormannen naar Nijmegen vertrokken.
    De gebieden werden na het overlijden van de broers en neven steeds verder versmaldeeld, al poogden sommige wel weer gedeelde stukken samen te voegen door strijd of door te blijven leven.
    Na 880 was Karel de Dikke de enig overgebleven broeder der Duitsche Karolingen, welke als koning van Allemanië het Duitsch-Frankische-rijk hereenigde. Hij kreeg ook Italië er in 879 al bij en in 881 werd hij door paus Marinus I als roomse Keizer gezalfd.
    bron: Wikipedia
Gereconstrueerde gouwkaart uit 1886 van het Heilige Roomse Rijk rond het jaar 1000 Dit alles weerhield de noormannen niet hun strooptochten. In 882 deed de keizer een poging om de noormannen te verjagen. Hij omsingelde hun Deense kamp bij Elsloo. Om zo snel mogelijk weer naar Italië terug te kunnen keren, sloot hij een verdrag met ze. Ze kregen een vrije aftocht, mochten het geroofde goed houden en kregen nog een afkoopsom mee. Siegfried kreeg 2080 pond edelmetaal en Godfried (een zoon van Heriold) kreeg de hand van prinses Gisela, enige Friesche graafschappen aan de Rijmond en maar moest wel christen worden. Uit het geredde kerkegeld moest Siegfried betaald worden. En zo verkwanselde de keizer grotendeels Friesland, te weten van graafschap Teisterbant en omliggende gouwen, van de splitsing van de Rijn bij Lobith tot aan het Reekerwad of mogelijk wel tot het Vlie, aan de Denen. De Deense prins Godfried kwelde de mensen op een ondragelijke wijze. Hij vernederde ze door ze met stroppen om hun nek te laten rondlopen, zodat hij ze bij de minste weerspannigheid, zonder recht, op een schandelijke wijze meteen ter dood kon brengen.
    Ook mochten de noormannen naar hartelust komen plunderen.
    Af en toe, als ik met dit "Vrije Friezen"-verhaal bezig ben, komt dit nummer voorbij en ik vind dit zo bij elkaar passen, wetend dat de schrijver ook (andere) vrijheden in z'n hoofd had:

    Wachten op de dag / Bløf

    Ik vind je prachtig, zoals je bent
    Je bent oogstrelend, mooi van top tot teen
    Je denkt iets anders, je spreekt je eigen taal
    Je blijft onveranderd jij

    Je zegt vaak dingen, die ik niet begrijp
    Je bent hoop gevend, mens van top tot teen
    Je kijkt heel anders, je voelt je eigen kleur
    Je blijf onveranderd jij

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat we onszelf zijn, zonder vlag
    Zonder een oordeel
    Zonder de angst, die ons verblindt

    Kom we gaan dansen, jij en ik
    We zijn springlevend, mens van top tot teen
    Waar vandaan we komen en waarheen we ook gaan
    We zijn onveranderd wij

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat we onszelf zijn, zonder vlag
    Zonder een oordeel
    Zonder de angst, die ons verblindt

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat je weer alles zeggen mag
    Vol van ideeën
    En een gevoel dat ons verbindt

    Altijd maar vechten uit een naam
    Voor wat je niet zelf hebt gedaan
    Zo blijf je niemand

    Maar als je vandaag rechtop gaat staan
    En tegen de stroom durft in te gaan
    Dan wordt je iemand

    Laten we werken
    Blijf niet onopgemerkt
    Maar maak een nieuw begin

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat we onszelf zijn, zonder vlag
    Zonder een oordeel
    Zonder de angst, die ons verblindt

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat je weer alles zeggen mag
    Vol van ideeën
    En een gevoel dat ons verbindt

    Een enkel lichtpuntje ontstond toen de Friezen in 884 in Norden, aangezet door bisschop Rembertus van Bremen, een overwinning op de Denen behaalden.
    In zijn verwaandheid ging prins Godfried zo ver dat hij in 885 twee Friese graven, Gerolf en Gardolf naar de keizer zond, om ook nog landerijen te eisen waarop wijn gemaakt kon worden. De Keizer lokte Godfried door een vergadering te beleggen in een hinderlaag, waar Godfried op de tweede dag door graaf Everhard (Saxo) met een zwaard werd doorklieft en de dood vond. Dit betekende meteen het einde van de Deense heerschappij op Friesch grondgebied (Witkamp I, p. 155-158).
    Gerulf of Gerolf kreeg hiervoor van de Oostfrankische koning Arnulf van Karinthië op 4 augustus 889 als beloning een aantal goederen: Het betrof een gebied buiten zijn graafschap, in Teisterbant, bestaande uit een aantal boerderijen en huizen in onder andere Tiel, Aalburg en Asch, plus een gebied binnen zijn graafschap, bestaande uit een bos en een bouwakker (terra arabilis), ergens tussen de monding van de Oude Rijn en (vermoedelijk) Bennebroek / Noordwijk (Blok, p. 99; Wikipedia).
    Hierna kregen de leenheren, graven en anderen steeds meer macht en al erkende ze de keizer of koning wel als hun heer, ze gedroegen zichzelf steeds meer als zelfstandige koningen, vorsten, graven en wat dies meer zij.

    Frankische wereld
    "Heeft de Frankische verovering ook sociaal iets nieuws gebracht?", vraagt Blok zich af.
    > De vraag die volgens mij dan ook gesteld kan en beantwoord moet worden: is dit vervolgens ook een verbetering? En vooral: voor wie?

    Het doordringen van de feodaliteit in een groot deel van ons land (hiermee wordt het huidige Nederland bedoeld), is een van de belangrijkste sociale vernieuwingen, die de Franken hier brachten. Bijzonder hierin is het grote deel van ons land, waar dit niet voor gold. De Frieze edelen bleven er buiten.
    Een tweede vernieuwing is waarschijnlijk het ontstaan van de stand van koningsvrijen. Mogelijk aan te wijzen in het gebied tussen Zelhem en Hengelo en in het grensgebied van Utrecht en Holland (Gooi).

    Blok concludeert dat er geen koningsvrijen in Friesland zijn, wat overeenkomt met het verspreidingsgebied van het koningsgoed. Er word namelijk niet voldaan aan de eisen van de definitie. Samengevat hebben de Friezen een speciale relatie tot de koning, sinds de eigendom aan koninklijke gunst te danken was (denk aan het teruggeworven erfrecht), ze betalen jaarlijks een tribuut (een soort huisbelasting) en hebben een speciale militaire functie (wat volgens Blok bestaat uit een autonome afweerorganisatie, ivm de Noormannen en dus altijd paraat moesten zijn, en zodanig dus vrijgesteld waren van dienstplicht buiten Friesland, waarvan ze onder Karel de Grote nog niet van waren vrijgesteld).
    Dus per definitie, "juist die elementen, die worden opgegeven als karakteristiek voor de koningsvrijen, op één uitzondering na: de koningsvrijen staken door hun statuut af van de omgevende bevolking en vormden een eigen rechtskring; hier in Friesland had de gehele bevolking aan dit statuut deel. Juridisch is de Friese vrijheid wel met koningsvrijheid te vergelijken, sociaal echter - en dat is voor de historicus belangrijker - zijn ze volkomen verschillend en ook naar herkomst verschillen ze hemelsbreed" (Blok, p. 93-98).
    > Dan raak ik toch erg geïnteresseerd in wie deze definitie bepaald heeft en vanuit welk gezichtveld deze gemaakt is? En wordt hierbij dan ook aangegeven waarom dit gezichtsveld gekozen is en niet die van een andere kant? En waarom is het sociale aspect voor een historicus belangrijker dan het juridische?

    Overal was adel en grootgrondbezit onstaan en het heeft er alle schijn van, dat zij die aansluiting bij het Frankische rijk zochten en bereid waren tot bekering tot het christendom hiervan profiteerden. Maar zoals in de 13e eeuw bekend wordt, blijkt dit voor Friesland niet op te gaan. Blok schrijft vervolgens: "Deze eigen Friese maatschappelijke vormgeving moet echter wel dateren uit latere tijd, als rijks- en landsheerlijk gezag wegvallen waardoor ook het leenstelsel niet tot ontwikkeling komt. Een aanzet ertoe - al in Karolingische tijd - zou kunnen zijn de naar verhouding gunstige positie, die de stand der halfvrijen, de liten, in Friesland (evenals in Saksen) dan al inneemt. Ongetwijfeld is er ook verband met de bijzonder economische positie van Friesland: uitgebreide handel en grote geldcirculatie, extensieve veeteelt en weinig Vergetreidung (dit is omschakeling naar iets anders dan koeien houden het grasland, bijvoorbeeld akkerbouw). Men mene overigens niet dat in de latere middeleeuwen het grootgrondbezit en de daarmee gepaard gaande machtsuitoefening over de 'onderzaten' geheel verdwenen was; de romantische opvatting, dat Friesland toen een boerenrepubliek van vrijen en gelijken was, is in recente studies van Algra gevoelig aangetast (Blok, p. 99-101, 107).
    Helaas heb ik deze studie van Algra niet voor voorhanden. Wel een -als reactie en bevestiging daarop geschreven- artikel door J.R.G. Schuur "De Friese hoofdeling opnieuw bekeken", welke de argumenten van Algra voor '98%' lijkt te ondersteunen. Aangezien dit volledig samenhangt met de discussie over de Vrije Fries, kom ik hierop terug onder het kopje de Vrije Fries.

    11e en 12e eeuw
    link naar Uitgeverij Verloren Ook aan het einde van de 10e eeuw zorgden keizerlijke giftbrieven ervoor dat delen van Friesland werden weggegeven. Zo ontving Graaf Dirk II -door tussenkomst van zijn zoon aartsbisschop Egbert van Trier, Hollander van afkomst, lid van het regentschap- een keizerlijk gunstbrief (25 augustus 985) voor het land Gemarchi bij Medemblik (Medemelacha) en de keizerlijke bezittingen van Texel. In 986 ontving Ansfried, bisschop van Utrecht, de munt, tol en cijns te Medemblik. Dit oneigenlijk verdelen zette uiteraard kwaad bloed bij de West-Friezen, wat resulteerde in een strijd tussen de Hollanders en Friezen voor de komende drie eeuwen. zie ook Oorlogen West-Friesland
    Tegelijkertijd hadden de Friezen ook te kampen met de Noormannen, die met enige regelmaat de kerkschatten en de kostbaarheden van de kloosters kwamen leegroven. Zo bezochtten ze onder andere de bloeiende Stavoren en Uitgong (in de buurt van Berlikum/Berltsum) Soms bleven ze langer hangen en bezetten ze het gebied met veel ophef: "het bloed van duizenden Friezen aan de zwarten wolf te drinken gegeven te hebben."
    Wanneer de Friezen ook maar enigszins in staat waren om genoeg mensen op de been te brengen, dan waren ze ook in staat om ze te verjagen. Zo ontkwam de Noorman Egil met moeite aan een Fries zwaard. (Witkamp III, p. 630)
    De landvoogden en de grote leenheren (die de gekregen gebieden konden overerven en nu graven genoemd), die de keizerlijke rechten moesten handhaven, schijnen met enige regelmaat te worden afgezet omdat ze hun taken niet waardig volbrachten. Ook de geestelijken probeerden zoveel mogelijk gebied in handen te krijgen. Tussen 1040-1046 kwamen de Groningse keizerlijke hof , Drentherwolde en Drenthe in handen van de bisschoppen. De Breemse Bisschoppen kregen rond 1057 het voorheen door Egbert beheerde graafschap in handen. Dit is bijna heel Hunsego en Fivelgo.
    In Alkmaar kwam Godfried, hertog van Lotharingen in de problemen toen de Friezen zijn oprukkende troepen stoptte. Bisschop Willem van Utrecht moest hem uit zijn benarde situatie redden en vroeg hiervoor zeggenschap over het graafschap Stavoren. Ondanks de keizerlijke gunstbrieven is Stavoren nooit ingelijfd bij het Sticht.
    Eigenlijk gold voor elke overwinning op de Friezen tussen het Vlie en de Lauwers, ze ware steeds van tijdelijke aard. Of hier nu een keizerlijke giftbrief aan ten grondslag lag of niet, telkenmale wisten de Friezen deze vazalen weer het land uit te krijgen.

    Er waren ook Friezen die deelnamen aan de Kruistochten. Zo ook aan de eerste kruistocht onder leiding van Godfried van Bouillon, te weten: Liauckema, Galama, Herema, Botnia, Ockinga en Roorda.
    Rond deze periode was de stad Groningen, gelegen in het midden van Drentherwolde en omliggende streken, dermate tot bloei gekomen dat de stad zich kon veroorloven om de houten staketsels te vervangen door een stenen muur met sterke torens omringd door een gracht. Dit kwam omstreeks 1110 gereed.
    Helaas voor de Gronigers, ze moesten het weer afbreken, want ze hadden geen toestemming gevraagd aan de prelaat, de graaf-bisschop Godebald. En deze was hierover gekrenkt in zijn landsheerlijke rechten. De Gronigers waren hier niet blij mee en trokken, onder leiding van het machtige geslacht van de Gelkingen, op naar het slot Groenenberg aan de Hunse te Euvelgunne van de bisschops stedehouder en vernieldde deze.
    Godebold was niet blij met deze actie. Wel blij werd hij van de bevestiging van keizer Hendrik V van de rechten op de Utrechtse Sint Maartenskerk op Oostergoo en Westergoo. Alsof de Oostergooërs en Westergooërs zich hiervan ook maar iets aantrokken.
    Keizer Lotharius deed deze schenking in 1132 geheel te niet. Hij schonk het gebied Oostergoo en Westergoo, toen aan zijn neef graaf Dirk VI. Dit bleek voor deze hollandse vorst echter een gevaarlijk geschenk. De Oostergooërs en Westergooërs trokken namelijk gezamelijk op met de West-Friezen van Drechterland en ander koggen of koogen om in Holland huis te gaan houden, tegen Dirk VI en zijn broer Floris de Zwarte. (Witkamp III, p. 631)
    De volgende keizer Koenraad III bracht Oostergoo en Westergoo in 1138 weer onder bij Utrecht. De giftbrieven bleven komen en door allerhande herverdelingen onder Groningse kerkbestuurders en Hollandse hulp kwam de volgende keizer Frederik I in 1165 tot de slotsom dat de Sepperothen (zonen van de gestorven burggraaf Lefferd van Bierum van Groningen) met steun van de Groningers zeggenschap kreeg over de stad Groningen en hollandse graaf Floris III over Oostergoo en Westergoo. (Witkamp III, p. 632-633).
    Wegens de Juliaanvloed (van 1164) hadden de Gooërs nu even iets anders hun hoofd.
    Floris III viel in zijn regeerperiode 1165-1190 (hij overleed aan een pestachtige ziekte) regelmatig West-Friesland aan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirk VII. Een andere zoon Willem wilde ook gebied. De West-Friezen kozen de zijde van Willem en lokten een strijd uit. Zijn schoonzuster wist echter de gemoederen tussen de broers te bedaren en ze tot een verzoening te brengen. Willem zou nu wel zeggenschap krijgen over de graafschappen Oostergoo en Westergoo en nam hiermee de titel graaf van Friesland aan. Willem bleek een gezien gast in Friesland. De waarschijnlijke reden hiervoor is de aanwezigheid van de beneden-buurman Hendrik de Crane, graaf van Kuinre, heerser over de landen van Kuinre en Blankenham, Urk, Ens, Emmeloord en ander intussen ondergelopen land. Hij viel vanuit het zuiden de Friezen aan. Graaf Dirk VII zijn dood op 4 november 1203 zorgde voor een twist in Holland tussen Willem en de dochter van Dirk VII, Ada. Willem werd door de Friezen geholpen zijn bezit te handhaven.

    de Vrije Fries
    link naar Uitgeverij Verloren De proprietatibus rerum
bron: Wikimedia
Link naar Facsimile De 13-eeuwse encyclopedist Bartholomeus Anglicus schreef in zijn Liber de proprietatibus rerum het volgende over de Friezen: In habitu autem et in moribus plurimum differunt a Germanis. Nam viri fere omnes in coma circulariter sunt attonsi, qui quanto sunt nobiliores, tanto altius circumtonderi gloriosius arbitrantur [...] Gens quidem est libera extra gentem suam, alterius dominio non subjecta. Morti se opponunt gratia libertas et potius mortem eligunt quam jugo opprimi servitutis. Ideo militares dignitates abjiciunt et aliquos inter se erigi in sublimi non permittunt sub militie titulo. Subsunt tamen judicibus, quos annuatim de seipsis eligunt, qui rempublicam inter ipsos ordinant et disponunt. In het met de Prof. Van Winterprijs 2007-2008 bekroonde boek "Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland : Een studie naar de Oudfriese boeteregisters" van Han Nijdam staat gelukkig ook de vertaling:
    "De Friezen zijn een vrij volk, niet onderworpen aan het gezag van iemand van buiten het eigen volk. Ze wagen hun leven voor de verdediging van hun vrijheid en ze zijn nog liever dood dan dat ze zich een slavenjuk laten opleggen. Daarom verwerpen zij ridderlijke waardigheden en staan zij niet toe dat sommigen onder hen zich op grond van hun ridderschap zouden verheffen. Zij onderwerpen zich daarentegen aan rechters die zij jaarlijks uit hun eigen midden kiezen. Deze beheren en besturen de openbare aangelegenheden."

    Nadat in Nijdam/Lichaam is uitgelegd wat met personhood wordt bedoeld, de maatschappelijk persoonlijkheid (voor de één ben je de bakker, voor een ander de buurman, neef, vader, schuldige bij aanrijding etc.) geeft hij op p. 50 uitleg wat dit voor de Vrije Fries betekend:
    "Een middeleeuwse Vrije Fries ‘was iemand’ onder meer door de relaties die hij bezat en de machtsposities die hij in staat was te vervullen. Hij was onderdeel van een netwerk van verwanten en werd bijvoorbeeld geacht geregeld als rechter op te treden. Degene die in staat waren deze roulerende functies het vaakst uit te oefenen behoorden tot de belangrijkste personen."
    Net als J.R.G. Schuur hanteert ook Nijdam macht hier als synoniem van invloed en hier uit voortvloeiend bij een positieve beoordeling, aanzien. Terwijl dit in dit onderwerp van Vrije Friezen toch als betekenis een eindje uit elkaar ligt. Zeker als in het licht van wat Bartholomeus Anglicus over zich verheffen (macht gebruik - eventueel ook nog in negatieve zin) en het niet toestaan van dit, schrijft.
    Ook wordt personhood nader verklaart in het groeiproces wat doorlopen wordt. In de loop van iemands leven doet iemand goede en/of slechte dingen. Voor het goede wordt zo iemand beloond met giften of positieve rituelen. Voor slechte zaken, zoals iemand toetakelen wordt iemand gestraft en zal hiervoor een financiele compensatie (=boete) moeten betalen, of kan een verbanning tegemoet zien (Nijdam/Lichaam, p. 50-52).

    De vetemaatschappij, zoals door sommigen de overheidsloze samenleving wordt genoemd, wordt door Nijdam als volgt gedefinieerd:
    "In een vetemaatschappij leidt een belediging of fysiek geweld (soms) tot wraak en wraak (soms) tot een vete. De staat van vijandigheid die dan tussen twee groepen mensen ontstaat kan weer verzoend worden, waarbij compensatie een belangrijke rol speelt." (Nijdam/Lichaam, p. 53)
    Deze verzoening kan dus door een compensatie of een boete te doen, waarbij boete als reparatie gezien kan worden, zoals men nog kan terugvinden in de betekenis van 'netten boeten' (visnetten repareren)(Nijdam/Lichaam, p. 61).
    Belangrijk te vermelden is ook het gevolg van deze boetedoening of verzoeningscompensatie, namelijk dat beide partijen de rechtsvergadering konden verlaten zonder een vlek op hun blazoen, kortom men kon weer verder met een schone lei (Nijdam/Lichaam, p. 64).
    Smartengeld
Uitspraken van de Nederlandse Rechter Over de Vergoeding van Immateriële Schade
M. Jansen (red)
ISBN 9789081417518 Om de compensatieregelingen van deze Frieze 'middeleeuwse' boeteregisters naar het heden te trekken, komt Nijdam met vergelijkbare huidige smartenregelingen, zoals deze bijvoorbeeld te vinden zijn bij de ANWB: hoeveel smartengeld (Nijdam/Lichaam, p. 65).

    Gelukkig wordt onder de Friezen meestal verstandig omgegaan met zaken als eer en wraak, op de momenten dat het fout gaat:
    "Een conflict eindigt meestal in een verzoening, al kan deze decennia op zich laten wachten. Deze is noodzakelijk voor de stabiliteit en het voorbestaan van de samenleving. Daarom moet elke samenleving mechanismen voor verzoening ontwikkelen." (Nijdam/Lichaam, p. 58)
    En bij een samenleving als die van de Vrije Fries, met alleen deze samenleving, dus zonder een (centrale) overheid die zaken voor je regelt, ben je behoorlijk op elkaar aangewezen en dus zal het overgaan tot geweld niet de eerste keuze zijn in deze samenleving. Uiteraard zal het wel een voorkomen dat iemand "in een opwelling (bi ira mode ‘met vertoornd gemoed’) een ander plotseling iets aandoet" of dat er met woorden allerlei bedreigingen geuit worden (quade ber ‘bedreiging met wapens’). Naast dat het uitvechten van een vete nogal wat organisatorische toestanden opleverde (familie en vrienden overtuigen dat het echt noodzakelijk is), lag er voor de deelnemers ook mogelijk schade/overlijden in het verschiet en voor de winnaars mogelijk de maagzoen (meitele).
    "In de praktijk kwam het er daarom meestal op neer dat alleen zware eerkrenkingen – doodslag, ernstige verlamming of verminking, verkrachting – tot een vete leidden" (Nijdam/Lichaam, p. 58).
    Omdat de Friezen een lange traditie hadden en ook navenant een zeer uitgebreidde lijst met compensatiebedragen voor allerlei beledigingen en aangebrachte verwondingen, kunnen we vervoegelijk vanuit gaan dat deze samenleving "erop gericht was om verwondingen en aantastingen van iemands lijf en eer te compenseren" zonder bij andere volkeren bekende "instinctieve (negatieve) eer" Jij geeft, ik geef iets terug – jij slaat, ik sla terug (Nijdam/Lichaam, p. 58).
    Of van een ander categorie: Het publieke aanzien was kwetsbaar en kon zomaar geschonden worden door aanvallen in het openbaar, waar iedereen getuige kon zijn. Iemand die zijn eer hoog had te houden liep in het openbaar als op eieren. Het winnen van eer ging immers maar al te vaak gepaard met verlies van eer van een ander. Vandaar dat wel van een eereconomie (economy of honor) wordt gesproken (Nijdam/Lichaam, p. 55).

    Oudfriese Boeteregisters
    Scheltbrief (Schandbrief) aus dem Jahr 1550
bron: academic.ru Scheltbrief (Schandbrief) aus dem Jahr 1550.
    Allgemein üblich war die Darstellung schändlicher Todes- oder Ehrenstrafen, die am Beschuldigten vollzogen wurden (Hängen, Rädern, Stäupen, Prangerstehen, Esels- und Sauritt u.s.w.).
    Nach altem Aberglauben übertragen sich derartige Martern und Demütigungen direkt auf die dargestellte Person. Stellvertretend „geschändet“ wurde meist auch das Siegel des Schuldners oder dessen Bürgen.
    Spätere Hildesheimer Schandbilder zeigen ehrlose Bürgen, „wobei einer der Herren verkehrt herum auf der Sau sitzt, deren Schwanz anhebt und alle ihren Siegelstempel in Händen halten, um ihn dem Schwein auf den After zu drücken“.
    Op deze smaadbrief zien we inderdaad de edellieden in kwestie op het wiel gezet -als ordinaire misdadigers- aan de galg bungelen met hun naam er bij geschreven.
    Ook zit hij omgekeerd te rijden op een zeug en is hij bezig zijn zegelring te drukken in de anus van een vrouwelijk dier (in dit geval een zwijn, maar hond komt ook voor of zelfs van een naakte vrouw).
    Verder zien we er een laveloos op de grond liggen, drinkend van ezelinnepis.
    Andere bekende scenes zijn:
    Dreigen met hel en verdoemenis. Dan zie we duiveltjes de schuldenaren halen, om ze weg te voeren naar de hel.
    Vaak is hun wapenschild er bij getekend, opzettelijk op zijn kop als extra belediging.
    Soms worden de schuldenaren zelf ook naakt afgebeeld.
    Aan een schandpaal vastgebonden worden en gegeseld worden of aan de kaak stellen waren ook opties.
    Aan het einde van de 13e eeuw worden nieuwe teksten gevonden die als opvolger van de Lex Frisionum kunnen worden beschouwd: de Boeteregisters.
    In vijfhonderd jaar veranderd er nog al wat en zo ook bij deze regelgevende teksten. De aanvullingen zijn vooral te vinden in boeten voor eerkrenkende handelingen. Konden we in de Lex Frisionum al voorbeelden van vinden, als 'iemand in het water gooien' nu zijn er talloze bijgekomen. Te denken valt aan:
    begietingen met vocht om iemand te beledigen (swarte sweng)
    het kapot scheuren of snijden van kleren
    iemand met modder begooien (horewerp)
    iemand op zijn rug springen, zodat hij in de modder belandt (bekhlep)
    Ook is er meer aandacht voor een andere categorie:
    bedreigingen met wapens (ber)
    berovingen (raf)
    wegversperringen (weiwendene)
    kluisteringen (bende)

    Een aparte, vage omschrijving valt te lezen in geweldsdaden voor die geen bloedende wonden veroorzaken, maar wel een dusdanige bewusteloosheid dat gevreesd wordt voor het leven van het slachtoffer of die veroorzaken dat het slachtoffer zichzelf bevuilt (swimslek, soldede).
    Hebben we het hier over iemand volgieten, aanzetten tot comazuipen of iemand een gifmengsel laten eten of drinken en vervolgens zichzelf laten vervuilen met eigen braksel?

    Verder gaat de aandacht naar huis en grond, de mensen en dieren waar hij zorg voor draagt en de schade van/door beroepsuitoefening (Nijdam/Lichaam, p. 70).

    Naast de nieuwe regels zijn er -waarschijnlijk ook mede onder invloed van andere volkeren- andere 'verhaal'-methoden ontstaan, zoals daar is de smaadbrief. (zie afbeelding)

    Witkamp III, p628: Het vonnis van de schaker eener Friesche maagd. Hoe werkte zo'n rechtzaak:
    In het Algemene Boeteregister wordt aangegeven met hoeveel eden de onschuld voor het genoemde vergrijp moet worden bewezen:
    Faxfanges bote: fif skillinga and fiuwer panninga ieftha twene etha
    ‘De compensatie voor het trekken aan haar: 5 schellingen en 4 penningen of twee onschuldseden’.
    Dit betekende dus dat als de aangeklaagde de compensatie niet wilde betalen, hij zelf moest zweren dat hij onschuldig was, bijgestaan door een eedhelper, die onder ede bezwoer dat de aangeklaagde een eerlijk man was die nooit onware dingen zou verkondigen (Nijdam/Lichaam, p. 72).
    Een ander voorbeeld van grotere orde: "Zoo luidde de bepaling omtrent het regt eens vaders over zijne dochter: "Dit is regt, dat de vader zijne dochter geen man behoort te geven tegen haar wil, naardien hare ouders geen magt toekomt dan over hare leden, en indien hij haar ten huwelijk geeft tegen haren wil en haar wegens hare onwilligheid mishandeling geschiedt, zoo zal hij den vrede (zijne schuld jegens het openbare regt) boeten, alsof hij haar verslagen had." Merkwaardige bepaling in een tijdperk, waarin bijna overal vaders hunne dochters naar goedvinden konden tuchtigen, verkoopen en in sommige gevallen zelfs dooden!
    Op vrouwenroof en schaking - in de middeleeuwen een maar al te groot euvel - stonden in Friesland, even als in vele andere streken, strenge straffen, maar wanneer dwang van ouders of bloedverwanten tegenover eene maagd aanleiding tot de schaking had gegeven, bevatte de Friesche wet eene bepaling, die de gedreigde straf volkomen te niet deed.
    Immers, wanneer eene vrouw met geweld was weggehaald en dit feit bij de regters aangebragt, waren deze handhavers van wet en orde verpligt naar de woning des schakers te gaan, de geschaakte op te eischen en haar gedurende drie dagen in bewaring te houden, opdat zij in dien tijd te rade ging, of zij den man, die haar ontvoerd had, al of niet tot gade wilde nemen. Als de derde dag aangebroken was, werden schaker en geschaakte beiden naar de werf of volksvergadering geleid, waar twee palen in de grond waren gedreven. Nu moest de vrouw "haren wil openbaren". Men voerde haar naar het middelpunt tusschen beide palen. Aan den een zag zij den schaker, aan den anderen hare bloedverwanten. Een sein werd haar gegeven om zich van de aangewezen plek te verwijderen. Haar gang besliste het vonnis. Spoedde zij zich naar haar schaker, zoo was de regtshandel te einde: dan toch staakten de regters alle vervolging, in de overtuiging, dat hunne verdere tusschenkomst de stormen in het ouderlijk gezin niet zou wegnemen, maar slechts vermeerderen. Doch keerde de vrouw haar "roover" den rug, en wendde haren schreden naar hare bloedverwanten, dan achtte men de schaking een hoogst misdadig feit, en het vonnis veroordeelde den schuldige tot "brand en blaak", dat is: vuur en moker moesten zijn woning vernielen, en uit zijne bezittingen moest hij tachtig pond opbrengen (Witkamp III, p. 627).

    Echter, voordat het tot een zaak kon komen, moest er eerst een vergrijp plaats vinden en een dader gepakt worden. De tekst Fon skakraf gaat over de plicht van alle Friezen om een misdadiger die een ernstig vergrijp heeft begaan te achtervolgen en terecht te stellen. Hij begint met een appél aan iedereen die een alarmroep heeft gehoord alles uit zijn handen te laten vallen en achter de misdadiger aan te gaan (Nijdam/Lichaam, p. 241). ga verder naar meer Boeteregisters

    Upstalsboom
    We weten inmiddels dat er jaarlijkse landdag door vertegenwoordigers van de Zeven Zeelanden gehouden werd op de eerste dinsdag na Pinksteren.
    Op p. 23 van Nijdam/Lichaam staat een beschrijving welke benodigheden er voor zo'n rechtzaak waren:
    "Het oudste, inheemse Friese recht was een volksrecht dat we ook bij andere Germaanstalige volkeren tegenkomen. De vrije mannen van de samenleving kwamen op gezette tijden in het jaar bijeen om rechtszaken af te handelen. Deze bijeenkomst heette het ding (thing). Hier leidde een rechter een rechtszaak, bijgestaan door een rechtskenner (asega). Een rechtszaak bestond bij de gratie van een aanklager. De aangeklaagde had verder het recht om zich met een eed vrij te zweren van de aanklacht. De rechter stelde uiteindelijk een uitspraak voor – een vonnis, letterlijk ‘het gevondene’ – dat door de verzamelde mannen werd aanvaard of verworpen. Dit rechtssysteem leidde elders, maar ook in het Friese gebied, tot een canon aan rechtsregels. Deze regels vonden hun weg naar rechtsteksten waarvan sommige in het hele Friese kustgebied bekend en geldig waren (zoals de Zeventien Keuren en de Vierentwintig Landrechten), en andere een meer regionaal karakter hadden (zoals het Emsingoër Penningschuldboek of de Brokmerbrief). Deze teksten behandelen verschillende aspecten van het recht: huwelijksrecht, erfrecht, procedurerecht, ‘strafrecht’ of beter ‘conflictrecht’ (vanwege het ontbreken van een overheid en een politioneel apparaat)."
    Ik kan me zo voorstellen dat ook dit een onderdeel van de bijeenkomst was.

    In Groninga Dominium van Piet H. Wijk staan een viertal kaarten waarop ik de Upstalsboom kon terugvinden. De grootste prijkt dan ook op de omslag van dat boek. Hierop is dan ook te lezen, zonder loep, "Upstalsboom locus quondam iudicii Frisiorum". Toevallig staat de titel zodanig dat de gehele tekst is te lezen. Dat is vast passen en meten geweest. Maar dit geheel terzijde.
    Het gaat om de kaarten te vinden op de pagina's 56-59 en pagina's 67-69, met kaartnummers 18.1-18.3 en 24.1. Van de 24.1 is hier een detail getoond.
    De originele koperplaten van de kaarten 18.1-18.3 (het Oostfriese gedeelte) wordt door Wijk toegeschreven aan David Fabricius. De kaarten zijn vervolgens naar believen aangepast (door de volgende eigenaren van de ets). Deze platen zijn respectievelijk in 1600, 1617 en 1624 gemaakt.
    De hier getoonde kaart komt uit ongeveer 1620 en is ook van David Fabricius. Hij heeft hier enkele aanpassing overgenomen van Van Doetecum waarmee hij samen de kaart uit 1600 had gemaakt.

    Ook de tijdens de vakantie gescoorde Frisia Orientalis : Alte Karten und Geschichte von 1550 bis 1800 van Lutz Albers staat een kaart met de Upstalsbaum. Of moet ik zeggen slechts één kaart. Het buurtschap Ra (waar de bezoekers aan de Upstalsboom zich meestal verzamelden en verbleven in die periode) kom ik wel op verscheidene kaarten tegen. Dus eigenlijk is het een grote ontkenning van de kaartenmakers uit deze periode. En dat is natuurlijk wel te verklaren, gezien de geheel andere machthebbers in die tijd.
    Op een detail van deze kaart gemaakt door Giovanni Rizzi Zannoni te Paris in 1758, verschenen in "Altas Topographique et Militaire", met origineel formaat 37x25 cm, staat de Upstalboom wel mooi ingetekend op een klein heuveltje. Opmerkelijk dat juist op een militaire franse kaart dit wel is aangemerkt. Frankrijk en Oostenrijk waren in deze periode bezig met hun 7-jarige oorlog.







    13e t/m 15e eeuw
    Fluessen
    Witkamp III, p629: Het ontstaan van het meer Fluessen. Grote delen van het Friesche land waren van gedaante veranderd, door ontginning en bebouwing, maar vooral ook watervloeden, opslijking, graven van kanalen en ander waterafvoersystemen, en door andere natuurlijke oorzaken of volksvlijt. En zo werd het land vruchtbaar. Ook hier verrezen bossen of zelfs een woud als we de verhalen mogen geloven, bij de Fluessen (in het gebied van Suthergo). Echter omstreeks 1204, tijdens een hete zomer, zou een bos- en veenbrand dit compleet verwoest hebben en weer omgetoverd tot een meer. En de bewoners ontvluchtten tijdelijk dit gebied. (Witkamp III, p. 627-628)

    bloei
    "Behalve Stavoren en Groningen, bloeiden toen reeds Dokkum, Franeker en Bolsward, nevens vele dorpen, als belangrijke handelsplaatsen. Een zelfde bloei genoten de reeds eeuwenoude of opkomende abdijen, zoals st. Odulfus te Stavoren, Mariëngaarde te Hallum, Lidlum bij Oosterbierum, Ludingakerk bij Midlum, Klaarkamp bij Risumageest, Bloemkamp bij Hartwerd, Foswerd of Bethanië bij Ferwerd, st. Johannes Evangelist bij Kloosterburen, Aduard in Middagt, st. Juliaan bij Rottum en Bloemhof bij Wittewierum. Veel van deze gestichten telden honderden bewoners. Door het steeds aangroeiende kloostervermogen waren de conventualen in stat, om grote bedragen te besteden aan het verbeteren van de landerijen, dijken, vaarten, sluizen, wegen, kerken en andere gebouwen. Van onschatbare waarde waren al die herscheppingen van het land. Ofschoon het graven van een kanaal langs Vlieland en Terschelling, op last en voor rekening van de abdij van Ludingakerk, wellicht aanleiding heeft gegeven, dat de landen tussen Texel en Harlingen werden overstroomd en het Vliemeer of Almeer zich uitbreidde tot de Zuiderzee." (Witkamp III, p. 634)

    In 1222 werd in opdracht van en op last van de Lidlumsche abt Syard Siersma de vlek Grind aan het Vlie met grachten en wallen omringd en werd er een school gebouwd (Witkamp III, p. 641).

    Baksteen
    Het ging goed met de Friezen. Een huis droeg in hoge mate bij aan de status van de man. Nog meer status was te verwerven door een stins of steenhuis te laten bouwen. Het was dan ook een verlengstuk van de man. Vanaf de twaalfde eeuw werd dit mogelijk (Nijdam/Lichaam, p. 243).
    Maar waar kwamen de stenen opeens vandaan?
    Vóór het einde van de twaalde eeuw werd een aantal kerken in de Ommelanden uit geïmporteerde tufsteen opgetrokken, alle overige gebouwen waren van hout of vakwerk. Na de romeinse tijd stonden de hier in de Friese landen de eerste bakstenen gebouwen. Bij het bouwen van het klooster Klaarkamp zou in 1163 zou al baksteen kunnen zijn. Ook in de oudste kerk van het klooster Aduard in 1193 werd ter plekke gebakken steen verwerkt. De bakstenen kerken van Marsum, Enum en Oosterwijwerd hebben de bouwstijl van eind 12e eeuw (Groninger Tichelwerken, p. 9).
    Tichelplaats met twee vormtafels
    De tichelplaats met twee vormtafels. Op de voorgrond de handvormer, twee afdragers slaan de eensteensvormen neer op de baan. De gedroogde stenen worden opgezet op hagen (links). Op de achtergrond een kleimolen (links), haaghut (midden) en kleibult (rechts). In de baksteennijverheid werd tot ver in de negentiende eeuw door kinderen van acht jaar en jonger 16 uur per dag 's zomers gewerkt. Kinderen van vier moesten soms urenlang stenen opstapelen en wegdragen.
    bron: Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel III, p. 250

    Tichelwerk van Nanno Siers
    Op de voorgrond is de brandschuur te zien van het tichelwerk van Nanno Siers te Heiligerlee. Daar achter een droogboe. De droogboe is kennelijk geheel open, zonder luiken.
    Kaart van het Kloosterholdt te Heiligerlee, getekend door A. Verburgh in 1740. RAG, verzameling getekende en gedrukte kaarten (dia 1783).
    Dit tichelwerk aan het Winschoterdiep bij Kloostertil, stond hier ongeveer van (voor) 1594-1740 (of later). Zie kaart Frederik de Wit 1685, kaart Verburgh 1740.
    Eerste schriftelijke vermelding over baksteenfabrikage kan met vinden in de kroniek van Menco:
    Eodem anno, videlicet anno domini MCCXXXVIII, anno ab inchoatione latericii operis tercio predictus abbas electus veniens in ortum sancte Marie, de consilio domini Sibrandi abbatis ibidem conduxit Magistrum Euerardum, lapicidarie artis peritum, natione Coloniensem, ad nouam ecclesiam in florido orto faciendam, mercede ipsius taxata tam hieme quam estate, videlicet ut reciperet preter uictum estiuo tempore ad diem VII dauentrienses.
    Dit gaat dan ook terug tot 1235. In 1238 begint men bij het klooster Bloemhof te Wittewierum de kerk te vernieuwen. Menco schrijft 'het derde jaar na het begin van de steenproduktie' (Kronijken van Emo en Menko, p. 175)
    Bij de bouw van de tweede kloosterkerk van Aduard omstreeks 1250 -beschreven in een vijftiende eeuws verslag- wordt vermeld dat 'de stenen van de plaats waar ze gebakken werden, van hand tot hand naar de kerk worden doorgegeven.': Sed et hoc mirablile quia lapides non portantur ad structuram nec vehebantur, sed conversi in ordine stantes in loco quo cocta fuerant, projiciebant a primo usque ad ultimum et ultimus juxta ecclesie structuram deponebat.
    Ditzelfde verhaal komt ook voor bij de stichting van het klooster ter Apel. In later tijd bezat Aduard een eigen steenbakkerij te Legemeeden, op ongeveer 20 à 25 minuten afstands. Of deze onder Eylwardus reeds bestond, is onzeker.
    Archeologen hebben middeleeuwse ovens kunnen opgraven. Bij het Selwerderdiep zijn twee overns uit de 15e eeuw met een capaciteit van ieder ongeveer 10.000 stenen. De grote kloostermoppen met afmetingen van ongeveer 300 x 150 x 80 mm bleven in deze streken langer in zwang dan elders. Deze grote zorgde ervoor dat het productieproces een stuk langzamer ging. Het drogen na het vormen duurde langer, namelijk 4 weken ipv elders met kleinere formaten ongeveer de helft. Al kwam dit mede door de bijzonder dichte en kalkarme, maar ijzeroxiderijke zware vette klei. Daarnaast duurde het bakken ook langer. De ovens moesten lang en langzaam gestookt worden om de stenen niet te laten barsten. Deze stenen hadden -door de hoge ijzeroxide- een mooie rode kleur (zie achtergrondfoto). (Brugmans/kroniek Aduard, p. 44; Groninger Tichelwerken, p. 2, 10, 153).
    Rijke burgers begonnen hun eerste steenhuizen rond 1223 te bouwen, waarvan de eerste in het huidige Friesland. Een 'domus lapidea', een steenhuis met versterking stond van 1271 in de buurt van Farmsum, nabij Groningen. Ook in de Ommelanden stonden rond deze tijd er al verschillende. Voor de 14e en 15e eeuw wordt het aantal steenhuizen op 600 à 700 geschat.
    Men schat voor de periode van 1250 tot 1500 de totale baksteenproductie voor dit gebied op minder dan 50 miljoen stenen. Gemiddeld steenhuis verbruikt ongeveer 20.000 stenen. Men komt dan tot een 2000 steenhuizen, en verder nog een aantal kerken, stensen en boerderijen (met groter verbruik) en een hoeveelheid stadshuizen (minder verbruik).
    In Vlaanderen en Holland ging men vanaf de 14e eeuw over op kleinere formaten om een grotere productie voor de rijke burgers mogelijk te maken. Men schat dat Stad en Lande omstreeks 1700 volledig versteend was (Groninger Tichelwerken, p. 10-12).

    5e kruistocht / Damiate
    Door het succes van zoveel kloostergestichten, ontstond er ook behoefte van de Friezen om deel te nemen aan de kruistochten. Toen de priesters en het volk op st. Bonifaciusdag te Surhuizum in Achtkarspelen een omgang hielden, ontwaarden ze in de lucht, naast de zon ook een blauw kruis, dat van het noorden naar het zuiden ging. Vele Friezen deden de belofte om nu deel te nemen aan de kruistocht.
    Witkamp I, p196: Verovering van Damiate. Cornelis Claesz. van Wieringen: De inname van Damiate, 1219 De eerste gelegenheid deed zich voor toen graaf Willem (van oa Friesland) aan de oproep van de paus Honorius III voldeed, door met 12 schepen op 29 mei 1217 de Maas uit te zeilen. Hij voegde zich -aangekomen bij de Britse kust- bij de Duitse vloot onder leiding van George graaf van Wied. De reis zette zich voort. Een aanzienlijk smaldeel Frieze schepen versterkte nu ook de vloot. De voorhoede -onder Duitse leiding- raakte zo gehavend, dat Willem het commando moest overnemen. Door slecht en ongunstig weer landen zij uiteindelijk in Portugal. Hier kregen ze het verzoek van de bewoners van Lissabon, om de stad Alcazar op de Saracenen ter heroveren, welke in oktober 1217 plaatsvond.
    In maart 1218 ging Willem opnieuw de zee op en kwam tegen pasen voor st. Jean d'Acre de Friezen tegen, waarvan hij in Lissabon afscheid had genomen. Eigenlijk wilden ze optrekken naar de heilige stad, maar gebrek aan drinkwater deed hun anders besluiten. Ze besloten naar Egypte te gaan en het zo geduchte Damiate aan te vallen.
    wapen van Dokkum
bron: Jan Romkes van der Wal : pylgeralmanak.nl Wapen van Dokkum
    Men vermoedt dat de wassende maan boven de sterren in het wapen van Dokkum aan de overwinning op Damiate herinnerd, omdat de genoemde Friezen uit Dokkum en omgeving afkomstig waren. Zodoende kreeg het een wapenvermeerdering. Er is namelijk ook een (ouder) wapen bekend waarop deze nog niet staat.
    bronnen: www.pylgeralmanak.nl; wikipedia; R. Tolsma en wikipedia
    Damiate, met dubbele muren en talrijke torens en diepe singelgrachten verijdelden iedere aanval. De Saracenen gingen er van uit dat de stad hierdoor onoverwinnelijk was.
    De kruisvaarders waren echter in staat om hierop iets te vinden. Ze creëerden een houten bolwerk van zware balken op twee aan elkander gehechte koggeschepen en voerden hiermee naar een toren die in het midden van de stroom op een rots gebouwd was. Vanaf het bolwerk stortten de heldenmoedige krijgers een Luiksch edelman en de Fries Hajo zich op de sterkte. Dit voorbeeld werd gevolgd en de toren werd overmand. De kettingen die de doorvaart belemmerden werden verwijderd, de voorheen gezonken schepen werden verwijderd. Het duurde echter nog een jaar voordat de stad zich gewonnen gaf op 5 september 1219.
    Willem overleed 4 februari 1223 en kreeg uit z'n 1e huwelijk 3 zonen en 2 dochters: Floris, Otto, Willem, Ada en Richardis (Witkamp I p. 199 & III, p. 634).

    Groningen
    Echter niet alle krijgslustige Friezen gingen op reis. Ook de thuisblijvers waren trots op hun vrijheid en zelfstandigheid en het gebeurde dan ook regelmatig dat ze met elkaar in strijd raakten, de veten. In deze periode kwam het vaak voor dat de Fivelgoërs en Hunsegoërs de strijd met elkaar aangingen. Deze strijd kosten velen hun leven. Ook de geestelijken deden mee aan de veten, gevolgd door de wraak van de anderen. Ook in de welvarende stad Groningen was deze strijdlust te vinden. De nog steeds machtige familie Gelkingen verzette zich nog steeds tegen welke stadhouder dan ook. In deze periode werd het burggraaf Egbert zo heet onder voeten, dat hij naar de Ommelanden vluchtte. Hier vond hij voldoende mensen om een tocht naar de stad te organiseren en het kerkgebouw St. Walburg veroverden en hiervan een citandel te maken.
    Door deze strijd ging bijna geheel Groningen in vlammen op. Een groot gedeelte van de Gelkingen verdween achter de tralies en hun bezittingen werden geplunderd. Echter, ze waren nog niet verloren. Samen met de slotvoogd van Coevorden, Rudolf III (die met de Groninger Gelkingen samenspanden) dreigden ze Groningen met vergelding.

    slag bij Ane
    Kaart Slag bij Ane
(bron: De Nieuwe Drentse Volksalmanak 1950) Nu kwam ook graaf-bisschop Otto II, die niet door Rudolf en de zijnen werd erkend, Egbert te hulp. Otto krijgt hulp van troepen uit Gelder (graaf Gerhard III), Holland (heer Gijsbrecht II), Cleve, Keulen en Münster. Hierdoor word Rudolf gedwongen, de aanval op Groningen te staken en zich te richten op de verdediging van Coevorden. Hij besloot zelfs zijn vijand te voorkomen en ging langs de Kleine-Vecht en Vecht naar het zuiden, om daar de vijand te treffen.
    En zo stonden beide legers tegenoverelkaar, gescheiden door een drassige veengrond.
    Dit mondde op 28 juli 1227 uit in de veldslag bij Ane.
    Het leger van Otto was zo zwaar bewapend, dat de grond waarop ze moesten strijden - de Bommeriete of Mommeriete - hun niet kon dragen. Hun paarden zonken tot aan de knieën in het veen. Hierdoor waren ze een makkelijke prooi voor Rudolf, de Drenthen en de Gelkingen.
    Tijdens de veldslag verloren 500 ridders en gewapende mannen het leven. Gijsbrecht van Amstel, Gerhard van Gelder, proost Dirk van Deventer en Oldenzaal, Bernhard van Horstmar (een ridder die in het Oosten door Richard Leeuwenhart was onderscheiden) worden met talloze andere edelen gevangen genomen door Rudolf. Gijsbrecht werd later -zoals toen ook al gebruikelijk was- tegen losgeld en gunsten -nog steeds gewond- vrijgelaten. Gerhard werd op zijn erewoord -om later terug te keren- eerder vrijgelaten. Beiden kwamen hun erewoord niet na. Graaf-bisschop Otto van der Lippe liet hier op 1 augustus 1227 zijn leven. De Drenthen waren zo verbitterd dat ze de bisschop "de cruyne villeden van synem hoofde". Zijn vermikte lijk is later naar Utrecht overgebracht.
    Hierna werd door Rudolf een poging ondernomen om Groningen weer te heroveren. Dit mislukte.
    Egbert slaagde er echter wel in om zijn invloed uit te breidden. Met een hulpbende Utrechtenaren veroverde hij het slot in Peize (Witkamp I p. 439-442 & III, p. 416, 536-537, 634-635).
    zie ook: beschrijving slag bij ane van de gemeente Coevorden, Wikipedia, De slag bij Ane van Harm Hillinga, Slagveld in Holthone? van Cor van Dalen en Slag aan de Ane (1227) van Alfred Stern

    Tweespalt / Willebrand van Oldenburg
    Otto werd opgevolgd door Willebrand van Oldenburg, bisschop van Paderborn en werd bisschop van Utrecht en wreker van Otto. De paus, Willebrand bevond zich tijdens zijn verkiezing in Italië, gaf toestemming om het ene bisdom voor het andere te verruilen, dit was normaal gesproken niet toegestaan. Toen Willebrand van de opstand van Drenthen hoorde vertrok hij meteen naar het noorden.
    Willebrand ontsloeg "namens zijn kerkelijk gezag" Gijsbrecht en Gerhard van hun eervolle eed gedaan aan Rudolf.
    En zo helpen ze elkaar, want Gijsbrecht en Gerhard hadden Willebrand namelijk verkozen.
    Willebrand ging op zoek naar een krijgsmacht en predikte een kruistocht tegen de Drenthen en de oproerlingen uit Coevorden. Zo verwierf hij een groot aantal West-Lauwersche Friezen, Groningers uit de stad en Hunsigoërs. Rudolf en de zijnen kregen hulp van Langewolders, Vredewolders en Fivelgoërs. Zij werden verslagen in 1229 en moesten 400 Keulsche marken zilver betalen aan Willebrand en een klooster van 20 prebenden stichten op de plek waar Otto II was gevallen. En uiteraard moest Rudolf overal afstand van doen (Witkamp III, p. 537-538, 635).
    Ook laaide de strijd tussen de Drenten en Utrechtenaren weer op en hierop reageerden natuurlijk ook de Groningers en Ommelander partijen. Zo waagden de Drenten met de Fivelgoërs een aanslag tegen de stad. Dit bekwam beiden slecht. De Groningers deden een uitval tijdens de jaarlijkse markt van Zuidlaren (1232), vernielden de net gebouwde kasteel te Mitzpete (Midlaren) en roofden alle paarden van de markt. Ook ging de kerk van Zuidlaren in vlammen op. Op Groninger strooptocht naar Westeremden in Fivelgo werden er talloze hoven en velden langs de steeds meer opslijkende Fivel verwoest (Witkamp III, p. 635).

    Witkamp III p633: De Kluizenaar van Stitswerd predikt tegen den kruistogt naar het land der Stedingers. Het juk van de geestelijken
    De Friezen tussen de Lauwers en Eems waren dus redelijk verdeeld over voor of tegen de stad Groningen en hun invloed op de omgeving. Wanneer het ging om hun kerkelijk leiders waren ze redelijk eensgezind. Een oproep in 1234 van de bisschop van Münster tegen de Stedingers in Rüstringen, die weigerden schattingen te betalen aan de aartsbisschop van Bremen, kon op grote belangstelling rekenen.
    Al waren er in Fivelgo ook nog een aantal protesten tegen deze kruispredikers te horen. In Appingedam werden allen die opriepen voor deze kruistocht naar de Weser, werden bespot, beledigd en mishandeld. Ook was er een vroegere lekebroeder van een Rottumer abdij die nu als kluizenaar in Stitswerd leefde. Hij hield zijn landgenoten voor om zich vooral niet voor deze tocht te laten lenen. Want, zo hield hij ze voor, je zult jezelf overladen met schuld en schande als je je eigen stamgenoten, die niets verkeerd gedaan hebben, helpt uitroeien.
    De beledigde geestelijken waren hiervan niet gediend en lieten de kluizenaar opsluiten in een onderaardse kot en de Appingedammers werden gedwongen om op blote knieën vergiffenis te vragen. Tevens ontvingen ze in deze houding met ontblote rug een geseling van de boetepredikers.
    Zo diep zuchtten de vrije Friezen onder dit juk.
    Zoals al eerder in de Frankische tijd te zien was, waar een stelsel van godsverering er kennelijk ingeramd wordt, stuitte dit natuurlijk op verzet. Bewijzen hiervoor zijn te vinden in de vele en voortdurende veten, maar ook in de verwoesting van de kerkgebouwen. Binnen afzienbare tijd werden kerken in Fivelgo en Hunsego afgebrand, namelijk die in Usquert, Westeremden en Houweshuizen (Witkamp III, p. 635).

    Zelfstandig bestuur stad Groningen
    Tussen de jaren 1250 en 1255 woedde er een machtstrijd om Groningen. De strijdende landen van Fivelgoërs en Hunsigoërs zetten hun geschillen even opzij om gezamelijk de toenemende macht van Gronigen tegen te gaan. De stad had intussen het hoogste woord en daarbij maakte ze zich schuldig aan onrechtmatigheden ten opzichte van de landlieden. En dus veroverden de gezamelijke strijdkrachten van Fivelgoërs en Hunsigoërs allereerst het opnieuw opgebouwde Groenenberg aan de Hunse en verwoesten deze weer. Verder waren ze van plan om de stad aan te pakken, maar het slechte weer verhinderde dat. In het voorjaar van 1251 kwamen ze, nu versterkt met Oldambters, weer terug. Weliswaar waar de Groningers sterk genoeg om stand te houden tegen de belegering, na enkele dagen, namen ze hun verlies (zonder schade) en sloten ze in een verdrag af onder welke bepalingen de onderlinge relatie verder moest. Zo moest de stad Groningen beloven dat de muren gesloopt zouden worden, zodat de landlieden en kooplieden vrij in en uit konden komen en gaan om hun handel te verkopen. De ridders en krijgslieden moesten de stad verlaten en nooit meer terugkeren.
    Zo kregen de Gelkingen de bovenhand in de stad. Maar de ridders vonden dat ze te kort waren gedaan en wilden hun huizen in de stad weer terug. Gezamelijk overvielen ze de stad, waarbij vele tegenstanders het leven lieten. Hieronder was waarschijnlijk ook het hoofd der Gelkingen Herman Buchel.
    De Fivelgoërs en Hunsigoërs konden dit natuurlijk niet over zich heen laten komen en traden gezamelijk op. Tegen zo'n overmacht konden de ridders niet op en wachten de strijd af. Koenraad van Groningen gaf zich over aan de Hunsigoërs en Egbert van Groenenberg aan de Fivelgoërs en onder belofte dat ze voortaan zich zouden houden aan de gegeven orders.
    Echter wederom trokken ze weer op naar de stad waarbij Egbert van Groenenberg het aan de stok kreeg met de Gelkingen. De Fivelgoërs schoten hun wederom te hulp. De ridders overwonnen en geleerd, werden ze als misdadigers opgesloten in de kerker van Appingedam. Andere ridders deden nog een poging en nu met behulp van andere edelen uit de omstreken werd een wat meer stabiele overeenkomst gesloten. Egbert, de stedehouder van de bisschop, werd als hoofd van de rechtspleging erkend. De andere taken kwam voortaan in handen van een raad van 16 personen, waarvan 4 burgemeesters en 12 oldermans (de friese magistraten). Deze werden gekozen uit de oudste en aanzienlijkste geslachten (Witkamp III, p. 635-636).

    West-Friesland
    De West-Friezen hadden de Hollandse graaf Willem I (ca. 1175 - 4 februari 1222), die zichzelf dus ook graaf van Friesland noemde, steeds geholpen met het instandhouden en zelfs uitbreidden van zijn rijk.
    Ook zijn zoon Floris IV (24 juni 1210 – 19 juli 1234) viel in goede aarde. In 1222 volgde hij zijn vader noodgedwongen als 12-jarige op. In 1230 werd de hollandse graaf Floris IV in Franeker gehuldigd (Witkamp III, p. 635).
    Floris huwde Machteld van Brabant en kreeg zes kinderen: Willem II (?, februari 1228 ? - Hoogwoud, 28 januari 1256), Hendrik, Floris (de Voogd), Machteld, Aleid (van Holland) en Margaretha.
    Ook de zoon van Floris, Willem II had de steun van de Friezen.
    Tot zijn kroning in 1248 als rooms koning, waarmee hij kandidaat werd voor keizer van het Heilige Roomse Rijk in kroningstad Aken -welke ook mede door zijn Friezen was veroverd- bleef het vredig in het grensgebied van de West-Friesland en Kennemerland. Al vonden er uiteraard wat botsingen plaats tussen de adelloze Friezen en hun Kennemer edelen.
    Erkenning van andere vorsten kwam pas in 1252 nadat hij voor de tweede maal in huwelijk trad, nu met Elisabeth van Brunswijk, dochter van hertog Otto I van Brunswijk, komend uit de Welfische -een sinds de 9e eeuw bekend Frankisch adellijk- geslacht.
    De West-Friezen hadden het om gegeven moment wel gehad met hun Kennemer ambtenaren en kwamen in opstand. Hierdoor barstte de strijd weer uit tussen Kennemerland en de Vier-Noorderkoggen. Willem, weer teruggekomen uit een oorlog in Duitsland, behaalde 11 mei 1254 een belangrijke overwinning op de West-Friezen. Hierna volgde er nog een. Bij de derde veldtocht in januari 1256 ging het echter mis. Hij sneuvelde op de ijsvlakte van het Berkmeer bij Hoogwoude, neergeknuppeld door knodslagen en vlegelslagen van Friezen, die hem pas herkende, toen het te laat was.
    De rust keerde hierdoor voorlopig terug, althans wat betreft het strijdtoneel tegen de Hollanders.

    Groei
    De West-Friezen en ook die van de andere Zeelanden kregen meerdere malen te maken met overlast vanuit zee. Watervloeden, in 1257, 1262 en vooral die van 1266, de st. Marcellusnacht bracht grote schade. Er ging dan ook veel land voor altijd verloren in het gebied tussen Texel, Stavoren en Terschelling.
    Ook namen vele Friezen deel aan de georganiseerde kruistochten. De prediking van Gerardus van Norden zorgde er in 1269 voor dat velen zich inscheepten richting Palestina.
    In deze periode vermeerderden door alle Friesche gouwen (behalve in West-Friesland, zij hadden het te druk met de hollandse heren) de zogenaamde sterke huizen, tussen Vlie en Lauwers stinsen/staten (stins of state) genoemd en in de Ommelanden borgen.
    Deze stinsen waren natuurlijk een mooi vluchtoord en gaf de eigenaar een groot aanzien. Het gaf natuurlijk geen gezag over z'n omgeving, want iedereen was elkaars gelijke (Witkamp III, p. 638).

    Kenmerkend aan de 17 keuren en 24 landrechten was, dat ze van onderaf zijn vastgesteld. De rechters (redgers) waren gekozen en beoefende deze functie voor één jaar. Daarna was weer een ander clauwgerechtigde heerd aan de buurt. In een rechtsstoel die uit één of meerdere dorpen en buurschappen bestond, waren slechts heerden met een vastgesteld miniumbezit aan grond clauwgerechtigd. (Een clauw of kluft is een oud woord voor buurschap, als onderddeel van een dorp of rechtsstoel.) Wie vervolgens weer aan de beurt was, stond in een clauwlijst. Als een dorp bestond uit 4 kluften of buurten en elk telde 4 afzonderlijke heerden, dan waren ze om de 16 jaar aan de beurt. De richting van de ommegang ging met de klok of zon mee (Schroor/Hoogeland, p. 59).
    Om het aanzien te vergroten -en daarmee de afgunst ten opzichte van de anderen te verergeren- probeerden de steeds rijker wordende landgenoten invloedrijke taken als rechters te bemachtigen. Aangezien deze taken bij toerbeurt, de zogenaamde ommegangen, aan mensen ten deel vielen of aangewezen werden, was dit niet eenvoudig. Door deze bepalingen te wijzigen van mensen in huizen (behuisde plaats of heerd), waren de rijken in staat om steeds meer stemmen te verwerven door deze van andere te kopen of anderszins te bemachtigen.
    Ook bij de geestelijken ging alleen nog maar om zo veel mogelijk goederen te verzamelen en handelden er dan ook naar. Ze dreven koop- en woekerhandel, legden zware geldelijke boetes op aan de burgers, begunstigden huwelijken in verboden graden om grote geldoffers hierover te ontvangen. En als vansprekend erfden ze hun ambt, iets wat uitermate ongebruikelijk was. Protesten van de ommelanders haalden niets uit. Sterker nog, de Münster bisschop Gerhard, hield zelfs de geestelijken een hand boven het hoofd, al was het maar om niet toe te hoeven geven aan het volk, waar hij toch ver boven stond. En omdat het volk het goddelijk recht hadden beledigd, werden er handelsancties opgelegd en het werd hun verboden om nog deel te nemen aan het geestelijk leven. Dus geen missen meer tijdens doop, huwelijk en overlijden. De Ommelanders trokken zich hiervan niets aan.
    Pas door Gerhard's opvolger, bisschop Everard van Diest, werd er een vergelijk getroffen en werd er op 15 april 1276 te Faldern bij Emden een overeenkomst gesloten. Dit overeenkomst bestond uit 34 artikelen en betrof onder andere:

  • Geestelijken zouden aan niemand nooit de oliesel weigeren.

  • Bijdragen/giften waren vrijwillig bij biecht, laatste sacramenten, begrafenissen.

  • Bij degenen die gelofte van kuisheid hadden afgelegd, bij het betreden van klooster, werd verwacht geen huwelijk aan te gaan. Eventuele kinderen zouden geen erfgenaam kunnen zijn.

  • Vergoeding bij doodslag: geestelijke 60 mark, diaken 50, onder-diaken 40 en koster 36 mark. Hierbovenop kwam nog een betaling aan de bisschop voor opheffen ban.

  • Alle geestelijken die onrechtmatig hun plaats hadden gekregen, die een wapen hanteerden, die dronken waren, zouden allen worden afgezet.

  • Nalatenschappen tussen Friezen en Münsterlander uit Münster en Friesland kon onbelast nagelaten worden.

  • Evenzo ook bij schipbreuk, werden alle geborgen goederen teruggegeven.

  • Evenzo kon er handel gedreven worden, zonder extra tolheffingen.

  • (Witkamp III, p. 638-639).

    Haet is riucht?
    Zeven koningen zouden zich in het verleden zich hebben gebogen over het geschreven en het ongeschreven recht en hoe dit zich met elkaar verhoudt en in overeenstemming kan worden gebracht (Nijdam/Lichaam, p. 284-287). Zou hierin ook nog een probleem zitten tussen de Lex Frisionum, de pre-christelijke versie, en de Oudfriese wetteksten, die duidelijk beïnvloed zijn vanuit het christelijke?
    Das Fivelgoer Recht 22:

    Hic incipit jus communitatis Frisie
    Hier beginnt das Recht der friesischen Gemeinschaft

    I.
    I. WAS IST RECHT?

    [1] Hueth is riucht? List ende kenst riuchtis ande godis. Riuchtes, thet queth rethelika thinga ande riuchtelika thinga, alsa bithiut hit thi paws.
    [1] Was ist Recht? Wissenschaft und Kenntnis des Rechten und Guten. '(Des) Rechten', das heißt "redlicher Dinge und rechtmäßiger Dinge", so erklärt es der Papst.

    [2] Hwet queth thet wird godis? Nethelikera thinga and erlikera thinga, sprecht thi kaiser.
    [2] Was heißt das Wort "(des) Guten"? "Billiger Dinge und ehrlicher Dinge", spricht der Kaiser.

    [3] Hv monich riucht ister? Twa, en godelic ende en manslic; thet erste is thi onbern, thet other scoltu lernia; thet en hath naturalis, thet other ciuilis.
    [3] Wie viele Rechte gibt es? Zwei, ein göttliches und ein menschliches; das erste ist einem angeboren, das andere soll man lernen; das eine heißt natürlich, das andere bürgerlich.

    [4] Hweth is godelic riucht? Onwerp Godis gastis, ther thet gode bihiuth and thet erge let. Godes riucht is thio ewe, ther thes monnis sin lert hine self to biriuchtane and thet vnriucht to vnfruchtane, tha vnscheldega to helpana and tha missidan to fordriwane, alsa ma seit: Jus est iuste viuere, neminem ledere, vnicuique suum dimittere.
    [4] Was ist göttliches Recht? Ein Antrieb des göttlichen Geistes, der das Gute befiehlt und das Böse verhindert. Gottes Recht ist das Gesetz, das des Menschen Sinn lehrt, ihn selbst in die richtige Bahn zu lenken und das Unrecht zu fürchten, dem Unschuldigen zu helfen und die üblen Sitten zu beseitigen, wie man sagt: "Recht ist gerecht leben, keinem schaden, jedem das Seine geben".

    [5] Hwetis manslic riucht? Keninges setma and liuda plega, nethelic ende erlic. Keninges setma hat ma scriuen riucht , sa hat ma ac ewa. Wither tha ewa ne mei nen wilkere stonda. Erlic plega fon longere vnicheid is alsa goud sa scriuen riucht, jef se nout ne tziwiath.
    [5] Was ist menschliches Recht? Königssatzung und Volksbrauch, (der) billig und ehrlich (ist). Königssatzung heißt man geschriebenes Recht, und wenn das geschrieben ist, so nennt man es auch Gesetz. Wider das Gesetz soll kein gewillkürtes Recht bestehen. Ein ehrlicher Brauch von langer Gewohnheit her ist ebenso gut wie geschriebenes Recht, wenn sie sich nicht widersprechen.

    [6] Hwervmbe is thet riucht eseth? Thet thi fatuus, thet is thi dumba, ther breke, thet hi werthe in there pina and lust there sende and bischirme tha vnschilde and scheppe tha wreke.
    [6] Weshalb ist das Recht gesetzt? Damit der fatuus, das ist der Törichte, der sich vergeht, in Strafe verfalle, und damit es ihn von der Lust zur Sünde abhalte und die Unschuld beschirme und für Vergeltung sorge.

    [7] Hwet is there ewa riucht? Erlike thinga reda, trastelic thinga biada, vrbiada vnriucht, henzia mothlika thinga and ac bihwilum vnmothelika thinga thruch fruchta thes wirre. Hwether sa thet riucht is naturalis sa ciuilis and hweder mith scrifte jefta mith ewa, schemat schetha; sa hat ma thet arre setma ande thet other vnicheid.
    [7] Was ist das Recht des Gesetzes? Ehrliche Dinge raten, hilfreiche Dinge gebieten, Unrecht verbieten, zulässige Dinge gestatten und bisweilen auch unzulässige aus Furcht vor dem Schlimmeren. Wo das Recht entweder natürlich oder bürgerlich ist und entweder schriftlich oder herkömmlich, da soll man es unterscheiden; dann nennt man das erstere Satzung und das andere Gewohnheitsrecht.

    [8] Hwet is vnicheid? En godlic plega, ther ma to riuchte halt. Alsa ma thene sethma brec, alsa en nie seke vphlap, ther nanout fon escriwen is, sa mot ma thene pliga to riuchte halda. Fon thisse plega hebbat er keningan mislike delit.
    [8] Was ist Gewohnheitsrecht? Ein dem göttlichen Gesetz entsprechender Brauch, den man als Recht hält. Wenn man die Satzung verletzt, sobald eine neue Sache vorkommt, von der gar nichts geschrieben steht, so soll man den Brauch als Recht halten. Über diesen Brauch haben Könige ehemals verschiedentlich geurteilt.

    Thi ersta sprech aldus: thet riucht scol alle tyd thene plega vpnima.
    [9] Der erste sprach wie folgt: Das Recht soll immer den Brauch aufheben.

    Thi other sprec aldus: plega fon nethlikere vneched is en cristenlike masterschip.
    [10] Der zweite sprach wie folgt: Ein Brauch von billiger Gewohnheit her ist eine dem Christentum entsprechende Autorität.

    Thi thredda sprec aldus: thet riucht, ther rethelike is, thet werth thene pliga, hwant thet riucht, ther en nomelic vnriucht forbiut iefta pinegat, thet scel nanne side wiaka.
    [11] Der dritte sprach wie folgt: Das Recht, das billig ist, stellt sich dem Brauch entgegen, denn das Recht, das ein offenbares Unrecht verbietet oder bestraft, soll keiner Sitte weichen.

    Thi fiarda sprec aldus: mislike is side; rethlic side is cristenlic masterschip, vnriucht side wiucht tha riuchte.
    [12] Der vierte sprach wie folgt: Verschieden ist die Sitte; eine redliche Sitte ist eine dem Christentum entsprechende Autorität, eine schlechte Sitte weicht dem Rechte.

    Thi fifta sprec aldus: thruch londis tberwa and red wiucht vnder hwilem thet riucht tha side.
    [13] Der fünfte sprach wie folgt: Zu Nutz und Schutz des Landes weicht bisweilen das Recht der Sitte.

    Thi sexta sprec: thet riucht is alle riucht, thi side is creftelic, ther era lert an vnera tosteret. Thet is godelic riucht, ther tha senda vrdiligat mith helga bodum. Thet is wralsche riucht, ther tha elingan hebbat set mitha elmetha to haldane thruch thes londis red.
    [14] Der sechste sprach: Das Recht ist völlig recht, die Sitte ist kräftig, die Ehrenhaftes lehrt und Schändliches ausrottet. Das ist göttliches Recht, das die Sünden mit heiligen Geboten tilgt. Das ist weltliches Recht, das die vollfreien Landbesitzer mit der stimmberechtigten Landesgemeinde gesetzt haben, um es zum Schutz des Landes zu halten.

    Thi sogenda sprec: thet riucht is alle riucht, ther mith mena bode wisa liuda is eset to thwonge ther sendena, ther bi willa iefta bi dumhede vphlapat; thet riucht vrwint alle sidan and alle keran. Thet riucht is alle riucht, ther witha werde nout ne fiucht and nethlic is an rethlic an erlic. Thet is falsche riucht, ther there werde mith thiugum vnfiucht; thet blindat siande aghene.
    [15] Der siebente sprach: Das Recht ist völlig recht, das durch ein allgemeines Gebot rechtskundiger Männer gesetzt ist zur Zügelung der Sünden, die absichtlich oder aus Unbesonnenheit geschehen; das Recht überwindet alle Sitten und alle Küren. Das Recht ist völlig recht, das der Wahrheit nicht widerspricht und billig, redlich und ehrlich ist. Das ist falsches Recht, das sich der Wahrheit mit Zeugen entzieht; das blendet sehende Augen.
    Waar ik straks -bij Verloochening- ook nog verder op in ga, komt hier dus ook de statusbepalende 'recht' van de Vrije Fries ter sprake. Met 'recht' is een Fries íemand, zonder minder of Verlies van zijn “rjocht” maakt dat hij maatschappelijk gezien is overleden’ (Algra/Oudfries, p. 45).
    Dit is de kern van het Oudfriese recht (Nijdam/Lichaam, p. 286). Hetzelfde geldt m.i. voor 'eer', zoals ik later de Friezeneer omschrijf.
    In het Rudolfsboek (Nijdam/Lichaam, p. 286) en Westerlauwerssches Recht 356, 11 wordt dit als volgt omschreven:

    Hweer soe di fria Fresa ene soene biseent ende deer anne slachte wr slacht iefta wida an here kijnde birawath iefta mordbrand iefta wrbannena raef fan gaestlika lioedem iefta scaeckraef iefta bisit mit onriochta goede ende hi danne wille fan dis keisers halum riocht ontfaen, soe schel ma him weersprecka ende him ti nene riochte ti staene, hwant hyt selm toebritsen haet ende wrlerren ende alsoo moghen alle dae ienne, deer werdeth funden jn dusdener sonde, ende alle dae, deer naet friboren sint, ende alle dae jenne, deer nene fri spreke nabbeth.

    Als de Vrije Fries een zoen sluit en daarna toch een doodslag begaat of een weduwe en haar kinderen berooft, of een moordbrand begaat of een verboden panding van goederen van geestelijken of een gewelddadige beroving, of onrechtmatig verworven goed bezit, en als hij dan van keizerlijke zijde recht ontvangen wil, dan moet men hem tegenspreken en hem geen spraak en tegenspraak in een rechtzitting toestaan, want hij heeft zelf zijn recht geschonden en verloren en evenzo moeten allen behandeld worden die zulke zonden begaan, en allen die niet vrijgeboren zijn, en allen die geen recht hebben om vrij te spreken op de rechtzitting.

    ([11] Dies ist das dritte:) Wenn der freie Friese eine Sühne abschließt und trotzdem einen Totschlag verübt oder eine Witwe und ihre Kinder beraubt oder einen Mordbrand oder einen verbotenen Raub an geistlichen Leuten oder einen Schachraub (begeht) oder unrechtmäßig erworbenes Gut besitzt und er dann von seiten des Kaisers recht erhalten will, so soll man ihm widersprechen und ihm keine Rede und Antwort stehen, denn er hat das Recht selbst verletzt und verloren, und ebenso sollen alle diejenigen (behandelt werden), die in solcher Sünde angetroffen werden, und alle die, die nicht freigeboren sind, und alle die, welche keine freie Sprache vor Gericht haben. (Dieses Recht setzten König Karl und Papst Leo und sie geboten allen Leuten, es zu halten.)

    Je moet als mens wel erg ver gaan, om op dit punt te belanden. Maar aangezien deze regels er zijn, geeft ook aan dat er zulke mensen rondliepen. Voorgaande verhalen bewijzen ook dat bepaalde groepen het soms erg bont maken en totaal geen eer meer hebben.
    Hierin staat dus ook te lezen dat alleen de vrijgeboren de vrijheid hadden om op een rechtzitting te spreken. Nijdam voegt hierbij nog een aantal veronrustende zaken aan toe:
    Wie vermogend was, recht had en dat niet ‘verwerkt’ had, kon dus deelnemen aan de rechtsgang. Voor deze observatie zijn talloze attestaties te vinden in het Oudfriese rechtscorpus, zoals in het Westerlauwers Seendrecht:
    Nu agen tha liude ethsworan to settan. Tha schen wesa frey an fresic and fulbern and alsa rycheftich, thet hia byscopis bon beta muge, and hira riucht vnforlern - ‘Nu moeten de lieden eedgezworenen kiezen. Die moeten vrij en Fries en volgeboren en zo vermogend zijn, dat ze de bisschopsban kunnen betalen, en ze moeten hun recht niet verloren hebben’.

    Het vermogen speelde een rol. Iemand moest in staat zijn om financieel voor de gevolgen van zijn handelingen in te staan. Een onvermogende vrije (blata) was echter niet a priori uitgesloten van het recht, of uit zijn rechtspositie. We zagen eerder dat hij veteleider kon worden en zich borg kon stellen voor de gevolgen van de vetetocht. Het Oudfriese recht waarschuwde echter tegen zulke insolvabele veteleiders en sprak in deze context een hard oordeel uit over de onvermogende: thi blata thi is lethast alra nata ‘de onvermogende is de ellendigste van alle verwanten’.
    Er spreekt een walging voor een arme verwant uit (Nijdam/Lichaam, p. 286-287).
    Hieruit blijkt dat er rond de 13e eeuw er al niet echt meer sprake is van gelijkheid. Er onstaan machtvormen / rechtsvormen die, net als vetes, een factor kapitaal in zich hebben / krijgen. En dit duidt dan meteen op rechtsongelijkheid.

    bron: Wikipedia
Friesische Seelande um 1300 Begin van einde Friese Vrijheid
    Ofschoon het de Friezen het voor de wind ging, zo tegen het einde van de 13e eeuw (vanaf 1275), de handel en bedrijven liepen goed, ze waren in het bezit van een persoonlijke vrijheid, die nergens zo in Europa te vinden was, ze zaten op vruchtbare grond en daardoor vee, zuivel en graan in overvloed, behoorden orde, rust en veiligheid steeds minder tot hun gemeengoed.
    Zelfverheffing, strijdlust en het verlangen naar een onbeperkte onafhankelijkheid, zorgden ervoor dat ze het recht op persoonlijke vrijheid van de buren uit het oog verloren. En hierdoor ontstonden er botsingen bij spelen, volksgaderingen, verkiezingen en kerkelijke bijeenkomsten. Hebzucht, hoogmoed en afgunst verergende deze situatie. Beledigingen, vechtpartijen en doodslag waren het gevolg. Wraak zorgde voor groepsvorming. Deze groepen vielen een state, stins of borg aan om zich te wreken. Edelen verhieven zich tot Hoofdelingen en de volgers kozen hun machtigste onder hun. En zo ontstonden er familiegeslachten met meer macht dan gebruikelijk was voor de Vrije Fries die geen inbreuk wilde op zijn recht op persoonlijke vrijheid.
    link: Rampspoed in de Dollard/Reiderland! Door deze ruzies werd er minder aandacht geschonken aan het beheer van de dijken. Erger, dijken werden als middel ingezet in de vijandelijkheden. Zo werd waarschijnlijk op 13 januari 1277 bij Jansum (tegenover Emden en Larrelt) de Eemsdijk vernield, zodat het water Reiderland inspoelde. Op 25 december 1277 volgde nog een dijkbraak bij Wilgum, een eindje stroomopwaarts. (Dit zou het begin zijn het onderlopen van al het land wat nu onder de Dollard ligt en zou rond 1540 z'n grootste omvang krijgen. Zie voor een uitgebreidde kaartenoverzicht de pagina Rampspoed in de Dollard/Reiderland!)

    Wanneer er meerdere Hoofdelingen in een stad of dorp woonden, waren de conflichten ook heftiger en kwamen ze frequenter voor. Door het toenemen van deze botsingen van Hoofdelingen, maar ook tussen de bewoners van dorpen onderling, ontstonden er twee visie en daaruit voortvloeiend twee partijen: de Schieringers en de Vetkopers.
    WESTEREMDEN: ANDREASKERK
    Schieringers en Vetkopers
    De doodslag van Hayo Wibbens in 1398 in het Groningse Westeremden, was politiek gemotiveerd. Het was een uitvloeisel van de strijd om macht en invloed tussen de Schieringers en de Vetkopers. Saillant is dat de kern van deze twist tussen wereldlijke partijen oorspronkelijk gelegen is in een confrontatie tussen twee kloosterordes, de Cisterciënzers en de Norbertijnen. De benaming ‘Schieringers' komt van ‘Schiere monniken', de bijnaam van de Cisterciënzers die een grijze (‘schiere') pij droegen. ‘Vetkopers' refereert er aan dat de Norbertijnen vee hielden voor het vlees, zij deden aan ‘vetweiden'. Op de achtergrond speelden de graven van Holland en Oost-Friesland mee.

    Nadat de Schieringer Eppo van Nittersum uit Stedum met zijn manschappen, de Vetkoper Hayo Wibbens uit Westeremden eerst uit de kerk de nabij gelegen pastorieboerderij - de ‘weem' - in had gejaagd, stak hij deze vervolgens in brand om hem uit te roken. Dat lukte, "alsoo liep Hajo Wibena wederom in de kercke alwaer hij dan voor het hooge altaer is gegreepen ende doodt geslagen", berichten de oude kronieken.
    VETKOPERS vs SCHIERINGERS
    Waar zit het verschil tussen de Vetkopers en Schieringers? Wat willen ze en waarom willen ze dit?
    Is het alleen maar een simpel-zielige machtkwestie?
    Een onderzoek naar dit partijenstelsel met dramatische uitkomst lijkt me niet overbodig.
    Zal ook vast wel gedaan zijn.
    De volksgezinde partij eigende zich de naam van Schieringers toe en de rijke en adelsgezinde factie noemde zich de Vetkopers. De naam van de Schieringers zou voortkomen uit de grijze kleur van de kleren van de burgers of aan de schieraal. De naam van de Vetkopers zou ontleend zijn aan het weelderige leven van de Edelen en rijken. Ook kon men ze herkennen aan de manier van vuur aansteken: boven danwel onder het turf aansteken.
    Tijdens een gastmaal met daarbij een verkiezing om de eer van een zeden- of cermoniemeester, welke ging tussen en rijke hoevenaar die veel vee fokte en een iets minder vermogende landman, werden voor het eerst de partijnamen gescandeerd. Daarna verspreidde deze al gauw door het hele land. De meeste Vetkopers zaten in Oostergoo en de Schieringers in Westergoo.
    En zo ontstond er een partijenlandschap in het zo rijke land, die het gedurende twee eeuwen in de afgrond duwde. En zelfs uiteindelijk er voor zorgde dat ze de zelfstandigheid kwijt raakten.
    Werd een huis belegerd, dan zette de eigenaar een afgehouwen stam op het hoogste deel van het huis om zijn vrienden te waarschuwen, dat ze ontzet moesten worden.
    Krijgsgevangen waarvan men vermoedde dat ze buitenlanders waren, konden hun onherroepelijke verdrinkingsdood (wapeldjepinga, de waterdoop) alleen nog tegengaan door Friese zinnen als Raed hird reekt rierren lyre of Dir iz nin klirk zo krol az Klirkampstir krol. Here! di klirk aller klirken iz hja to krol. zonder haperen op te zeggen. Fries genoeg bevonden, werd men gevangen gezet (Witkamp III, p. 639).

    Ondanks dat er onderling ruzies werden uitgevochten in het Friese land, ging het de stad Groningen voor de wind en heerste vrede, rust en was het veilig. Sinds de overeenkomst van 1255 met Fivelgo en het zelfbestuur, sloten ze in 1283 een soortgelijke overeenkomst met het noorderdeel van het Oldambt en vervolgens met de Hunsegoërs, de Drenthen en de slotvoogd van Coevorden. Zorgvuldig vermeden ze alle conflicten (Witkamp III, p. 640).

    Door de stormen en overstromingen in de periode 1287-88 in alle Frieslanden waarbij waarschijnlijk 50.000 mensen de dood vonden, besloot de rooms-koning Rudolf om de Friese gebieden ten oosten van die van Floris V nu graaf Reinald I van Gelder tot landvoogd aan te stellen. Graaf Reinald kreeg volle zeggenschap om recht te spreken en dus ook rechters en ambtenaren aan te stellen en boetes op te leggen, aldus een gunstbrief van 17 augustus 1290.
    Echter, Rudolf van Habsburg overleed al spoedig, 30 september 1291. Uiteraard gingen de Friezen ook niet akkoord om zich te schikken aan deze Gelderse graaf. Ook de gunstbrieven van Rudolfs opvolgers van 21 januari 1295 van Aldolf van Nassau en 25 april 1299 van Albrecht van Oostenrijk hielpen de Gelderse graaf niet.

    In West-Friesland was de strijd gestreden, wederom bij Vrone. De West-Friezen werden voorgoed ingelijfd door de opvolger van Floris V, zijn zoon Jan I, al zat de werkelijk macht vanaf 27 oktober 1299 bij zijn regent graaf van Henegouwen, Jan II van Holland (welke ook een afstammeling was van Floris IV, namelijk een zoon van dochter Aleid van Holland). Ook Stavoren huldigen Jan. Jan I was zonder nazaten op 15-jarige leeftijd komen te overlijden.

    Begin 14e eeuw waren het vooral de rijke huislieden van de Vetkopers die weer herrie gingen schoppen. Dorp tegen dorp, zelfs kloostergeestelijken kozen partij.
    Echter, nog niet iedereen was zo ver gedaald.
    In 1306 gaven de dorpen Warns en Scharl (bij Stavoren) nog een treffend voorbeeld hoe het ook kon en vroeger ging: Beide dorpen waren ook verdeeld in de twee partijen en hadden daardoor al meerdere malen elkaar getroffen met de knijf en goedendag, met aan beide kanten meer dan 150 slachtoffers. Een persoon stelde bij dit treffen voor om er een tweegevecht van te maken. Beiden gingen hiermee akkoord. De Schieringer verloor en zo beloofden alle Schieringers aan de Vetkopers om nooit meer een geschil of twist te beginnen (Witkamp III, p. 642).

    Dit jaar 1306 mislukte ook nog de oogst door aanhoudende regen, zodat velen de hongerdood stierven en tot overmaat van ramp landen er langs de oevers van de Lauwers een horde Noormannen, die alles wat van waarde was meeplunderde. Gelukkig waren de Friezen in staat om hunne onderlinge strijd even opzij te zetten en zich te scharen onder leiding van de edelman Regner Hayo Cammingha. Ze snelden naar de aangevallen streek en doden 900 Noren in gevecht op 6 november 1306. Onder de Frieze gesneuvelden bevond zich ook Cammingha.
    Twee maanden later lagen de Hollanders en hun stamgenoten de West-Friezen voor de kust. De Hollandse graaf Willem (de Goede) III, zoon van de in 1304 overleden Jan II van Holland, zocht met geweld uitbreiding in het Friese land. Vooral Gaasterland had te lijden onder dit bezoek. De Friezen wisten zich uiteindelijk te verenigen onder leiding van Hessel Martena. Gezamelijk zorgden ze ervoor dat de Hollanders niet verder konden oprukken. De Hollanders wachtten een botsing dan ook niet af en scheepten zich mei 1309 weer in, terug naar Holland.
    De trouweloosheid van de West-Friezen moest gewraakt worden, want de Friezen waren verbolgen over de samenwerking met de Hollanders. En zo werden onder aanvoering van zes bevelhebbers diverse koggen goed bewapend en staken ze de Zuiderzee over. Het toen nog niet ommuurde Enkhuizen en omliggende oorden waren de klos. Ze richtten grote verwoestingen aan en namen een rijke buit mee terug naar Friesland. Dit werd weer gewraakt door Enkhuizen. Ze kochten enkele gasten om, die op 10 augustus 1309 de stinsen van de drie voornaamste aanvoeders -Beima, Offingahuizen en Hiddama- 's nachts in brand staken.
    Deze aanvoerders vereerden hierop wederom Enkhuizen met een vernietigende bezoek. (Witkamp III, p. 642-643).

    De Stellingwevers, die tot nu toe meestal de Utrechtse machthebbers erkenden, meenden om onafhankelijk en zelfstandig te kunnen worden, het sterke slot Vollehove te moeten vernielen. De Utrecht bisschop Gwy van Avesnes riep de hulp van zijn neef Willem de Goede in, om dit te bestrijden. Deze hulp bleek uitmate voordelig uit te pakken voor Willem. Naast de heerlijkheden Amstel, Gooiland en Woerden wist hij een overeenkomst te Alkmaar met de Westergoërs te sluiten, waardoor hij Westergo als rechtgebied onder zich kreeg. De Westergoërs kregen in ruil vrijheid van tol in Holland, Zeeland en West-Friesland en beloofde Stavoren bescherming tegen de zuiderbuurman, de grietman van Wildinge.
    Kortom, Willem de Goede was succesvol. Dit ontging ook de rooms-koning Lodewijk van Beijeren niet en hij wilde Willem dus aan zich binden. Dit deed hij door Willem en zijn erfgenamen nog ruimere bevoegdheden te geven en ook de rechten over de heerlijkheid Friesland te geven. Willem had zelf al geregeld dat hij Westergo onder zich kreeg, maar nu kreeg Oostergo in 1314 een keizerlijk bevel om Willem ook als heer trouw te zijn.

    1314-15 waren slechte jaren voor Friesland. Dijkdoorbraken, slechte oogsten en binnenlandsche veten zorgden ervoor dat mensen bij bosjes verhongerden en op de wegen, op het veld, in de bossen dood neervielen. Hierdoor brak ook de pest uit, waardoor er nog meer doden vielen. Zeker een derde van de Friezen verloren deze periode het leven (Witkamp III, p. 643).

    bekijk de documentaire
Olderliek stee Addinga’s
van Anton Tiktak
    Otto Knottnerus geeft in bij eb drooggevallen Dollard uitleg in Anton Tiktak documentaire "Olderliek stee Addinga’s" over het wel en wee over de familie Addinga. (bron: Geschiedenis Oost-Grunnen)
    bekijk de documentaire
Westerwolde
van Anton Tiktak
    Jochem Abbes geeft in het vestingstadje Bourtange uitleg in Anton Tiktak documentaire "Westerwolde" over de geschiedenis van Westerwolde. Hierin komen ook de familie Addinga weer aan bod. Maar daarnaast ruim aandacht voor Bourtange, de verhoudingen en landsrechten in dit gebied. Verder wordt het fenomeen Friese tuin met z'n leidijken besproken. (bron: Geschiedenis Oost-Grunnen)

    Verbrokkeling
    Verbrokkeling van de Frieze Zeelanden werd mede veroorzaakt doordat de hoofdelingen aan de vrijheden van de medeburgers gingen knagen. In Westerwolde had de bevolking 12 rechters zelf gekozen uit Sellingen, Onstwedde, Vlagtwedde, Wedde en Vriescheloo. De bevolking kreeg genoeg van de willekeur van een hoofdelingenfamilie Addinga. Om zich hiervan te onttrekken besloten ze in 1316 hulp in te roepen van bisschop Lodewijk van Münster. Hierbij bemiddelden Matthias van Raesfeld uit Landeggen en Suffridus van Slege, een rechter uit Westerwolde. Afgesproken werd -onder de nodige voorwaarde: geen kastelen of sterkten bouwen, zonder dit te bespreken, een hoen per huis per jaar af te staan- elkaar voortaan bij te staan.
    Net als de Addinga's naar de oppermacht streefden, waren er in elk ander oord wel familie's te vinden die ook naar de macht streefden. Waren er meerdere familie's in een regio, dan was dit aanleiding tot strijd. En werd er aansluiting gezocht met een van de kampen van de Schieringers of Vetkoopers. De bisschop van Münster moest ook ingrijpen bij de priesters en kloosteringen, die hierbij ook deelnamen aan de strijdende partijen.
    De burgerijen van Leeuwarden kozen eieren voor hun geld en sloten zich aan bij de stad Groningen, waar de Frieze Vrijheid nog steeds succesvol was en onafhankelijkheid garandeerde. Het verbond tussen Leeuwarden en Groningen werd 6 december 1317 gesloten. Met Dokkum werd een soortgelijk verdrag getekend op 15 mei 1318 (Witkamp III, p. 644).

    Ondertussen hadden de West-Friezen behoefte om zich weer te wreken. En dus trokken ze dit jaar (1318) weer over de steeds breder wordende Zuiderzee naar Westergo. Wonseradeel en omliggende dorpen werden geplunderd. Onder leiding van Aylva, Hettinga en anderen verenigden de mannen zich naar de bedreigde kust. Onopgemerkt door de West-Friezen vielen ze aan en geen enkele West-Fries overleefde deze aanval. Ze werden allemaal neergesabeld. De schepen werden ingenomen en gebruikt om rooftocht te starten naar Enkhuizen en Medemblik. De buit werd verdeeld en de schepen werden aan de burgerij stavoren gegeven (Witkamp III, p. 644).

    Stadsrechten Appingedam buurbrief 1327 ISBN 9062431135
p. 11-13, 271 ('her- en vertaling')
link naar depot KNAW Stadsrechten Appingedam
    Vissen rond de Floem: een bijdrage tot het historisch-topografisch onderzoek van de ontwikkeling van de stad Appingedam tot 1810 / A. Hoft . - Groningen : Wolters-Noordhof - Egbert Forsten, 1990. - ISBN 9062431135
    Door het succes van Groningen, wilden ook anderen aansluiting. Op de bijeenkomst onder de Upstalboom in augustus 1323, beloofden de diverse gouwen elkander wederkerige bijstand, wanneer een bedreigd werd door vorsten of andere groten die hun vrijheden wilden aantasten. Het was echter van korte duur. Toen Appingedam in 1327 hun stederecht kregen door de gezamelijke volmachten, werd daarna de vergaderplaats onder de Upstalboom niet meer bezocht (Witkamp III, p. 644-645).
    Zegel van het verbond van de Opstalboom (1324) Dat de vergaderingen van de Upstalboom niet succesvol waren, blijkt ook al uit het feit dat de West-Friezen en Westergoërs elkaar al ruim een kwart eeuw in haren vlogen. Ook de Fivelgoërs hekelden de steeds toenemende macht van Groningen. Het Oldambt zag zich verdrukt worden door de geschillen die er waren met de kerkvoogd bisschop van Münster. Er volgde weer een kerkban (Witkamp III, p. 645).

    Het jaar daarop togen de vertegenwoordigers van Stavoren en Westergo naar Haarlem om daar een verdrag te tekenen met Willem III. Deze Friezen erkende zo dat de graaf het recht kreeg om schouten, schepenen en rechters aan te stellen en dat ze zich verplichten om zich aan de uitspraak van deze ambtenaren te houden. Verder hielden ze Willem III voor, dat als hij zijn komst naar hun gebied minimaal zes weken van te voren meldde, hij op oude traditionele wijze gehuldigd zou worden. Dus op een schild geheven worden en door vier mannen door de hele gemeenschap gedragen worden, waar zij hem de eed van trouw zouden doen.
    Willem III had de Friezen hoog zitten. Zo had hij eens tegen hooghartige Henegouwse en Hollandse edelen die 'dat verachtelijk volk' afkeurden: "Dit volk is de grootste schat van mijn gebied. Mijne voorzaten hebben het door hun zweet en bloed verworven, en ik alleen ben hun heer. Ik zal niet dulden, dat de Friezen verdrukt worden, of dat iemand eenig deel van dit gebied bekome." (Witkamp III, p. 645-646)
    link naar Google-books 
Register Groot placaat en charter-boek van Vriesland link naar British Library
Database of Bookbindings 
Groot placaat en charter-boek van Vriesland vier bijzondere brieven
18 oktober 1333 Groot placaat en charterboek van Vriesland
    Het register van Groot placaat en charterboek van Vriesland maakt melding van vier bijzondere brieven om de meningsverschillen tussen Lubeck en Stavoren te slechten. In Cartago zijn deze te vinden: Placaat en charterboek Vriesland, dl. 1, pag. 187-191, onder nummer pcv10187, pcv10188, pcv10189, pcv10190, pcv10191
    Ook had Willem III een zwak voor Stavoren. In 1333 bemiddelde hij met ijver tussen Stavoren en de leidende Hansestad Lübeck, waar een geschil mee was. Hij sloot een verdrag, dat op 18 oktober 1333 werd bezegeld en zo er weer een goede verstandhouding tussen beide steden was ontstaan (Witkamp III, p. 646).
    In 1333 raakte een aantal burgers uit Enkhuizen, Arnold Steyneldersone, Altgheer Jacobssone en zijn broer Thade, in conflict met de stad Lübeck over de inbeslagneming van hun schip tijdens de strijd van deze stad met Stavoren. Willem II [= III] van Holland deed daarop de uitspraak, dat Lübeck de drie Enkhuizers 3 pond groten moest betalen op „den naeste Meyedach” te Haarlem. (Enkhuizen voor 600 jaar / Dr S. B. J. Zilverberg (in: West-Frieslands Oud en Nieuw, 1955, 22e bundel, p. 11-19))
    Of deze 3 items iets met elkaar te maken hebben, kan ik nu niet na gaan. De oud-nederlandse stukken uit 'Groot placaat en charterboek van Vriesland' zijn voor mij nauwelijks te lezen danwel te begrijpen. De genoemde personen uit Zilverbergs artikel kan ik niet vinden in de Vriesland-stukken. Overeenkomst met Witkamp en de Vriesland-stukken is de datum van 18 oktober 1333. Maar aangezien de handelsbetrekkingen met Lübeck, de hanse(hoofd)stad intussen groot waren, kan ik me er van alles bij voorstellen. Mogelijk geven de in Ostfriesland aangeschafte boeken hierover later uitsluitsel.

    Om een beeld te schetsen hoe het met de veiligheid gesteld was in het gebied waarover Willem III heer was, geeft Witkamp het verhaal van de Abt Eelco Liauckema. Dit verhaal doet meer de ronde, dus lijkt het mij wel aardig om deze eens naast elkaar te zetten:
    (Witkamp III, p. 646)
    Hoe gunstig 's Graven gezag voor de welvaart van Friesland, althans voor de westelijke streken, was, hadden de partijschappen een te grooten wrok, de vijandelijke ontmoetingen een te groot woestheid en zedenbederf voorgebragt, dan dat Westergoo zich in eene ongestoorde rust mogt verheugen. Van het tegendeel legt een voorval op de landhoeve Ter Poort bij Boxum getuigenis af.
    Deze hoeve behoorde aan de abdij te Lidlum, die te dezen tijde onder het beheer van de Abt Eelco Liauckema stond. Hij, een man van gestrenge zeden, werd door de leekebroeders aan wien de zorg op Ter Poorte was toebetrouwd, hij een hun gebragt bezoek schijnbaar met de grootste achting en onderworpenheid ontvangen. Zij veinsden berouw toen de Kloostervoogd hun ergerlijk levensgedrag bestrafte, doch spanden in stilte zamen om hem in zijn eigene oogen te vernederen en zich dan van den gehaten tuchtmeester te ontdoen.
    Bij de avondmaaltijd bragten zij hem zoo vele dronken toe, dat de argelooze man voor de uitwerkselen van den zwaren drank moest zwichten. In een half bewusteloozen staat was hij zijn slaapkamer binnengetreden. Naauw echter had bij zich op zijne legerstede nedergevleid, of hij werd eensklaps gewekt door een luid rumoer. In een digten drom drongen de broeders binnen, verweten den verschrikten Abt zich vergeten te hebben en sloegen hem met een knods zoo geweldig op het hoofd, dat de hersens in het ronde spatten.
    Hiermede niet tevreden, wierpen de onverlaten het lijk uit het venster in de gracht, welke het gebouw omringde.
    Het gruwelstuk werd wel is waar gestraft - de daders werden levend aan staken verbrand - doch dat kloosterbroeders zulk een feit konden plegen, en Eelco's gewoonte om steeds honderd en vijftig gewapenden te onderhouden, ten einde zijn Abdij en hare goederen te beschermen, bewijzen hoezeer orde en rust steeds te wensche overlieten.
    uit:
    Geschiedenis der zeventien Nederlanden / P.H. Witkamp. - Tweede deel, laatste gedeelte. 1882
    (Arend II, 2e, p 131-132)
    Het aanzien en de magt van Graaf Willem III waren niet genoegzaam, om in Westergoo de binnelandsche rust en de persoonlijk veiligheid te verzekeren. De rijke kloosters van Lidlum, Ludingaker, Mariëngaard, Foswerd, Klaarkamp, Oudeklooster of Bloemkamp en anderen kweeten een groot getal monniken en leekebroeders op, welke zich aan de grofste buitensporigheden overgaven en om elkander te verdrukken en te krenken, zich nu eens voor de aanhang der Schieringers, dan weder voor dien der Vetkoopers verklarden. Eelco Liauckama, Abt van Lidlum, was in openbaren krijg met eenige Edelen en onderhield, behalve de leekebroeder zijn kloosters, honderd en vijftig gewapenden in zijn dienst. Voor het overige was hij een man van gestrnge zeden, vol ijver voor de godsdienst en ernstig in het bestraffen en vermanen der monniken, waardoor hij bij velen van hen zeer gehaat werd.
    Onder de goederen zijn kloosters, welks bloei hij ongemeen bevorderd had, behoorden twee landhoven te Boxum in Menaldumadeel, de eene Monnikhuis, de andere Ter Poorte genaamd.
    Dikwerf had hij de leekbroeders of conversen, welke deze gronden bebouwden en daar, gelijk op de meeste landhoven plaats had, welke ver van de kloosters verwijderd waren, een ergeljk leven leidden, bestraft, maar hierdoor slechts hunnen onverzoenlijken haat opgewekt.
    Dien ondervond hij bij een bezoek te Ter Poorte. Men ontving hem en zjin gevolg met allee teekenen van berouw, achting en liefde, doch het plan was zich voor altijd van de gehaten tuchtmeester te ontslaan. Bij het avondeten ging de beker vrolijk rond. De argelooze Abt, niet gewoon te drinken, gevoelde de uitwerkselen van de zwaren dronk, welken men hem had toegediend, nam zijn afscheid en begaf zich ter ruste. Op dit oogenblik drongen de leekbroeders met geweld zijn kamer binnen, verweten hem met schampere woorden zijne onmatigheid, waarvan zich de sporen op zijnen tabbard vertoonden, sloegen hem met een dikken knods op het hoofd, zoodat brein en bloed tegen de wanden spatten, en wierpen het lijk uit het venster in de gracht.
    Zoodra 's anderen daags de gruweldaad ontdekt was, geraakte het geheele dorp in beweging. De booswichten werden gevat en aan staken levend verbrand; de landgoederen geraakten in het bezit van anderen, en de stins werd ten gronde toe geslecht.
    uit:
    Algemeene geschiedenis des vaderlands, van de vroegste tijden tot op heden / J.P. Arend. - Tweede deel, Tweede stuk. 1844
    (Marja van Schie)
    Een andere legende is verbonden aan het portret van de abt Eelco Liauckema van het klooster Lidlum. Het is een mooi, in oplichtende tinten geschilderd portret dat naast de deuropening hangt. Deze abt, zo wil de overlevering, maakte bezwaar tegen overmatig drankgebruik van zijn monniken. Die voelden er echter niets voor hun min of meer losbandig leven op te geven en ze bedachten een list met het doel, de abt enige alkoholhoudende dranken te doen nuttigen. Dat lukte. De goede man was niet bestand tegen alkohol, werd misselijk en moest braken. Daar schaamde hij zich bijzonder voor, dus probeerde hij zo onopvallend mogelijk het in de mouw van zijn pij te doen. Maar de monniken hielden hem zorgvuldig in de gaten en triomfantelijk eisten zij dat de abt de inhoud van zijn mouw zou tonen om daarmee aan te geven dat hij door drankgebruik hun gelijke in het kwade was geworden. Toen na veel aandringen de abt zijn mouw opende, bleek deze gevuld te zijn met . . . rozen. De monniken raakten wat oververhit en het verhaal zegt dat ze hun goede abt doodknuppelden.
    uit:
    Marja van Schie in JANUM: EEN BROKJE GESCHIEDENIS
    (van den Akker)
    Hij leidde een sober en degelijk leven. Vanuit Lidlum bezocht hij de kluizenaars die links en rechts verspreid woonden op het Friese land, maar onder zijn klooster vielen. Sommigen vormden weer eigen leefgemeenschapjes; anderen woonden alleen, maar kwamen ze zo nu en dan bij elkaar om te bidden, te zingen, te eten en te praten. De levensbeschrijver van Eelko merkt op: 'Hoe verder zij van het klooster af woonden, hoe minder er van hen deugde.' Er viel op Eelko's rondreizen dus hier en daar nog wel wat recht te trekken en te verbeteren. Hij deinsde er niet voor terug monniken te berispen of te bestraffen, als dat op zijn plaats was, want Eelko stond bekend als uiterst eerlijk en recht-door-zee. Tegelijk was hij als een vader voor zijn mensen, vriendelijk en altijd bereid tot een nieuw begin.
    Zo behoorde ook de gemeenschap van klooster Ter Poorte in Boxum tot zijn mensen. Over hen deden allerlei kwade geruchten de ronde. Omwonenden klaagden over dronkemansgelal, over zuip- en vreetfeesten, over verkwisting en landloperij: ze voerden niks uit en kwamen vervolgens wel bij de boeren bedelen om eten. Op paaszaterdag om twaalf uur, toen de vasten was afgelopen, besloot vader abt zelf eens een kijkje te gaan nemen.
    De broeders ontvingen hem met zwier. Het was paasfeest, dus er stond een welvoorziene tafel klaar. Hoewel het vader Eelko's stijl niet was, liet hij zich verwennen. Intussen vielen er over en weer harde woorden. Uiteindelijk beloofden de grote bekken beterschap: vader abt kon ervan op aan. Zij hadden zijn boodschap begrepen. 'We drinken erop' hadden er een paar geroepen. Het was eigenlijk hun bedoeling hem met de zware tafelwijn dronken te voeren. Maar dat mislukte, omdat vader abt zo'n matig drinker was: één glas maar. Er wordt zelfs beweerd dat hij daar al onpasselijk van was geworden en had moeten overgeven. Om geen opzien te baren had hij dat ongemerkt gedaan in de wijde mouw van zijn pij. Zodra hij kon, glipte hij ertussenuit en stak het bruggetje over naar zijn slaapvertrek.
    Waarschijnlijk heeft het stel nog een tijd zitten napraten onder het genot van de zware wijn. Diep in de nacht hoorde hij ze in de verte al aankomen. Ze bonsden op de deur. Toen die niet vlug genoeg openging, begonnen ze met overslaande stem en dubbele tong te schelden en sloegen ze een paar ruitjes in om zich op die manier toegang te verschaffen. Ze moesten nog eens even met hem praten. Want hij had dan wel de mond vol over armoede, eenvoud en soberheid. Maar ze hadden nu zelf gezien dat hij geen haar beter was dan zij: hij had net zo geschranst en gepimpeld. U hebt er zelfs van moeten kotsen. Ze gristen Eelko's pij van de stoel om triomfantelijk de sporen van hun beschuldiging te kunnen aantonen. Tot hun verbazing vielen er echter met een ruisend geluid versgesneden rozen uit zijn pij... Rozen! In de paasnacht!
    Woedend waren ze. Ze voelden zich te kijk gezet. Ze scholden hem uit voor tovenaar en duivelskunstenaar. Er had er één een knuppel bij zich; ze sloegen hem er zo hard mee op het hoofd dat het bloed tegen de witgekalkte wanden opspatte en vader abt dood neerviel. Met zijn allen gooiden ze zijn lijk door het venster de gracht in.
    De volgende morgen zag een passerende boerin een wit stuk linnen drijven aan de oppervlakte van het water. Toen ze het eruit probeerde te halen, kwam de gruwelijke waarheid aan het licht. Het schijnt dat de booswichten hun straf niet ontliepen.
    Hij werd bijgezet in zijn klooster te Lidlum en als een heilige martelaar vereerd. Volgens zeggen zouden er op zijn graf talloze wonderen zijn geschied. Van dit alles is sinds de reformatie geen spoor meer over.
    uit:
    Heiligen.net
    (Mengel Werk / B.v.S.)
    Zijne nieuwe waardigheid aanvaard hebbende, hield Eelko Liauckama zich, zoo mogelijk nog gestrenger aan de voorschriften zijner orde, door vasten en kastijdingen kwelde hij zijn ligchaam en verrigtte blootsvoets bij nacht en dag, zoo wel in den winter als in den zomer de kerkelijke diensten. De kerken van Sexbierum, Spannum en Berlikum, welke laatste hij zelf gesticht had, blijkens een opschrift nog in de nieuw opgebouwde kerk an dat dorp voorhanden, bragt hij onder het gebied van zijn klooster; bovendien verbeterde hij de gebouwen aan hetzelve toebehoorende, zoo als onder andren het Abthuis op de St. Michielsberg of Bajum, hetwerlk hij voltooide.
    In het vermanen zijner onderhoorige Geestelijken om zich wel te gedragen en het volk door hun goed voorbeeld te stichten, ging hij zachtzinnig te werk, maar wanneer hij onwilligen en ongehoorzamen ontmoette, was hij zeer gesteng in het straffen, en haalde zich daardoor den haat der ongebonden, wellustige en luije monniken op den hals. Voor leidden de zoogenaamde Leeken, wonende in de gestichten van de kloosters, dikwijls ver van hunne opperhoofden verwijderd, een slecht en ergelijk leven.
    Van tijd tot tijd was Liauckama reeds naar de twee landhoven, onder Boxum gelegen, Monnikhuis en ter Porte genaamd, aan zijn kloster toebehoorende en door zoodanige Leeken bewoond, gereisd, en had hun tot een beter gedrag vermaand, ook wanneer hem zulks noodzakelijk voorkwam, de voornaamste belhamels der oproerigen gestraft. Dit gedrag verbitterde de gemoederen van deze deugnieten meer en meer tegen hunnen Abt en zij wachtten slechts eene gunstige gelegenheid af, om zich van dezen gestrengen opziener te ontdoen. Weldra bood zich deze aan, en wel verre van zich het edele en prijzenswaardige gedrag en de voorbeeldige levenswijze an de godvruchtigen Liauckama, of de slechte gevolgen van hunne misdaad te binnen te brengen, ademden zij niets dan wraak.
    In het jaar 1332 kwam de vrome Abt hen volgens gewoonte weder bezoeken en vermaande hen, daar zij in hunne ongebonden levenswijze volhardden, op nieuw tot verbetering. Ofschoon niets dan haat en wraak in het hart voerende, ontvingen zij hem vriendelijk, verzochten hem ten maaltijd, onhaalden hem voortreffelijk en noodigden hem gestadig om van eenen zwaren drank, welke zij hem toedienden, te drinken, met oogmerk om het beschonken te maken en vervolgens hun plan te uitvoer te brengen. De Abt, een zeer matig man, had wel een tegenzin in dit gedurig drinken, doch om de vriendelijke noodiging zijner gastheeren, welke hij voor opregt hield, niet te versmaden, deed hij hun evenwel bescheid: dan dergelijke overdaad niet gewoon, moest bij braken, hetwelk hij om de schande te bedekken, zoo heimeljik mogelijk in de wijde mouwen van zijn gewaad deed, doch de alles bespiedende verraders hadden het gezien, en naauwelijks was de brave man in zijn slaapcel gekomen, of zij braken dezelve open en verweten hem zijn dronkenschap; vruchteloos wil hij zich veronschuldigen, zij wezen hem de blijken daarvan aan, en toen hij nog iets wilde inbrengen, sloegen zij hem met eene knods op het hoofd, dat de hersenen er uitspatten, en wierpen zijn lijk door het venster in de gracht. Den volgende morgen werd het door eene vrouw, welke daar bij toeval voorbij kwam, ontdekt en het gruwelstuk aan de dorpelingen bekend gemaakt. Het gheele dorp kwam op de been, het lijk werd in een doodkist gelegd, naar Lidlum gebragt, en aldaar in het klooster begraven.
    Eelko is naderhand bij de nakomelingschap als een Heilige vereerd geworden, en heeft volgens het geloof van die tijden, mirakelen gedaan. Zijn lijk, hetwerlk eertijds in een tombe rustte, is in het jaar 1528 door Keppel, den toenmaligen Abt van Lidlum, daaruit genomen en achter aan in de kerk geplaatst.
    (Het afbeeldsel van den vromen man was voor eenige jaren nog aanwezig op Liauckama-State bij Sexierum, en is na het afbreken van dit gebouw, naar men mij berigt heeft, in bezit gekomen van de Heer Baron van Grootenhuis, op de huize Onstein bij Zutphen.)
    De moordenaars van den Abt zijn met list gevangen genomen en aan staken gebonden, levendig verbrand. Het slot, waarin de moord gepleegd was, werd verwoest en de landerijen verkocht.

    Eelko Liauckama schijnt niet geheel van dichterlijk talent ontbloot te zijn geweest, althans men vindt een paar gedichtjes van hem, uit welke (beide later door de uitkomst bevestigd) men bovendien zijn voorspellende geest heeft willen bewijzen. Het eerste doelende op de onlusten tusschen de Schieringers en Vetkoopers, in volgende tijden ontstaan luidt aldus:
    Ws vrij Friesch schill aeck waerda wij
    As ick jumma sidsa meij,
    Och! och! schrijet den al
    Uwt uws neijkomlingen ongeval.
    Want troch uws sounne, sil folle quae schaen
    As ick innerlijkck ken sjaen.
    En het tweede op het toekomende lot van het geslacht Dekama toen nog Dequama genoemd, betrekking hebbende, was van dezen inhoud:
    As Dequama da middelsta boeckstave verliest.
    En for da tredda in othern kiest,
    Schilt haegh acht wessa, en prospererje.
    Den hondert en fuijle jeer daer neij
    Schilt maest wirda weij, en gretlijck declinerje,
    Mar wer boppa comma:
    As ick trogh Gods wijsheijt wol hab vernomma.
    B.v.S. = Jhr. Mr. HOBBE BAERDT VAN SMINIA
    (zie pag. 149-160 Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1859)
    uit: Leeuwarder Courant, 10-12-1833
    ISAN 183312109041240221

    (Historische Mengelingen)
    Nog jong zijnde, werd Eelco Liauckama priester gewijd en tot Pastoor van Berlikum verkozen, in welke bediening bij zijne gemeente, door het voorbeeld van een ongemeen gestreng en vroom leven, tot een goed gedrag opleidde. Na den dood van Pibo Sibranda werd hij in het jaar 1328 tot twaalfde Abt van het klooster Lidlum verkozen. Zijne nieuwe waardigheid aanvaard hebbende hield hij zich, zoo mogelijk nog gestrenger aan de voorschriften zijner orde. Door vasten en kastijdingen kwelde hij zijn lichaam en verrigtte blootvoets bij nacht en dag, zoowel in den winter als in den zomer, de kerkelijke diensten. De kerken van Sexbierum, Spannum en Berlikum, welke laatste hij zelf gesticht had, blijkens een opschrift nog in de nieuw opgebouwde kerk van dat dorp voorhanden, bragt hij onder het gebied van zijn klooster; bovendien verbeterde hij de gebouwen daaraan toebehoorende, zoo als onder andere het Abthuis op de St. Michielsberg of Mounike-baajum, het welk voltooide.
    Eelko Liauckama
zie de rozen in de mouw
    In het vermanen zijner ondethoorige Geestelijken, om zich wel te gedragen, en het volk door hun goed voorbeeld te stichten, ging hij zachtzinnig te werk; maar, wanneer hij onwilligen en ongehoorzamen ontmoette, was hij zeer gestreng in het straffen, en haalde zich daardoor den haat der ongebonden, wellustige en luije monniken op den hals. Vooral leidden de zogenaamde Leeken, wonende in de uithoven van de kloosters, dikwijls ver van hunnen opperhoofden verwijderd, een slechte en ergelijk leven. Van tijd tot tijd was Liauckama reeds naar de twee landhoeven, onder Boxum gelegen, Monnikhuis en ter Poorte genaamd, aan zijn klooster toebehoorende en door zoodanig Leeken bewoond, gereisd, en had tot een beter gedrag vermaand, ook, wanneer hem zulke noodzakelijk voorkwam, de voornaamste belhamels der oproerigen gestraft. Dit gedrag verbitterde de gemoederen van deze deugnieten meer en meer tegen hunnen Abt, en zij wachten slechts eene gunstige gelegenheid af, om zich van deze gestrengen opziener te ontdoen. Weldra bood zich deze aan, en wel verre van zich het edele en prijzenswaardige gedrag en de voorbeeldige levenswijze van den godvruchtigen Liauckama, of de slechte gevolgen van hunne misdaad te binnen te brengen, ademden zij niets dan wrok en wrevel.
    In het jaar 1332 kwam de vrome Abt hen volgens gewoonte weder bezoeken en vermaande hen, daar zij in hunne ongebonden levenswijze volhardden, op nieuw tot verbetering. Ofschoon niets dan haat en wraak in het hart voerende, ontvingen zij hem vriendelijk, verzochten hem ten maaltijd, onthaalden hem voortereffelijk en noodigden hem gestadig om van eenen zware drank, welke zij hem toedienden, te drinken, met het oogmerk om hem beschonken te maken en vervolgens hun plan ten uitvoer te brengen. De Abt, een zeer matig man, had wel een tegenzin in dit gedurig drinken, doch om de vriendelijke noodiging zijner gastheeren, welke hij voor opregt hield, niet te versmaden, deed hij hun evenwel bescheid; dan degelijke overdaad niet gewoon, moest hij braken, hetwelk hij, om de schande te bedekken, zoo heimelijk mogelijk in de wijde mouwen van zijn gewaad deed. Doch de alles bespiedende verraders hadden het gezien, en naauwelijks was de brave man in zijne slaapcel gekomen, of zij braken deze open en verweten hem zijne dronkenschap vruchteloos wil hij zich verontschuldigen, zij wezen hem de blijken daarvan aan, en toen hij nog iets wilde inbrengen, sloegen zij hem met eene knods op het hoofd, dat de hersenen er uitspatten, en wierpen zijn lijk door het venster in de gracht. Den volgende morgen werd het door eene vrouw, welke daar bij toeval voorbij kwam, ontdekt en het gruwelstuk aan de dorpelingen bekend gemaakt. Het geheele dorp kwam op de been, het lijk werd in eene doodskist gelegd, naar Lidlum gebragt en aldaar in het klooster begraven. Eelko is naderhand bij de nakomelingschap als een Heilige vereerd geworden en heeft, volgens het geloof van die tijden, mirakelen gedaan.
    uit: Leeuwarder Courant: 19 juni 1870
    ISAN 187006199041240222
    Oudheidkundige Vereniging Barradeel
    Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken
link naar Google-books
    Uit bovenstaande 6 verhalen komt een redelijk beeld naar voren. De details wijken soms (sterk) van elkaar af. De vraag is echter, klopt het überhaupt wel?
    In Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken van de Friese premonstratenzer kloosters Lidlum en Mariëngaarde : Een nadere studie, editie en vertaling / Herman Lambooij wordt ook ingegaan op deze moord, maar ook hoe de bronnen geïnterpreteerd kunnen worden.
    'De auteur [Sibrandus Leo] had een missie die paste bij zijn tijd: hij was uit op een revival van het katholicisme, nadat het protestantisme vaste voet had gekregen in de Noordelijke Nederlanden. Toch bevatten zijn geschriften veel wetenswaardigheden over het Friese kloosterleven in de Middeleeuwen. Dit omvangrijke proefschrift (met teksteditie en vertaling) gaat in op de achtergronden en de context van deze geschiedenissen.'

    De vorsten van Gelder hadden nog steeds de eens verkregen rechten op Friesland. Reinald II had in 1336 door een pandschap een groot deel van het Utrechtsche Over-Sticht in handen gekregen. Hierdoor zag hij mogelijkheden om zijn gebied uit te breidden richting Friesland. De Friezen lagen toch met elkaar overhoop, dus de kaarten lagen gunstig. Hij verzamelde zijn troepen bij Vollenhove. En zoals zo vaak bij de Friezen, zodra er gevaar dreigt, die hun vrijheid wil aantasten, laten ze hun onderlinge veten voor wat het is en vallen de gezamelijk vijand aan. Zo ook nu. De Friezen kwamen over de Linde aanstormen, overvielen de grafelijk benden, die nog niet helemaal op volle strekte waren, en brachten Reinald een nederlaag toe.
    Reinald, geleerd van dit treffen, verzamelde opnieuw een leger, maar nu op de Veluwe, bij Staveren en stak vervolgens bij Zwartewater over. Op 31 augustus 1337 lukte het hem middels een dure zege bij Barlake een bloedige overwinning te boeken. Hierdoor was dat ook meteen de laatste poging. De benden van Reinald bleven nog een poosje door de omgeving zwerven, dat de Frieze bewoners en kloosterlingen van Hemelum, Kuinre en Veenhuizen zelfs Hollandse hulp moesten inroepen (Witkamp III, p. 434, 646).
    Nadat graaf Willem III was overleden en zijn zoon Willem IV zijn titels en gebied overnaam, bleek dat de Friezen het niet zo op hadden met deze Willem. Slechts weinigen Friezen erkenden hem. De burgens van Stavoren echter wel. Zij stuurden 16 maart 1338 vier afgevaardigden naar 's-Gravenhage om hem te huldigen "als haar regte en wettige Heer". Dit werd -zoals gebruikelijk- beloond met Willems bevestiging van alle rechten en privileges (Witkamp III, p. 646).
    Appingedam had in 1327 de stadsrechten gekregen. Dit was mede een poging van de Fivelgoërs om zich te onttrekken aan de steeds toenemende invloed van Groningen. Het haalde niet zoveel uit. De invloed van Groningen bleef toenemen. Ook de daarbij komende behoeften om de waterschapsbelangen ten eigen voordelen te beïnvloeden. Dit schoot bij de landbewoners (Fivelgo, Hunsego en anderen in het verkeerde keelgat. De botsingen leidden er in 1334 toe dat Groningen meerdere malen werd aangevallen. Vele verdedigers vonden hierbij de dood. De overwinnaars vonden het verder nodig om zestig burgers het hoofd door beulshanden te laten afslaan.
    Echter door tussenkomst van het klooster te Selwerd werd een overeenkomst gesloten en bezegeld. Deze hield slechts vier jaar stand, waarna het wederom tot een treffen kwam tussen Groningen en de Ommelanden. Ook nu weer werd er door tussenkomst van het klooster te Selwerd werd een overeenkomst gesloten en bezegeld. Nu werden ook de schaden, maten en munten geregeld en afgesproken dat er een jaarlijkse bijeenkomst werd gehouden door alle belanghebbenden. Deze belanghebbenden werden vertegenwoordigd door de Abten van Aduard en Wittewierum, de Regters uit de Ommelanden en Drenthe en de Burgermeesters van Groningen. Deze overeenkomst van 1338 zou als grondslag dienen voor de latere vereeniging Stad en Lande (Witkamp III, p. 646).

    Tijd voor onderlinge strijd was er verder niet, want op 21 maart 1339 schonk keizer Lodewijk, tegen een vergoeding van 40.000 mark zilver een deel van de Friesche gewesten aan de ook door hem op 19 maart 1339 tot hertog verheven Gelderse graaf Reinald II.
    Groningen, het Goregt en Drenthe haastten zich tot een onderling verbond, waaraan zij, gezien de ernst van de situatie, de naam Pligt gaven. Gelukkig voor de Friezen, Reinald had het te druk met zijn broer, die elders in een strijd ondersteund moest worden.
    Witkamp I, p240: Slag bij Warns. Vanuit het zuiden bleef het even rustig. Daarentegen hadden de burgerij van Stavoren weer eens genoeg van hun heer Willem IV en hoe hij ze ook paaide, ze zegden hun gehoorzaamheid op. De Westergooërs hadden Willem IV sowieso niet erkend. Dus zat er voor Willem IV er niets anders op om dit te straffen. In Amsterdam liet hij een grote voorraad voedsel en wapens bijeenbrengen. De bloem van Hollands, Henegouwens en Zeelands ridderschap werd opgetrommeld en bij Enkhuizen verzameld en ingescheept. En zo ging op 27 september 1345 het grootste leger ooit richting Friesland. Door de onkunde van de vele schippers of door het slechte weer duurde de anders zo korte overvaart nu een stuk langer en kwamen ze allemaal op verschillende Friesche stranden uit. Dit had fatale gevolgen voor dit Hollandse leger.
    Jan van Beaumont landde het eerst, in de nabuurschap van Stavoren, aan de zuidkant van het st. Odulphusklooster. Hij waagde zich onvoorzichtig vooruit en werd door de Friezen in de pan gehakt. Iets noordelijker kwam graaf Willem aan land, maar deze had slechts vierhonderd manschappen bij zich. De Friezen waren veel groter in getal en omsingelden de groep. Bijna alle Hollandsche manschappen sneuvelden hier. Ook de andere gelande troepen delfden het onderspit, want de klokken van de kerken riepen van overal de strijders op en ze waren vastbesloten om de vreemdelingen van de Friesche grond te verdrijven.
    Monument 'Slag bij Warns' door testcees
leaver dea as slaef, liever dood dan slaaf Het grootste treffen vond plaats voorbij het dorp Warns, waar ook het recht werd gesproken. Meer dan 240 ridders en minstens 4500 volgelingen sneuvelden hier.
    Jan van Beaumont ontkwam deze slachtpartij doordat zijn schildknaap Robert de Gluves, hem met geweld van het slachtveld afhaalde en in een vaartuig dwong.
    Onder de gesneuvelden waren uit Henegouwen de heren van Ligny, Walcourt en Antoing; uit Zeeland dei van Borssele Reimerswaal en Kruiningen en uit Holland die van Brederode, Wassenaar, Merwede, Teilingen, Asperen, Montfoort, Zandhorst, Swieten, Naaldwijk en Spangen. Geen stamhuis dat geen lid betreurde, geen burgerij die niet in het ontzettende verlies deelde.
    Willem was ook gesneuveld. De Friezen kapten bij hem het hoofd af, als wraak op hun doden.


    Middeleeuws weekend de Slag by Warns door peppersreflection

    De overste van de St. Jansheeren in Haarlem, de Heer Maarten, toog naar Friesland om daar het lijk op te halen en bracht het eerst naar de abdij Bloemkamp bij Bolsward. Later werd het naar 's Hage en uiteindelijk naar Valenciennes overgebracht.
    Dit vreselijk drama pakte dus uiteindelijk gunstig uit voor de Friezen.
    Het had echter nog wel een nadeel voor de Friezen in Holland. De echtgenote van Willem, de jeugdige gravin, Johanna van Brabant, was zo verbitterd over wat er in Warns had plaatsgevonden, dat ze alle goederen van Friezen in Holland voor verbeurd verklaarde. Ook de Friesche monniken van Mariëngaarde moesten het ontgelden. Zij, die op hun uithof op Marken vertoefden, liet ze in de Zuiderzee werpen. (Witkamp I, p 242-243, III, p. 647).
    Gelukkig maakt Witkamp ook melding van een correctie met betrekking tot het verhaal over de wraakzucht van Johanna van Brabant, de weduwe van Willem IV (Witkamp II, p. 67).
    de Vrije Fries 10 1865 Markerhoofd Door de Rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink is het oude, algemeen verbreidde verhaal, dat zij de monniken op Marken in de Zuiderzee heeft laten smijten, tot een verzinsel verklaart. In zijn bijdrage 'Markerhoofd' afgedrukt in de Vrije Fries, Deel X, pagina 101-131 (bijlagen 132-143), toont hij aan dat Willem de monniken op Marken van hun uithof heeft ontzet en van in zee werpen was dus geen sprake.
    Ook het 'verbeurd verklaren' komt te vervallen, dit zou ook vooraf al zijn geschied.
    Hoe komt zoiets als dit "in zee werpen"-verhaal tot stand? Net als waarschijnlijk iedereen die zich met (geschiedenis)verhalen bezighoud, lees ik de verhalen die zijn opgeschreven door mensen waarvan erkend is dat ze dit betrouwbaar kunnen, danwel waarvan ik denk dat dit zo is. En net als de hierboven vermeldde 6 verhalen, verhaald iedereen datgene wat hij of zij gebruiken kan. Zo lees ik het materiaal door met een Friese bril. Ik wil de geschiedenis van de Vrije Friezen, Friesland en Friezen leren kennen. Dus ik filter alle verhalen op deze context. Alle informatie wat hier niet over gaat laat ik weg. Betrouwbaarheid ontstaat in dit geval door bronvermelding. Het is daardoor voor iedereen na te gaan of het klopt. Vraag is natuurlijk, loopt iedereen de bronvermelding na? Kan iedereen aan de verwezen literatuur komen? En vervolgens, kan het dan ook begrijpend gelezen worden. Ik loop nu al tegen dit probleem op. Zeer oud Nederlands kan ik niet begrijpend lezen. Soms kan ik het niet eens lezen. En als het handgeschreven is al helemaal niet. Laat staan dat dit in het (oud-)Fries of Grieks of Latijn of oud-Germaans, neder-Duits of oud-Engels is. Dan is wel zaak dat je de auteur kunt vertrouwen. Maar, zoals hopelijk nog zal blijken, het is net als in de handel, 'als iets eigenlijk niet voor die prijs te koop kan zijn, dan is dat meestal ook zo en zul je bedrogen uitkomen'. Zo is het dus ook met geschiedenisverhalen. Als het je erg vreemd overkomt, dan zal het dat ook wel zijn. Je bent zelf immers ook een mens en die van 2000 jaar geleden zag er echt niet zo anders uit als nu. Al waren er toen natuurlijk al "man bijt hond"-types, zoals ze er nu ook nog zijn. Dus daarmee dienen we wel rekening te houden.
    Deze dwaling, zoals Bakhuizen van den Brink het noemt begint volgens hem, bij de Friesche geschiedschrijver Sibrandus Leo (ook de brenger van de 6 hierboven genoemde verhalen! Het boek van Lambooij wordt steeds aantrekkelijker) in de vita et rebus gestis abbatum Horti Divae Virginis, bij Matthaeus, Analecta, t. V., p. 258 aan latere geschiedschrijvers als Wagenaar en Arend overgeleverd. Ook de 'opstandige' Bilderdijk geeft er een zelfverzonnen draai aan, door bendes Hollanders op Marken wraak te laten nemen op de monniken.
    Volgens Bakhuizen van den Brink is het aannemelijk te maken dat volgens een van de oudste rekeningen -beschikbaar in het Rijksarchief- aangeeft dat Willem zijn vijandelijkheden tegen de Friezen al 17 januari had afsproken in Alkmaar. Het gevangen nemen van de Frieze monniken op Marken en het verkopen van hun goederen vond kort daarop reeds plaats. Ook had in West-Friesland iets plaatsgevonden wat strookt met de gebeurtenissen op Marken. Verder wordt er gezocht in de mogelijkheid dat Willem voor de Friezen zag: een gemakkelijke uitvalbasis voor Friese plunderschepen zo dicht bij de Hollandse kust, waar ze ook nog eens voldoende voedsel konden halen bij hun stamgenoten.
    In de charters van 23 juli 1346 bij v. Mieris, dl. II, blz. 719 en 720 wordt verteld, dat nadat de pachten over de jaren 1344 en 1345 in plaats van in de abt van Mariengaard waren gekomen, nu in de (lege) schatkist van de graaf was gekomen, werden die goederen openlijk verkocht.
    Hiervoor zou het gehele eiland van Nicolaas Persijns gekocht zijn en hij noemde het eiland reeds Markenhoofd. En dat is hetzelfde als het daarna genoemd werd Markenhoef. Uit de Frieze vorm hovede, is het woord hoofd ontstaan. En deze vorm doet vermoeden dat de Friezen er voor 1352 een vestiging hadden, waar veeteelt of landbouw werd bedreven. Waarschijnlijk heeft Sibrandus Leo met de benaming van het kapel het handschrift van Persijns verkoopbrief, verkeerd gelezen: S. Mariae curia in plaats van Marcae curia, in het hollands Markerhoofd.

    Maar ik wil ook even stilstaan bij de individuele gevolgen van deze slag. De Friezen nog immer strijdend tegen overheersing van wie dan ook en elke keer weer iemand treffen, soms ver weg, een keizer die tegen gunsten of erkenning van zijn bestaan, iemand heerschappij geeft over een gebied, waar hij niet over gaat. Soms dichtbij, een zogenoemde graaf, heer of hertog, die met geweld land wil veroveren en zo heerser wil worden en hierin erkend wil worden of het als wingebied of belastingbetaler ziet. Deze mensen die hun eigen gebied verdedigen tegen andere mensen die dit van hun willen afpakken. En dan de mensen de het willen afpakken, gevangen in een web van netwerken. "Ik heb jou deze gunst verleend, dus nu vraag ik je om voor mij te vechten en je zult rijkelijk beloond worden", of woorden van zo'n strekking. Telkens weer hetzelfde liedje.
    4500 volgelingen. Dit zijn allemaal zonen en vaders, die gezinnen achterlaten, waar minder voor gezorgd gaat worden. En waarom? Omdat een heer het niet kan hebben dat een vrij volk niet naar hem wil luisteren. 240 ridders. Allemaal mannen van eer. Welk een eer? We komen daar nog over te spreken, over eer. En het verschil van deze riddereer en -wat ik dan maar even- Friezeneer zal noemen. 240 ridderfamilies die hun zonen en vaders moeten missen. Maar ook in dit systeem, de veiligheid die deze mensen aan hun omgeving beloofden en nu niet meer zullen geven. Welke gevolgen? Hoe zullen de ridderfamilies reageren op de dood van hun dierbaren? Waar zal het stoppen? Waarschijnlijk bij de hebzucht van de mensen.

    Gedurende het tijdvak van 1316-1345 waren de Friesche gouwen, even als vroeger, door herhaalde watervloeden, ziekten en andere rampen geteisterd. Tegenover het verlies langs de kusten der Zuiderzee kwam echter eene belangrijke aanwinst. De Middelzee, die Oostergoo en Westergoo van elkander scheidde, slijkte allengs op en vereenigde beide landschappen. De hoofdplaatsen aan de Middelzee (Bolsward, Sneek en Leeuwarden) werden daardoor landsteden, zoo als zij vroeger zeehavens geweest waren. Nogtans belemmerde deze herschepping haren bloei niet, want het "Nieuwland' was en heerlijke gifte: het is der vruchtbaarste oorden van Friesland (Witkamp III, p. 647).



















    Van de voormalige st. Maartenskerk in Bolsward is een steen bewaard gebleven en tijdens de bouw van de nieuw kerk ingemetseld. Deze steen is uit de periode 12e-begin 13e eeuw.
    J.H. Koster zal het vermoedelijk getekend hebben en vervolgens is er door F. Orloff een houtgravure van gemaakt, anders kan ik de twee namen hierbij niet verklaren.
    De steen zelf is een rode Bremer zandsteen met voorstellingen uit het leven van Christus en Sint Maarten. (Witkamp III, p. 647, Martinikerk Bolsward).

    Middelzee uit de Friesche Volksalmanak van 1889, p.158
    Middelzee uit de Friesche Volksalmanak van 1889, p.158

    Mix Middelzee uit Nederland als Polderland, kaart VI c en GoogleMaps
    Deze kaart is een mix van een Google-maps uit 2011 en de Middelzee-kaart VI c uit het boek 'Nederland als Polderland'. Hierin is de Middelzee in gearceerd weergegeven en de dijk van waarschijnlijk het groot-Middelzee -zoals het ver voor 1300 was- met een afwijkende kleur ingetekend.
    De schalen van ongeveer 1:87000 komen bijna met elkaar overeen. De kaart van VI c is met 101% vergroot en komt grotendeels overeen met de Google-Maps kaart. En dat is op zich al een hele prestatie van de kaartmakers van weleer!
    Om de kaart enigszins leesbaar te houden zijn van de kaart VI c alleen de dijken + namen, de vaarten, kanalen, riviertjes en enkele kloosters overgenomen. Alle plaatsnamen zijn weggeretoucheerd, maar de plaatsaanduidingen -aangeduid met rondje + stip- zijn wel gehandhaafd, maar wel opnieuw ingetekend.

    Witkamp III, p645: De St. Maartenssteen te Bolsward (J.H. Koster - F. Orloff).

    Middelzee uit Nederland als Polderland, kaart VI c
    Middelzee uit Nederland als Polderland, kaart VI c Wikipedia merkt op, dat steden als Sneek -wel aangegeven op beide kaarten- rond de dichtslibbing nog niet bestonden.
    Letterlijk gezien klopt dit, maar als dorpen waren ze er wel al.
    Tussen 1200 en 1300 slibde de Middelzee tot aan Het Bildt dicht. Het stuk wat afgesloten is met de Hooge dijk is aangeslijkt tot de 14e eeuw.
    Sneek (aan groot Middelzee) ontstaat rond 1000, 1496 stadsrechten (in 13e eeuw al enige stadsrechten).
    IJlst (aan groot Middelzee) ontstaat rond ...., 1268 stadsrechten. (bevesting 1450)
    Leeuwarden (aan Middelzee) ontstaat rond ...., 1285 (als Nijehove) en 1435 (als Leeuwarden) stadsrechten.
    Bolsward (aan groot Middelzee) ontstaat rond begin van de jaartelling, 1455 stadsrechten.

    Tirns (aan Middelzee, in dichtgeslibt groot Middelzee); Van 1406 tot en met 1572 stond bij Tirns het klooster Thabor
    Scharnegoutum (aan Middelzee, in dichtgeslibt groot Middelzee); begon als terp, vermoedelijk bewoont 4e eeuw
    Irnsum (aan groot Middelzee); slag aan de Boorne, Het leger van de Friese koning Poppo werd in de slag door de Frankische hofmeier Karel Martel verslagen.
    Deersum (aan Middelzee, in dichtgeslibt groot Middelzee); heeft kerk uit 13e eeuw
    Rauwerd (aan groot Middelzee); bestond al.
    Weidum (aan Middelzee); heeft kerktoren uit 11e eeuw
    Jeltum (aan Middelzee)
    Marsum (aan Middelzee); rond 1300 ontstaan op kruispunt oude zeedijk naar Bolsward en een zeedijk die een gedeelte van de Middelzee afsloot.
    Beetgum (aan Middelzee)
    Berlikum (aan Middelzee); ontstaan als terpdorp aan de monding van de Riedstroom, destijds een slenk uit de Middelzee; in 1355 zichzelf stadsrechten mogelijk toegekend, dus bestond toen al.

    Ondanks de eendracht die de aanval van Willem IV had gebracht of de Friese gouwen, ook uit Hunsego en het Oldambt waren Friezen komen opdagen om het gevaar te bestrijden. Maar nu het gevaar weer geweken was, stak de partijenkwestie weer de kop op. Groningen en de Ommelanden gingen eigenlijk gewoon weer verder waar ze gebleven waren. Groningen richtte met een uitval een bloedbad aan in Hunsego. In Langewold kregen ze echter zelf de kous op de kop.
    Er werd op 2 februari 1346 een verdrag gesloten tussen de Abt van Aduard (of Adewert) en Groningen, waarin werd afgesproken dat alles wat te regelen viel tot behoud van de vrede in het Zeeland tussen de Lauwers en de Eems. één maal per jaar door elk 2 afgevaardigden in Groningen geregeld zou worden (Witkamp III, p. 648).
    Groningen werd in de gaten gehouden door Jan van Arkel, de kerkvoogd van het Sticht Utrecht, dat ze niet te zelfstandig werden. Door een zelfde belang -het huis van Coevorden zou door huwelijk meer macht in Groningen krijgen dan hun lief was- sloten ook Groningen en van Arkel een verdrag op 7 juni 1360, waarin de burgers volledige vrijheid behielden en bescherming van de Over- en Nedersticht zouden krijgen.
    Intussen zagen de Friezen tussen het Vlie en de Eems met lede ogen aan, dat steeds meer gebieden werden ingelijfd onder een heer, graaf of hoofdeling. West-Friesland was Hollands geworden, Westerwolde Münstersch. In Oost-Friesland waren diverse hoofdelingen macht aan het verwerven:
    Edo Wimken in Rüstringen, Ostringen en Wangerland;
    de Cirksena's rondom Greetsiehl;
    de ten Broeke's (of Then Brok's) in Broekmerland, Marienhaf en Auricherhafe.
    link naar Cartago, handgeschreven verbond 9-9-1361 verbond 9 september 1361
    Bij Cartago zijn naast de 2 originele handgeschreven pagina's (1 en 2) ook nog twee andere gedrukte beschikbaar.
    handgeschreven verbond 9-9-1361 pagina 1 In "Oorkondenboek Groningen en Drenthe, nr. 509" staan staan twee pagina's waarin "De overheden van Westergo, Oostergo, Humsterland, Hunsingo, Fivelgo het Oldambt, Reiderland, Eemsgo, Brokmerland en die van de stad Groningen hernieuwen voor de tijd van zes jaren de bepalingen, vroeger bij den Upstalboom vastgesteld, met bijvoeging van enige andere.": ogd0509a en ogd0509b;
    In "Monumenta Groningana, pag. 229, nr. 66" bestaande uit zes pagina (1, 2, 3, 4, 5 en 6) is ook voorzien van nederlandtalig commentaar en opmerkingen.
    Kortom de vrijheid van de Friezen in het nauw. Groningen ondernam actie. Ze kochten het sterke slot Kortinghuis van Herman van Couvorden en sloopten het. Op 9 september 1361 sloten ze een plechtig verbond met alle omliggende gewesten: Oostergoo, Westergoo, Humsterland, Hunsego, Fivelgo, het Oldambt, Reiderland, Emesgo en Broekmerland. Alle vroegere overeenkomsten werden weer bevestigd en met nieuwe bepalingen vermeerderd. Ook werd wederom afgesproken om dit jaarlijks te bespreken in Groningen. Alle genoemde Friese Zeelanden zouden elkaar bijstaan bij bedreiging van de vrijheid. De dichtbij wonende zullen hun hulp binnen acht dagen geven en die verder wonen binnen 14 dagen.
    Door dit verbond werd Groningen, hoewel het eigenlijk buiten Friesland lag, toch de hoofdplaats van de Zeelanden tussen Vlie en Eems (Witkamp III, p. 650-651).

    Helaas zorgde dit verdrag er niet voor dat de binnenlandse onrust niet meer voorkwam. De wraakoefeningen vonden veelvuldig plaats. Ook de kloosterlingen, door rijkdom en weelde baldadig geworden, wilden door de wapenen hun gelijk halen. Zo werden de lekebroeders van Bloemkamp of Oldeclooster naar het proostdij 's-Heeren-Wijngaar (bij Pingium) gestuurd om deze te bevechten (Witkamp III, p. 651).

    zoutwinning uit turf
bron: film Atlantis der Nordsee handel
bron: film Atlantis der Nordsee In deze tijd ging het in de handel rond de Noordzee goed. De Hanse-steden deden goede zaken. Ook aan de Frieze kusten.
    Zo lag er in Noord-Friesland waarschijnlijk tot 1362 een bloeiende stad met de naam Rungholt. In deze stad leefden en werkten een paar honderd mensen. De stad was rijk geworden omdat er turf gewonnen werd. Nu is turf op zich niet veel waard, maar wel als er zout in zit.
    link naar de film
Atlantis der Nordsee Dit zout werd dus gewonnen uit het turf. Dit turf werd eerst verbrand en het as werd in blokken geperst en aangeleverd. Door het met water te spoelen, kwam het zout eruit. Men bleef spoelen tot dat het water zout genoeg was. De zoutconcentratie werd gemeten met een rouw ei. Wanneer deze bleef drijven, dan kon met verder met de volgende fase van de zoutwinning. Hierna kon men verder met het verdampen van het water. Uiteindelijk hield men 25 kg zout over, gewonnen uit 1 ton turf. Kortom, zout was het witte goud. En daar werd men rijk van.
    Door deze zoutwinning kon ook ander waar langer bewaard worden, zoals vlees en vis. En dus vond ook deze werkzaamheden hier plaats. Zo versterkte het een het ander.
    Alles vernietigend Sint-Marcellusvloed begint om 17:00 16.01.1362
bron: film Atlantis der Nordsee En het leven was een feest. Ook zal het zo in de andere opkomende handelssteden toe zijn gegaan.
    Rungholt (Rongholt)
bron: Atlas Maior / Joan Blaue, p. 172-173 Maar op een namiddag kwam er een storm opzetten. Deze bleek zo heftig te zijn dat het een stormvloed veroorzaakte en golven produceerde die hoger waren dat tot nu voorgekomen waren, want ze overspoelden zelfs de wierden. Alles werd vernietigd langs de Frieze kust en andere Noordzee kusten. Sint-Marcellusvloed begon om 17:00 op 16.01.1362.
    En zo verdween ook Rungholt (Rongholt op het ingebroken eiland Nordtstrandt in Atlas Maior). Sinds de 20e eeuw zijn er archeologische vondsten gedaan en heeft men bewijs gevonden dat deze stad echt heeft bestaan.

    Het verbond met Groningen van 1361 werd 29 augustus 1368 door een uitgebreidere in Groningen vervangen, echter nu alleen door de gewesten tussen de Lauwers en Eems. Groningen was ook toegetreden tot de Hanse-steden en zo steeg het aanzien nog meer. In Stavoren ging het wat dat betreft slechter. De haven begon te verzanden (Witkamp III, p. 651).

    Het stoken van bevolkingsgroepen tegen deze of gene vorst, door een of andere geestelijke had vaak z'n uitwerking niet. De opstand van de bewoners van Terschelling tegen de hollandse graaf hertog van Albrecht van Beijeren kwam hun duur te staan. Ook de binnenlandse vetes gingen gewoon door. In 1378 gingen in Hunsego en Vivelgo door brandstichting verschillende plaatsen in vlammen op. In 1380 vond in Arum in Wonseradeel een bloedig gevecht plaats tussen Reinier Cammingha, Abt van Bloemkamp, aanhanger van de Schieringers en de monniken van Ludingakerk (aanhangers van de Vetkoopers). Aan beide zijden sneuvelden minstens 150 personen (Witkamp III, p. 652).

    In Oost-Friesland raakten de hoofdelingen Edo Wemken en Hajo Huseken met elkaar in de clinch. Stonden de zwagers eerst nog op goede voet met elkaar, Hajo was gehuwd met Jarste, Edo's zus, nadat Hajo Jarste had verlaten verkeerden ze in staat van oorlog. Hajo trok aan het kortste eind en stierf een wreede hongerdood één van Edo's burgen. Edo was daarnaast een van de gevaarlijkste tegenstanders van de hollanse koopvaarders.
    Tussen 1378 en 1380 brachten diverse stormen verschillende overstromingen voort, zodat diverse plaatsen van de aardbodem verdwenen. Ook vaarroutes veranderden en de haven van Stavoren kreeg kwijnde steeds verder weg.
    In 1381 verklaarde