Op zoek naar een mooi, leuk en uniek kado? Ga in nieuw scherm naar mijn PASFOTOBOEKJES en schrijfboekjes-site.














Of bekijk de kleurrijke schilderijen-expositie van m'n broer.


Ontdekking van de
Vrije Friezen








Geschiedenis van hun route (Deel 2, Versie 5.4, 18 november 2017)

Na enkele algemene buitenlandse reisverslagen, deden we een 'weekendje Noord-Groningen'. Hier begon de 'eyeopener' en datzelfde jaar volgde het vierde reisverslag. Gegrepen door het uitgestrekte landschap en het verhaal van de Vrije Friezen, gaan we op zoek naar het land van deze Friezen (in een gebied wat nu buitenland heet), te weten Ostfriesland en Nordfriesland. Oogt dat land hetzelfde wat we ontdekt hebben in Noord-Groningen? Waarom heet Groningen eigenlijk Groningen en niet bijvoorbeeld ook gewoon Friesland (ik noem maar iets)? Is er naast West-Friesland ook nog een Zuid-Friesland? Of zijn dit onzinaanduidingen? Hoe zit het nu eigenlijk met die Friezen en vooral de Vrije Friezen. Kortom een zoektocht naar het verhaal van en over de Friezen.
Om het geheel beter te begrijpen duiken we in dit verhaal de geschiedenis in middels een literatuuronderzoek, dat tijdens de reis van 2011 echt begon. In 2012 wordt de zoektocht naar de handelende Friezen voorgezet in het reisverslag 'Hanzesteden aan de Oostzee', in 2013 en 2014 bezoeken we de Friezen in 'Friesland, provincie in Nederland' en 'Friesland uit het veen'. In 2015 bezoeken we twee delen van wat we nu de provincie Zeeland noemen. De vondsten (foto's, literatuur, feiten) van deze reizen kunnen uiteindelijk hier in het literatuuronderzoek worden vermeld.
Ontdekking van de Vrije Friezen bestaat uit de delen:
Deel 1: Reisverslag
Deel 2: Literatuuronderzoek
"Geschiedenis van hun route"

Deel 3: Literatuurlijst
Deze reis kwamen we bijzonder veel nieuwe boeken tegen die hopelijk antwoorden bevatten op de gestelde vragen. Naast het reisverslag en literatuuronderzoek wordt deze drieluik afgesloten met een literatuurlijst. Veel van deze boeken op deze lijst zijn tegenwoordig online te lezen. De titels van deze boeken heb ik gelinkt naar de full-text boeken, zodat ze niet meer opgezocht hoeven te worden.
De bijzonderheden van de Friese (en Groningse, maar ook Nederlandse en Duitse) geschiedenis probeer ik chronologisch in dit literatuuronderzoek weer te geven. Deze ontdekkingstocht roepen echter weer allerlei nieuwe vragen op, waarop ik een antwoord probeer te vinden.





Literatuuronderzoek

Inhoud
1 Intro

2 Intro nieuw gelezen en verwerkte boeken en artikelen

3 Geschiedenis
  • Eerste kennismaking

  • Producten

  • Twee brutale Friezen

  • De Franken

  • Volksverhuizing

  • Friesche uitbreiding

  • Fries achterland

  • Noordzeehandel

  • Behouden vaart

  • Koninklijke domeinen

  • Fries-Saksische samenwerking tegen Franken

  • Friesche gouden eeuwen
         Birten
         Duisburg
         Mainz
         Worms
         Friesenheim
  • Huisvesting

  • Route Noordzee naar de Oostzee

  • Elisenhof

  • Hollingstedt

  • Haithabu / Heiðabýr / Hedeby

  • Dorestad / Dorestat

  • Marktverplaatsingen

  • Koning Adgil/Aldgisl

  • Naamgeving

  • Gouwen

  • Radboud, Franken en kerstening

  • Landeigenaar

  • Bonifacius

  • Die Magnusküren

  • Saksen

  • Gunstbrief Karel de Grote

  • Verdrag van Saltz

  • Zeven Zeelanden

  • Ludger/Liudger

  • Lex Frisionum

  • Vrij en onvrij
         Slaven
  • de Denen

  • Friese handel

  • Lodewijk de Vrome

  • Opdeling

  • de Denen II

  • Verdrag van Meerssen

  • Internationale handelsroutes

  • Ontstaan boerengenootschap

  • Frankische wereld

  • Staatsvorming en religie

  • Saterland

  • Einde gouden periode in 10e eeuw
         Tielse handelaren
         Begin Hanse
  • 11e en 12e eeuw
    Friese heerschappen van Holland
         Holland - Holtland
         Bijnamen
         Friese Heren
         Slag bij Vlaardingen 1018
         Slag bij Nederhemert 1061
         Dirk V
         Floris II

  • Overstromingsgevaar

  • Gouden hoepel

  • Vorsten van Brunswijk

  • Christendom

  • Boerenrepubliekjes
         Kampvechters
  • Kruistochten

  • Süsel

  • 't Zwin en Brugge

  • Scheepvaart

  •      De zwijgende tol

  • de Kamper Kogge

  • Kampen

  • Navigatie

  • Vrije Rijkssteden

  • de Vrije Fries

  • Oudfriese Boeteregisters

  • Upstalsboom

  • Rechtelijke functies


  • 13e t/m 15e eeuw
  • Fluessen

  • Maria's poort

  • Bloei

  • Baksteen

  • 5e kruistocht / Damiate

  • Groningen

  • Slag bij Ane

  • Tweespalt / Willebrand van Oldenburg

  • Het juk van de geestelijken

  • Zelfstandig bestuur stad Groningen

  • West-Friesland

  • Noord-Friesland

  • Verdrag tegen piraterij

  • De Mongolen zijn onderweg

  • Groei

  • Haet is riucht?

  • Blokkade handelsroute

  • Begin van einde Friese Vrijheid

  • Einde Saterlanders vrijheid

  • De Dollard rond en na 1277

  • Munter A

  • Muntendam

  • Johannieter klooster van Bokelesch

  • Verbrokkeling

  • Dordts Stapelrecht

  • Verrijking van Kampen

  • Wraak West-Friezen
  •      Slag bij Warns

  • Verloochening

  • Hanze Oorlog 1368

  • Vrede van Stralsund

  • Vetes

  • Wordt er nog gehandeld?

  • Slag bij de Oxwerderzijl

  • "Freeska Landriucht"

  • Keizer Sigismund

  • Verhoging veteboeten

  • Eer

  • Familie Cirksena

  • Fria hals

  • Verdragen vrije verkeer van handelsgoederen

  • Groningen, kampioen van de Friese Vrijheid?

  • De eerste IJsselbrug 1448

  • Donia-krijg 6/1458-12/1463

  • Post

  • Windmolens

  • Hertog Albrecht van Saksen

  • Jakobus, Karel de Grote, het Friese Recht en vrijheid

  • Eigenerfden, edelen en ridders


  • 16e eeuw
  • Turfhandel

  • Pier Gerlofs Donia (Schieringer)

  • De vijanden van Kampen

  • Reformatie

  • Karel de V en de Turken

  • Scheepvaart volgens kaart

  • Ontstaan turfcompagnieën

  • Tachtig jarige oorlog

  • Unie van Utrecht

  • Republiek of Vorst

  • Reductie

  • Einde Twaalfjarig Bestand
  •      De strijd om de Tolbrugschans

  • Beklemrecht

  • Gouden Eeuw

  • Kalenderhervorming

  • Recht op kloosterveen
         Surhuisterveen
  • Nieuwe turfcompagnieën
         Meer participanten
         Eerste Pekeler
  • Dertigjarige oorlog

  • Pekelvenen

  • Caerte van de Peeckel

  • Bewoners aan de Pekel A

  • Wie is de Stad?

  • Ommelander Compagnie

  • Oude Friesche Compagnie

  • Borgercompagnie

  • Muntendammer Compagnie

  • Tripscompagnie

  • Groote Muntendammer

  • De verveners rond Munter A

  • Republiek of Koninkrijk

  • Invloed kerk op staat en andersom

  • Verdeling van de macht

  • 1672

  • Vrije Friezen

  • Onontgonnen veengebied

  • Nieuwe beroepen

  • Pekela in kaart

  • Pekela's eerste regels

  • Saterland als doorvoerland

  • Inpolderen 'ruige waarden'

  • Pekeler turfhandel
         Jurjen Koerts
  • Pekeler scheepswerven en schippers
         Eije Sijbrands
         Verzekeringen
         Geert Berents Kolk
  • Totale turfproductie

  • Theeritueel

  • Hoche's rondreis

  • Franse invloed
         Belasting ... en de gevolgen
         Harm Potjewijd
         Volkssoevereiniteit
         Koert Jans Dik
         Mairie Pekela
         Conscriptie
  • Sleeswijk-Holstein Kanaal

  • Veenkoloniaal scheepsbouw

  • Saterland bezoeken

  • Levensonderhoud in Saterland

  • Stormen eind 1821
         H.J. Kreuter
         J.E. Dik
         R.J. Boeling
         J. Taaks
  • Voor- en tegenspoed

  • Lokaal bestuur

  • Westers onderwijsvernieuwing
         Bibliografie van Hendrik Wester
  • Stormvloed 1825

  • H-deletie

  • Bewoners Oude Pekela Sectie A 1832

  • Veenbrand 1833

  • Afscheidingsboete

  • Nationalisering
  •      Leaver dea as slaaf

  • Amerikagangers
         Ommelander landverhuizers
  • Einde topjaren veenkoloniale scheepvaart

  • Landbouwontwikkeling
         De Vrieze (onderwijsfamilie)
         Bibliografie van K. de Vrieze
         De Aardappel
  • Nieuwe gedachten dringen door

  • Industrie
         Domela Nieuwenhuis
         Bibliografie Ferdinand Domela Nieuwenhuis
         Vervuiling Pekel A
         Stakingen
         Contra akties
         Politiek
  • Schippers van Saterland

  • 20e eeuw
         Kartonnagefabrieken
         Cartonnagefabriek Gebr. Sparreboom
  • Electrisch bemalen
         Electrisch bemalen in Saterland
  • Transport

  • Friese Raad

  • Friese Talen
         Het Saterfriesisch
  • Runenstenen van Jelling

  • Hanzesteden
  • 21e eeuw

  • Samenwerkingsvormen

  • LancewadPlan

  • Interfriese Raad

  • Hanzedagen

  • Schippers en Scheepvaart

  • Indelingen van Nederland

  • Identiteit

  • Nieuw natuurgeweld: aardschokken

  • Democratie
         Anders stemmen
  • 4 Oorlogen

    5 Overstromingen/stormen

    6 Religie
  • Heidendom
  • Kerstening
  • Rooms-Katholiek

  • Lutheranisme
  • Mennonieten
  • Uckowallisten
  • samenvattend

  • Afscheiding De Cock
  • Scholte splitst Afscheiding
  • Afsplitsing Ledeboer
  • 7 Geografisch

    8 Bewoning

    9 Mens

    10 Lessen

    11 Literatuurlijst






    Intro
    Een levend literatuuronderzoek... aan verandering onderhevig... bij elk nieuw gelezen boek zullen de kaarten anders kunnen komen te liggen.
    Het verhaal zal dan ook telkenmale herschreven worden. De feiten verdraaid? Of juist onderuit gehaald! Wat is aannemelijk en wat juist ongeloofwaardig.
    En krijgen we antwoord op de reeds gestelde vragen?
    We zullen het allemaal kunnen zien de komende jaren. Want het is ongelooflijk, de hoeveelheid documenten die gelezen kunnen worden over dit onderwerp. Mogelijk en hopelijk vallen af en toe weer een paar puzzelstukjes op z'n plaats.
    Ik hoop dat de sneeuwbaleffect-methode een steentje gaat bijdragen, om de te lezen boeken binnen de perken te houden.
    Welbewust stappen we in dit verhaal, wetend dat we hiermee een continuïteit willen ontdekken, waarmee we ons waarschijnlijk in zekere zin voor gek zullen gaan houden. Immers, ook dit geschiedenisverhaal zal niet objectief verteld kunnen worden. Mijn vertrekpunt en haltes bepalen de richting. Echter de nieuwsgierigheid naar het onbekende en het willen begrijpen zal ook mede bepalen wat er aan bod komt.
    Bert Looper legt in Betten/Fries, p. 106-108 uit, welke valkuilen we kunnen tegenkomen. Ook Michael Pye in Noordzee, p. 27 wijst op het gevaar van de waarheid van verborgen verledens, het misverstaan van de geschiedenis of het eenzijdig geschreven geschiedenisverhaal van een natiestaat. Dit natiestaat-begrip alleen al geeft al de nodige misverstanden. Ernest Renan (1823-1892) geeft in 1882 hierover een boeiende lezing. Het gaat in het verhaal om de verbanden en de verhalen in de juiste belichting plaatsen. Spanninga haalt deze eenzijdige geschreven geschiedenisverhaal - vanuit Hollandocentrische gezichtspunt - of zelfs volledig doodgezwegen verhalen aan op p. 22-27, om te verklaren waarom zijn Gulden Vrijheid?-verhaal geschreven diende te worden.






    Introductie van enkele nieuw gelezen en verwerkte boeken en artikelen
    'Feitjes stampen verrijkt ons' / Peter Giesen. - INTERVIEW Joshua Foer. - ISAN 20110924 90 4008 06 1 1 (in: de Volkskrant : het Vervolg, 24-09-2011, p. 6-7)
    Joshua Foer onderstreept nog maar weer eens dat het weten van feiten belangrijk is. Zodoende kun je namelijk combineren en tot nieuwe inzichten komen. Snoeihard concludeert hij dan ook "Tot nu toe heeft Google nog nooit één creatieve gedachte gehad".
    Tuurlijk, Google en de vele andere databases zijn handig om dingen in op te zoeken, maar de mens zal het toch zelf moeten lezen en onthouden om nieuwe stappen te kunnen zetten.


    Groninga Dominium – geschiedenis van de cartografie van de provincie Groningen en omliggende gebieden van 1545-1900 / Piet H. Wijk. - Groningen / Assen : Philip Elchers en Van Gorcum, 2006. - ISBN 9789023242413

    Van Standen tot Staten : 600 jaar Staten van Utrecht 1375-1975. - (Stichtse Historische Reeks, I.) - Utrecht: Stichting Stichtse Historische Reeks, 1975. - ISBN 9025702724
    Dit boek geeft een aardig beeld hoe het er aan toe ging, vanaf 1375.
    Opmerkelijke zaken:
    p68: 1593, de tijd van Oldenbarnevelt. Om aan de Franse burgeroorlog een einde te kunnen maken werd door de Franse gezant Choart de Buzanval aan de Staten-Generaal om een subsidie gevraagd. Utrecht was de enige die bleef weigeren hun aandeel op te brengen. Hierdoor kwam echter de gehele subsidie in gevaar. Waarom? De bedragen van sommige andere provinciën werden berekend als veelvoud van Utrecht. Dus als Utrechts bedrag 0 bleef, dan zou een veelvoud van 0 ook 0 opleveren. Buzaval was echter niet voor één gat te vangen en ging naar Utrecht. Hij wist alsnog de zaak te regelen door aan de Staten van Utrecht het bedrag van hun aandeel uit de verleende subsidiegelden terug te betalen. Had Utrecht een invloed van zo'n 6%, Holland had zo'n 60% en Friesland zo'n 12%. De truc die Buzaval uithaalde was dus Utrecht bereidt vinden om bijvoorbeeld 60.000 te betalen, zodat hij bij de anderen totaal 940.000 kon ophalen, waarna hij de 60.000 weer aan Utrecht terugbetaalde. En zo kon dan toch met bijvoorbeeld 880.000 netto naar huis. (Het zou me ook niets verbazen als Utrecht -in dit rekenvoorbeeld- iets meer dan die 60.000 terugkreeg, dan wel eiste!)
    p69: Een opstandje door democratisch gekozen burgerhoplieden over een 5% huurbelasting, terwijl de 170 kanunniken (met "vette prebenden") van deze belasting zouden worden vrijgesteld, ging niet door omdat Van Meeteren de burgerhoplieden in het gelijk stelt. Grotius noteert dit als zodanig in de Annalen. De Staten van Holland laten dit echter na diens dood in een herziene uitgave herschrijven, in een voor de kanunniken gunstige zin.
    p86: Nadat in februari 1619 op de Dordtse synode de remonstranten waren veroordeeld en alle predikanten waren afgezet en waren vervangen door onder andere Maurits (prins van Oranje) gunstelingen, kwamen er toch een aantal in de problemen. Ledenberg dacht -nadat hij gevlucht was- dat de kust weer veilig was, omdat Maurits Utrecht had verlaten, zonder arrestaties te verrichten. Dit was een misvatting. Hij te Utrecht, Oldenbarnevelt en de zijnen te Den Haag werden tegelijkertijd in augustus gearresteerd en naar Den Haag overgebracht. Ledenberg sneed zichzelf de keel door, om zo een veroordeling met verbeurdverklaring van goederen te voorkomen. Echter de Staten-Generaal en de Staten van Utrecht wilden zich echter die buit niet laten ontgaan en zo werd Ledenberg acht maanden na zijn dood alsnog veroordeeld om in zijn doodkist aan een galg te worden opgehangen, terwijl zijn vermogen verbeurd werd verklaard.
    p120: Dat mensen er altijd toe doen en dat het altijd mensenwerk is die veranderingen doorvoeren of dit pogen, blijkt onder andere uit de strijd die Gisbertus Voetius, primarius theologiae professor voerde en z'n hoogtepunt in 1660 kreeg. De strijd van scheiding tussen kerk en staat. Of te wel iemand kan niet van beide wallen eten, wat meestal neerkwam dat men overstapte naar de kerkgemeenschap waar men nog een functie met prebenden kon scoren.
    p144: Rond 1689 zijn diverse partijen ongerust over het schandaal, dat regenten der belangrijkste steden van Holland de grootste staatsgeheimen doorvertelden aan hun familieleden. Specifiek ging het om Huydecoper van Maarseveen en Timmerman. Pijnlijk was dat deze familieleden contact hadden en dineerden met d'Avaux (de ambassadeur van de Franse koning). Beiden waren echter ook getrouwd met een dochter van Joan Coymans en daardoor nauw betrokken waren bij het Amsterdamse huis Coymans & Co., dat weer grote commerciële belangen had in Spanje en in deze jaren in het bezit was van het asiento, het recht [!] om negerslaven aan de Spaanse koloniën in Amerika te leveren.
    Op pagina 112 (met noot 126 op pagina 132) staat voor mij nog iets onduidelijks vermeldt:
    De zeven vrije landen, geboeid aan voet en handen
    door Willem en door Fagel, twee goden van 't Jan Hagel

    zie: Burleske notulen van de Staten van Zeeland, toegeschreven aan de Vlissingse pensionaris Michielsen. RA Zeeland, Collectie De Jonge 47
    Op diverse plaatsen wordt het rampjaar 1672 aangehaald. Deze teksten kunnen natuurlijk vergeleken worden met het boek van Luc Panhuysen: Rampjaar 1672 : Hoe de republiek aan de ondergang ontsnapte. Te gebruiken zijn onder andere de pagina's 94, 105, 125 en noten p. 129 en namenindex vanaf p 253.
    Op pagina 164 staat een relaas over Engelse en Franse correspondenten die schrijven over de situatie van de Republiek in 1705. Volgens hun staan er twee groep tegenover elkaar: de orangistische partij die de stadhouder van Friesland tot stadhouder van alle gewesten wilde aanstellen en de staatsgezinde groep on der leiding van Welland (Godard Willem van Tuyll van Serooskerke, heer van Welland). Dit roept bij mij de vraag op: Was heel Friesland intussen orangist of waren dit slechts enkele machthebbers?
    In het laatste gedeelte van dit boek over de periode rond 1975 en derhalve niet besproken, welke echter wel her en der erg grappig is geschreven door J. Schuttevâer, staat een leuk citaat uit NRC Handelsblad over Het statenlid dat ik hier toch even wil vermelden:
    Volgens moderne theorieën waren alle grote staatslieden en legeraanvoerders niet anders dan succesvolle delinquenten. De geschiedenis van de mensheid zou veel beter verlopen zijn, als ze allen tijdig onder reclasseringstoezicht waren gesteld. Tegenwoordig gebeurt dat ongetwijfeld ook, vandaar dat we alleen middelmatige politici overhouden.
    J.J. Abspoel in Hollands Dagboek, Zaterdag Bijvoegsel, 3 augustus 1974

    'Geluk wordt overschat' / Peter Giesen. - INTERVIEW Simon Critchley. - ISAN 20111001 90 4008 06 1 1 (in: de Volkskrant : het Vervolg, 01-10-2011, p. 6-7)
    Enkele uitspraken en denkbeelden gebruikt in 9 Lessen.

    Nederland als Polderland : Beschrijving van den eigenaardigen toestand der belangrijkste helft van ons land, tevens bevattende de topografie van dat gedeelte met de voornaamste bijzonderheden, toegelicht door kaarten en teekeningen / Dr. A.A. Beekman. - Zutphen : W.J.Thieme & Cie, 1932. - 3e druk

    Zoals de ondertitel al doet vermoeden, maar nog niet geheel duidelijk geeft Beekman in dit ruim 500 pagina's tellend boekwerk gedetailleerd uitleg over ons waterstaatkundige gebied. Mijn insteek hierin is om begrip te krijgen van de rivieren en kanalen, de kust, eb en vloed. Met dit begrip valt misschien ook beter te begrijpen welke strijd de Vrije Fries aanging voor het behoud van zijn woongebied. Immers de huidige invloeden van zee en rivieren waren er toen ook al. We denken dat ze nu redelijk getemd zijn, al blijkt regelmatig dat de strijd nooit over zal gaan. En zo kunnen we misschien beter duiden waaraan de Friezen van 2000 jaar geleden nog moesten beginnen.

    De Friese hoofdeling opnieuw bekeken / J.R.G. Schuur (in: BMGN, CII (1987), afl. 1, p. 1-28)
    Schuur bevestigd hierin nog eens het gelijk van N.E. Algra en toont hiermee het ongelijk aan van de theorie van I.H. Gosses, met betrekking tot die tijd -jaren 50 van de 20e eeuw- heel bijzondere politieke en maatschappelijke systeem van de 'Friese Vrijheid'. Althans dat beweert Schuur zelf. Aangezien ik nog totaal geen kaas gegeten heb van deze discussie, kan mij slechts beroepen op m'n leesvaardigheid en onkunde met betrekking tot dit onderwerp. En dus heb ik alleen maar vragende opmerkingen en gewone vragen:
    Op p. 23 gaat het over de werkelijk machtsverhoudingen. Mijn primaire reactie is dan een van inleving in die periode (en dat is volgens mij niet veel anders dan heden, als het om dit onderwerp gaat). Bij inbeelding over de gang van zaken toen, kom je misschien tot andere inzichten. Immers, macht of neutraler gesteld (tijdelijke) invloed krijg je van de anderen, omdat zij dit aan je geven en/of toevertrouwen. Dat dit soms ook wordt beschaamd, daarvan zijn voorbeelden te over. Wordt het beschaamd dan lijkt het logisch dat deze persoon deze invloed kwijtraakt en voorlopig niet meer terug krijgt. Dit wordt ook ondersteunt door de in de vorige pagina's genoemde transacties.
    Op p. 24 wordt ingegaan op de veranderende situatie met betrekking tot de 'rechtsomgang', van wisselen naar het langdurig innemen van een bepaalde functie door één bepaalde persoon.
    Enkele zinnen zijn:
    Hieruit trek ik de conclusie dat de hoofdelingen de supervisie over de rechtspraak en alles wat daarmee samenhing in handen hadden. Als reden ervoor wordt opgegeven dat op deze wijze recht en vrede beter konden worden gehandhaafd.;
    Dus ook in dit geval werd om een goede rechtspleging te kunnen waarborgen de functie van rechter blijvend aan hoofdelingen opgedragen.;
    Feitelijk zal dit hebben betekend, dat Sicke Sjaarda met de leiding van het gerecht van Franeker werd belast.
    Hieruit kan ik lezen dat men het specialisme van taken aan het uitvinden is, net als die van de molenaar, bakker et cetera. Dat hieruit een bepaalde verantwoordelijkheid uitgaat, staat als altijd voorop. Immers de bakker heeft ook zo zijn verantwoordelijkheid. Met misbruik zou hij ook het hele dorp kunnen uitroeien.
    Dat op p. 25 met Zonder medewerking van deze machtigen kon geen rechterlijk vonnis worden geëxecuteerd. Tegenover een weerspannige overtreder en zijn helpers stond de rechtsgemeente geen ander middel ter beschikking dan een beroep te doen op de persoonlijke macht van enkelen in wier vermogen het lag hierin verandering te brengen. naar een machtsmisbruik wordt gezocht, kan zo zijn, maar dat hoeft natuurlijk niet. En omdat de functie niet meer als tijdelijke extra taak wordt gezien, is het natuurlijk ook logisch dat deze persoon ook een vergoeding hiervoor krijgt. Dat deze uit de zelf binnen geharkte boetes moet komen, werkt natuurlijk niet bevorderend voor een neutrale houding voor dit ambt. Dit hoeft echter nog steeds niet de gelijkwaardigheid van de Vrije Fries in de weg te staan. Dit staat dus wat mij betreft de conclusie in de weg dat het "onomstotelijk vastgesteld is dat de hoofdelingen boven de andere leden van de rechtsgemeente hebben gestaan." Ook "Concreet betekende dit dat de 'ondersaten' aan de jurisdictie en de heerban van de hoofdeling waren onderworpen. Die moest van zijn kant voor bescherming van zijn 'ondersaten' zorg dragen." sluit volgens mij niet uit dat dit zo is. Immers voor iedereen gelden dezelfde regels en afspraken en natuurlijk dient (= komt van dienen!) deze persoon er voor zorg te dragen dat de anderen door deze regels beschermd worden. Hetzelfde geld voor de bakker en de zijl-molenaar. Voor deze en andere functies binnen de gemeenschap zal er echter juist weinig op papier zijn toevertrouwd omdat het zo vanzelfsprekend is. Vergelijk dit maar eens met de situatie van onze huidige tijd: Neem bijvoorbeeld de kranten, ze staan vol van politie- en justitieberichten. Vindt daarentegen maar eens een berichtje over de bakker of zijlmolenaar (i.c. de waterschappen). Sterker: de waterschappen worden elk decennia weer bedreigd om opgeheven te worden. Mensen snappen kennelijk niet dat we droge voeten houden door deze waterschappen. Vertrouwen op elkaars kunde en inzet. Ook het in dit artikel genoemde oproepen tot een verdedigende strijd zie ik geen hiërarchie, immers iemand moet een signaal geven dat er vijandelijke troepen aankomen of een storm op komst is of de dijken op springen staan - ook dit levert een verdedigende strijd op. Kunde, inzet en vertrouwen in gelijkheid kan prima.

    Hef waterschappen niet op / Rik Smits. - Opinie & Debat (in: de Volkskrant, 19-11-2011, p. 31). - ISAN 201111199040113111
    De bits van het bovenstaande stukje waren nog niet opgedroogd, of de discussie begint alweer. Zoals hierboven al aangehaald, telkens weer ontbreekt er bij een generatie de kennis over de waterschappen. Onbekend maakt onbemind. De mens heeft behoefte aan een aantal zaken, zoals drinken, eten, slaap, dak boven je hoofd. Een Nederlander heeft daarnaast (net als andere mensen trouwens) ook behoefte aan droge voeten. De Nederlander moet dit echter zelf organiseren, omdat dit ons gezamenlijk erfdeel is.
    Dit drooghouden of eigenlijk voldoende droog en nat houden (want zo slim zijn we dan ook wel weer) door we al eeuwenlang middels de waterschappen. Dit is niet zomaar een indeling. Nee, deze indeling houdt rekening met de stroomgebieden van de rivieren (wat heeft invloed op welke gronden), boezemgebieden, kanalen, sluizen, et cetera et cetera. Vanwege deze indeling kunnen overeenkomstig ook wijze beslissingen worden genomen en aanpassingen worden gedaan, zonder dat dit voor onnodige conflictsituaties met andere (water)gebieden en hun bewoners zorgt. Iedereen wil immers droge voeten houden. En dit staat verder los van politieke voorkeuren of andere geografische indeling waarin macht een rol speelt. Een andere indeling is eenvoudig niet voorhanden. Rik Smits legt het ook nog eens uit.

    Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer / Henstra vs De Friezen / Van der Tuuk
    In 2013 kocht en las ik
    Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer : een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200) / Dirk Jan Henstra; Anne Tjerk Popkema (bezorgd, tekst- en beeldredactie)
    Estrikken/Ålstråke, 92; ISSN 0921-7657
    Assen : Koninklijke Van Gorcum, 2012. - ISBN 978-90-232-4978-8. - 224 p., 24 x 17 cm

    In 2014 kocht en las ik
    De Friezen : de vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied / Luit van der Tuuk
    Utrecht : Omniboek, 2013. - ISBN 978-94-0190-166-6. - 288 p., 23 x 15 cm

    Zonder hier op dit moment in te gaan op de inhoud -beiden komen tot de conclusie dat er wel een soort van verwantschap is tussen de mensen, maar er kan nauwelijks van een eenheid gesproken worden, laat staan van een Fries volk of een Friese staat- valt er iets anders op aan beiden boeken, de literatuurlijst. Uit de dankwoorden van beiden blijkt dat het manuscript van Henstra al in 2008 klaar was en dat hij o.a. de heer L.A. van der Tuuk bedankt. Van der Tuuk schrijft zijn 'Woord vooraf' in oktober 2013 en geeft aan dat grote stukken van hoofdstuk 6 'De Frankische overheersing', p. 147-192 en hoofdstuk 7 'Tussen noordelijke en zuidelijke koningen. Het Frankisch-Deense strijdperk', p. 193-226 in nauwe samenwerking zijn geschreven met Dirk Jan Henstra. Hieruit begrijpen we dat beide heren elkaar kennen. Wanneer we de literatuurlijst nader beschouwen is het ook niet geheel verwonderlijk dat het teneur van beide titels hetzelfde is. Het signaal, dat er 'innig' contact zou moeten zijn tussen beide heren, kwam, toen ik de literatuurlijst van Van der Tuuk ging toevoegen aan de 'Literatuurlijst volgens sneeuwbaleffectmethode' . De verwijzing van Van der Tuuk kwam regelmatig naast die van Hemstra -die 287 literatuurverwijzingen opneemt- te staan. Van de 137 literatuurverwijzingen die Van der Tuuk opvoert, zijn er zo'n 55 hetzelfde als Hemstra. Daarnaast heeft Van der Tuuk nog 16 maal naar een boek verwezen, dat hij voor andere door hem geschreven titels heeft gebruik. Deze titels had ik al eerder gelezen. Hierdoor zijn ongeveer de helft van de literatuurverwijzingen sowieso al bekend. Uiteraard zijn er nog meer overeenkomsten met andere intussen gelezen documenten. Dit bevestigde het gevoel, dat ik tijdens het lezen kreeg. Het komt me allemaal wel erg bekend voor en ik lees weinig nieuws. Kortom, had ik deze literatuurvergelijking voor het kopen van boek kunnen maken, dan had ik het boek niet gekocht.

    Vier eeuwen turfwinning : De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950 / M.A.W. Gerding
    Het Noorderkwartier : een regionaal historisch onderzoek in de demografische en economische geschiedenis van westelijk Nederland van de late middeleeuwen tot het begin van de negentiende eeuw / A.M. van der Woude
    Deze kloeke boeken beschrijven een lange geschiedenis over een specifiek onderwerp, turf en economie in een bepaald gebied in Nederland.
    Gerding heeft hiervoor 533 pagina's ingeruimd, waarvan 96 pagina's voor de statistische bijlagen, 28 voor het notenapparaat, 20 pagina's voor de literatuuropgave en 12 voor een personenregister.
    Van der Woude gebruikt 856 pagina's en gebruikt 44 pagina's voor de statistische bijlagen en daarbij nog eens 96 pagina's voor kaarten, luchtfoto's en grafieken, 68 pagina's voor het notenapparaat, 16 voor de literatuuropgave en 11 pagina's voor een plaatnamenregister. 600 pagina's tekst, soms erg droge tekst, dat een in de bijlage opgenomen grafiek volledig beschrijft en doorneemt, herhaalt en vergelijkt om het vervolgens samen te vatten of anders te formuleren. De 360 pagina's tekst van Gerding zijn daarentegen minstens zo droog aan gegevens, maar een stuk aangenamer verteld en uiteengezet. Beiden verhalen op cijfermateriaal en dan dien je geïnteresseerd te zijn in de materie, anders kom je er niet door en stik je erin.
    Om beide titels kun je dan ook niet heen, wanneer je weten hoe de wereld eruitzag in de besproken periode over de verschillende onderwerpen. Her en der raken ze elkaar en is het fijn om aanknopingspunten te zien. Voornamelijk completeren ze het beeld van hoe de mensen woonden, werkten en leefden in de periode zo na de middeleeuwen. Helaas een must, maar gelukkig als je verrijkt bent met hun onderzoek.
    Na het verwerken de opgegeven literatuurlijst valt er bij Gerding echter iets op. Naast diverse typefouten in de opgegeven titels, wat natuurlijk iedereen overkomt, staan er ook vele fouten in titelbeschrijvingen. De lijst beschrijft 504 titels waarvan er 12 (= 2,3%) niet zijn overgenomen, omdat ik deze niet kon verifiëren. Van deze 492 ingevoerde titelbeschrijvingen zijn er begin 2015 zo'n 18% online te vinden.
    Bij 7% van de titels heb ik correcties moeten aanbrengen en daarnaast ook nog eens bij 2,5% aanvullingen. Dan zit je dus al op bijna 10-12% van de titels waar iets mee is.
    Bijvoorbeeld een letter vergeten of te veel in de auteursnaam, foute jaartallen, originele oude spelling gewijzigd in hedendaagse spelling. Opvallendste vergissing was een verwisseling van de auteur (als proefschriftschrijver) met de rector-magnificus.
    Een volgende vraag is dan, hoe correct is de inhoud van het boek?
    Nu was ik erg enthousiast over dit boek. Dit wordt nu enigszins getemperd.



    Aan de rand van de wereld : hoe de Noordzee ons vormde / Michael Pye
    In 2015 kocht en las ik
    Aan de rand van de wereld : hoe de Noordzee ons vormde / Michael Pye; Arthur de Smet, Pon Ruiter en Frits van der Waa
    (vertaling uit het Engels van The edge of the world : how the North Sea made us who we are. - London : Penguin Books Ltd, 2014. - ISBN 978-0-670-92232-1)
    Antwerpen : De Bezige Bij Antwerpen, 2014. - ISBN 978-90-8542-573-1

    Dit bijzonder goed onthaalde document met natuurlijk lovende oneliners op de omslag "Pye onthult een verloren wereld: een totale openbaring" van Jerry Brotton en "Een briljant boek van een geweldige historicus" van Terry Jones, wordt met de Nederlandstalige versie beloond met een van Geert Mak: "Een schitterend boek! Dit is de beste manier om geschiedenis tot leven te brengen". Dat laatste is iets wat ik niet zal ontkennen, om voordehand liggende redenen. Gelukkig (voor mij) behandeld Pye alleen in het eerste gedeelte van zijn boek de Friese invloed. Het geschetste beeld bevat schrikbarend veel overeenkomsten. En dat is van de andere kant gelukkig ook wel weer logisch. Al kwam de gedachte wel even bij mij op, dat ik wel kon stoppen met schrijven, omdat ik nu te laat was. Gelukkig gaat dit boek niet over de Friezen, maar over de invloed van de Noordzee, zoals de ondertitel al verduidelijkt. De raakvlakken zijn dan ook overduidelijk.
    Wat opvalt is de vlotte schrijfstijl van Pye, zodat het verhaal vlot, simpel en logisch verteld wordt, ondanks zijn uitbreide notenapparaat van 682 stuks op 34 pagina's, waar je niets van hoeft te merken. Het is echter wel fijn dat dit er toch bij afgedrukt is.
    En ik moet zeggen, het is ook nog keurig en correct verzorgd en zo goed als foutloos!
    Zijn dankwoord spreekt dan ook boekdelen en komt mij herkenbaar voor.
    Inhoudelijk vallen er diverse zaken op:
    Het begin van het boek lijkt natuurlijk ego-strelend voor iedereen die zich 'Fries' waant. Het is echt maar een kort gedeelte van het boek, waarna voornamelijk andere -ook interessante- zaken verhaald worden.
    Uit m'n notitieboekje, waarin ik tijdens het lezen m'n bevindingen schrijf, komen onder andere de volgende reacties, vragen en opmerkingen naar voren, die lang niet allemaal mijn verhaal gaan halen.
    Waarom zou je überhaupt een identiteit moeten hebben? (p. 19).
    Op p. 25 staat iets over op krediet vèrkopen in IJsland. Deed me denken aan de werkloze turfmakers die 's winters op de pof leven en 's zomers afbetalen. Ik geloof dat we ook zo weer een lijntje naar het heden kunnen maken, met seizoenarbeiders en flexwerkers.
    'We', Nederlanders, krijgen op p. 27 nog even een lesje, dat het belangrijk is dat we de hele geschiedenis weten.
    Reizen over zee sneller en veiliger is dan over land (p. 48). In een notendop worden we gewezen op het feit dat het water onze wegen waren en nog steeds zijn. Tegenwoordig staat bijna niemand hierbij meer stil. Ik krijg ook steeds meer het idee dat de vervoerders over water, de Friezen van toen, nu intussen de vrachtwagenchauffeurs -qua karakter- van nu zijn. Uiteraard hebben we nog steeds een hoop zeevaart en binnenvaart, maar als je daar niet in zit, zie je ze niet.
    Hét belangrijkste gegeven is de nieuwe manier van over geld denken (p. 53). Tegenwoordig (sinds de VOC) is dat m.i. een 'beetje' doorgeschoten. Het vertrouwen als in de kerfstok is verdwenen. Het middel is tot iets niet-Fries verworden.
    De p. 55 en 58 brachten me een nieuwigheidje (wat verder uitgediept kan worden).
    Hierna gaat het verhaal de breedte in. Bij sommige stukjes kun je wel vraagtekens zetten, maar goed.
    Op p. 126 lijkt het erop dat hij zich verwonderd over een 'valkuil'.
    De op p. 138 aangeroerde bouw met graszoden is natuurlijk leuk i.v.m. de proef in Firdgum.
    Op de beschreven status, kleuren van kleren en hiërarchie-hokjes op p. 153-156, met de bizarre en leerzame conclusie op p. 166, dacht ik met zekerheid terug te komen. Dit is er echter niet van gekomen.
    De Hanze-tactiek wordt niet benoemt (p. 214), maar mogelijk verschillen we hier van mening.
    Probeert Pye ons ook iets wijs te maken, zoals waarover hij verhaalt (p. 236)?
    Op sommige plaatsen in het verhaal mis ik de Friezen, p. 253 en 263, mis ik de Friezen, maar misschien is hij niet op dat spoor gebracht. Daarentegen zijn ze er wel op p. 255.
    Een bizar stuk, maar m.i. wel juist, komen we tegen op p. 258.
    In hoofdstuk 9 zitten we m.b.t. de Hanze niet overal op hetzelfde spoor, al is de conclusie op p. 284 wel gelijk.
    Het hoofdstuk over de pest verteld mij wel een hoop nieuws. De komst van sociale controle. De vergelijking pest en terrorisme en wat dat voor controlemechanismen creëert bij mens en overheid vind ik interessant. Invoer van 'paspoort', een papier waarop staat dat je uit een pestvrije omgeving komt. Met de nodige vervalsingen et cetera.
    Werkt het dan of niet? Wie houden we voor de gek? De pest als rechtvaardiging van vrijheidsbenemende regels en de aanvaarding daarvan en het misbruik hiervan door machthebbers et cetera.
    Ook interessant is op p. 365 het ontstaan van 'feit'!
    Kortom veel boeiende materie in een prettig lopend verhaal of eigenlijk verhalen.
    Ondanks dat ik weinig bronnen uit ons gebied tegenkom, is het verhaal toch erg herkenbaar. Hij is natuurlijk veelal Frans/Engels georiënteerd.
    Maar er staat -voor zover ik kan nagaan- ook een opmerkelijke geografische misser in. Op p. 208 beschrijft Pye waar de ligging van de 'Boerenrepubliek' van Dithmarschen zou liggen: 'De Hollanders schijnen ook een rol gespeeld te hebben bij de latere herovering van land op de zee in Oost-Friesland, de streek waar tegenwoordig de Duits-Nederlandse grens loopt. Ook hier ging het om een plan dat in gang was gezet door plaatselijke boeren, wat uiteindelijk leidde tot het ontstaan van de 'Boerenrepubliek' van Dithmarschen.' Met de eerste zin lijkt hij te doelen op het Dollardgebied. Terwijl Dithmarschen toch echt onder Nordfriesland ligt, tussen de Eider en Elbe. Maar misschien bedoelt hij dat mensen en kennis van het Dollard-gebied verder trokken en zo ook in Dithmarschen kwamen, waar de tijd rijp was voor de 'Boerenrepubliek'.






    Geschiedenis

    Eerste kennismaking
    Witkamp noemt de Friezen voor het eerst in een rijtje van Germaanse stammen die aller waarschijnlijkst Oost-Europa en daarna Noord-Europa binnenkwamen, nadat de Kelten waren verdwenen. In het zuiden van Europa zaten uiteraard de Galliërs en de Romeinen. We zitten nu zo rond het begin van onze jaartelling.
    Naast de Friezen zijn er de Teutonen, Khauken, Cherusken, Broekteren, Sikambren, Katten, Ubiërs, Markomannen, Kwaden, Hermonduren, Longobarden, Lugiërs, Bourgondiërs, Gothen, Rugiërs en Herulen.
    De Germanen zijn sterk gespierd en van een rijzige kloeke gestalte, een krijgshaftig voorkomen, open gelaat, blank, blauwe ogen, blond of rossig haar dat of langs de brede schouders golfde of op het hoofd was bijeengebonden (Witkamp I, p. 22).
    > Tegenwoordig wordt daar 'iets' genuanceerder over gedacht.

    Ze waren eenvoudig en huiselijk van aard, maar ook woest in de vele handelingen en van inzicht. Verder stond de liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid boven alles. Ook was hij dapper, eergierig, oprecht, trouw, mild, gastvrij en kuis. Maar ook belust op de buit bij het dobbelspel, van de oorlog, vetes en kon zich overgeven aan dronkenschap (Witkamp I, p. 22).
    Over het dobbelspel (en vooral wanneer het hierbij mis gaat - met eventueel en waarschijnlijk een slok op) staat er in de Brokmerbrief geschreven: Hwetsar sketh et warste and et hlothe binna wagem, en ield and enne frethe. ‘Wat er ook maar gebeurt bij een gelag en bij het dobbelspel binnen de vier wanden van een huis: enkelvoudig weergeld en enkelvoudig vredegeld.' (Nijdam/Lichaam, p. 246; Brokmer Recht § 59).
    VPRO: Nederland van boven
    Ontwikkeling kustlijn
    Hoe de kustlijn van Nederland door de jaren heen is gevormd.
    > Iedereen die onderstaand verhaal intussen gelezen heeft, zal met mij concluderen, dat bovenstaand plaatje van Nederland niet kan kloppen en berust op fantasie, misschien wel gemakzuchtige fantasie!
    NCRV Natuurlijk - Op reis met Van Rossem - Texel, Friesland en Groningen
    Maarten van Rossem laat op Texel de uitermate bijzondere tuinwallen zien, gemaakt van plaggen. In Friesland beschouwd hij enkele terpen met kerken, de afgravingen en in Groningen wierden, o.a. één van de oudste, zo'n 2500 jaar, die van Ezinge.
    Dat dit minder is dan de meervoudige compensatie die normaal gesproken gevraagd wordt, wanneer er geen drank in het spel is, geeft al aan dat men de daders niet helemaal voor volledig toerekeningsvatbaar aanzag. Dus het risico dat je gezamenlijk hieraan deelnam gaf minder recht tot klagen.

    Wonend in de lage Nederlanden plaatsten zij hun woningen op kustmatige hoogten: terpen, wieren, vliedbergen en hillen genoemd.

    Het begin van deze eerste verhogingen in het landschap vonden in Friesland al vroeg plaats. Men begon hier al in de eerste eeuw voor het begin van onze jaartelling (vOJ.) - tweede eeuw na het begin van onze jaartelling (nOJ.) (Witkamp I, p. 22)
    Maar het kan ook al iets eerder geweest zijn, zo rond de 3e eeuw vOJ. Men was zo omstreeks 525 vOJ. al begonnen met nederzettingen te maken in de kwelders die toen droog waren. Zo tussen 700-300 jaar vOJ. waren er bij Humsterland en Middag klei-opwassen op de wadplaten ontstaan, waardoor de ontstane kwelders zo'n 50 cm boven NAP kwamen en bij een normale vloed niet meer overstroomden. Later, toen het water weer wat hoger werd ging men de eerste ophogingen maken. Men gebruikte hiervoor waarschijnlijk huisafval, dierlijke mest en zoden. (Schroor/Hoogeland, p. 29; Westerkwartier/Ligterink, p. 45)
    Volgens Plinius de Oudere, die van 23 tot 79 nOJ. leefde, en zijn belevenissen in zijn Naturalis Historia de tochten beschreef, vermeldde over de Friezen, dat dit armzalige volk dat op omhoogstekende heuvels woont, die deze met de blote handen heeft opgeworpen (Schroor/Hoogeland, p. 32).
    In de Duitse vertaling van Wittstein beschrijft Plinius in zijn 16e boek, hoofdstuk 1 dit trieste volk, de grote en kleine Chaucer, dat leefde op heuvels zonder bomen en struiken. En hierdoor moesten ze het genot van de vruchten van deze bomen en struiken missen. Alsof dit gemis nog niet ellendig genoeg was werd het land ook nog door de oceaan overspoelt, zodat het 2 dag- en nachtreizen kostte om het vaste land te bereiken. Men kon zich afvragen of het bij de zee hoorde of bij het vaste land. Uit ervaring met de vloed hadden ze met de hand heuvel opgeworpen, waarop ze hun hutten hadden gebouwd, zodat ze hierop veilig waren. Bij terugtrekken van het water konden ze echter wel vanuit hun hutten op de vissen jagen.
    Omdat ze ook geen vee hadden, moesten ze ook het drinken van melk ontberen en hadden ze alleen regenwater te drinken, dat ze in kuilen bewaarden. Ook konden ze geen wilde dieren vangen, omdat deze door de vloed ontbraken.
    Plinius beëindigt zijn betoog met dat mochten ze ooit nog door de Romeinen overmeesterd worden, dat ze dan voor slaven aangezien worden.
    Hieruit ontstaat een beeld dat de Friezen leefden van vis en water en minimaal 2 dagen reizen verwijderd waren van het vaste land.
    Uit de inleiding van Wittstein wordt mij duidelijk dat Plinius een druk, maar efficiënt man was. Ook was hij vadsig, maar dat krijg je ook als je efficiënt met je tijd omgaat en je laat vervoeren in stoelwagen, zodat hij kon schrijven en studeren tijdens de reis (Wittstein, I, Vorrede p. 5). Verder blijft het een opmerkelijke (beperkte) waarneming, waarbij je je kunt afvragen in hoeverre het klopt wat hij heeft waargenomen.
    Zo zag hij bijvoorbeeld 'drijvende eilanden met bos begroeid', wat zo goed als zeker stukken veenkragge zijn geweest of drijftil, die losgerukt zijn na een inbraak in de veengronden. Wel geeft het aan dat deze vorm van landafbraak in zijn tijd nog steeds plaats vindt, zoals we die her en der kunnen terugvinden, zoals bijvoorbeeld tussen Langewold en Vredeswold (Westerkwartier/Ligterink, p. 43). Ook is het opvallend, zoals Pye opmerkt, wat hij niet zag. Dat er naast de hutten ook nog stevige huizen waren van plaggen met muren van een meter dik . Ook verhaalt hij niet over de tempels aan de Schelde ter ere van Nehalennia, de godin van de handelaren . Zou dit nog niet bestaan hebben dan? (Pye/Noordzee, p. 37)

    Vanaf de elfde eeuw begon men met het ophogen op grote schaal. Land was kostbaar in Friesland en om elke vierkante meter werd gestreden met de zee. Mocht men onderling strijd krijgen over gewonnen land, dan moesten de boeteregisters uitkomst bieden. Hoogste graad van londbrekma, het beschadigen van land, was dat men het land van een ander afgraaft en verdiept en de aarde op zijn eigen hof brengt (Nijdam/Lichaam, p. 236-237).
    Men kan zich hierbij van alles bij voorstellen, welke drama's dit tot gevolg zou kunnen hebben.

    Maar dit punt roept wel een belangrijke vraag op. Hoe kwam de Fries aan aarde om z'n wierde te bouwen?
    Tijdens ons tripje door Noord-Groningen, de Ommelanden, zagen we hiervan al fraaie voorbeelden hoe dit zou kunnen. Een verhoging creëren met aarde en tegelijkertijd een gracht maken. Dat is een optie. Ook kun je een laagje van het omliggende terrein halen om hiervan een heuveltje te maken. Of een mix van deze twee.
    Zand en klei
    Wat is het verschil tussen zand en klei?
    Waaruit bestaat dit materiaal?
    De natuur draagt door opslibbing zelf bij dat deze laagjes weer aangevuld en/of verhoogd wordt. Op plaatsen waar de getijdenstromen het krachtigste waren werd het grover zand afgezet. Op rustige, luwe plekken zette zich slib (silt en klei) af. Het verschil tussen deze soorten wordt gemaakt door de grootte van de korrels: zand > 0,05 mm; silt tussen 0,002 - 0,05 mm; klei < 0,002 mm. Opmerkelijk is hierbij dat de lichtere deeltjes juist zorgen voor de zwaardere (klei)gronden, omdat hier zich minder lucht kan ophouden, er is hiervoor geen plaats (Schroor/Hoogeland, p. 16).
    Om een beetje een idee te krijgen in welk tempo dit dichtslibben kan gaan, even een sprekend voorbeeld uit de eerste helft van de 17e eeuw, hoe er mooi samengewerkt kan worden met de natuur. Men had toen bedacht om een stuk kronkelend traject van 6 km van het Reitdiep te vervangen voor een recht stuk van 2 km. De winst is duidelijk. Snelheid voor de scheepvaart, landbouwgrond voor de boeren, snellere afwatermogelijkheden. Vraag is hoe je die 6 km opvult. Gebruik je hiervoor de grond van de 2 km? Nee, dit werd gebruikt voor de dijk van dit kanaal. Maakte men misschien kleiputten buitendijks, die zich vanzelf weer zouden vullen en vervoerde men dit naar het te dempen Rietdiep? Nee, dit zou veel te veel kosten. Men liet het Reitdiep het zelf oplossen! Buitengewoon slim.

    Wierdenbouw over langere tijd

    Wierden
    bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 2
    Bij archeologisch onderzoek in Boomborg 1963-1969 zien we de start van de wierdenbouw voor de eerste maal. Jongere generaties bouwen hier vervolgens overheen.
    Uiteraard nadat het vorige was afgebroken of verwoest.
    Ik kan me voorstellen dat dit juist niet op de exacte plaats van de voorganger zit, om te voorkomen dat de grondpalen elkaar in de weg zitten.

    bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 2
    Nadat het 2 km kanaal gegraven was, maakte men halverwege de 6 km een dam. Hierdoor zou aan beide kanten van de dam langzaamaan slib gaan afzetten, omdat het niet kon doorstromen en het water telkenmale tot stilstand kwam tussen eb en vloed. Met het gevolg dat in 1640 de 6 km aan beide zijden afgedamd kon worden, omdat het bijna gelijke hoogte had bereikt.
    Hierdoor is een mooie berekening te maken: 11 jaar x 365 dagen x 2 getijden geeft zo'n 8.000 getijden. Hierin werd de zo'n 4 meter diepe rivier gedempt, wat neerkomt op zo'n 0,5 mm per getij (Delvigne/Middag-Humsterland, p. 47).
    Omgerekend naar een laagje à 5 cm, dan moet je zo'n 50 dagen wachten voor je weer een laagje kunt 'oogsten'.
    Hoe lang is men met het maken van zo'n wierde bezig? Mogelijk kon onze Fries reeds gebruik maken van een ossenkar, maar we gaan er maar even vanuit dat hij alleen de beschikking heeft over een schep.
    Ik kan me zo voorstellen, dat ze dit soort werkzaamheden voornamelijk in het voorjaar tot het stormseizoen deden. Lang licht, rustig weer. Ook weten we dat ze dit op ongeveer een uur lopen van hun huidige woonplaats deden. Ook bedenk ik dat ze dit alleen deden als er een noodzaak was. Bijvoorbeeld, de kinderen gaan de deur uit. En zo werd langzaamaan, generatie na generatie de kustlijn veroverd. Oudste kind erfde ouders' wierde, de ander kinderen zochten het een eindje verderop. Het lijkt me dan ook dat de er tijdens zo'n generatie-verhuizing met vereende krachten zo'n wierde in elkaar werd gezet, zodat er voor iedereen, die er moest gaan wonen, plek was. Dit zou dan de verschillende oppervlakte van de wierden kunnen verklaren.
    We gaan een wierde maken waarop ruimte is voor 5 gezinnen. In het Moormuseum van Moordorf hebben we de ontwikkeling gezien van de 'boerderijen' via graszoden, turf en plaggenhutten (zie voor de bouw van de muren het filmpje van Maarten van Rossem over de tuinwallen en de bouw van een zodenhuis bij Firdgum, waarvan verderop een beschrijving volgt), naar rietgedekte leemhutten. Veel verder komen we in deze periode niet. Het materiaal was allemaal in de omgeving voorhanden. Kwestie van hard en veel werken.
    Om zo'n wierde te maken, ga ik ervan uit, dat ze eerst kleintjes maken, waarop ze hun huisje kunnen bouwen, zodat ze het grootste gedeelte van het jaar hier konden verblijven om aan hun toekomst te werken. In mijn berekening ga ik ervan uit, dat ze het volledig te voet en met schep aanlegden. Dus binnen een straal van zo'n 80 meter, dat niet binnen de uiteindelijke terp lag, hun zand of leem met een schepje gingen halen en weer naar de wierde liepen, om het daar te storten. Om hun huisterpje met doorsnede van 9 meter en 1½ meter hoogte zijn ze ongeveer 2 jaar bezig. Het op en neer lopen met een schepje schat ik in op maximaal 2½ minuut per keer. Ze moeten ongeveer 121½ kub zand verplaatsen. Een schep draagt ongeveer 0,002 kub. Dit zijn dan 60750 scheppen en op en neer lopen. En dit duurt 2531 uur.
    Het zal vast wel sneller gegaan zijn. De te lopen afstand was natuurlijk niet altijd het maximale. En men zal vast gebruik gemaakt hebben van iets wat meerdere schepjes in 1x kan verplaatsen. Maar er moesten natuurlijk ook nog andere taken geregeld worden om het leven in stand te houden. Verder zal het niet door 1 persoon gedaan worden. Vele handen maken licht werk oftewel folle hânnen meitse maklik wirk.
    Om de rest van zo'n wierde met een doorsnede van 80 meter op 1½ te krijgen, was men op deze manier nog wel 10 jaar bezig. In de loop der eeuwen kan zo'n wierde dus makkelijk meters in de hoogte worden bijgesteld. Ook kan de omvang steeds beetje bij beetje groter gemaakt worden.
    Deze berekening is slechts om een klein beetje een beeld te krijgen. Misschien wordt het in de loop van het onderzoek nog duidelijk hoe het werkelijk ging.
    Pye -die dit weer uit Settlement development on the Wijnaldum-Tjitsma terp heeft- waarin dit enigszins bevestigd wordt. Ook hier wordt het beeld dat het begon met op iedere heuvel een enkele boerderij. En deze heuvels worden in eerste instantie opgeworpen op het veen door de Friezen die ervoor kozen om niet verder te trekken, maar om te blijven. Ze creëerden hier dus hun eigen land, dat van niemand anders was. De term eigenerfden wordt hier nog niet genoemd, maar dringt wel heel sterk aan ons op. Eigen land = eigen erf. Tevens wordt dit ook aan de volgende generatie door gegeven die dit dus erfden. Welke betekenis wanneer is ontstaan, zal vast al onderzocht zijn. Totdat we dit onderzoek onder ogen krijgen, blijft het nu nog even een vraag. Voor de keuterboer in de feodale systemen om hun heen was dit eigen land niet mogelijk. Zij bewerkten immers voor en/of in dienst van een heer de bodem waarop ze leefden.
    De boerderijterpen groeiden langzaamaan elkaar vast, doordat deze steeds verder uitdijden met de afvalstoffen van het leven. Ook moesten ze met samenwerken, bijvoorbeeld voor een zoetwatervoorraad. Oude boerderijen werden vervangen op ongeveer dezelfde plaats. En dat zal ook een klusje geweest zijn waarbij men elkaar hielp.
    De koeien en schapen konden via de achterdeur de zoute weidegronden bereiken, de voordeuren zagen over de gemeenschappelijke ruimte op elkaar uit, schrijft Pye. Dit beeld komt echter niet overeen met de bij de opgravingen gevonden paalkuilen, waaruit de vorm van de gevonden boerderij getekend kan worden, zoals in Boomborg (zie kader) of de vele in het boekje "Wonen op de wadden", een bewerking van de lezing "Vijftien eeuwen boerderijbouw op onbedijkte kwelders", voorgedragen door Tjalling Waterbolk op 10 december 2009. Hieruit blijkt dat er 'halverwege' aan de lange zijde tegenover elkaar twee ingangen waren. Meestal zat deze op de scheiding tussen woongedeelte en stal. Mocht er toch nog een ingang aan de korte kant zijn, dan gaat het om een stalingang. Ook een mooie cirkel met de kopse kanten naar elkaar toe is een illusie, gezien de plattegronden van diverse opgravingen.
    (bron: Pye/Noordzee, p. 43)
    Hoe het er uiteindelijk na een aantal generaties uitziet? Museum Wierdenland heeft op haar site een prachtige animatiefilm staan van Jouke Nijman. Deze animatie van 150 Mb kunt u downloaden en vervolgens bekijken.
    Van de door mij voorgestelde opbouw van de terpen en wierden klopt waarschijnlijk niets. Veel te pragmatisch gedacht. Wanneer ongeveer 500 jaar vOJ. de eilanden, of 'ooghen', zoals we nog in Schiermonnikoog herkennen, voor het eerst droog komen te liggen en begroeid raken, hierdoor nog hoger worden en in de loop der tijd door de regen ontzilten, zodat zoetwatervegetatie mogelijk is, komen ook de eerste kolonisten langs. Ze deden niets aan bewuste beveiliging van hun leefomgeving. De wierden ontstonden als vanzelf. Alle gft-afval en mest waren niet nodig omdat de grond waarop ze leefden zeer vruchtbaar was. Dus dit verdween aan de randen van het leeferf, zodat deze steeds groter werden en naarmate de tijd vorderde ook hoger. Bij tijd en wijle werd een laagje greppelklei overheen gebracht om het begaanbaar te houden. Dit alles blijkt uit de dwarsdoorsnede onderzoek van een wierde. Hieruit blijkt ook hoe de behuizing van deze mensen eruitzag, namelijk een uit een ruimte bestaande hallehuis, meestal drieschepig, wat inhoud dat er een midden is met twee zijkanten, de zogenaamde middenbeuk met zijbeuken. Tussen de midden- en zijbeuken staat een rij rechtopstaande palen, dat het dak draagt. Vooral dit beeld van regelmatig punten in de grond (de palen) wordt op talloze plaatsen teruggevonden, zoals ook te zien is op de afbeelding in het kader "Wierdenbouw over langere tijd" hierboven. En nog steeds is dit een populaire bouwstijl.
    Aan het begin van de jaartelling had Ezinge een hoogte van 2.10 m en kleine hectare (= 100 x 100 m = 10.000m2). Na 200 jaar was de oppervlakte verdubbeld door toevoeging van alle meststoffen.
    Wie waren die kolonisten? Er zijn wat betreft de beantwoording van deze vraag twee antwoordstromen. De ene gaat uit van een van oost naar west langs kuststroom en de ander een door de voortdurende droogte en verschralende zandgronden uit het zuiden, Drenthe (zoals we dit gebied nu noemen) om precies te zijn wat betreft de hedendaagse Groningen. Waterbolk vindt de gelijkenis tussen in beide streken gevonden potten voldoende overeenkomsten hebben om dit aan te nemen. Vanaf de Romeinse tijd spreekt men echter nog alleen over Friezen (Westerkwartier/Ligterink, p. 22-25).
    Deze aanduiding zegt dan ook niets over een volk of ras, maar is meer een aanduiding voor mensen die op een bepaalde geografische plaats langs de kusten wonen.

    Waar komt de naam Friezen eigenlijk vandaan? In de Romeinse en daaropvolgende Merovingische tijd werd het gebied langs de Noordzeekustlijn op het vaste land Frisia of soms Fresia genoemd. In het langdurig gesproken taal Latijn werden de mensen vervolgens als Frisii aangeduid. De mensen zelf noemden zich later Fresan (van Fresia) en Vriesen. Hoe deze woorden klinken wanneer ze door de diverse talen worden uitgesproken, blijft dan natuurlijk de vraag, al klinken Fresan en Vriesen wel ongeveer hetzelfde.
    Of de Romeinen of de mensen van het land zichzelf deze naam hebben gegeven is ook onbekend (Henstra/Graafschappen, p. 3).

    Witkamp (deel I, p. 26-27) geeft aan dat elke vrije Germaan in de kracht van z'n leven een krijgsman is en altijd z'n wapens droeg. Het hoofdwapen was de framee: een korte speer met scherpe punt. Deze gebruikte als werp- of als handwapen. Sommige hadden ook een pijl en boog. Als schild gebruikten ze een smal en lang van tenen gemaakt vlechtwerk met hierover plankjes samengesteld.
    Beschaving van de geest was er volgens het tijdsbeeld van Witkamp niet in het Germaanse huisgezin te vinden. Niettemin werd een helder oordeel op prijs gesteld, en het herinneringsvermogen door dichterlijke overleveringen geoefend. Tegenwoordig wordt daarover anders gedacht.
    Tot de verstandige ontwikkeling van de man moet het deelnemen aan openbare volksvergaderingen veel bijdragen. De vrouw hield zich bezig met de geestenwereld en verborgen krachten bij planten en dieren en de heelkunst.
    Bij de Germanen waren kennelijk ook rangen. Deze konden afgelezen worden aan de hoeveelheid erven en akkers. En alleen de vrijgeborene konden land bezitten. Uit de grootgrondbezitters ontstond de adel. De derde stand waren de onvrijen, laten of lijfeigenen. Dit waren vaak krijgsgevangenen of kinderen daarvan. Zij droegen ter herkenning kort haar, droegen uiteraard geen wapens en waren in volledige dienst van hun eigenaar, die ze naar willekeur kon verkopen, straffen en doden. Echter zo'n vaart liep het niet bij de Germanen, gezien een grote vierde klasse: de vrijgelatene.
    >Zouden de nazaten van een vrijgelatene, dan nu weer een vrijgeborene zijn?

    Witkamp (deel I, p. 31) beschrijft de route die de Batavieren en hoe ze zich uitbreidden in dit gebied tot onder andere de Kaninefaten. Boven hun waren de Kleine en Grote Friezen gevestigd van de Rijnmond bij Katwijk tot aan de Eems. Rond de Eemsstroom zaten de Eemslanders of Amisivariërs. Aan de Regge, Dinkel en Boven-Vecht streken de Tubanten neer. Aan de oevers van de IJssel en Beneden-Berkel vonden de Chamaven hun plek. Verder naar beneden, aan de Geul en Roer streken de Ambivariten neder. (Hun naam is nog terug te vinden in het dorp Amby bij Maastricht.)
    Deze zuidelijke volken hadden intussen kennis gemaakt met de uitbreidingsdriften van de Romeinen.
    De Romeinse Keizer Augustus (Witkamp I, p. 39) had voor 16 voor Christus al een nederlaag geleden tegen de Germanen. Hierdoor besloot hij (wat nu in de buurt van Xanten is) de Vesting Castra Vetera aan te leggen, om zo het Germaanse volk de Sikambren - "de moorddadigste volk van de wereld," aldus een dichterlijke romeins lofzang voor Augustus - te onderwerpen.

    Romeinse sporen in Fries Dollardgebied
    12 vOJ. - 16 nOJ.
    bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 2

    Frisia
    Germania Magna rond 10 A.D.
    bron: wikimedia commons User:Cristiano64
    Keizer Augustus stelde 12 vOJ. zijn 23-jarige stiefzoon Claudius Drusus aan als zijn vertegenwoordiger in het gebied ten westen van de Rijn. De toegesproken Galliërs waren in staat om de Sikambren tegen te houden om over de Rijn te steken. Zodoende kreeg Drusus de ruimte om de Rijn af te zakken en zo voor het eerst kennis te maken met de Friezen. Hij name ze aan als verbondenen -net als de Batavieren, maar de Friezen verplichten zicht tevens tot het leveren van een aantal ossenhuiden.
    Dit vredesverdrag was nog niet gesloten of de Drusus kwam in de problemen op het Wad. Doordat het eb was geworden, was hij met zijn Hulken, vast komen te zitten op de drooggevallen platen. Hierdoor bestond natuurlijk het gevaar dat hij overmeesterd kon worden door vijandigheden, zoals bijvoorbeeld de Kauchen, waarna hij onderweg was. Echter de Friezen kwamen hem redden. Zij stuwden zijn voertuigen weer naar de diepere kreken, zodat hij weer veilig de Rijn bereikte.
    Het zou zo maar kunnen dat dit verhaal zich afspeelde bij de monding van de Sagter-Ems in het Saterland. Paul Büker verhaalt het als volgt: De romeinen voeren voor het eerst de Sagter-Ems op naar Utende, toen ze vastliepen op het ondiepe gedeelte bij de Wietsbergen (net ten noorden van Strücklingen). Dit gebeurde omdat ze werden verrast door het invallende eb op de Noordzee, welke ook invloed had op de waterstand in de Sagter-Ems.
    Ontstaan veen
    De veengebieden zullen in het Friese landschap veelal op dezelfde manier gevormd worden. De bossen van weleer worden langzaamaan verstikt door het veenmosje. Eerst de wortels van de bomen omgroeid, zodat de boom uiteindelijk zal sterven en omvallen, waardoor het wordt overwoekerd door deze veenmos en ander grasachtige, die hier wel (tijdelijk) tegen kunnen. Veelal ligt onder het veen het bewijs van de bossen, die goed geconserveerd zijn in het veen (Klöver/Spurensuche, p. 19-20).
    De romeinen hadden echter geluk, want naast de Sagter-Ems liep de weg van Ostfriesland naar Friesoythe en daarover liepen net wat Friese hulptroepen, die waarschijnlijk hun kampementen in de Alte Kamp en Möhlenkamp hadden, die aan weerskanten van deze rivier liggen, weer net ten noorden van Strücklingen (Klöver/Spurensuche, p. 19).

    Drusus wordt (Witkamp I, p. 41) gezien als de verantwoordelijke voor het aanleggen van diverse dijken, kanalen en wegen in de omgeving van de Betuwe. Onder andere de verbinding tussen de IJssel en Rijn (Drususgracht, zie kaart hierboven van "Beknopte geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken", en Nieuwen-IJssel) en zodoende een verbinding tussen de Rijn en Fliemeer (Fries gebied) creëerde.
    Na het overlijden van Drusus, werd zijn broer Tiberius in zijn 33e levensjaar opvolger in dit gebied (9 vOJ.). Hierna werd het opperbevel overgedragen aan Domitius Aenobarbus. Domitius breidde de wingewesten uit tot aan gene zijden van de Elbe. Hij wordt gezien als grondlegger (Witkamp I, p. 43) van de pontes longi, dit zijn houten wegen door drassige gronden. Restanten zijn nog gevonden in de moerassen tussen Valthe en Ter Apel, maar ook in Limburg en het Rijnland.
    Echter, volgens een artikel van Roelof Hoving uit Spitwa(a)rk, maandblad van de Historische Vereniging Carspel Oderen, blijkt de veenbrug tussen Valthe en Ter Apel door pollenanalystisch onderzoek en met name door radioactieve koolstofdatering te stammen uit 500-200 vOJ.
    Ook in de veengebieden boven Friesoythe werden al "Bohlenwegen", dit zijn plankenwegen, waargenomen, die gemaakt zijn van de bomen uit de omgeving in de periode na 3000 vOJ. Of het gaat om doorgaande wegennetwerken of dat het gaat om lokale veenbrug om bijvoorbeeld een plek om ijzeroer te winnen te bereiken, daar zijn de archeologen nog niet uit (Klöver/Spurensuche, p. 21; Gerding/Turfwinning, p. 16).
    De romeinen hebben hier dus niets mee te maken. Ze zijn er hoogstens over terug gevlucht om sneller aan hun kant van de Rijn te komen. En mogelijk hebben ze hier of elders herstelwerkzaamheden aan de bruggen laten uitvoeren, zoals Witkamp (I, p. 51-52) stelt, wanneer Aulus Cecina, romeins bevelhebber in Neder-Germanië, weer eens aan de andere zijde van de Rijn vertoefde en in dit geval door Herman (de leider van de Germanen) werd teruggedrongen.


    Producten
    Van vlas naar linnen
    In "De vlasserij in 's-Gravendeel" van Marjon Kunst, van april 2003, wordt de economische, sociale en culturele betekenis van de vlasteelt en vlasbewerking voor 's-Gravendeel vanaf de achttiende eeuw tot het einde beschreven. In dit doctoraalscriptie wordt in een aantal hoofdstukken de producten van vlas uitgelegd.
    Op het terrein van museum de Koloniehof, Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord , zijn onder andere deze proefvelden te zien.

    Spelt is een zeer oude tarwe ras, maar werd pas vanaf het einde van de zestiende eeuw op de arme gronden in het zuidwesten van dit gebied verbouwd. Het is echter zo'n 9000 jaar bekend als voedingsgewas.

    Gerst. Sinds 1900 worden er nog twee soorten gerst verbouwd, de zomer en wintergerst, waarbij de eerst ook voor bier gebruikt wordt. Daarnaast wordt het gebruikt voor gort. De restproducten worden veevoer en het stro is geschikt voor de kartonindustrie.

    Het zomergewas haver werd vrij veel verbouwd, tegenwoordig kom je het nog nauwelijk tegen. Het werd dan ook veelal al veevoeder gebruikt, vooral voor paarden. De mens at het veelal als havermout(pap). De stro werd later gebruikt in de kartonindustrie.

    Naast de ossen hielden de Friezen ook schapen, paarden en varkens. Ook werd er landbouw bedreven. Ook de akkerbouw werd op de wierden uitgeoefend. Werden er akkers buiten de wierden gebruikt (de valgen), dan werd dit omheind, om te voorkomen dat het loslopende vee er doorheen ging lopen. Ook kwam het voor dat de valgen werden beschermd door kleine dijkjes. Meestal werd akkerbouw gepleegd op de hogere kwelderwallen. Deze gronden waren rijk aan mineralen en kalk en door zijn grover korrelstructuur goed doorluchtbaar en te ontwateren.
    De grond werd bewerkt met gereedschap gemaakt van de geweien van herten, het hertshoorn.
    Men verbouwde onder ander haver, meerrijige gerst (wat dus kon bestaan uit vierrijige gerst en zesrijige gerst, tegenwoordig wordt in Nederland alleen tweerijige zomergerstrassen geteeld), emmertarwe (ook wel emmer of tweekoren genoemd), paardenbonen (een kleinere variant van de tuinboon, die wel tegen een beetje verzilting kan), de peulvruchten en vlas (basisgrondstof voor linnen en lijnzaadolie).
    Van vlas kon men onder andere de volgende producten maken: zeildoek, zwaardoek, canvas, zakken, filterdoeken (onder andere kaasproductie), naaigarens, zeilmakersgaren, tafellinnen, beddengoed, lakens en slopen, droogdoek, handdoeken, zakdoeken, bekledingsstoffen, gordijnen, kleding.
    Kom mee naar de Middeleeuwen!

    Naast de productie van deze voedingsstoffen en linnen en olie, leverden de schapen natuurlijk wol (verwerkt, bekend als de beroemde pallia fresonica Friese mantel) en huiden en vlees, het rundvee leverde huiden, vlees en melk, waaruit weer kaas werd gemaakt. In de afgegraven terpen en wierden zijn bijvoorbeeld kaasvaatjes van steen gevonden. Deze hadden een gaatjesbodem om de wei te kunnen laten wegstromen. Verder kon ook leer gemaakt worden. Het lamsoor, nodig voor looiproces en in het zwin-gebied ook wel zwinnebloem genoemd, groeide veelvuldig in dit getijdegebied. De wortels van het lamsoor bevatten veel bitter smakende tannine. Deze tannine, looizuur, welke ook voorkomt in de bast van eikenhout, zorgt voor de fixerende werking. Deze echte lamsoor (Limonium vulgare) is dus niet eetbaar, de zeeaster (Aster tripolium) dat onder de naam lamsoren als groente wordt verkocht, wel. Ook uit de botten werden benen voorwerpen gemaakt. Daarnaast was het op de uitgestrekte grasvlakten geen enkel probleem om eieren te rapen van de vele vogelsoorten die in dit gebied nestelen.
    Met de Romeinen onderhielden de Friezen vanaf het begin een vriendschappelijke relatie. Voornamelijk de handel met de bevoorradingsofficieren van de Romeinen was een goede reden. Immers alle voedsel enzovoorts voor de Romeinen moest lokaal verkregen worden en dus zetten de Friezen hun voedseloverschotten af bij de Romeinen in ruil voor Romeinse gebruiksvoorwerpen, sieraden, glas et cetera. Er is tijdens het afgraven van de terpen en wierden veel Romeinse spullen gevonden.
    Vlas (bloem, zaadbol en zaaddozen) en vlasveldje
    Themapark Spitkeet, Harkema
    Foto's reisverslag Friesland - provincie in Nederland
    Themapark Spitkeet, Harkema

    (Schroor/Hoogeland, p. 34-35; Henstra/Graafschappen, p. 10-11; Westerkwartier/Ligterink, p. 23-26; Kunst/vlasserij, schema3; Maarten Hell; Pye/Noordzee, p. 44; Wikipedia
    Lamsoor, Leerlooien, Looizuur)

    Ook was het vis een belangrijke voedingsbron. De Friezen hadden vele wateren tot zijn beschikking. Zoet en zout, dus werd er gevist op snoek, meerval en baars, maar ook paling, zalm, steur en aan de kust bot, schol, schelvis en haring. Ook de schelpdieren werden gegeten: mossels, oesters en kokkels. Ook werd er natuurlijk producten gefabriceerd om te kunnen vissen; vishaken; van riet, biezen en wilgentenen werden korven, fuiken en kubben gevlochten, netten verzwaard met gebakken aardewerken voorwerpen. Maar ook viskaren, waar de vissen levend in vervoerd konden worden (Tuuk/Gouden, p. 32-34).

    Het repelen
    Docentenhandleiding "Van vlas tot linnen"

    Door de vlaslint nog eens door de braakmachine te halen, ontstaat er een golvende haarlok

    In Ee is er nog een vlasmuseum te vinden waar gedemonstreerd wordt hoe er linnen van vlas gemaakt wordt.
    Hiervan zijn door H. Zijlstra in 4 delen al enkele filmpjes op YouTube gezet:
    In deel 1 en 2 De heer Broersma geeft een demonstratie van vlasbewerking in het interessante Vlasmuseum It Braakhok te Ee. Vlas is de basis voor het maken van linnen. Veel linnenwevers in Noordoost Friesland zijn van katholiek Duitse afkomst (Munsterland en omgeving).
    In deel 3 legt de heer Broersma uit, wat het verschil is tussen het aloude blauwbloeiende vlas en het in Noordoost Friesland ontwikkelde witbloeiende vlas, dat langer maar minder sterk is.
    In deel 4 demonstreert de heer Broersma de machines in de vlasverwerking.

    Deel 1

    Deel 2

    Deel 3

    Deel 4

    Om de vis, maar ook het vlees goed te kunnen bewaren deed men ook aan zoutwinning. Het veen werd dagelijks overspoeld met zeewater en hierin bleef ook zout achter. Door dit verbranden en de as te spoelen met zoet water en door het verdampen van dit water, bleef er zout over. Deze zoutwinning was wel erg arbeidsintensief en dus kostbaar. Dat maakte zout tot een gewild en duur product. En toch werd dit in de zesde eeuw met scheepsladingen tegelijk vervoerd, naar de vismarkten, dus het zou me niets verbazen als dus aan het begin van onze jaartelling ook al gebeurde. En natuurlijk werd de turf ook gewoon gebruikt om te koken en om zich aan te warmen tijdens de koude periodes (Tuuk/Gouden, p. 36-37; Heese/Saterland, p 162; Henstra/Graafschappen, p. 11).

    De bijzondere klikkleigebieden, met dus zijn zware klei, waren geschikt voor de vervaardiging van potten en andere objecten. Deze werden doorgaand met de hand gevormd. Hieraan zijn ze ook te herkennen, in tegenstelling tot de Romeinen (en later de Franken) die gebruikmaakten van een draaischijf.
    Kortom de Friezen waren een prettige handelspartij. Ze dreven dus ook al vroeg handel met de kustgebieden en ook met de romeinen. De romeinen betaalden met munten of ruilden met terra sigillata (aardewerk), beeldjes, sieraden en allerhande gebruiksvoorwerpen. Over deze handel komen we later in dit verhaal terug.

    De Friezen hadden tot nu toe weinig tot geen last van de Romeinen. Naast natuurlijke bescherming, als rivieren en uitgestrekte moerasgebieden (zie kaart Germania Magna), waren de Batavieren immers een eerste buffer. En de andere Germaanse stammen hielden de Romeinen bezig aan gene zijde van de Rijn. In het jaar 21 nOJ. toen Germanicus en Herman twee jaar dood waren, had ene Olennius, die was opgeklommen van hopman tot landvoogd aan het Fliemeer het in z'n hoofd gehaald om dezelfde grote huiden van de Friezen te verlangen als hij kreeg van runderhuiden. Echter de Friezen hadden wilde ossen, en die waren kleiner. Olennius eiste bij in gebreke blijven van de Friezen eerst hun runderen, daarna hun graslanden en vervolgens de vrouwen en kinderen als slaaf uit te leveren.
    De Friezen waren ziedend en namen het recht in eigen hand. De eerste de beste die wilde innen namens Olennius werd opgepakt en zonder genade aan een boom opgehangen.
    Ollenius, opgeschrikt door zijn niet winstgevend plannetje vluchtte naar het kasteel op Flevum. De Friezen vielen dit slot aan. Echter de romeinse landvoogd van Neder-Germanië, Lucius Apronius was met leger op weg naar deze sterkte om het beleg te breken. Echter de uitermate getergde Friezen sloegen de aanvallen van de romeinse hulpbenden, van Batavieren en Kaninefaten, af. Vervolgens werden de romeinen tot viermaal toe afgeslagen. Labeo koos uiteindelijk eieren voor z'n geld, want het wingebied, gaf op deze manier maar weinig profijt en trok zich terug, zonder de doden mee te nemen of te begraven.
    Dit verhaal wordt ook verteld in de documentairefilm van Friezen van de oude duinen van Rolf Roos over de archeologische opgravingen in de buurt van de Oer-IJ (nabij Castricum). Tijdens het uitgraven van de verouderde waterpompen ten behoeve van de huidige waterwinning werd het voor archeologen mogelijk om gebruikt te maken van de 'kijkgaten' die ontstaan. Deze kijkgaten geven een indruk tot meer dan 20 eeuwen terug in de tijd. En zo vond men bij Castricum delen van de Oer-IJ, een zijtak van de Rijn, met bijbehorende bewoning.
    Nu vindt men er 'slechts' nog een 'ongerepte' duinenrij, maar voordat dit gedeelte was dichtgeslibd en verzandt, werden de oevers bewoont en bewerkt door zoals de Romeinen ze noemden, de kleine Friezen, vanwege hun aantal en dus slagkracht.

    Van de incassering van de onrechtvaardige verhoogde cijns van de Romeinen kwam nu niets. Er was zelfs verlies geleden. De romeinse cesear Tiberius gaf het opperbewind van het Friese land niet meer uit handen om zo problemen te voorkomen. Hij werd echter na negen jaar, zoals gebruikelijk onder de romeinen, vermoord. Tiberius (78 jaar) werd door verstikking met zijn kussens in bed door zijn opperbevelhebber Macro te Rome om het leven gebracht.

    Tot het jaar 48 nOJ. leefden de Friezen vrij van de Romeinse verbintenissen (Witkamp I, p. 67). In dit jaar versloeg de nieuwbenoemde romeinse landvoogd Domitius Corbulo op zee de eerste grote vloot van de Kauchen, die onder leiding stonden van een uitgeweken Kaninefaat genaamd Gannascus. Gannascus had met deze vloot de door de romeinen bezette kustgebieden vereert met strooptochten. De Friezen waren zo onder de indruk van deze overwinning dat ze gijzelaars zonden naar Corbulo en stilzwijgend genoegen namen met de landen die hij hun toewees om te bebouwen en bewonen. Verder benoemde hij een raad en overheden om hen te besturen en vaardigde wetten uit. Ook bouwde hij een sterkte, waarschijnlijk op dezelfde plaats waar nu de stad Groningen te vinden is.
    Corbulo wilde na het vernietigen van Gannascus vloot ook het land van de Kauchen intrekken. Hij liet hieraan vooraf een aantal boden naar de Eems vertrekken om de bewoners te overtuigen dat ze het romeinse oppergezag moesten erkennen. De boden hadden ook de opdracht gekregen om, wanneer de kans zich voordeed, Gannascus om te brengen. Hierin slaagden de boden. Echter dit had voor Corbulo niet het gewenste uitkomst. De Kauchen kwamen met hun buren in opstand, zodat de romeinse keizer Tiberius Claudius (de jongste zoon van Drusus) Corbulo zelfs de opdracht gaf, om zich terug te trekken.


    Twee brutale Friezen
    Rond het jaar 65 nOJ. was in het gebied der Batavieren de vrede zover gevorderd, dat de romeinen speer en zwaard verwisselden en spade en houweel ter hand namen (Witkamp I, p. 68, 70). De Germanen waren in de veronderstelling dat het de romeinen verboden was om nog te vechten. Verritus en Mallorix, die aan het hoofd stonden van de Friezen, moedigden de Friezen aan om zich meester te maken van de braakliggende terreinen aan de Rijnoevers. Deze waren echter bedoeld voor de romeinse krijgslieden. De Friezen hadden hun hutten geplaatst en waren al aan het zaaien geweest, als of het nieuw gewonnen erfgronden waren. De romeinse landvoogd Dubius Avitus was hier niet blij mee en verzocht de Friezen zich terug te trekken naar hun vroegere haardsteden of andere akkers aan de keizer te vragen.
    En dat is precies wat de twee Friezen hoofden gingen doen. Verritus en Mallorix trokken naar Rome.
    Volgens de routeplanner OmnesViae: Romeinse Routeplanner is de Iter brevissimum:
    Ab 'Caspingio' ad 'ROMA'
    Summa CMLVII Milia Passuum / Leuga Gallica.
    Fere LXIV dies.

    Of ze alles hebben gezien wat er heden ten dage nog te vinden is langs deze route, dat kunnen we ons afvragen. Wij kunnen het in ieder geval nog terugkijken op de Romeinse kaart. In Rome aangekomen vroegen ze toestemming om tot keizer Nero toegelaten te worden. Tijdens het wachten werden ze meegenomen naar de schouwburg van Pompejus. Toen ze tussen de gasten ook andere in uitheemse klederdracht gehulde mensen tussen de raadsheren zagen zitten, vroegen zij waarom deze daartussen mochten zitten. Het antwoord was dat dit om mensen gingen die uitblonken in dapperheid en vriendschap jegens de romeinen. Verritus en Mallorix liepen ook naar deze plek, reagerend", "Dan is daar ook onze plaats, want niemand gaat de Friezen in trouw en moed te boven." De raadlieden merkten dit met welgevallen op.
    Of hun verzoek nog tot Nero is gekomen en of het geresulteerd heeft in iets, verteld dit verhaal niet.


    Frank en vrij
    Of het spreekwoord Frank en vrij al zo oud is en hierna verwijst is natuurlijk interessant om te weten.
    Volgens Stoet kan het ook geschreven worden als 'vrank en vrij' en betekend het onbeschroomd, vrijmoedig. Het is vanuit deze Frankisch gezichtsveld dan ook niet verwonderlijk: ‘De betekenisontwikkeling van Frankisch naar vrij lag in het Frankenrijk met zijn vele onvrije onderworpelingen zeer voor de hand’.
    Deze zin is lastig. Wat wordt hiermee bedoeld? Gaat dit over de Franken die onderdrukt worden en als slaaf worden be- of verhandeld door de romeinen of bespreekt dit een latere situatie waar de Frankische koningen en adel hetzelfde doen bij andere volken en tevens de overgebleven romeinen? Bevrijd van het Romeinse juk of vrij door zelf te heersen. Dat is de vraag.
    De Frankische methode om de 'onderdaneneed', de trouweed aan de koning te garanderen was immers naast de afdracht van een tribuut het houden van gijzelaars. Voor de Friezen bestond deze tribuut uit een symbolisch bedrag, de vredespenning of huslotha. (bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925, vierde druk; Henstra/Graafschappen, p. 20-21)

    De Franken
    Het rommelt in het romeinse rijk, vanuit diverse regio's worden de eigen heersers als leiders gekozen. Valerianus, in 253 romaanse keizer geworden, was niet in staat op de diverse opstanden uit de wingewesten het hoofd te bieden (Witkamp I, p. 97). In het oosten maakten de Perzen, Scythen en Gothen bij de Eufraat en Donau onrust en aan de Rijn bedreigden een verzameling van onderscheidende Germaanse stammen onder de naam van Franken - vrije mannen - de romeinen. Dit bondgenootschap bestond onder andere uit de Sikambren, Tenkteren, Usipeten, Broekteren en Atuariërs.
    Op 28 augustus 284 wordt de Dalmatiër Diocletianus te Chalcedon tot keizer van het romeinse rijk uitgeroepen. Hij neemt de leiding over het oostelijke deel, terwijl hij Maximianus Herculius (voorheen krijgsoverste) de leiding geeft over het westelijk deel. Maximianus streed regelmatig met de Germanen om te voorkomen dat ze Rijn overstaken. De Bourgondiërs, de Allemannen, de Cavionen en de Herulen waren of verjaagd of vernietigd. De Frankische koning, gevestigd in Batavië had de vrede als een gunst ontvangen.
    Echter de zeeschuimers bezochten nog regelmatig de kusten van Gallië, Brittanje en Spanje. Om dit tegen te gaan had Maximianus een vloot uitgerust om deze stranden te beveiligen. Hij stelde de Menapiër Valerius Carausius aan als leider, om jacht te maken op deze rovers.
    Echter deze Menapiër had een bijzondere taakopvatting. Hij gaf de zeeschuimers alle gelegenheid om te roven. Vervolgens overmeesterde hij en nam hun de buit af. De romeinse keizer kon dit uiteraard niet toelaten en gaf de opdracht op Carausius uit de weg te ruimen. Maar Carausius had nu voldoende middelen om de officieren om te kopen en liet zich verschepen naar Brittanje. Hier riep hij in 286 zichzelf uit tot keizer van Zuid-Albion. Dit breidde hij uit met Gesoriacum (Boulogne sur Mer). Hij liet de Franken toe om zich uit te breidden tot aan de Schelde en zo was Brittanje en het gebied tussen de Seine en Flie een eerste soort Frankisch Keizerrijk onder bescherming van de Frankische coalitie (Witkamp I, p. 99).
    Dit keizerrijk wordt zelfs in 292 door de romeinen erkend. Echter lang kon keizer Carausius er niet van genieten. Hij werd het jaar erop, zoals ook de meeste romeinse keizers overkwam, in 293, door zijn eerste staatsdienaar Allectus trouweloos vermoord.
    Hierdoor waren de romeinen weer in staat om hun orde te herstellen met de Rijn als grens. Voortaan werden ook christenen beschermd.

    Constantius Chlorus was het, die rond 297 (De Franken in Nederland / D.P. Blok, pagina 17) weer orde op zaken stelde. De vijanden worden verdreven en de grenzen hersteld.
    > Uiteraard moeten we dit soort mededelingen zien vanuit een bepaald perspectief. Kennelijk schrijft Blok in dit geval vanuit de romeinse!
    Belangrijk voor de romeinen was ook van belang dat de verbinding Rijn - Noordzee - Engeland weer vrij was, in verband met de graanvoorziening. Het is mogelijk dat toen de Franken toestemming hadden om binnen de Rijngrens te blijven, maar misschien waren het ook de Salii in de Betuwe, die omstreeks deze tijd uit Salland, waaraan zij dan de hun naam hebben gegeven, waren verdreven.
    In eerdere pagina's verhaald Blok over de hypothese van de naamgeving (Blok, p. 11-16): Blok neemt als uitgangspunt dat de Salii de oorspronkelijke dragers waren van de Frankische naam. Hierbij sloten dan als een soort 'stammenzwerm' -verzonnen door Wenskus- andere stammen bij aan of deelden deze groepsnaam. De Salii worden sinds 358 zo genoemd, in 360 de Chattuarii, 388 de Bructeri, Chamavi, Amsivarii en Chatti. Van de door Witkamp genoemde stammen De Sikambren, Tenkteren, Usipeten, Broekteren en Atuariërs, kan ik Broekteren koppelen aan Bructeri. Voor de rest zie ik geen overeenkomsten.
    Verder wordt 'Frank' als een Germaans woord gezien: onstuimig, dapper. Dus ook de stammen noemden zichzelf zo. Want de romeinen noemden de bewoners (geografisch ingedeeld) van de Nederrijn 'Franken' en van de Bovenrijn 'Alamannen'. Tevens hadden de romeinen misschien als criterium dat alle varende stammen 'Franken' waren, dus ook de Friezen en Saksen, die dus duidelijk daar niet bij hoorden.
    Ook wordt er melding gemaakt (Blok, p. 19) dat er maar weinig bekend is over de tussenliggende tijdspanne. De romeinen, onbekend met eb en vloed, hebben misschien het rivierengebied verlaten, vanwege veranderende stromingen of wateroverlast. Daarom zijn er deze periode weinig archeologische vondsten in dit gebied. En omdat ze er niet meer zaten, werd er ook niets over geschreven. Wel maakten andere stammen hiervan gebruik. Zo werd dit gebied, Batavia door de Salii en Chamaven bewoond. De Salii trokken zelfs door naar Toxandrië, het stroomgebied van de Dommel.


    Volksverhuizing
    Vanaf halverwege de eerste eeuw van onze jaartelling, had in het verre oosten in het hart van Noord-Azië, het Altaïgebergte, zich het Mongoolse volk Hung-noe ontwikkeld (Witkamp I, p. 104-106). Als Hunnen leerden de romeinen ze kennen. In 375 trokken de Hunnen de Wolga over en namen de Alanen op. En zo volgden vele volken. Verjaagd, vernietigd of opgenomen. In 400 stonden ze in Italië. Dit was het sein om alle Romeinse legioenen terug te trekken. Dit had een enorme volksverhuizing tot gevolg. De Wandalen stonden in 406 al aan de gene zijde van de Rijn en de Franken konden hun nog net aan. Maar toen de Wandalen hulp kregen van de Alenen, redden de Franken het niet meer. En hierna kwamen de Sueven, Bourgondiërs, Quaden, Herulen en Saksers. Ze breidden zich uit tot Gallië en Pyreneeën. Alles wat door de romeinen was opgebouwd werd vernietigd.
    Echter de romeinen kwamen terug en samen met de Franken en andere Germaanse stammen probeerden ze hun gemeenschappelijke plunderende vijand de Hunnen uit Gallië te verdrijven.
    In 444 had Attila de alleenheerschappij over de stammen in Pannonië gekregen en ging met 750.000 man op pad om een rondje door Europa te doen. Alles plunderend en verzwolgen. Ook nu besloot Rome weer alle legioenen terug te trekken. Brittanje werd aan de Britten overgelaten en waren vrij geworden. Echter de Britten, het vechten verleerd omdat ze onder romeins toezicht stonden, hadden problemen om de volken (Schotten en Picten) vanuit het noorden tegen te houden. En dus vroegen ze in wanhoop bescherming van hun Germaanse zeeschuimers, die al 150 jaar op hun stranden kwamen plunderen. De eerste twee die gevraagd werden waren de zonen van de Saksische veldoverste Witigisil genaamd Hengist en Horsa. Met drie schepen landen ze op uitnodiging van koning Vorigern (of Gwrtheyrn) op de Britse kust. En ze versloegen vervolgens de Picten. Nadat deze Caledonische rovers waren vertrokken, kregen de twee broers als beloning het vruchtbare eiland Thanet. Tevens werd verzocht om versterking te regelen. En zo staken duizenden Friezen, Anglen, Saksers en Jutten naar Albion over.
    Helaas voor de Britten hadden deze Germanen geen zin om de Picten verder te verdrijven. Samen met hen werden de Britten gedood, gevangengenomen of verdreven naar de bergen van Wales en Armorica (uiterste westhoek van Gallië).
    En zo ontstond in 455 het begin van het Angelsaksische koninkrijk.


    Friesche uitbreiding
    Door deze verplaatsing van diverse stammen uit de omgeving van de Friezen, kregen zij rond 455 alle ruimte om zich uit te breiden naar het zuiden tot aan de Schelde en richting het oosten tot aan de Wezer en zelfs daarover. In het westen hadden de Friezen nu alleen nog de Franken als buren en in het oosten Saksen. De Batavieren waren waarschijnlijk opgelost in de Franken, net als vele andere stammen (Witkamp I, p. 106).
    Wanneer we naar de relatief kleine uitbreiding van Frisia kijken op de Europese kaart en ons realiseren welke handelspotentie dit heeft, dan zal blijken dat dit niet een onhandige zet was van deze Friezen. Zíj zijn degenen die bekend zijn met de steeds veranderende stromingen in dit woelige gebied. Ook de eb en vloedstanden kenden ze op hun duimpje. Kortom dit gebied tussen het Zwin en het huidige Nordfriesland was hun thuis. Dit gebied, met de uitlopers van de grote rivieren hadden een enorm achterland en de Noordzee ook. Ze zaten dus in het centrum wat het handelscentrum van Europa ging worden.
    Ook bevoeren ze het wad, de kuststroken, die hun naar de landen rond de Noordzee brachten en de via de Eider, Treene en Rheider Au kwamen ze naar de Oostzee waar ze ook handelden met de mensen in dat gebied. De laatste route was dan ook in de 8e eeuw de vaarroute tussen Dorestad en Haithabu.
    Wanneer we dit gebied van de Noordzee even beter beschouwen, dan dwingt het beeld zich op dat ook de Noordzee zelf grotendeels uit een getijdenstroom bestaat. Immers, alle grote en kleine rivieren spuien hun water op de Noordzee. Een groot gedeelte komt via de Oostzee door het Sont uit op de Noordzee. Hierdoor zal het minder zoute Oostzee ook eerder bevriezen. Langs de mondingen van de rivieren zal het zoutgehalte van het zeewater het minst zijn. Gemiddeld is het dan ook onder de 25‰. In de Noordzee zal het al gauw 10‰ meer zijn. Terwijl het langs de kust steeds zoeter wordt, van 34‰ langs de huidige Belgische kust tot in de Duitse Bocht al lager dan 30‰.
    En dan hebben we natuurlijk nog de getijden in de Noordzee. Deze heeft een dubbeldaags getij en de getijdenbeweging wordt veroorzaakt door twee getijgolven die door zowel door zon en maan regelmatig wordt geregeld. Ook kent het daardoor niet de getijverschillen zoals ze wel voorkomen op de oceanen. Hier beperkt het zich tot zo'n 4 meter bij Zeeland en de Theems en 5 meter bij het iets noordelijker gelegen Humber. Bij de rivieren zorgt dit natuurlijk wel de nodige stuwende effecten, afhankelijk van de situatie van het getij. En van deze krachten kon - ook op zee - handig gebruik gemaakt worden, wanneer je op het juiste tijdstip in je bootje stapt. En daarvoor heb je dus kennis van Noordzee en haar riviermonden voor nodig.
    In de Middellandse Zee komt het verschijnsel van eb en vloed nauwelijks voor. De nauwe Straat van Gibraltar laat vanuit de Oceaan nauwelijks golfslag toe. Slechts 15cm hoogteverschil nemen we waar. Ook de Oostzee kent het verschijnsel niet. Zodat we wel kunnen spreken over kennis van een beperkt aantal, de bewoners van de Noordzeekustlijn.
    (Wikipedia De grenzen van de stroomgebieden, Zeewater, Noordzee - Getijden)


    Fries achterland

  • Schelde
  • Maas
  • Rijn
  • Eems
  • Wezer
  • Elbe
  • In het Oudengels geschreven Beowulf, in de Historia Francorum van Gregorius van Tours en in een later Frankisch geschiedwerk, wordt gesproken over een aanval van de Scandinavische koning Hygelac. Hij zou rond 526 een aanval op het land van de Friezen en Franken gedaan hebben om het volk van de Hattuarii te plunderen. De Hattuarii woonden ten zuiden van de Rijn, oostelijk van Nijmegen in de Hettergouw.
    Theoderik, koning van het noordoostelijke deel van het Merovingische rijk, waarin de Hattuarii dus woonden, stuurde zijn zoon Theodebert met een leger achter Hygelac aan. Hygelac werd gedood, zijn vloot verslagen en de buit heroverd. Hierover werd verhaald:
    "En er zijn monsters van wonderbaarlijke grootte, zoals koning Hygelac, die het bevel voerde over de Geti en door de Franken gedood is; vanaf zijn twaalfde jaar kon geen paard hem dragen. Zijn gebeente is bewaard op een eiland in de Rijn, waar deze in de oceaan uitstroomt, en wordt als iets wonderlijks getoond aan reizigers die van verre komen." (Liber monstrorum, rond 900)
    Verder is er nog een 'romantisch' verhaal van de Byzantijnse schrijver Procopius. De koning van de Varini, die aan de Rijnmond leefden, was gehuwd met een zus van de Frankische koning Theudebert (534-547). Uit een eerder huwelijk had de koning van de Varini een zoon gekregen, genaamd Radigis. Eerst wilde hij dat zijn zoon met een prinses uit Engeland zou trouwen, maar vlak voor zijn dood vreesde hij de Franken meer en werd de verloving verbroken. Radigis trouwde met zijn stiefmoeder.
    De Engelse prinses kon dit echter niet verkroppen. Ze kwam met een leger vanuit Engeland, versloeg de Varini en nam Radigis gevangen en trouwde hem.


    Noordzeehandel
    Ook dit verhaal geeft aan dat de verbanden na de volksverhuizing er nog steeds waren. Ook taalkundig. Er vormde zich een linguïstische eenheid rondom de Noordzee, waarvan het Oudengels en Oudfries de belangrijkste waren, maar ook het Oudsaksisch, Hollands, Zeeuws en Vlaams hoorden bij - wat Blok neutraal noemt - Noordzeegermaans.
    Uit een lofdicht van Venantius Fortunatus blijkt dat ook nog gestreden werd. Chilperik I, koning van het Westfrankische gedeelte (561-584), heeft kennelijk de Friezen en Suevi een gevoelige slag gebracht. Chilperik word "de schrik der ver weg wonende Suevi en Friezen" genoemd. En "ze durfden niet meer strijden, maar lieten zich beteugelen", wat mogelijk inhoud dat ze Chilperik als heer hadden aanvaard.
    Vanaf 550 gaat de Noordzee een belangrijke rol spelen in de Europese handel. De Friezen speelden hierin een belangrijke rol met een groeiend aandeel.
    Een grote invloed op deze uitbreiding had waarschijnlijk de laatste volksverhuizing in het oosten. Dit blokkeerde voor de Zweden de handelswaterwegen (de Wolga en Dnjepr) door de gebieden van het huidige Rusland naar de Kaspische Zee waar ze handeldreven met iedereen die daar kwam. De Zijderoute kwam hierop uit en vanuit het zuiden de Arabieren en Byzantijnen.
    De routes moesten verlegd worden en dit was in het voordeel de Friezen.
    De opgedane relaties in de omgeving worden steeds verder uitgebreid. Ook gaat ze verder in de handel. Niet alleen de producten uitwisselen die ze zelf over hebben, tegen de producten die ze nodig hebben, nee, er worden ook producten verhandeld met doel om weer door te verkopen. Inderdaad verkopen, want de Friezen waren erachter gekomen, dat het zo makkelijker ging. Vandaar dat ook in allerlei handelsplaatsen munten werden teruggevonden van Friese komaf. Eerst waren dat gouden munten met als voorbeeld de tremissen. Later werden de munten van zilver met hetzelfde gewicht als die van de gouden van 1,3 gram. Deze zijn met mogelijk met miljoenen geproduceerd in Frisia en -volgens Henstra in onze tijd abusievelijk- bekend als sceatta's.
    De eigen handel wordt tussenhandel. En zo komen er slaven, barnsteen, bont en speksteen uit Denemarken en ook slaven en verder tin en linnen uit Engeland. Het Frankische achterland levert aardewerk, wijn, maalstenen en wapens. En de Friezen werden zo de transporteur en handelaren van Europa. De slaven waren veelal strijders die de strijd verloren hadden en zoals we hierboven hebben gelezen behoorden ze tot de derde stand: de onvrijen, laten of lijfeigenen. Dit waren vaak krijgsgevangenen of kinderen daarvan. Gelukkig ontstaat er ook nog een grote vierde klasse: de vrijgelatene.
    Belangrijke knooppunten waren Dorestat, (het later zo genoemde) Domburg, toen mogelijk aangeduid met Walcheren en Medemblik. In het verlengde hiervan exporteerden ze in de huidige Scandinavische gebied ook hun eigen type havenplaats (Blok, p. 24-30; Pye/Noordzee, p. 41-42).


    Behouden vaart
    Blok ontkracht later in zijn boek dat Walcheren later Domburg is gaan heten, dan wel dat Walcheren de plaats is waarover gesproken wordt en zodoende nu de plek is waar Domburg ligt. Waar gaat het om: rond 775 worden in een aantal schenkingen aan het klooster Lorsch gedaan en hierin worden als plaatsbepaling de volgende ambachten genoemd, waarin een ambacht gezien dient te worden als ambtsdistrict, wat bij ons aan de kust gebruikelijk is: in Engilbrehtes ambehte, in Helicriches ambahte, in Wudarres ambachte (of Wudraces, Wadreaces ambachte). Koch wilde dit lezen als Walacr ambachte en Walacr(a) is dan Domburg. Blok toont eerder aan dat Walcheren een koningsgoed was en kon dus niet door een particulier weggegeven worden. Blok gaat er dan ook vanuit, dat in Wudarres ambachte foute overleveringen zijn gezien de rr en de ch. Bij de andere staat immers ambathe ipv ambachte. Ook zijn de namen duidelijk persoonsnamen in de tweede naamval: Engelbert (Engilbreht), Helicrich en Wudar (?).

    Op dit toch wel zeer bijzonder fragment van een altaar zijn een schip met acht wijntonnen, een stuurman die de helmstok hanteert en een man die de vaarboom gebruikt op het schip voort te duwen te zien. De zijkanten van het altaar zijn versierd met wijnranken en druiventrossen, zodat we weten dat het om wijn gaat dat in de tonnen zit. Hieruit kunnen we concluderen dat het altaar gewijd is door een wijnhandelaar. De (gedeeltelijk gereconstrueerde) inscriptie luidt: "Aan de godin Nehalennia heeft Commodus, de zoon van Ufens, zijn gelofte ingelost, gaarne en met reden".
    Het beeld is te bewonderen in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden
    bron: Geheugen van Nederland; Stuart/Nehalennia, p. 80-81, 111, 118
    Nehalennia-altaar


    We zien hier 2 maal Orizand. Eenmaal in 1582, n.a.v. een kaart van Levinus Ruta (fig. 7) en eenmaal in 1620 door J. en F. Sijmonsz In der Velde (fig. 8). In deze 40 jaar is de situatie behoorlijk veranderd. Het eiland is 'gebroken' in een West-Oresandt en Oost-Oresandt, waarbij West-Oresandt ook Ouwe Leck is gaan heten.
    Dit ter illustratie hoe snel de zandmassa's van plaats kunnen veranderen.
    bron: Tussen Afsluitdammen en Deltadijken : I Noord-Beveland

    Van der Tuuk meldt de grote hoeveelheid gevonden munten (sceatta's en denarii) uit de Karlingische periode bij Domburg, die we in die periode als Walacria tegenkomen in de literatuur. Het zou gaan om een handelshaven waar ook aan nijverheid werd gedaan, zoals bijvoorbeeld leer- en metaalbewerking. De plaats lijkt opgebouwd te zijn uit een lintbebouwing en twee grafvelden. De bewoners uit de Karolingische periode bij Westhove waren gezien de bijgiften in de graven niet onbemiddeld. De laat-Merovingische deel van deze verdronken handelsplaats, vindt men ter hoogte van Duinvliet. Dit alles blijft echter speculatie. De bewoning door de Denen resulteert nu in het vinden van Arabische dirhams. Ook zal het heidense imago van Domburg komen door de vesting van de Denen/Noormannen, waar Bisschop Frederik rond 820 nog iets aan ging doen, zoals we later zullen lezen.
    Het heidense wordt duidelijk wanneer de godin Nehalennia zichtbaar uit zand en zee komt na een storm van de eerste dagen van januari 1647. Ook werden de fundamenten van een klein huisje zichtbaar, mogelijk een soort tempel voor de godin. Dit was natuurlijk groot nieuws: Extraordinarie antique ontdeckinghe, ghevonden aen de zee-strandt, te Dombvrgh in VValcheren: in de graef-schap Laterdal. Er volgden meerdere jaren dat het zichtbaar aan de oppervlakte kwam. Na 1647 vinden we 1715, 1749, 1817, 1832 en 1866. Er worden munten gevonden, voldoende voor de suggestie dat er serieus handel gedreven werd, maar ook grafgiften in de vorm van zilveren sieraden en bronzen beeldjes. Aangezien we uit de Romeinse tijd geen geschriften kunnen vinden met verwijzingen naar deze plaats of omgeving - in 1970 wordt met een eerste vondst op 14 april bij Colijnsplaat de restanten van de internationale handels- en havenstad Ganuenta uit zee gehaald - maar wel een verhaal van Willibrord dat hier komt huishouden rond 690, waarbij opgemerkt dat christenen geen kostbaarheden als grafgeschenk hadden. Tevens kunnen we de sieraden duiden als Vikings. Dit alles geeft dit de periode weer, waarin we dit handelsplaatsje moeten plaatsen.
    Ganuenta lag aan de zuidoever van de Schelde met ook een tempel gewijd aan Nehalennia, dat zorgde dat de kooplieden en schippers een veilige oversteek naar Engeland en vv kregen. De uit zee opgeviste delen die bij het Nehalennia-altaar horen zijn digitaal te bewonderen in het
    "Geheugen van Nederland". Op de beelden staan teksten te lezen als: "Aan de godin Nehalennia heeft Marcus Agricola, burger van Trier, zouthandelaar te Keulen, zijn gelofte ingelost, gaarne en met reden". In het latijn staat er dan altijd de spreuk Votum Solvit Libens Merito ingebeiteld dat dus de zin 'De belofte ingelost, gaarne en met reden' weergeeft. Op een klein beeldje wordt dit afgekort tot V S L M. Vaak is dit gecombineerd met de naam van de schipper. Tegenwoordig staat er in de buurt een replica van de tempel. Het origineel stond op een kleiplateau van ca. 400 x 400 meter, zo'n 500 meter noordwestelijker, waar de Oosterscheldegeul op de noordelijke helling van de Schaar van Colijnsplaat nu zo'n 25 meter diep is. Het lag hier waarschijnlijk op een eiland dat de naam Orisant (of Orizant, Oresandt, Orizandt) droeg, dat rond 1300 als Worighesant op de kaart komt.
    Pye vat in zijn inleiding de eeuwen geschiedenis van Domburg in een notendop samen: "De Romeinen bouwden een tempel voor de koopvaarders die ze de zee op stuurden, vervolgens bouwden kooplieden een handelsstad waarvan we de naam niet meer kennen, daarna vestigden de Vikingen zich er, berucht om hun roof- en plundertochten. Dit ene strand belichaamt het verhaal van een wereld die altijd veranderlijk en steeds in beweging was." Mogelijk bedoelt hij Ganuenta als onbekende handelsstad.
    Volgens een artikel in het Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden Leiden, waar de vondsten naar toe zijn gebracht, onderzocht en beschreven, zoals we in het onderzoek van Frans Beekman kunnen lezen, kunnen we Ganuenta lezen als 'Gent'. Gent betekend namelijk monding en dat is hier wel van toepassing.
    Ook de opgravingen onder de Sint-Gertrudiskerk aan de Grote Markt van Bergen op Zoom tonen aan dat er hier offers werden gebracht voor een veilige overtocht, voordat hier een kerk stond. Er zijn hier namelijk groot aantal mini-amforen gevonden. Bergen (op Zoom) is waarschijnlijk ontstaan op een zandrug met landinwaarts aan de oostkant een veenpakket. Aan de westkant strekte de Scheldedelta zich uit. Mede door deze plek kon het zich ontwikkelen tot een belangrijk handelscentrum (1350-1530) tussen de Graafschap Zeeland, Vlaanderen en het Hertogdom Brabant. Tot 1747 stond deze plaats bekend als La Pucelle (de maagd), omdat het tot dan nog niet in vijandelijke handen was gevallen. Andere vindplaatsen van de tremissen en sceatta's kunnen we vinden in de handelsgebieden, zoals het huidige Denemarken, Duitsland (de Friese gebieden) en langs de Rijn en zijtakken, België, langs de Franse rivieren en Middellandse Zeekust en Atlantische Oceaankust, de Britse kusten en stroomopwaarts langs de rivieren.
    (Blok, p. 90-91; Tuuk/Gouden, p. 180-181; Henstra/Graafschappen, p. 12-14; Pye/Noordzee, p. 11-15, 18-19; vdHoek/Nullijn, p. 74; Beekman/Schouwen, p. 23; Greven/Meester, p. 128; Orisant; Orisant/Jaap van Liere; Geschiedenis van Bergen op Zoom; Wikipedia Tempel van Nehalennia op Colijnsplaat, Bergen op Zoom)


    Koninklijke domeinen
    Het koningsgoed of koninklijke domeinen waren gebieden of goederen die door of namens de koning waren veroverd. In beslag genomen goederen of land van verslagen tegenstanders of verkregen door gerechtelijke uitspraken. Kortom, uit diefstal verkregen. (Vergelijkbaar met waar we tegenwoordig nog steeds aan herinnerd worden, door teruggeefrechtszaken van staten aan andere staten of particulieren, als nasleep van bijvoorbeeld de WOII). De vraag hoe een nieuwe koning aan nieuwe spullen komt, is hiermee beantwoord. Deze nieuwe domeinen gingen uiteraard dienstdoen als militaire steunpunten om de veroverde gebieden te kunnen behouden. Daarnaast werd gesteld dat alle vrije gronden, dus de onbewoonde, woeste, beboste en waterrijke gebieden ook bij het domein behoorde. Dit leverde namelijk weer geld op, door het hout, vis en andere door jacht verkregen dieren op de markt te brengen. En tevens konden de gebieden te leen worden gegeven aan de graven, die de gebieden vervolgens gingen beheren. Dus naast militair belang, was er ook een economisch belang. Zo waren er domeinen of steunpunten te vinden in Jever, Riustringen, Oistringen, Aurik, Emden, Borssum en Leer (graven van Ravensberg), Gorecht (Groningen), Franeker, Tessel, Wieringen, Medemblik, Vronen, Velsen, Muiden, tussen monding Oude Rijn en Noordwijk, Naardinkland ('t Gooi), Leut, Utrecht, Vechten, Dorestat, tussen Lek en IJssel, Maasland (Witla?), Zonnemere, Schouwen en Walcheren.
    Op deze strategische plekken werden er markten georganiseerd, zodat er geld verdiend kon worden aan belastingen, tolheffingen, havengelden. Allemaal vormen die nog steeds geheven worden. Daarnaast werden van de vruchtbare gronden voedsel verkregen, die door in koningsdienst zijnde boeren werden verbouwd. Het beheer van de gebieden waren in handen van koningsgraven. Deze hadden echter nauwelijks een bestuursapparaat voorhanden en ook moesten ze zichzelf bedruipen met inkomsten. De vraag waaruit dit bekostigd werd is een retorische. De talrijke strafmaatregelen geven aan dat er veelvuldig misbruik werd gemaakt. Verwaarlozingen van de aangegane plichten, machtsmisbruik, afpersingen, diefstal, het gebeurde allemaal veelvuldig. Steeds werden de regels aangescherpt als reactie op de jongste gebeurtenis. Wat dat betreft is de situatie er met en na Karel de Grote niet beter op geworden (Henstra/Graafschappen, p. 26-28).
    > Maar voorgaande is tegenwoordig nog zo herkenbaar dat ook in onze huidige tijd het niet veel beter gaat. Gaten in wetten worden aan de lopende band hersteld en nieuwe wetten creëren weer evenzoveel nieuwe gaten. En er lopen nog genoeg mensen rond, die niet meer weten waar de grens van het betaamde ligt. Kennelijk speelt de gelegde basis van het ontstaan van koninkrijken ons nog steeds parten.


    Fries-Saksische samenwerking tegen Franken
    In deze periode tot 613 wisten de Friezen en Saksen zich samen te handhaven naast de Franken. De Franken hadden Europa grotendeels in handen. Door verdeling -bij troonopvolging- verbrokkelde de Frankische samenhang en door diverse moordpartijen werd het Frankische rijk weer samengebracht. Door samenwerking wisten de Saksen en Friezen hun gebied tegen de Franken te stabiliseren, al moest hier ook strijd voor geleverd worden (Witkamp I, p. 114).
    Het verzet tegen overheersing bleef bij de Friezen en Saksen een gevoelig punt. In Metz en Parijs ging men ervan uit dat de Saksers en Friezen waren onderworpen door het Frankische Rijk. En van tijd tot tijd probeerden de koningen of hun groothofmeester dit gezag te staven. Dus toen de Saksers de Frankische koning Clotaris II verstaan hadden gegeven dat zij van niemand bevelen wilden ontvangen, de Saksische boodschappers -met schending van het recht der volkeren- dit met een schandelijke dood zouden moesten bekopen. Gelukkig voor de boodschappers kwam de Bisschop van Meaux tussenbeide. Door de christelijke doop werd de huid van deze boodschappers gered. Clotaris zond ze, in plaats van te doden, nu met rijke geschenken terug (Witkamp I, p. 114-115).
    Vrijhandel
    Rutger Bregman verhaalt in "De geschiedenis van de vooruitgang" over het kapitalisme, vrijhandel, crises en corruptie. Hij stelt dat het kapitalisme een van de grootste uitvindingen is in de geschiedenis van de mensheid en de belangrijkste motor van vooruitgang. Hierbij haalt hij het broodroosterproject van Thomas Thwaites aan, die stelt dat "zelfvoorziening armoede is".
    Zoals we hiernaast kunnen lezen is het in geval van de Friezen zeker waar. Sterker, in het begin konden ze nauwelijks zelfvoorzienend zijn. De handel was voor hun van levensbelang. Dit was in het begin een vorm van ruilhandel, toen kapitaal als ruilmiddel nog ontbrak. Het kapitalisme kan ik dan ook niet aanduiden als grootste uitvinding. Handelen wel en dat er daarna klinkende munten gebruikt worden, dat is een handig middel, ruilmiddel om precies te zijn.
    Bregman stelt dan ook niet voor niets dat we sinds de huidige crisis (vanaf 2008 gaande, WP) te maken hebben met een gecorrumpeerde vorm van financieel kapitalisme. En dus niet met het kapitalisme 'zoals het ooit bedoeld is.' De instanties zijn 'to big to fall' -zoals dat in huidig Nederlands heet- en dragen de genomen risico's niet zelf meer. Ze wentelen het af op werknemers, premiebetalers, huurders, overheden en dus uiteindelijk de burgers.
    Onder 'ze' wordt dan de banken, woningcorporaties, pensioenfondsen en scholenkoepels verstaan. En dit zijn (en waren voorheen) eigenlijk allemaal Nutsvoorzieningen. De voorzieningen die alle burgers toch nodig hebben, konden ze net zo goed gemeenschappelijk organiseren. De markt heeft hierin weinig te zoeken, behalve dat ze als toeleveranciers konden dienen of andere diensten / producten konden leveren en ook afnemen.
    Dat er na de huidige crisis pas een gecorrumpeerde vorm van financieel kapitalisme zou ontstaan zijn, zou ik niet willen beamen. Zoals we verderop zullen zien, zorgt het kapitalisme voor machtsblokken die uiteindelijk zullen leiden tot de natiestaten en bedrijven vanaf de Hanze-periode, die we nu kennen. Fusies middels huwelijk en roof (tussen landen noemen we dit oorlog en veroveringen) van kleine staatjes, koninkrijken, hertogdommen en wat dies meer zij tot wat ze nu zijn en internationaal georiënteerde bedrijven of lokale bedrijfjes die fuseren tot grotere en nog grotere.
    Dit alles heeft inderdaad niet meer met de vrije handel te maken, zoals tot voor de Hanze door onder ander de Friezen uitgevoerd werden.
    Met Bregmans conclusie met de markt is niets mis - sterker nog, de markt is geweldig - zolang hij maar blijft ingebed in een moreel kader ben ik het van harte eens.
    Jurjen van der Garde beschrijft het probleem van de bedrijfsmoraal in zijn artikel "Wantrouw het moreel vertoon van bedrijven". Hij wijdt het ontbreken van dit bedrijfsmoraal omdat het veelal gaat over nv's of buitenlandse varianten: De nv is een fictieve persoon die door de wet als handelingsbekwaam wordt beschouwd, waardoor deze zich feitelijk net zo kan gedragen als een natuurlijk persoon (een mens). De verantwoordelijkheid voor het handelen ligt niet langer bij een natuurlijk persoon, maar bij de rechtspersoon. Hoewel wettelijk toerekeningsvatbaar, betreft het hier een zeer gemankeerd persoon. Hij heeft geen lichaam en hoeft niet te vrezen voor ziekte of dood, alleen voor faillissement. Emoties zijn deze entiteit vreemd. Gevoelens van vermoeidheid, angst of boosheid, maar ook gevoel voor schoonheid, liefde en goed en kwaad ontbreken.
    Daan Spaargaren vult dit een paar dagen later aan in zijn reactie 'Kritiek op moraal van bedrijven? Wij gaan van euroknaller naar kiloknaller', waarbij hij de oorzaak vooral bij de naleving van de regels zoekt en bij de burgerconsument: Regels zijn belangrijk, de naleving ervan nog belangrijker. Maar wie echt gedrag van ondernemingen wil veranderen moet zich richten op kapitaal en consument. Wantrouw het moreel vertoon van bedrijven, maar vooral ook dat van jezelf.
    Bijzonder is dat de nv ook nog eens een Nederlandse uitvinding is. De VOC wordt gezien als de eerste.
    Na deze periode werd dan de vrije handel alleen nog handel, want voortaan werden overal afspraken over gemaakt, die schriftelijk werden vastgelegd. Tegenwoordig zou dat vallen onder verboden prijsafspraken. Ook was er na invoering van het romeins recht, omstreeks 1500, sprake van een College van landzaten, die gezamenlijk onderling een vast rentetarief vaststelden voor het gebruik van de landen. In de financiële wereld van onze eigen tijd, blijken dit soort trucjes nog steeds te gebeuren. Achttien bobo's uit de financiële markten bepalen de cruciale rentarieven. Niets marktwerking of vrijhandel. Elke ochtend geven deze personen een geschat rentetarief door aan Thomson Reuters (een multinationale informatiehandelaar), waarvoor het geld geleend mag worden. De hoogste en de laagste tarieven tellen niet mee. Van de overgebleven zestien tarieven wordt een gemiddelde berekend en dit wordt voor die dag de Libor-rente. Ook de Euribor-rente wordt zo berekend, maar dan op basis van 43 banken.
    Eenzelfde spel wordt er mogelijk al tien jaar gespeeld met de valutakoersen. Deze koersen, van de ongeveer 160 munteenheden, worden voor een belangrijk deel vastgesteld door de vier belangrijkste banken, Citibank (VS), UBS (Zwitserland), Barclays (GB) en Deutsche Bank. Ook hier hebben handelaren een momentum gevonden om deze koersen te beïnvloeden en hieruit winsten te halen. Als banken hiervan beter worden, gaat dit uiteraard ten kostte van de klanten. Immers, ze handelen voor eigen belang en niet voor de klant. "Conflict of interest". Uitgezocht moet nog worden of hiervoor regels zijn en dus of het om strafbare handelingen gaat. De valutamarkt heeft veel weg van het Wilden Westen, stelt een valutahandelaar in London. (bron: Bregman/Vooruitgang, p. 260-262, 267; De meest geweldige show op aarde : Essay Bestaat het kapitalisme wel? / Koen Haegens (in: De Groene Amsterdammer, 05-12-2012); Meer dan een zinsbegoocheling : Het kapitalisme heeft toekomst / Koen Haegens (in: De Groene Amsterdammer, 09-01-2013); Wantrouw het moreel vertoon van bedrijven / Jurjen van der Garde (in: De Volkskrant, 10-06-2013, p. 22); Kritiek op moraal van bedrijven? Wij gaan van euroknaller naar kiloknaller / Daan Spaargaren (in: De Volkskrant, 13-06-2013, online 19:30 uur)
    De Saksen bleven niettemin in hun verzet volharden. Clotaris zoon, Dagobert, die het noordelijk gebied beheerde stak daarom de Rijn over, het gebied van de Saksen. De Saksen (met hulp van de Friezen) zorgden voor een warm onthaal onder leiding van de Saksische koning of hertog Berthold en brachten Dagobert zo in het nauw dat deze de hulp van z'n vader nodig had.
    Dagobert en zijn troepen werden ontzet en bij de Wezer werd Berthold ingehaald. In een merkwaardig tweestrijd tussen Berthold en Clotaris moest Berthold het met de dood bekopen.
    Gehele Saksische en Friesche streken werden door de Franken volledig verwoest. Tevens kreeg het leger de opdracht op alle mannen groter dan de Frankische koning een kopje kleiner te maken en de vrouwen en kinderen gevangen te nemen om als slaaf in Frankenland verkocht te worden.
    Ook schijnt Utrecht in deze periode aan de Friezen ontnomen te zijn. Dagobert stichtte hier in 631 een kapel, aan St. Thomas gewijd (Witkamp I, p. 115).
    Uit een brief uit 752/753 van Bonifatius aan paus Stephanus III schrijft Bonifatius dat Dagobert eens het castellum Utrecht met een kerkje erin aan bisschop Kunibert van Keulen had geschonken, onder voorwaarde dat dit zou dienen tot missie onder de Friezen. Kunibert had aan die voorwaarde niet voldaan en later vond Willibrord het kerkje totaal vernield terug.
    Hieruit blijkt dat Dagobert Utrecht veroverd had (Blok, p. 35-36).


    Friesche gouden eeuwen
    Zoals we uit het voorgaande al konden bespeuren, zijn de Friezen -ondanks hun beperkte middelen of misschien wel juist door hun beperkte middelen- in staat geweest om een bestaan te realiseren op en in een wad-achtige omgeving. Er waren immers geen bomen. Dus hoe bouw je huizen en boten? De Friezen waren al vroeg afhankelijk van de handel en aangezien ze kennelijk producten hadden, waar vraag naar was, konden ze handeldrijven met de omgeving. Maar handelen werd ook al snel als 'branche' ontdekt. Er ontstonden dus ook kooplieden die op stranden van het wad en rivieroevers hun waar gingen verkopen. En wanneer dit met enige regelmaat gebeurd, ontstaan er markten, waar ook weer andere handelaren op af komen. En hier komt dan weer meer volk op af. En voor je het weet heb je een bruisende plaats. Dorestad en Haithabu zijn hiervan sprekende voorbeelden.
    De handel beperkte zich echter niet alleen tot het eigen gebied. Ze waren tijdens de Romeinse periode al in aanraking gekomen met allerlei zaken die hier niet te verkrijgen zijn. En met een zo gunstige ligging, alle grote rivieren komen door het Friese land om in de Noordzee uit te komen, kan de handel met het achterland en Noordzeelanden niet uitblijven.
    Maar door alle marktbeschermende maatregelen van de Franken, moest er dus met een omweg gehandeld worden. Ze werden -samen met de Syriërs en Joden- dé handelaren van het Frankische Rijk. Er ontstonden - naast Dorestad - handelscentra in Domburg en Medemblik. Dit lag in het gebied wat bij de Frieslanden hoorde. Daarnaast kregen de Friezen voet aan de grond langs de Rijn in Xanten/Birten, Duisburg, Keulen, Worms, Mainz en Straatsburg met hun eigen handelsposten.
    Ene Ermoldus 'de Zwarte' beschreef hoe Friezen hout, graan, wijn en andere producten uit het gebied van de bovenloop van de Rijn naar Frisia verscheepten.
    In de diverse steden langs de Rijn en verder landinwaarts stonden de Friese geweven stoffen in allerhande kleuren als beste bekend. De handelsvertegenwoordigers van deze stoffen konden zich verheugen op grote aanzien binnen de stadsgrenzen en woonden dan ook vaak in de beste straten of beschikten zelf over een eigen deel in de stad, de Friesenviertel.

    Birten
    Bij het huidige Xanten, in Birten wordt de komst van Friezen rond 880 gemeld.
    (bron: Emder Jahrbuch, 13,
    p. 55)

    Duisburg
    In Duisburg (Dusburhg) leefden een onbekend aantal Friezen (Fresones), die hier aan het klooster op St. Martin (11/11) uncias .VIII. semis en met pasen uncias .V. et denarios .XII. schonken. Dit waren niet zoals in de omgeving bekende boeren, dit waren handelaren, die tot doel hadden om de kloosters met de wereld te verbinden middels hun transportschepen. De handelaren schonken geld. De boeren schonken veelal goederen i.c. een deel van de oogst et cetera.
    (bron: Elmshäuser/Schiffe, p.
    263)

    Mainz
    In Mainz stond het Friezenkwartier als mooiste deel van de stad bekend, waar een bloeiende Friese stoffenhandel floreerde. In 886 brandde, dit beste deel van de stad Mainz af.
    (bron: Heyne/Wohnungswesen. - p.
    151)

    Worms
    In Worms, in deze periode in het Latijns aangeduid als Warmatia (in 771 civitas Vangionum, quae cognominatur Warmacia genoemd), hadden de Friezen in de noordoosthoek van de stad hun eigen kwartier. De platea Frisonum wordt in 829 voor het eerst genoemd.
    In 886 brandde (net als in Mainz), aldus de kroniekschrijver van Fulda, echter het beste deel - de noordoosthoek - van de stad Worms af en laat dat nu net de plek zijn waar de Friezen woonden. De stad was echter wel omringd door een stevige muur. Dat weerhield de plundering van Noormannen in 891 echter niet tegen.

    Deze kaart van een latere periode laat goed zien welke uitbreiding er heeft plaatsgevonden.
    (De muur aan rechterkant moeten we even buiten beschouwing laten. Die is weer van een later tijdstip.)
    We vinden op deze kaart een aantal herkenningspunten terug van de muur dat in eerste instantie als Frisonenspira wordt aangeduid. Op de voorgrond zien we een poort dat bekend staat als Friesenspitze, de eerste poort langs het water. Verderop -in het noorden- de landtoegangspoort met naam Porta S. Martini. Hiertussen vinden we nog drie torens, die op de kaart hieronder namen dragen als Scharfrichterturm, Folterturm en Ziegelturm.
    De poort Friesenspitze is intussen omgedoopt tot Judenpforte. Het enige dat nu nog direct aan de Friezen herinnert is de Friesenstraße, dat op deze poort uitkomt.
    De huidige Wallstraße was in deze periode een smalle bevaarbare zijarm van de Rijn.
    De plattegrond van het Judenviertel komt grotendeels overeen met het platea Frisonum zo'n duizend jaar eerder. Immers de Joodse handelaren namen het handelsstokje van de Friezen over zo halverwege de 11e eeuw. De in 960 in Mainz geboren Gerschom ben Jehuda geeft de komst aan van de eerste geldhandelaar in Worms. Het kan echter ook een stuk kleiner zijn, wanneer we het gebied slechts tussen de Judenpforte en de Rijn plaatsen.


    (bron: Braun/Beschreibung, p. 35; Worms: Lage und Geschichte

    Uitbreiding van de muur volgde dan ook meteen hierna.

    Friesenheim
    Weer een eindje verderop, tussen het huidige Frankenthal en Ludwigshafen lag in deze periode een handelsnederzetting van de Friezen. Nog steeds vinden we hier "in de industriehaven van Mannheim" diverse namen terug die daarnaar verwijzen, zoals het natuurpark Kopflache am Friesenheimer Altrhein, een afkapte bocht in de Rijn, dat nu fungeert als haven. Friesenheim valt onder de gemeente 'Ludwigshafen am Rhein'. Daarnaast langs de haven de Friesenheimer Straße. Op deze strategische plek kwamen de Rijn en Neckar samen! Op een kaart ten tijde van de Ersten Koalitionskrieg zien we de locatie van Friesenheim en het Friesenheimer wald, dat in bocht ligt ingeklemd. In 771 werd het in de "Codex Laureshamensis" genoemd, dat in het klooster Lorsch werd geschreven.
    (bron: Correspondenz-Blatt, 1896, p. 47; Wikipedia Geschichte Mannheims, Ludwigshafen-Friesenheim)

    Maar ook verderop de moeilijker begaanbaarder Bovenrijn bevoeren ze.
    En daarna ging de handel de Noordzee op en zien we aan de Britse kust ook diverse aan de Friezen gerelateerde namen. Procopius van Caesarea (Caesarea <500 - Constantinopel >562) benoemt de volken die in zijn tijd de kust bevolkten Angiloi (Angelen), Phrissones (Friezen) en Britones (Britten). De relatie tussen de Angelen en Friezen is waarschijnlijk een andere dan met de Britten. Er wordt gesproken over Anglo-Frisian relatie die er was, voor de migratie van de Angelen naar de andere kant van het Kanaal. Aangezien ze op het vaste continent buren waren, vinden we dit terug in de taal-waaier overeenkomsten. Hoe groot de Friese groep was die naar de overkant ging, kan volgens Jessie M. Lyons enigszins geïllustreerd worden met de voorkomende namen van de plaatsen in diverse counties.

    Yorkshire:

  • Frisby (Doncaster) - River Hull -> Humber -> Noordzee (bij Hull)
  • Frising Hall (Bradford) - River Aire -> River Ouse -> Humber -> Noordzee (bij Hull)
  • Frisingmaede
  • Friezland (Saddleworth, Oldham, Greater Manchester) - kruispunt River Tame + Chew Brook -> River Tame -> River Mersey -> Ierse zee (bij Liverpool)
  • Fryston(e) Ferry, Fryston(e) Monk, Fryston(e) Water. Zelf Friston of Yorkshire wordt in verband gebracht met Frith, Fryth. Dan kan Firth (zeebaai) misschien ook wel. River Aire -> River Ouse -> Humber -> Noordzee (bij Hull)
  • Fressain Pas de Calais, vroeger geschreven als Fresinghem.
    (Dit kan ik echter niet vinden. Wel komt Fressain in Frankrijk voorbij dat in Nord ligt op de grens met Pas de Calais, evenals Fressies. Beiden liggen aan het stroompje La Navie en tussen Riot des Glennes, dat omgeven is door een uitgebaggerd veengebied, waarin waternamen als Les Hollandes voorkomt. Een voormalig moerasgebied. Verder stroomopwaarts komen we uit bij Arras. Stroomafwaarts voegen ze zich al gauw samen met de Schelde dat via Valenciennes, Tournai, Gent naar Antwerpen gaat en via de Westerschelde in de Noordzee stroomt.
    Zo'n 100 km westwaarts vinden we -nu in Pas de Calais liggend- Fressin en vlak hierboven Sains les Fressin. Hier komen we de stroompjes Fossé du Courval en La Planquette tegen. Ze komen samen in La Canche, dat vervolgens bij Étaples het Kanaal instroomt.)
    York, dat als een zelfstandig entiteit te boek staat, wordt in de 8e beschreven door Altfridus. Altfridus was mogelijk een neefje van Liudger, neef als in zoon van zijn zus. Liudger volgde in York voor de tweede maal een opleiding. Tijdens dit tweede bezoek werd het verstandig geacht om York te verlaten. Een koopman, behorend bij een Friese handelsdelegatie, had kennelijk een niet nader omschreven onenigheid met een zoon van een lokale hertog. De zoon liet (ook niet nader omschreven) het leven. Vanwege wraak werd het tijd om dit gebied te verlaten en dus vertrok dit gezelschap inclusief Liudger dit gebied.

    Suffolk:
  • Fressingfield / Fresingfeld. Dit nu zo'n 900 mensen tellend dorpje heeft maar liefst 3 kerken: Church of England, Baptisten en Methodisten. Met veel moeite vinden we hier nog iets dat lijkt op een stroompje. Dit zal in vroegere tijden breder geweest zijn, gezien het dal waar het doorloopt. River Waveney komen we uiteindelijk tegen, wanneer we landschaplezend het naamloze watertje richting noorden volgen. River Waveney kunnen we vervolgens verder naar de Noordzee volgen. Wanneer we echter bijna bij de kust zijn, bij Lowestoft, gebeurd er iets opmerkelijks. Het gebied is hier omgeven door diverse Dykes!
    De rivier wijkt weer enigszins naar binnen en stroomt nog zo'n 10 km naar het noorden om samen met River Yare bij Greath Yarmouth de Noordzee in stromen.

    Lyons gaat nog wel even door met vele opties van gebiedsnamen die afkomstig kunnen zijn van de Friezen. Daarnaast wordt ook de Friese mannenvoornamen als Tammo, Sibo, Tado, Bonno, Dodo, Ebbe, Ide, Ikke, Eppo, Menno, Tale, Ubbo, Poppe, Fekko en Onno, om enkele uit het opgesomde rijtje te noemen, verbonden aan gebiedsnamen.
    Ze is ervan overtuigd dat de Friezen een veel grotere invloed heeft met de bevolkingstoestroom, dan uit de geschiedenisboekjes blijkt. Maar ook in oude geschriften kunnen we nog aanduidingen vinden van Friese aanwezigheid.
    "Of the Saxons who settled in Britain prior to the year 441," he [W.F. Skene, WP] says, "the colony which occupied the northern district above the Roman wall, were probably Frisians, as the Firth of Forth is termed by Nennius the Frisian Sea (Mare Frenessicum) and a part of its northern shore was known as the Frisian Shore, but the great bulk of the immigrants were Angli."
    Nennius (ook Nemnius of Nemnivus) was een Welshe monnik uit de 9e eeuw en verhaald hier over de Friese zee en kustlijn, dat nu bekend staat als Firth of Forth.
    Miedema trekt dit echter terecht in twijfel. Hij concludeert aan het eind van zijn betoog dat deze Welshman waarschijnlijk de huidige Noordzee bedoeld, die toen bekend stond als Friese Zee. Hiervan maken de grote rivierinhammen als de huidige Firth of Forth natuurlijk ook onderdeel van uit. Dit lost echter niet the Frisian Shore op.
    Miedema maakt vervolgens de melding dat er verband wordt gelegd met Edinburgh als oude Friese nederzetting, wat dan weer een bevestiging is van the Frisian Shore, aangezien Edinburgh hier gelegen is. Bevestiging van deze bewering kan ik echter nergens vinden, al is de logica intussen wel te begrijpen.
    Lyons komt ter illustratie ook nog met een gezegde Good butter and good cheese is good English and good Friese om de Engels-Friese (taal)relatie aan te geven. Een duidelijker, met meer klankovereenkomsten geeft het volgende zinnetje in het Engels en Fries:
    Rye bread, butter and green cheese is good English and good Fries.
    Brea, bûter en griene tsiis is goed Ingelsk en goed Frysk.
    En al lijken cheese en tsiis niet echt op elkaar, het klinkt wel ongeveer hetzelfde. Ook wanneer we de telwoorden vergeleken, zien we duidelijk de overeenkomsten.
    (Lyons/Place-names; Pye/Noordzee, p. 39; Diekamp/Liudgeri, p. XV; Van Blom/Oud-Friesland p. 669-670; Miedema/Mare Fresicum; Wikipedia West Frisian language, Anglo-Frisian languages)
    > Wat opvalt aan deze kuststreken, maar ook de rivieren landinwaarts volgend, dat het net als in ons gebied allemaal onlanden, moerassen en vooral wad gebieden zijn, kortom plekken waar niemand een vaste voet aan de grond kan krijgen. Hier gaan de Friezen hun thuis maken, handelsplaatsen starten of een plaats om te rusten creëren. En altijd water als weg.

    Daarnaast gebeurde er iets in de ontwikkeling van het denken. Na het registreren in de kerfstof, omrekenen en waardebepaling van allerhande producten, kwamen de Friezen tot het besef dat wanneer koper en verkoper het eens waren dat geld een concept van waarde kon zijn, dat dit een veel makkelijker manier was. Zelf wanneer er aan het muntje geknipperd of gesnoeid werd, blijft het dezelfde waarde houden. En "dit maakte de weg vrij voor een nieuwe manier van denken", aldus Pye. Een muntje werd dus een ruilmiddel met een vaste waarde ten opzichte van een product. Maar dan wel een stuk handzamer en gemakkelijker in gebruik dan de kerfstok.
    Grein
    Grein is afkomstig van graankorrel (granum frumentum in Latijns). Het gemiddelde gewicht van de korrel bepaald een Grein.
    voorbeeld van een verhoudingstabel:
    1 grein = 3,742/1000
    1 penning = 24 grein
    1 karaat = 12 grein
    1664 grein = 6226,688/1000 = 6,226688 gram
    1664 grein = 69 2/3 penning
    1664 grein = 139 1/3 karaat

    6,226688 / 1,3 gram (van de tremissen / sceatta) = 4,78976 tremissen of sceatta's

    Volkomen fijn zilver, waarover hiernaast wordt gesproken, zou dan uit 12 penningen moeten bestaan. Iedere penning kan verdeeld worden in 24 delen, greinen genoemd. Dus 12x24=288 grein is volkomen fijn zilver. Het weergeld zou dan moeten bestaan uit 1664/288= 5 7/9 volkomen fijnzilver munten. Het is echter maar de vraag of dit zo is.

    (bron: grein (gehalte); goud- en zilverweging; van Swinden / Onderrigt)
    Elk product kreeg z'n waarde. Zelfs het weergeld had een vaste prijs gekregen 1664 grein fijnzilver in munten.
    De vraag of dit dan ook uit een hoeveel munten zou moeten bestaan, blijft open staan. Echter, het muntje, met welke gehalte zilver dan ook, kreeg uiteindelijk de vaste waarde ten opzichte van het product. Vergelijk dit met ons hedendaags muntgeld of papiergeld, dat behalve de productiekosten nauwelijks echte waarde heeft. Het gaat om het vertrouwen dat aan het muntje wordt gegeven en de belofte dat je voor het muntje elders tegen een vaste waarde een ander product kunt krijgen. Dit vertrouwen is waar het mijns inziens om gaat. Dit is de voortzetting van de manier van handelen, zoals het daarvoor ook al geschiedde. Kerfstok (vertrouwen en slechts een geheugensteuntje) versus geschreven contracten (wantrouwen van handelspartners onderling).
    Het bijhouden van geleverde producten waarvoor (voorlopig) niets in de plaats komt, is van alle tijden. De bewoners van IJsland werden gevoed met producten vanuit Noorwegen, totdat de handelswaar van de IJslanders klaar waren voor de tegenprestatie, dus op krediet. Zouden de Noren dit niet doen, dan hadden ze geen klanten in IJsland en producten uit IJsland. Dit principe kenden we in ons gebied nog in de 19e eeuw, waar de lokale leveranciers de arme turfgravers in de winter en lenteperiode voeden op krediet, zodat ze dit in de zomer konden aflossen. Deden de leveranciers dit niet, dan hadden ze zelf geen klanten.
    Krediet betekent letterlijk geloof of vertrouwen en dit hadden of kregen de mensen dus ook.
    Werd het eerst aangetekend door de leverancier op een kerfstok als ware het een bankrekening. Tegenwoordig worden alle kerfstokken beheerd door een instelling, die alle administratieve handelingen - tegen een geringe betaling - uitvoert: de banken. De banken hebben tegenwoordig deze werkzaamheden geautomatiseerd en laten nu de nog bestaande administratieve handelingen (voornamelijk het kerven van stok), door de particulier weer zelf doen, middels online softwarepakketten, maar nog steeds tegen betaling.
    Tijd voor de volgende stap. We vertrouwen immers nu de waarde in getallen op een rekeningnummer (= het aantal kerven op de stok), die we zelf bijhouden. Vanwaar nog de tussenstap van een bank?
    In de Frieslanden zelf ontwikkelden zich minder snel handelsplaatsen, al werd er volop gehandeld, aan de gevonden munten en Frankische producten te zien. Dit is natuurlijk ook niet zo vreemd. De terpdorpen zijn niet echt groot en de handel beperkt zich alleen tot de bewoners/afnemers en wat de terpbewoners aan overproductie hebben, wat ze kunnen afstaan. Wel ontstaan er op logische plekken handelsplaatsen voor de tussenhandel. Ook werden de handelaren professioneler en zaten fulltime in het zaken doen. Denk bijvoorbeeld aan Stavoren en Emden.
    We komen ook al vroeg kooplui in Londen en York tegen. Ook komen we steeds vaker Friezen tegen in de tolprivileges van Pippijn de Korte (751-768). Later worden ze zelfs als aparte groep opgenomen, door Lodewijk de Vrome (814-840, zoon van Karel de Grote (768-814, Pepijn de Korte en Bertrada van Laon) en Hildegard) en zijn zoon Lotharius I (814-855, zoon van Lodewijk de Vrome en Ermengarde van Haspengouw). Hieruit blijkt dat ze bij de Franken de overschotten graan, wijn, producten van glas, metaal en aardewerk overnamen en hun vis, textiel, huiden en slaven afgaven.
    De handel bleef echter niet beperkt tot de Noordzee, Het Kanaal en de rivieren die daarop uitkwamen. Ze trokken ook naar de Oostzee, waar ze handeldreven met de daaraan gelegen gebieden. Mogelijk zijn ze - net als bij Dorestad - actieve stichter van Hedeby als handelsplaats in het begin van de achtste eeuw. Ze hadden toen al een Friese kolonie. Halverwege de negende eeuw werd zo ook in Birka een Friese kolonie gesticht. Beide plaatsen groeiden dan ook uit tot belangrijke handelsplaatsen. Van der Tuuk merkt op dat de Friezen dit netwerk op eigen kracht hadden opgebouwd, dus zonder dat er een centraal gezag aan te pas was gekomen (Tuuk/Goud, p. 112-118; Pye/Noordzee, p. 25, 51-53, 55; Worms: Name(n) der Stadt Worms, 6. - 9. Jh.; Reformation der Statt Wormbs; Heyne/Körperpflege. - p. 218; Correspondenz-Blatt, 1896, p. 47).
    Dit is natuurlijk niet helemaal uitzonderlijk, want we hadden al gezien dat het gezag eerder belemmerend werkt en alleen aan eigen positie en de schatkist vullen denkt: tol, belastingen et cetera.


    Huisvesting
    In een poging te onderzoeken hoe de huisvesting rond 700 eruit heeft gezien of zou kunnen zien, hebben talloze vrijwilligers bij Firdgum een zodenhuis gebouwd. Deze kleizoden waren lange tijd de enige bouwmaterialen die voorhanden waren. Dit project van het Rijksuniversiteit Groningen en Yeb Hettinga Museum heeft donderdag 20 juni 2013 het gereconstrueerde graszoden boerderij afgerond en geopend.
    De verwachting was om dit gebouw tussen 20 augustus tot 9 november te kunnen bouwen. Het nam echter iets meer tijd in beslag.
    Ruim 20.000 zoden zorgden voor dit bouwwerk, z'n eerste in z'n soort in deze moderne tijd. Vaak worden graszoden woningen geassocieerd met de plaggenhutten van armoedige veenarbeiders uit de 18e-20e eeuw, maar na het aanschouwen van dit bouwwerk kan rustig gesteld worden dat ze ook heel luxe en comfortabel kunnen zijn geweest. Op IJsland staan ook zodenboerderijen, die dit beeld bevestigen.
    De dakdragende muren zijn een meter dik. Later zien we dat de bakstenen muren van de steenhuizen ook al gauw deze dikten hebben, waaruit blijkt dat het bouwen consistent gebeurde. Archeologen hebben lang aangenomen dat een dakdragende muur van graszoden waarschijnlijk niet mogelijk kon zijn.
    Deze reconstructie is gebaseerd op nieuw archeologisch onderzoek naar zodenhuizen uit Friesland en Groningen. Het gebouw heeft binnen een vloerafmeting van 4,5 x 15 m en zal ongeveer 4,5 m hoog worden. (Zodenhuisproject, Groningen Institute of Archaeology, Yeb Hettinga Museum)

    Route Noordzee naar de Oostzee
    Hedeby lag - net als Dorestad - op een scheidingsgebied tussen de Denen en Saksen. Deze plaats was per schip te bereiken via de Oostzee. Er lag weliswaar geen directe zeeverbinding met de Noordzee, maar toch was dit de plek waar de Noordzee en Oostzee over land met elkaar verbonden waren. Deze landverplaatsing over een 16 kilometer landtraject werd verkozen boven de zeeweg om Denemarken heen. Redenen genoeg. De Oceaan die op de hoge kustlijn van Denemarken bij de Jammerbocht botste. Dit heet niet voor niets zo, want er zonken hier talloze schepen. En daarnaast was het een lange tocht met gevaar voor beroving door piraten.
    Ook werd Hedeby beveiligd, zoals te zien is op de foto, met een dijkwal: Danevirke of Danewerk. Maar nu tegen mogelijke invallen door Karel de Grote. Het werd voor het eerst genoemd in 804 in Einhards Frankische Kronieken. Het zou gebouwd zijn in opdracht van de Deense koning Gudfred en begonnen in 808. Volgens dendrochronologie (boom-jaarringenonderzoek) kan de bouw ook kort na 737 zijn begonnen. Koolstof-14 onderzoek wijst uit dat er ook rond en na 650 aan dit project gewerkt werd. Hieruit volgt dat er in verschillende fases op verschillende plaatsen aan dit 20 km lange fort werd gewerkt (bron: Dannevirke).


    De Handelsroute 'Dannewerk' tussen Noord- en Oostzee en 'Ochsenweg' tussen Denemarken en Zuid-Europa.
    Dannewerk richting Hollingstedt.

    De weg Margarethenwall (K39) doorkruist hier de Krummwall.
    Dannewerk richting Dannewerk Museum (l) en richting Hollingstedt (r).


    Schulstraße, 200 m voordat het de Krummwall doorkruist naar 'Deens' gebied.
    Dannewerk richting Dannewerk Museum (l) en richting Hollingstedt (r).


    Het kruispunt tussen de twee handelswegen Dannewerk (West-Oost) en Ochsenweg/Ossenweg (Noord-Zuid).

    De route van 16 kilometer van Hollingstedt tot Hedeby / Haithabu werd ook beveiligd door diverse wallen. Met de bouw is halverwege de 8e eeuw begonnen. Deze wallen zijn nog grotendeels te zien. De uitgestippelde route is echter van rivier tot meer ruim 18 kilometer. Rond Haithabu ligt de "Halbkreiswall". Wanneer we Haithabu verlaten, volgen we de "Margarethenwall" naar de "Dannewerk". Dit werk kruizen we en gaan verder over de "Krummwall" naar Hollingstedt. Hier kon de lading weer in een schip geladen worden. Er is echter ook een optie dat de schepen middels rollen over deze dijk zijn gereden. Verder zou het ook nog kunnen dat er reeds een kanaal was gegraven, de Kograben, en dat men hier doorvoer. (bron: Wikipedia Treene).
    Deze wallen boden naast beveiliging van het Deense grondgebied tegen de Karolingische uitbreidingsdruk, dus ook een veilige weg van de Noordzee naar de Oostzee.

    De reis van de Noordzee tot Hollingstedt duurde ongeveer 2 à 3 dagen. Ze voeren zo'n 60 kilometer door dit rivierengebied, dat omgeven werd door zompige moerasbossen. Richting Oostzee maakten ze gebruik van het opkomend getij, door op het juiste moment van Elisenhof over de Eider en Treene naar Hollingstedt te varen. Eventueel konden ze dan nog verder de Rheider Au op of met karrenvrachten hun lading naar Haithabu overbrengen.
    Op de terugweg gingen ze vanaf Hollingstedt met eb naar Elisenhof, waar ze nog van vers water en voedsel werden voorzien voor de verdere reis als ze een goede wind hadden. Anders bleven ze nog in Elisenhof wachten.
    Wanneer ze met hun goederen in Haithabu waren aangekomen, kon er gehandeld worden en men kon doorvaren richting de Oostzee. Hiervoor moesten ze eerst door het Schlei, een traject van zo'n 40 kilometer, waarbij ze vijf smalle gedeelten tegenkwamen, waar mogelijk gevaar was voor berovingen. Deze 'engen' bij Stexwig/Stegsvig, Missunde/Mysunde/Mjósund, Lindau/Lindå, Arnis/Arnæs met aan overzijde Rinkenis en natuurlijk de ingang naar het meer Haddebyer Noor waaraan Haithabu ligt. Deze plaatsen werden dan ook al na slechte ervaringen beveiligd. Bekend is dat er vestingwerken stonden in of bij Stexwig, Missunde en Arnis. Maar dit speelde pas veel later. Deze burgen maakten waarschijnlijk onderdeel uit van de Margarethenwall.


    Elisenhof
    Dit soort 'hoven' als de
    Elisenhof bij de monding van de Eider werden speciaal voor dit soort gelegenheden gecreëerd. Als veilige rusthaven. Vraag en aanbod zorgden er dan uiteindelijk voor of zo'n plek uitgroeit tot iets groters of dat het klein blijft. Van dit hof is bekend dat het op een wierde lag, zo'n twee meter boven Normalnull (NN) wat gelijkstaat met de NAP.
    De opgravingen door Dr. Albert Bantelmann (1911-1999) zijn opgetekend in het document: Die frühgeschichtliche Marschensiedlung beim Elisenhof in Eiderstedt : Landschaftsgeschichte u. Baubefunde / von Albert Bantelmann; [Red.: A. Lang]. Röm.-German. Komm. d. Dt. Archäolog. Inst. zu Frankfurt am Main ; Inst. für Ur- u. Frühgeschichte d. Univ. Kiel. - Studien Zur Küstenarchäologie Schleswig-Holsteins : Serie A, Band 1. - Bern / Frankfurt am Main : Lang, 1975. - ISBN 3261010835

    Meer info, kaarten en foto's bij:
    Coastal Archaeology in Schleswig-Holstein: Elisenhof en Eiderstedt

    De Friese boerenhoeve 'Elisenhof' werd voor dit doel ruim 3 eeuwen intensief gebruik. Van 700-1000 kwamen hier regelmatig schippers aan. Na halverwege de 13e eeuw (1250) werd dit gebruik stukken minder om tot slot opgeheven te worden zo aan het begin van de middeleeuwen (1500). Uit opgravingen bleek dat deze wierde in de loop van de eeuwen zo'n 4 meter is verhoogd met de gebruikelijk meststoffen, afval en klei en heeft het zodoende de stormen, springvloeden en hoogwaterstanden overleefd. Van totaal 68 gebouwen zijn er resten teruggevonden die er al die eeuwen zijn neergezet en weer zijn afgebroken of bijvoorbeeld bij een brand of storm zijn vernietigd.
    Dat de functie van deze route voor altijd verloren zal gaan, heeft te maken hebben met de afdamming van de Treene in 1570 (Wikipedia houdt het op 1516) bij Koldenbüttel op de plek waar deze in de Eider stroomt.


    Hollingstedt
    Aan het einde van de riviertocht ontstond Hollingstedt als een soort overslagplaats. Uit opgravingen van 1995-96 vinden we de aanlegplaats ten zuiden van het huidige stad. Hier werden de tonnen aan wal gebracht. De tonnen van toen kunnen goed vergeleken worden met de functie van onze huidige containers. Ze beschermen alle lading tegen de omstandigheden (opspattend zeewater en regen). Tevens was het voor die tijd een goed hanteerbaar formaat. Men kon ze rollen of tillen en waren waterdicht.
    Nadat ze aan land waren gebracht konden ze op de ossenkarren geplaatst worden of kon het eventueel door individuen gedragen of gerold worden. Soms werden er namelijk ook handelaren met hun bescheiden handel op een schip meegenomen en deze namen hun eigen handel zelf naar de plek waar ze naar toe gingen.
    In het Wikinger Museum Haithabu staat een miniatuur van een nagemaakte ossekar tentoongesteld.

    De Treene, waar ooit de haven lag aan de linkeroever. Het gaat hier stroomafwaarts richting Noordzee.
    Vervolgens volgde men langs het de beveiligde Dannewerken de 16 of 18 kilometer-route naar Haithabu.

    Van de andere kant zag Karel de Grote (742 of 748 - 814) met lede ogen aan hoe de Noormannen tekens weer zijn gebied binnendrong om te plunderen. Hij besloot daarom om aan de Stör bij Itzehoe de burg Esesfeld te bouwen, als steunpunt en als uitvalbasis naar het noorden, d.i. Denemarken (Kurowski, p. 51). Tegenwoordig ligt er op het terrein van deze burg een afrit van de 206, waar we op dag 6 langs dan wel overheen reden. Hoe dicht kun je op de geschiedenis zitten zonder het in de gaten te hebben?
    De Friezen waren niet de enige die over lange afstanden handeldreven. Ook de Deense/Noorse/Zweedse handelaren konden er wat van.
    Samen zorgden ze er dus voor dat er allerhande producten West-Europa binnenstroomden. Eén van de scharnierpunten in deze handel was dus Haithabu.


    Haithabu / Heiðabýr / Hedeby
    Wanneer de handelaren vanuit Hollingstedt waren aangekomen in Haithabu, gingen ze waarschijnlijk naar hun eigen huis, die ze daar waarschijnlijk allemaal hadden. Haithabu was immers een handelarenstad. Ook zullen ze hier schepen hebben gehad om het transport van hun handel naar de gebieden aan de Oostzee te kunnen brengen. Mogelijk droegen ze hier ook hun handel over aan andere handelaren of te wel er werd vermoedelijk ook hier handelgedreven, tussen de verschillende Friezen en de andere stammen en volken die hier met hetzelfde doel naar toe kwamen.
    Haithabu (zeg maar Heidehof) werd op zijn laatst zo rond 770 gesticht.
    Een boost kreeg deze plaats na 808. Dit had echter een aanleiding dat startte zo rond 782, wanneer Karel de Grote en de Deense koning Siegfried een onderhoud hebben. Siegfried zou namelijk de Saksische leider Widukind een thuis geven na zijn opstand tegen de Franken i.c. Karel . Verder hadden de Saksen met een nieuwe opstand in 798 ook het gebied ten oosten van hun eigen gebied in Noord-Albingia aangevallen. Een van de andere stammen die in dit gebied woonden, de Slavische stam Abodrieten, hadden echter wel een verbond met Karel de Grote. En deze stam bleek te sterk voor de Saksen en werden verslagen. Zodoende werd het verbond tussen deze stam en Franken sterker. Hierdoor kregen de Denen het benauwd. De actie van Karel in 804 deed dit alleen maar toenemen. Hij ontruimde namelijk het gebied van Noord-Albingia van de daar wonende Saksen en verplaatste ze naar andere plaatsen in zijn rijk. Dit zal mogelijk leiden tot de diverse plaatsen met een Saksisch tintje, zoals Sassenheim, net boven de Oude Rijn bij Leiden.
    Noord-Albingia vinden we op de Franstalige kaart bij "Opdeling" naast het Friese gebied ten noorden van de Elbe als Nordalbingiens. Ten zuiden hiervan Albingiens. Aan weerszijden vinden we ten westen Westphaliens en ten oosten Ostphaliens, zodat meteen duidelijk is wat het middenpunt van het gebied is: Albingiens.
    Nu de Saksen uit dit gebied weg waren, namen de Abodrieten het over met natuurlijk de bedoeling van Karel, om de grens met de Denen te bewaken. Gezien de ontstane spanningsveld tussen de Denen en Franken, kon de nieuwe koning van de Denen Godfried dit niet aanzien en bereidde een aanval vanuit Sliesthorp (Sleeswijk) = Haithabu voor in 804. Hier duurde echter nog vier jaar voordat de aanval echt werd ingezet, omdat zijn raadsmannen hem hiervan wisten te onthouden. De aanval tegen de Abodrieten werd dan toch ingezet aan de Oostzeekust, waarbij de Denen wonnen. Ze maakten twee derde van de bevolking schatplichtig aan de Godfried. Tevens verwoestte hij de handelsplaats Reric en bracht de handel en handelslieden over naar Haithabu, waar hij de controle had. Hiertussen zullen waarschijnlijk ook al Friese handelaren gezeten hebben.
    Karel kwam ze verbond met de Abodrieten niet na en liet de situatie zoals het was geworden. Wel stuurde hij nog zijn zoon Karel om de grenzen te blijven bewaken.

    Nabij waar Reric mogelijk gelegen heeft.

    foto vanaf de L121 over het baaitje van Groß Strömkendorf met uitzicht op Wismar.
    De sporen van Reric brachten ons in 2012 op dag 11 naar Rerik aan de Oostzee. In de veronderstelling dat dit om dezelfde Reric zou gaan. Zoals we in het reisverslag uitgebreid kunnen lezen is dit echter niet zo. Rerik heette tot 1-4-1938 Alt Gaarz, maar veranderde van naam om de Slavische sporen uit te wissen. Het verwoeste haven- en handelsplaats Reric zou volgens professor archeoloog Robert Beltz (1854 Nordhausen - 1942 Schwerin) zou bij Schmiedeberg liggen, de plek van de burg dat tegenwoordig volledig bebouwd is. Later zou blijken dat het iets naar het westen zou liggen. Ongeveer aan de Wismarbocht, ten westen bij Groß Strömkendorf, zou het gelegen hebben volgens de opgravingen (Henstra/Graafschappen, p. 33; Heimatmuseum Oostseebad Rerik; Metropole der Wikinger gefunden : Siedlung Reric nahe Wismar ausgegraben, 22-6-1979; Harck/Reric, p. 16; Gernentz/Rerik, p. 22-23).

    Rond 900 kwamen er bij Haithabu twee vestigingen bij. Eentje ten noorden en eentje tussen beide aan de Haithabu-Bach. Deze laatste werd uiteindelijk omwalt, terwijl de andere twee werden opgeheven. Opgravingen geven aan hoe bijvoorbeeld de huizen er rond 870 hebben uitgezien. Op het terrein van Haithabu zijn er tussen 2005 en 2007 zeven huizen uit de periode 700-1000 nagebouwd (zie museum). In dit nagebouwd dorp wordt duidelijk gemaakt hoe men in die periode leefde en woonde. Hoe ze sliepen, brood bakten, zich wasten, tuinierden. Maar ook hoe de vakmensen aan hout- en metaalbewerking deden. Hoe er stoffen werden gemaakt van vlas. Hoe dit samen met leerbewerking tot kleding en schoeisels kwam.
    Aan de steiger lagen 2 schepen. In het dorp was een handelaar zijn tent aan het uitpakken, om voor de toeristen zijn smeedwerk te laten zien en natuurlijk te verkopen.
    Dat Haithabu niet zo maar een handelsstad was, waar men leefde en werkte, blijkt ook uit het feit dat men er ook stierf. Men heeft berekend dat op de begraafplaatsen in dit omwalt gebied, zeker 10.000 mensen lagen begraven.
    Uit alle bedrijvigheid blijkt dat het een echte metropool was. Ook het bezoek van de Arabische geschiedschrijver, die tussen 965 en 971, door door West- en Centraal-Europa reisde, bevestigd dit.
    Haithabu is een zeer grote stad aan het einde van de wereldzee, wordt rond 965 opgeschreven door deze Arabische kroniekenschrijver Ibrahim ibn Ahmed At-Tartûschi of Abraham ben Jakob in zijn reisverslag over Haithabu.
    Verder zijn er hier vier stenen gevonden met daarop het runenschrift. De vier stenen zijn bekend geworden onder de volgende namen: de grote en kleine Sigtrygsten, behorend bij de groep Sigtryggstenen en de groep Svenstenen met name Skarthesteen en Eriksteen.

    Het grote netwerk van handelspartners maakte Haithabu groot. Het had contact met onder andere de volgende steden: Västergarn (voorheen Paviken) en Vallhagar op Gotland, Avaldsnes, Kaupang, Skiringssal en Spangereid (in huidige Noorwegen), Birka, Löddeköpinge en Sigtuna (in huidige Zweden), Domburg, Dorestad en Witla (in het huidige Nederland), Quentovic/Quentowic (in het huidige Frankrijk), Nowgorod (in het huidige Rusland), Ribe en Tissø (in het huidige Denemarken) en aan de zuidelijke Oostzeekust Jomsburg (Vineta), Menzlin, Ralswiek, Truso (bij Danzig) en Wiskiauten (bij Cranz) en tenslotte Seeburg in het Baltikum. Een groot aantal van deze plaatsen spelen ook een hoofdrol in de handel en wandel van de Friese handelaren. Zo hebben ze samen met de Vikingen Ribe gesticht voor hun handel.
    Zo ziet van der Tuuk ook in Kaupang en Sigtuna een Friese kavelverdeling (Tuuk/Gouden, p. 190).
    Haithabu groeide door, met ook andere spelers als Denen, Zweden en Slaven en de Friezen die dus hun ook handelden vanuit andere handelsplaatsen, zoals Dorestad.


    Dorestad / Dorestat
    In de tweede kwart van de 7e eeuw (625-650) verhuisde de Frankische muntmeester uit Maastricht naar Dorestat om daar tot halverwege de 7e eeuw (650) munten te slaan. Dat doe je niet als zo'n plaats niets voorstelt en in handen is van een ander volk (i.c. de Friezen), maar Dagobert stichtte in 631 te Utrecht een kapel, dus waarschijnlijk is dat het hele gebied in Frankische handen was.

    Ter illustratie hierbij een kaart uit de Atlas Maior van Joan Blaue, hoewel eeuwen later gemaakt, geeft mogelijk een beetje inzicht in de toenmalige situatie. Er van uitgaande dat Dorestat Wijk bij Duurstede is, hier Duierstede en Wijck genoemd (op de kop).
    Dus mogen we ervan uit gaan dat Dorestat al enige allure had vóór 625. Archeologisch is dit niet te staven, maar dit is te verklaren doordat de oude Dorestat (uit de naam blijkt al dat deze minstens uit de romeinse tijd moet stammen) om een vrij gevaarlijke stromingsplek ligt. Allereerst lag het aan een buitenbocht van de Rijn, waar deze naar het noordwesten buigt. Door het ontstaan van de Lek kwam het helemaal onmogelijk te liggen, door dat de bovenmond van de Kromme Rijn als het ware naar het westen werd getrokken. De oudste kern van Dorestat moet in de tweede helft van de negende eeuw (850) met kerk en al weggespoeld zijn (Blok, p. 36).
    In eerste instantie lag Dorestad onder invloed van de Friezen, zodat de Frankische machthebbers dit aan het begin van de 7e eeuw gingen veroveren. Door een onderlinge Frankische machtsstrijd, kregen de Friezen weer de mogelijkheid om hun gang te gaan in deze contreien. Nadat in Frankische Rijk weer één machthebber (Pippijn van Herstal) had gekregen, moest ook Dorestad er in 687 weer aan geloven. Dit mondde uit in de door Radbod verloren strijd. Na het overlijden van Pippijn in 714 ontstond er weer een onderlinge machtsstrijd in het Frankische Rijk, zodat de Friezen zich weer konden uitbreidden in het rivierengebied, incluis Dorestad. Bonifatius, de Angelsaksische geestelijke, verwoorde dit, toen hij met een vrachtvaarder Dorestad in de zomer van 716 bezocht, als dat de Friezen het rivierengebied stevig in handen hadden.
    De zoon van Pippijn, Karel Martel, kreeg een jaar later, in 717, het Frankische Rijk onder controle en verjoeg de Friese 'machthebbers' voor altijd uit dit rivierengebied. Dit hield echter niet in dat daarmee ook de Friese handelaren verjaagd waren. Deze gingen echter gewoon door met hun handel in Dorestad. Er werden rond deze tijd zelf een begin gemaakt met kades (Tuuk/Noormannen, p. 42-43).
    Dit duidt erop dat de schepen langzamerhand wat groter en hoger werden, zodat het handiger was om niet meer op het strand te landen, maar aan een kade te liggen.

    Het typische aan deze maquette is dat de uitbouwen zijn afgezet met een kade. Dit lijkt mij niet helemaal waarheidsgetrouwd, omdat de schepen ook aanlegden op het strand. Dit gold zeker voor de uitgeholde boomstamboten, pramen (platbodems) en de kleinere roeiboten.
    In juni 2012 kwam ik tijdens een fietstocht langs de A16 in Rotterdam, waar net een nieuw parkje was ingericht, zeer opvallende kenmerken tegen, hoe deze uitbouwen er mogelijk wel uitzagen.

    Uit opgravingen vanaf eind jaren 60 van de twintigste eeuw is er veel meer duidelijk geworden over Dorestad. Vele interessante vondsten zijn er gedaan, waar de 'Fibula van Dorestad' wel veel aandacht heeft getrokken. In een NOS-item wordt deze broche getoond en besproken. Maar vanwege haast -archeologisch onderzoek gebeurd vaak op plaatsen waar bouwbedrijven willen bouwen- van de bouwbedrijven, is veel geborgen, maar niet onderzocht. Mondjesmaat komt de gegevens nu naar boven.
    In een prachtig geïllustreerd boekwerk van Annemarieke Willemsen "Dorestad : een wereldstad in de middeleeuwen" worden de vondsten getoond en beschreven.
    Dorestatus, de Latijnse aanduiding voor Dorestad, wordt ook gebruikt bij de muntslag. De oudste vermeldingen op munten dateren uit 630/640. Het zijn gouden munten van zo'n 12 mm in doorsnede - zo groot als een vingernagel - en wegen zo'n 1,2 gram. Ze worden tremissus of triëns genoemd.
    Op de ene zijde staat een kruis en daaromheen de naam Madelinus, de naam van de muntmeester. Dit is de naam van bovenstaande muntmeester uit Maastricht. Aan de andere zijde staat een mannenhoofd 'en profiel' en daaromheen Dorestat Fit gemaakt in Dorestad (Dorestad, p. 117-118).
    Dorestad is in deze periode dus de handelsstad die als een draaischijf fungeerde tussen het Frankische zuiden en zuidoosten, het Saksische oosten en uiteraard de Friezen. Ook ging de handel naar de overkant van het kanaal en vanuit het noorden was er handel met de Denen en Noren.
    In het Vikingenmuseum in Roskilde (de toenmalige hoofdstad van Denemarken) kan men zien met wat voor schepen ze hiernaartoe kwamen. Dit hadden wij vorig jaar gedaan, zodat we hier de 'knörr' kunnen laten zien. Deze schepen waren superieur aan de frankische schepen. Ze waren flexibel, konden beide kanten opvaren, waren dus erg wendbaar, hadden een zeil van aan elkaar genaaide lappen geweven wol van soms wel 100 m2 en waren dus niet alleen afhankelijk van spierkracht, hadden weinig diepgang (handig in het waddengebied), gebruikte keien voor de stabiliteit. Leeg was het door de bemanning te dragen of op strand te slepen. Zo'n schip had natuurlijk wel een status omdat het kostbaar was. Denk aan de productie van 30 weken voor een zeil van 16 m2 of aan de halve kilometer planken voor de romp van het schip en spijkers en nagels om deze planken bij elkaar te houden. (Willemsen/Dorestad, p. 110; Pye/Noordzee, p. 84).
    Om een indruk te krijgen van dit soort schepen, hier enkele cijfers: Lengte: 16,5 m, Breedte: 4,5 m, Vracht: ca 22 ton, zijloppervlakte: ca 85 m2, bemanning: 5-8 man, kruissnelheid: 5 - 6 knots, Max. snelheid: ca 13 knots (Vikingskip.com).
    Het Emder Jaarboek meldt dat ten tijde van de monnik Beda (Northumbria, 672 of 673 - Jarrow, 25 mei 735), de Friezen en Denen met hun schepen in 24 uur van Utrecht naar Londen voeren. (bron: Emder Jahrbuch, 13, p. 53; Wikipedia Beda)

    In dit deltagebied woonden, zoals we eerder zagen, de Batavieren. Mogelijk noemden zij dit gebied Teisterbant (het rivierengebied ten westen van Tiel) en Suifterbant (het mondingsgebied van de Gelderse IJssel). Blok herkend hier respectievelijk zuidelijke gouw en noordelijke gouw. Volgens Wikipedia kunnen we dit omschrijven als 'rechts gelegen' respectievelijk 'links gelegen'. Ook Blok beschrijft dit als zodanig op pagina 86. Hoe het ook zij, dit zijn wel aanduidingen vanuit een bepaald punt, namelijk de van de Batavieren. Immers de romeinen, de Friezen en Franken hebben dit gebied continue van stuivertje zitten wisselen.
    Nadat de Romeinen waren vertrokken, hebben de Friezen zich uitgebreid tot over de Rijn tot aan de Lek. Ze hadden immers Dorestat en Utrecht in bezit. Later is dit verovert door Dagobert. Deze verovering bleek van korte duur. We lazen al dat de muntmeester maar tot 650 bleef slaan. De eerste Friese koning of hertog die we bij naam kennen is Aldgisl, die omstreeks 678 regeert. Hij moet dan wel voorgangers hebben gehad. Immers omstreeks 650 worden de Franken uit Utrecht en Dorestat gejaagd en tot uit het rivierengebied Maas en Waal verdreven. En krijgen tot met Zeeland onder hun gezag. Deze door de Friezen veroverde gebieden waren echter niet van oorsprong Fries. Hiervan getuigd ook een naam als Vreeswijk, 'Friezenwijk', een naam uit 8-9e eeuw. Hieruit blijkt dat de Friese kooplui die zich in de 'wijk' hadden gevestigd, eigenlijk vreemde eenden in de bijt waren (Blok, p. 36-38).
    Eigenlijk moeten we bij Dorestad spreken over steden. De Engelse monnik Alcuin noemde deze verderfelijk plaats namelijk Dorstada. We zouden kunnen spreken over een benedenstad en bovenstad, met in ons achterhoofd de stroomrichting van het water van de rivier.
    Karel de Grote heeft het in 777 geschreven schenkingsoorkonde over de kerk "Upkirika" welke stroomopwaarts boven Dorestad zou liggen, dus de Bovenstad. En verder komen we een "Nederhof" tegen, die dus prima in de Benedenstad heeft kunnen liggen (Tuuk/Noormannen, p. 33).
    Verder haalt Van der Tuuk uit de oorkonde nog een onderscheid tussen Dorestad en Dorestat. De Bovenstad zou Dorestat heten en de nieuwe handelsplaats Dorestad, waarbij de beide varianten door elkaar worden gehutseld. Uiteindelijk wordt -volgens een oorkonde van koning Otto I uit 948- helder dat de handelsplaats Dorestad Wik of Wijk is gaan heten.
    Dat deze naam nog steeds bestaat (Wijk bij Duurstede), kan komen, omdat dit sindsdien bewoond is gebleven, in tegenstelling tot Dorestat, dat na de negende eeuw grotendeels verlaten is. Dat Wik of Vicus (handelsplaats) zo is genoemd, kan dit ook aangeven dat het inderdaad om de 'nieuwe handelsplaats Dorestad' gaat. Dit zien we ook bij de andere handelsplaatsen in Europa. Handelswijken bij plaatsen, waarbij uiteindelijk het handelsgebied het centrum van de stad gaat worden: Eoforwic is York, Lundenwic wordt Londen, Quentovic of Quentowic wordt tegenwoordig Étaples genoemd en heeft de Nederlandstalige variantnaam Stapel van stapelplaats, Sliaswic voor Hedeby of Haithabu of Sleeswijk, Fresionowic voor Vreeswijk en Meginhardeswich voor Meinderswijk bij Arnhem.
    In Londen wordt 'Fries' synomiem aan 'handelaar' weten we van Beda. York heeft een Friese kolonie, in de tijd van Liudger.
    Wanneer we de Bovenstad Dorestat nu ongeveer in de Rijswijkse Buitenpolder zien liggen en de Benedenstad ten noorden van het oude centrum van het huidige Wijk bij Duurstede en dit combineren met de tweedeling die we ook bij vele andere Europese handelscentra zien: een marktplaats en een administratieve plaats met een burcht, dan komt dit aardig met elkaar overeen (Tuuk/Noormannen, p. 34-36; Pye/Noordzee, p. 38-39; Lyons/Place-names).
    Vreemd genoeg komt Van der Tuuk tot de conclusie dan het noordelijke havengebied, Dorestad, met een regelmatige verkaveling en tamelijk grootschalig (voor die tijd) aangelegd, door een autoriteit moet zijn bewerkstelligd. "Een waargenomen fasering in de uitbreiding van de havendammen duidt ook op de regelende hand van een coördinerende bestuurder." En dat het dus niet door individuele kooplieden is bewerkstelligd. Evenzo als Dorestad zijn ook Ribe en Skiringssal en in mindere mate Haithabu en Birka door een autoriteit aangelegd of met hulp dan wel toestemming gecreëerd (Tuuk/Noormannen, p. 39). In het midden blijft het wie of wat deze autoriteit was.
    > Ik vermoed echter dat het toch meer een natuurlijk verloop heeft en dat de 'standaardmaten' meer te maken heeft met de natuurlijke maten (net als schepen met een kiel van maximaal 20 meter, omdat de boomstammen nu eenmaal niet langer zijn). Ook de uitbreiding geschied op een natuurlijk manier. Wanneer er meer handelaren positief nieuws verspreiden over een handelsplek, komen er vanzelf meer handelaren op af. Dit kan een autoriteit tegenwoordig niet voor je regelen, laat staan in die tijd met nog een vrije gedachte en wil.


    Marktverplaatsingen
    De Friese handelaren hadden met Dorestad een mooie plaats gekozen voor hun strandhandel. Ook het uitwisselen van de langeafstandshandel (dus met de Noordzee en Oostzeegebieden en verder) vond hier plaats. Voor de Frankische machthebbers was dit een doorn in het oog, want zíj hadden natuurlijk behoefte om dit te controleren. Zonder hun controle werd er zomaar gehandeld in allerlei luxegoederen als sieraden, maar ook wapens of andere - in hun ogen - gezagsondermijnende goederen. Verspreiding van goederen leidde dus tot verspreiding van macht en dus was het voor deze machtliefhebbers belangrijk om deze goederenstromen onder controle te krijgen. En het controleren was het makkelijkst als dit op centrale plaatsen -als een markt- gebeurde. Maar, dan moesten er natuurlijk niet te veel markten komen. Hadden de Frankische machthebbers Dorestad onder controle, dan hadden ze bijna een monopolie op de langeafstandshandel (Tuuk/Noormannen, p. 29).
    > Het vervelende - voor de machtliefhebbers - met deze Friese handelaren is echter, merk ik in de loop van het lezen van meerdere boeken, dat zíj zich niet zoveel aantrekken van het overnemen van een stad. Ze pakken hun handel en gaan een eindje verderop, waar geen machtliefhebbers zijn, weer verder met hun handel. En ook hier volgen dan weer mooie handelstijden en groeimogelijkheden voor deze omgeving, gehucht wordt dorp en stad. Zo zien we na verovering van Dorestad door de Franken, de verplaatsing van de handel naar Tiel, Deventer en Utrecht. In de loop van de tijd worden ook deze plaatsen onder de voet gelopen door machtliefhebbers en begint de verplaatsing opnieuw naar bijvoorbeeld Kampen, Brugge, Groningen, Lübeck en Vlaardingen. Later komen ook Dordrecht, Antwerpen en Amsterdam en als voorlopig laatste hekkensluiter Rotterdam in dit rijtje te staan.


    Koning Adgil/Aldgisl
    In 677 vertrok de Bisschop Wilfried of Wilfrid van York zijn thuisland om naar Rome te gaan en onderweg zijn beschermeling Dagobert II te Metz een bezoek te brengen. Wilfrid, abt van het klooster Ripon was namelijk in conflict gekomen met de aartsbisschop van Engeland omdat hij het niet eens was met de opsplitsing van zijn diocees en werd daarom door aartsbisschop uit zijn functie gezet. Hij wilde naar de paus om recht te zoeken. Volgens Witkamp kwam hij tijdens zijn overtocht door stormen uit in het Friesche land. Blok geeft als reden, dat de Franken ook nog een appeltje met hem te schillen hadden en hij daarom via de Rijnmond reisde. Nijdam beschrijft het iets algemener door een verband te leggen met de woelingen in het Frankische rijk. En zo kwam hij via de Rijndelta in het gebied der Friezen.
    Hij werd met de meest mogelijke gastvrijheid onthaald door de Friesche koning Adgil en verbleef de hele winter van 678/'79 aan het hof van de Friese koning Aldgisl.
    De Friezen waren nog trouw aan de godsdienst van hun voorouders. Maar van Adgil mocht Wilfried het evangelie prediken in geheel Friesland. Adgil liet dit ook toe om Ebroïn (is Efyrwin in Vita Wilfridi), de Frankische machthebber (hofmeier), te tartten. Ebroïn wilde Wilfried namelijk in zijn macht krijgen om hier voordeel uit te kunnen halen met betrekking tot Austrasië die hij door Wilfried was kwijtgeraakt. In een brief en mondeling, verzoekt Ebroïn dan ook Adgil om Wilfried over te dragen dan wel vast te houden. De Friesche koning Adgil moest hier niets van hebben en stelde Wilfried hiervan op de hoogte door de brief voor te lezen en deze brief ten overstaande van alle aanwezigen te verbranden. Nijdam concludeert hieruit dat Aldgisl 'klaarblijkelijk was zo machtig, dat hij met het hier beschreven gemak een verzoek van de machtige Frankenhertog terzijde kon schuiven. Blok laat Wilfrid in 679 weer verder reizen (Witkamp I, p. 118; Blok, p. 38; Nijdam/Redbad p. 19).


    Naamgeving
    Zoals we nog vaak tijdens dit onderzoek tegenkomen zijn de verschillende namen voor het hetzelfde. Dit geldt voor - zoals we reeds zagen - persoonsnamen, maar ook voor plaatsnamen of andere geografische gebieden en/of indelingen. We hebben hier ook te maken met diverse bronnen en dus ook talen, welke de namen doet veranderen. De conclusie trekken, wanneer een plaatsnaam bijvoorbeeld in het Duits wordt geschreven in een akte of oorkonde, dat een plaats die nu in Ostfriesland ligt, dus niet door Friezen is gesticht maar door anderen hoeft niet juist te zijn. Immers de schrijvers van deze akten en oorkondes waren vaak monniken uit Duitstalige gebieden en beschreven dit ook in het Duits (Klöver/Spurensuche, p. 52).


    Gouwen
    Friesland heeft nu bijna z'n grootste omvang gekregen. Welke onderdelen kunnen we nu omschrijven:
    Per huidige provincie gaat het om de volgende:
    Ostfriesland:
    Brookmerland/Brookmerlandes
    Auricherland
    Overledingerland
    Moormerland
    Saterland/Seelterlound

    Groningen:
    Humsterlân/Humsterland (Hugmerchi)
    Hunzegoa/Hunsingo (Hunusgo)
    Fivelgoa/Fivel(in)go
    Reiderland
    Eemsgoa
    Gorecht

    Friesland:
    Westergoa/Westergo
    Eastergoa/Oostergo
    Súdergoa/Zuidergo
    Teksla/Texla
    Bornego (na 11e eeuw)

    Holland:
    Westflinge, waarin: West-Fryslân/West-Friesland, Zeevang en Callantsoog.
    Wiron/Wieringen
    Kinmerlân/Kinheim, Kennehim of Kinnin (Kennemerland)
    Rynlân
    Masalân

    Skelde-Maas-Ryngebiet/Schelde-Maas-Rijngebied:
    Niftarlake
    Rijnland
    Masaland

    Hettergoa/Hettergouw (Hattuaria), waarin: Duffelgoa/Duffelgouw,, Keldagoa/Keldagouw en Mulgoa/Mulgouw.
    Walcheren (Walacra)
    Maasgoa/Maasgouw, eigenlijk Masau
    Tubalgoa

    Hamalân/Hamaland (Hamelant):
    Sallân/Salland/Sallaand
    Teisterbant
    Betuwe (Batua of Betua) (Over-Betuwe)
    Veluwegouw (Felua) (Veluwe)
    Flethite of Flethetti (Utrechtse Heuvelrug, Gooi en het westen van de Gelderse Vallei)
    Germepi Omgeving Woerden
    Opgooi of Upgoye (Kromme Rijngebied)
    Isla et Lake

    Drente:
    Drinte/Treanth of Theanti (Drenthe)
    Flethite


    Noot 2 uit Nijdam/Redbad p. 4. geeft een mooi overzichtje van de verschijningsvormen van de naam van de Friese koning. In de diverse bronnen, zie Literatuurlijst voor verwijzing op het internet, komt hij onder andere voor als Rathbod (Vita Wulframni), Rabbod (Vita Willibrordi), Rethbod (Vita Bonifatii), en wordt in de literatuur Radbod, Radboud of Redbad genoemd. Ik gebruik de naam zoals het gebruikt wordt in de aangehaalde bron.
    Radboud, Franken en kerstening
    De volgende Frankische heerser, Peppin van Herstal, stimuleerde de verspreiding van het Evangelie en spoorde in 688 de Ierse monnik Egbert aan om het werk van Wilfried en Eligius voort te zetten in Friesland.
    Dit werk was echter een stuk moeilijker worden. De Friesche koning Adgil was intussen overleden en opgevolgd door zijn zoon Radboud of Redbad (±688-719). Radboud had, gebruik makend van de botsingen tussen de Austrasiërs en Neustriërs, de Franken weer uit Utrecht verdreven en ook de St. Thomaskapel verwoest (Witkamp I, p. 118).

    In de schriftelijke bronnen (van buiten Friesland!) wordt Redbad met twee titels aangesproken. In de Angelsaksische bron wordt hij meestal als rex, een sacraal koning, die naast het gewone koningschap ook de religieuze functies vervulde en waarvan men aannam dat hij van goddelijke komaf was. Dankzij hem gaat het goed met de mensen en het land. De Frankische bronnen hebben het veelal over dux, een heer koning, een gekozen aanvoerder, die bij een oorlog de veldtocht leidde.
    Beide functies worden echter door Redbad gedaan. Dit blijkt uit teksten gevonden in Vita Willibrordi en vooral Vita Wulframni, al zijn de riten die Redbad uitvoert voor deze bronnen van verderfelijke aard en uiteraard heidens. Dit is natuurlijk te verwachten vanuit hun perspectief.
    Ook zou het verschil gezocht kunnen worden in het hiërarchische. De Frankische koning ziet Redbad natuurlijk liever als een lager iemand. En beiden zagen elkaar alleen oorlogvoerend en dus lag dux meer voor de hand (Nijdam/Redbad p. 19-20).
    > Het is gebruikelijk voor leiders om voor eigen parochie in een bepaalde richting te spreken. Uiteraard wat hun het beste uitkomt en daarvan maken de bronnen dan ook melding van. Opgemerkt is dat de auteurs van het gebruikte literatuur er ook allen over reppen. Vreemd hierbij is echter dat er geen correctievertaling wordt gemaakt. Het is begrijpelijk dat men blijft uitgaan van wat men in de bronnen aantreft en daarbij de opmerkingen plaats. Maar echt aannemelijk maken, hoe het verhaal dan gelezen kan worden, doet men niet. Ook niet als men het hele verhaal kent. Over de discussie rex en/of dux, zou ik bijvoorbeeld kunnen zeggen, dat een tijdelijk gekozen aanvoerder voor het verdedigen van het Friese gebied mijn voorkeur zou hebben. Dat dit door de Franken dux genoemd wordt, daar ligt geen 'Fries' wakker van, wat zij denken (juist) niet hiërarchisch, zoals we zullen weten, wanneer het gehele verhaal gelezen is.
    Het ligt dan ook in de lijn van mijn verwachtingen dat er helemaal geen koning of hertog Radboud of Aldgisl heeft bestaan, maar dat dit vanuit Frankisch denken is ingevoerd, omdat ze er anders niet mee konden omgaan, gezien hun hiërarchisch denkpatroon. Radboud en Aldgisl zullen vast wel bestaan hebben, maar niet als koning of hertog. Mogelijk waren zij op dat moment een tijdelijk gekozen iemand.

    Enige ondersteuning -maar wel anders dan ik dacht- vind ik in Henstra's Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer : Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200). Henstra ziet het ook in de definitiebetekenis van de woorden. De Germaanse volken, waaronder dus de Friese en Saksen, bestonden uit gemeenschappen van vrije mannen. Hij maakt hierin onderscheid in de vrije mannen, door een deel edele vrijen te noemen en een groep gewone vrijen. We komen dit later tegen bij 'Vrij en onvrij' als edele (nobilis), vrijen (liberes).
    Deze gemeenschappen of volkeren hadden niet altijd een koning. Maar als er wel een was dat was hij niet meer dan de eerste onder de edelen. Deze variant op 'de eerste onder gelijken' zullen nog vaker tegenkomen in dit verhaal. We zijn inmiddels twee begrippen rijker, dat van koning en van edelen. Deze begrippen hebben absoluut niet de inhoud die we er tegenwoordig onder verstaan. Het koning zijn is dan ook niets anders dan de hierboven beschreven verwachtingen die ik ervan had. Macht had de koning niet. Slechts de grote van de groep van vrije volgelingen bepaalde de kracht van de groep / gemeenschap / volk en daarmee de macht van diezelfde groep. Alleen de term koning, als aanduiding van eerste of aanvoerder et cetera is kennelijk wel van toepassing.
    Henstra beschrijft subtiel het vervolg. Naar mate de tijd volgt, worden de verbanden tussen de volgelingen duurzamer en vervolgens spreken zij hun vertrouwen uit met een eed van trouw aan deze persoon / heer / koning, die vervolgens dan de bescherming geeft die de anderen verlangen. Mogelijk zijn er koningsgeslachten ontstaan uit opeenvolgende leiders die van elkaar afstammen, die opeenvolgende successen hebben behaald en dit hebben overleefd met evenzo succesvolle nazaten. Germaanse koningen zou zo verheven kunnen zijn tot Heerkönig, omdat zij als aanvoerder met volgelingen een oorlog hadden gevoerd om land te veroveren (Henstra/Graafschappen, p. 5).
    > Of dit ook voor het Friese gebied opgaat is de vraag. Misschien gaat het op voor de paar bekende Friese koningen Aldgisl/Adgil en Redbad/Radboud. Voor de rest is er weinig strijd geleverd tegen anderen om gebiedsuitbreiding te bevorderen. Die strijd werd veelal tegen indringers geleverd. En dan kan het om troepen gaan, maar ook om water. Kortom, verdedigen (en dus niet aanvallen) oftewel Vta skilu wi Frisa vse lond halda mith thrium tauwon, mith tha spada and mith there bera and mith there forke. Ac skilu wi use lond wera mith egge and mith orde and mith tha bruna skelde with thene stapa helm and with thene rada skeld and with thet unriuchte herskipi, zoals we verderop nog zullen lezen.

    Nadat de Merovingen christelijk waren geworden kreeg de functie van de koning ook een christelijk tintje. De koning kwam niet meer uit zijn volk en stond niet er niet meer tussen, maar stond er boven. Van nevenschikking als eerste onder gelijken, naar boven schikking waarbij de volgelingen in dienst kwamen van die koning. Deze volgelingen werden graven en zo ontstond een koninkrijk met graafschappen. Echter, dit is niet geografisch bedoeld. In het begin strekte de invloed zich alleen uit over het netwerk van personen, dus niet over het territorium waar deze personen zich begaven. Pas toen de gebieden dichter bevolkt waren en de personen als groep 'bij elkaar' hoorden, kon men gaan spreken van een geografisch gebied (Henstra/Graafschappen, p. 6).
    > Dit verklaard ook waarom het lastig is een geografisch indeling te maken van 'het Friese gebied' en later ook, wanneer er geen eenheid bestaat tussen de mensen of binnen bevolkingsgroepen. Deze mensen worden daarvan ook niet 'wijzer', dus waarom zouden ze zich hierom bekommeren.

    Kerstening
    Een storm belette de Ierse monnik Egbert de bekering van Friesland te volbrengen en droeg de opdracht over aan zijn reisgezel Wigbert, die na twee jaar prediken weer onverrichte zake naar zijn vaderland terug keerde.
    De Friezen haten de Franken intussen zo erg dat ze zelfs niet dezelfde goden gemeen wilden hebben. Daarom hadden alle geestelijken het in deze periode erg zwaar en werden dan ook uit het land verdreven.
    De geboren Angelsaksische en Ierse monnik Egbert kon het echter niet verkroppen, dat zijn missie nog niet voltooid was. Hij zond daarom in 690 de zoon van Wilges, Willebrord naar Rijnmond. Willebrord was een edelman in Northumberland en had vanaf z'n zevende levensjaar in het klooster te Rippon gezeten. Vanaf z'n twintigste had hij zich onder de hoede van Egbert in Ierland gesteld.
    En nu ging hij samen met de diaken Adelbert en tien ander monniken naar het Friese land. Koning Radboud vond het een slecht plan. Willebrord ging verhaal halen bij het Austrasische hof, waar hij werd ontvangen door Peppin. Met Peppin medewerking ging Willebrord door naar Rome, om de wijding tot zijn ambt te bekomen van paus Sergius.
    Tijdens deze reis, lagen de Friezen en Franken alweer in de clinch met elkaar en in 693 moest Radboud wederom Utrecht prijsgeven aan de Franken (Witkamp I, p. 119).

    Omdat de schriftelijke bronnen veelal geschreven zijn door christelijk schrijvers -immers, de Friezen hadden nog geen schriftelijke cultuur- en deze schrijvers hadden het niet echt op met de inheemse religies, zijn ook de door hun geschreven verhalen natuurlijk ook erg gekleurd. Teksten als 'wanneer een prediker zijn neus liet zien, er massa's op af kwamen en zich ook meteen lieten dopen' moeten we dan ook met korreltje zout nemen. Er was met de Friese kerstening eerder sprake van een cultuurbotsing, welke -zoals we gaan zien- enkele eeuwen gaat duren, voordat dit enigszins met elkaar versmolten is. Nijdam noemt dit proces echter wel belangrijk, omdat het deel uitmaakt, van wie we zijn. Kortom, het maakt deel uit van de drie cultuurpijlers: klassieke beschaving, christendom en inheems erfgoed, waarvan dit kersteningsproces aan het begin staan. (Nijdam/Redbad p. 4-5)

    De strijd van 688 tot 695 tussen Pippijn en Redbad, waarbij Redbad het castrum Duristate wederom moest prijsgeven, schijnt een onderdeel van de verovering van Frisia Citerior te zijn geweest. Want in 696 beheerst Pippijn Utrecht weer en vlak daarna gaat ook weer de Frankische munt in Dorestat weer draaien. Echter of de slag bij Dorestat op 689 heeft plaatsgevonden, daar wil Blok niet aan.
    Mogelijk gaat het in deze periode om 2 veldtochten van Pippijn. Eentje van 689-690 vlak voor de komst van Willibrord naar Francia en eentje in 695 met de slag om Dorestat en Utrecht.
    Dat Redbad tot aan het Vlie zou zijn verdreven, wordt als onjuist geacht, aangezien de geschiedenis van Wursing verteld dat zijn erfgoederen die in de Vechtstreek lagen, door Redbad wegens ruzie waren onteigend. Wursing zou dit pas na Redbads overlijden terugkrijgen, toen het door Karel Martel (718) was veroverd (Blok, p. 41-42).
    Verder is men het eens over dat Pippijn II tussen 688-695 ook Zeeland veroverd heeft. En dat dit daarvoor tot Frisia Citerior behoorde (Blok, p. 46).

    Willebrord, intussen teruggekomen uit Rome, koos de Rijnstreek als uitgangspunt van zijn werk. Na 2 redelijk succesvolle jaren toog Willebrord weer naar Rome om in 696 terug te keren als Clemens, aartsbisschop der Friezen. Peppin schonk hem Utrecht als kerkzetel. Willebrord (Clemens) bouwde op de plaats van het verwoeste St. Thomaskapel de St. Maartenskerk als kathedraal van zijn bisdom. Daarnaast bouwde hij de St. Salvatorskerk en richtte hij scholen op. Zijn werkgebied breidde hij uit van de Ardennen tot aan Denemarken.
    Friese 'heiligdommen', zoals de waterput "Adelbertusput" op het Adelbertusakker in Egmond (Binnen), naar mijn mening niet heilig in religieuze zin, maar wel heilig in figuurlijke zin, iets om te behouden, want zoet water is natuurlijk van levensbelang, werden door Willebrord 'gewoon' opgenomen in de kerk. Dit is dan ook een regelrechte levensbedreiging en oorlogsverklaring, want de bevolking werd van hun eerste levensbehoefte afgesneden.
    De stichting Adelbertusakker heeft in de loop van de tijd een aardige verzameling afbeeldingen verzameld rond deze put waaruit volgens de gelovigen 'Geneeskrachtig water' kwam.
    De Friezen bleven zich echter verzetten tegen deze manier van evangelie-verspreiding. Ook deed Radboud regelmatig onverhoedse aanvallen op de Frankische grensgebieden. Samen met Everard die in Elst woonde ondernam had dit. Echter Peppin trok eenmaal tegen hun op, ter hoogte van het bediscuteerde Dorestad (Duurstede aan de Rijn). De Friezen schoten te kort en Everard was zijn goederen kwijt. Er moest een verdrag aan te pas komen om deze oorlog ten einde te brengen. En wat doe je dan? Je huwelijkt je kinderen aan elkaar. Dit was in het Frankische rijk gebruikelijk geworden en voor de koning een manier om zijn graven enigszins onder controle te houden. Dus Radbouds dochter Theudesinde trouwde met Peppin van Herstals tweede zoon Grimoald.
    Voor de deken Adelbert kwam dit ook als een geschenk, want hij kon zijn evangelisatiegebied uitbreidden tot Egmond (Witkamp I, p. 119; Henstra/Graafschappen, p. 22; Friezen van de oude duinen / Rolf Roos; Collectie Fred Houtenbos).

    Voor de grote staatsman Peppin van Herstal naderde het einde in 714. Hij had onder vier koningen, met soevereine macht Austrasië gedurende vierendertig jaar en de drie koninkrijken gedurende zevenentwintig jaar bestuurd. Even dacht men dat hij al eerder in dat jaar zou overlijden, omdat hij ernstig ziek was. Van die verwarring maakten enige tegenstanders (een Fries) gebruik om zijn enige wettige zoon Grimoald in Luik te vermoorden. Peppins eerste actie was, nadat hij enigszins hersteld was, de moordenaars te straffen en zijn kleinzoontje Theodebald (dus ook kleinzoon van Redboud!) positie te verzekeren. Echter Theodebald stierf tijdens een onderlinge strijd tussen de diverse Frankengroepen in 715 (Witkamp I, p. 120; Blok, p. 46).

    In 680 was Winfried als zoon van een edel Angelsaks te Kirton in Devon geboren. Op z'n twaalfde ging naar het klooster van Exceter, waarna hij als jongeling naar abdij van Nutcell vertrok. Op zijn dertigste ontving hij de priesterwijding en voelde de begeerte ontkiemen om de heidenen in Friesland, Saksen, Thüringen en andere streken van het vaste land tot het christendom te bekeren. Met dit voornemen voer Winfried, ook wel Bonifacius genoemd, naar de Rijnmonden tot aan Duurstede. Hiervandaan ging hij naar Utrecht, waar hij zich alle moeite gaf om van koning Radboud toestemming te krijgen om het christendom te mogen prediken in de omliggende streken. Echter Radboud volhardde in zijn eigen oude Germaanse godsdienstleer en gaf geen toestemming. Voor Winfried zat er niets anders op weer terug te keren naar Nutcell, waar hij later tot abt verkozen werd (Witkamp I, p. 124).

    Peppin had ook nog een kind verwekt bij een andere vrouw genaamd Alpaïde verwekt. Deze zoon, Karel, groeide uit tot een krachtige man met onstuimige moed en met veel kracht in zijn armen, zodat hij de bijnaam kreeg van Martel, Marteel of den Hamer.
    Deze Karel Martel komt rond 717 tussen twee kampen te liggen. Vanuit het noorden trekken de Friezen onder leiding van Radboud/Redbad op en vanuit het westen de pas gekozen zoon van Childerik II, de monnik Daniël, nu met naam Chilperik II, de Saksen.
    Redbad kreeg hier zijn zoete wraak: hij heroverde Utrecht en waarschijnlijk een groot deel van Frisia Citerior en bedreigde in 716 met zijn vloot zelfs Keulen. Even leek het erop dat het heidense Friese rijk zijn macht in de delta blijvend zou herstellen.
    In het nabuurschap van Stavelot (de Ardennen) overwon Karel beide partijen en de Neustriërs en op 19 maart 717 bracht hij ze tussen Arras en Kamerijk nogmaals een nederlaag toe. Het jaar daarop 718 verdreef hij de Saksen (Witkamp I, p. 126; Blok, p. 46-47).

    En toch bleef het Winfried trekken. Daarom trok hij in 718 naar Rome en kreeg van paus Gregorius III een volmacht om aan alle Duitse volken het evangelie te prediken. En zo toog hij van Tyrol en Beijeren, naar Thüringen, verbleef hij drie jaren in Friesland en daarvandaan ging hij naar Hessen en Saksen.
    In 723 werd Winfried bij paus Gregorius geroepen en werd hij op 30 september tot bisschop verheven en kreeg hij de naam Bonifacius.
    Terug naar Duitsland deed zich in Hessen een voorval voor dat een ommekeer betekende. Omstreeks Geismar, in een heilig woud, stond een eeuwenoude aan Thor geheiligde eik. Op de geringste schending zou Thor bestraffen met een dodelijke bliksem, aldus de heidense priesters.
    Bonifacius, vol vertrouwen, begint met het hakken in de eik in het bijzijn van de heidenen. Er gebeurde niets. Geen bliksemstraal die Bonifacius dodelijk treft. En dus hakt hij verder, tot deze reus geveld is en hij een hoog opgeheven kruis kan neerzetten. Vanaf nu lag de weg open voor het stichten van kerken en velen volgden in zijn voetsporen. En ander soortgelijke plek vinden we mogelijk in Vlaardingen. De particuliere schenking van deze plek werd nog vóór 726/727 aan Willibrord gedaan als enig ander ten zuiden van de Oude Rijn. Deze plek is bewust gekozen, vanwege de Harg, dat ‘heidens heiligdom’ betekent, dat aan het einde van de getijdekreek de Flarding ligt, op de plaats waar nu Kethel ligt. Misschien heeft Willibrord – als tegenstander van deze plaats van afgoderij - in de keuze nog zelf een hand gehad (Witkamp I, p. 126; Dijkstra/Rijnstreek, p. 288).

    Rond het begin van de achtste eeuw ontstaan er in dit gebied van Europa voor het eerst handelscentra, waar ook kooplieden komen, speciaal voor de handel. Er vindt dan ook naast de handel in, ook opslag plaats van de gebruiks- en verbruiksgoederen. In deze handelsnederzetting komen knooppunten van of wegen en/of waterwegen samen, zodat de transportmogelijkheden voorhanden zijn. Deze plaatsen worden vaak met wic aangeduid. Zo zijn daar bijvoorbeeld Eoforwic (York), Lundenwic (Londen), Quentovic (aan de Franse kust van het Kanaal), Sliaswic (Hedeby), Wijk (noordelijke handelswijk en opvolger van Dorestad), Fresionowic (Friezenwijk / Vreeswijk), Meginhardeswich (Meinerswijk bij Arnhem) (Tuuk/Gouden, p. 174).
    Dit soort plaatsen trokken naast kooplieden ook ander volk aan. In hun kielzog kwamen natuurlijk de handelsagenten en schippers met hun matrozen en knechten. Op de opgeslagen goederen, die ook weer meteen verder verwerkt kunnen, komen natuurlijk de handwerkers en andere productenmakers. En waar veel mensen komen, valt natuurlijk iets te halen voor avonturiers, kunstenmakers, geestelijken, prostituees en bedelaars. Deze mensen moeten natuurlijk allemaal ergens eten, drinken en overnachten, zodat er weer drank- en slaapgelegenheden uitgebaat gaan worden.
    Van der Tuuk verklaart het ontbreken van grote handelscentra in het Friese terpengebied, omdat daar een centraal gecontroleerde langeafstandshandel moeilijk te realiseren was. Voor de machthebbers in Frankenland waren dit soort handelscentra vensters op de wereld. Handelsnetwerken maakten echter geen deel uit van de bestuurlijke netwerken, maar de bestuurders moesten hieraan wel hun goedkeuring geven en er letterlijk brood/geld/aanzien in zien (Tuuk/Gouden, p. 176).
    In het Friese gebied waren echter geen echte machthebbers en dus werd er niets geregistreerd, omdat er geen tol of andere accijns betaald hoefde te worden. Je kunt verder afvragen wat het nut van grote handelscentra zijn in een dunbevolkt gebied. Zoals Van de Tuuk dan ook meent, de handelaar heeft er weinig belang bij, de feodale landeigenaren des te meer.
    Op de vraag door wie deze handelscentra geïnitieerd zijn, laat Van de Tuuk het antwoord in midden. Maar eigenlijk wordt het antwoord al op een andere manier in zijn boek gegeven. De grootste handelsknooppunten zijn ontstaan in grensgebieden, op de grens van zogenaamde politieke invloedssferen. Hier worden de plaatsen Quentovic, Dorestad en Hedeby genoemd. In het ontstaan van deze plaatsen - zo kunnen we lezen in zijn boek - hebben de Friese kooplieden een grote vinger in de pap gehad.

    In het verhaal "Vita Vulframni episcopi senonici" uit MGH SS rer. Merov. 5 S. 668 staat het doopweigeringsverhaal van Redboud te lezen: Praefatus autem princeps Rathbodus, cum ad percipiendum baptisma inbueretur, percunctabatur a sancto episcopo Vulframno, iuramentis eum per nomen Domini astringens, ubi maior esset numerus regum et principum seu nobilium gentis Fresionum, in illa videlicet caelesti regione, quam, si crederet et baptizaretur, percepturum se promittebat, an in ea, quam dicebat tartaream dampnationem. Tunc beatus Vulframnus: 'Noli errare, inclite princeps, apud Deum certus est suorum numerus electorum. Nam praedecessores tui principes gentis Fresionum, qui sine baptismi sacramento recesserunt, certum est dampnationis suscepisse sententiam; qui vero abhinc crediderit et baptizatus fuerit, cum Christo gaudebit in aeternum'. Haec audiens dux incredulus - nam ad fontem processerat, - et, ut fertur, pedem a fonte retraxit, dicens, non se carere posse consortio praedecessorum suorum principum Fresionum et cum parvo pauperum numero residere in illo caelesti regno; quin potius non facile posse novis dictis adsensum praebere, sed potius permansurum se in his, quae multo tempore cum omni Fresionum gente servaverat. At beatus Christi pontifex: 'Heu pro dolor', inquit, 'deceptum te video a seductore, qui humanum decepit genus! Sed nisi poenitentiam egeris et credideris et in nomine sanctae trinitatis baptizatus fueris, ianuam regni perhennis non intrabis, sed aeternae dampnationis poena plecteris'. Haec dicente et docente sancto pontifice, multi Fresionum credebant et baptizabantur, praedicto rege in paganismo perseverante.
    Karel Martel had het gehad met Radboud en ging de strijd aan bij Utrecht aan de oevers van de Rijn. Hier werd Radboud gedwongen om de Frankische oppergezag ter erkennen en de prediking van het evangelie toe te staan.
    Waarschijnlijk moest Radboud ook de belofte doen om het christelijke geloof aan te nemen. Want er werd een plechtigheid voor de doop van Radboud georganiseerd. Wulfram of Wolfran, de bisschop van Sens, kwam hiervoor speciaal naar Friesland. De doopplechtigheid werd gehouden te Hoogwoud, maar volgens anderen te Medemblik (beiden in het huidige West-Friesland).
    Volgens de oude kronieken had Radboud tijdens deze plechtigheid al een voet in de doopvont gezet, toen hij plotseling aan de bisschop vroeg: "Zal ik in het paradijs, dat u mij beloofd, mijn voorvaderen en Frieslands helden terugzien?" Waarop de bisschop antwoordde: "Wat wilt u? Nee, die zijn bij de duivel in het eeuwige vuur." Hierop reageerde Radboud, zich uit het doopvont terugtreden: "Als dat zo is, dan verkies ik uw doop niet. Ik ben liever bij mijn voorouders in de zalige gewesten van Wodan, dan met het kleine hoopje Christenen in de hemel."
    (Witkamp I, p. 122)
    Nijdam bevestigd dit beeld in zijn Nederlandse vertaling van dit verhaal. Al zet hij wel een aantal vraagtekens bij het verloop van het verhaal. Het verhaal loopt namelijk niet logisch door; er zijn twee verhaallijnen na elkaar in te ontdekken. (Nijdam/Redbad p. 3/55/101)
    Het gaat mij hier te ver om dit hier verder te verhalen, al is het wel interessant om ook dit te lezen en te weten, vanwege de betrouwbaarheidsfactor.

    Volgens een noot (gedrukt in 1882) van Witkamp toont men in de kerk van Hoogwoud nog een doopvont "die bij deze voorgenomen doop gediend zou hebben".
    De overlevering meldt tevens dat Radboud drie dagen na de weigering overleed.
    Redbad kan dat ook met recht gezien worden als de eerste 'Nederlander' van formaat uit de middeleeuwse geschiedenis. Hij was enige tijd een grote tegenstander in het noordelijke gebied van het Frankische rijk. Reden genoeg om over hem -op veelal negatieve wijze- te schrijven (Blok, p. 40). Van Redbad kan gezegd worden dat hij tot aan zijn dood overtuigd zijn eigen geloof bleef aanhangen. Dit wordt volgens Nijdam het mooist beschreven in S. Bonifatii et Lulli epistolae waar onder ander (Deus omnipotens) inimicum catholicae ecclesiae Rathbodum coram te consternuit staat en hij vertaald als '(De almachtige God) heeft de vijand van de katholieke kerk Redbad voor jou neergeslagen'. (Nijdam/Redbad p. 5, noot 8)
    Karel Martel bleef na Redbads overlijden niet bij de Oude Rijn staan. In één moeite door werden het huidige Holland tot het Vlie, de huidige provincie Utrecht en wellicht de Veluwe tot aan de IJsel veroverd. Misschien onderwierp hij toen reeds Friesland tot de Lauwers, want als hij daar in 734 bij de Boorne de Friezen verslaat, was deze opstand iets waarbij de Friezen trachtte de reeds aan Karels gezworen trouw te verbreken (Blok, p. 47-48).

    Karel Martel had intussen bijna alle volkeren onder het Frankische Rijk geschaard en moest dit aan alle kanten met strijd bij elkaar houden. Echter, er dreigde nu weer een heel ander gevaar. En deze was misschien wel groter dan die uit de tijd van Attila. De Arabieren, die met den Islam de stelling hadden omhelsd dat het beter is den heiligen krijg te voeren dan gedurende vele jaren achtereen te binnen hadden om Mohameds leer uit te breiden, zich sinds 632 als een geweldige stroom over heel West-Azië en Noord-Afrika uitgestort en waren in 711 Spanje binnengedrongen. Vervolgens trokken ze over de Pyreneeën en naderden het Frankische Rijk om in het westen van Europa het Christendom voor de Islam te doen zwichten. Onder de indruk van elkaars materiaal, de Franken van de prachtige Arabische tenten en schitterende wapenuitrusting van de ruiters, en andersom de Arabieren van de ijzeren wapenuitrusting en grote zwaarden en lange speren, kwam het toch in 732 tot een eerste treffen, welke werd gewonnen door Karel Martel (Witkamp I, p. 128).
    Karel zat - zoals reeds vermeld - in 734 weer in Friesland om met de Friese hertog Bubo (ook bekend als Poppo) om aan de Boorne een opstand de kop in te drukken en Friesland tot aan de Lauwers definitief te veroveren (Blok, p. 49).
    Karel kon in 736 meteen verder naar het Noorden. Hier waren de Friezen weer hun eigen gang aan het gaan. De Friezen waanden zich veilig achter hun moerassen en wildernissen. Maar Karel had een heel ander plan gemaakt. Hij ging met een vloot op de tot voorheen ongenaakbaar geachte kust naar de stranden van de Middelzee. Hier vond een bloedige veldslag plaats waarbij Poppo, de Friesche veldheer, eigenhandig door Karel dodelijk werd getroffen. Koning Adgil stierf van hartzeer.
    Volgens Wikipedia ging het weer net iets anders: Na een korte periode van vrede met de Franken, kwam hier evenwel een einde aan, toen Karel Martel in 733 opnieuw de Friezen aanviel. Met een vloot stak hij over naar het huidige Friesland en sloeg de Friezen terug naar Oostergo. Het jaar daarop (734) keerde hij terug en versloeg het Friese leger geleid door Poppo in de Slag aan de Boorne, waarbij de Friese koning sneuvelde. En met deze Frankische overwinning was de macht van de Friese koningen gebroken. Door deze overwinning had Martel beide zijden van het Vlie in handen en waren alle toen belangrijke handelsroutes niet meer onder controle van de Friezen.

    De Franken dachten het heidendom te kunnen uitroeien. Ze vernielden dan ook de altaren, tempels en gewijde bossen in Oostergoo en Westergoo. Hiervoor in de plaats brachten ze predicaten van het christendom. Tevergeefs, immers zulke gewelddadige middelen voedden alleen maar de wraak van de Friezen. De Franken waren niet bij machte om de Friezen zo te overtuigen van hun christelijk geloof, waarvan ze zelf als belijders niet het geringste kenmerk droegen in hun handelen.
    Karel kon meteen weer naar Zuid-Frankrijk voor een volgende treffen met de Arabieren. Het Friese verzet was echter nog niet over. We zien dit over een jaar of twintig en vijftig jaar terug onder Bonifacius en Saksen (Witkamp I, p. 127-128; Henstra/Graafschappen, p. 20).


    Landeigenaar
    Met de verloren slag bij Boorne, verandert er iets wezenlijks voor de Friezen. Was het bezit van onroerend goed (grond) altijd absoluut geweest in eigendom van het geslacht, dus niet van een persoon. Het Friese recht kende geen "absolute" [individuele] rechten. Het grond was dus ook niet bezit van een individu, al werd het wel beheerd door de belangrijkste persoon van dit geslacht (familie/gezin). Men kan dit vergelijken met een piramide. Bovenaan de piramide staat de persoon met op dat moment de meeste rechten op de zaak. Er waren ook nog anderen die minderrechten hadden, zoals bijvoorbeeld de "verwachters". Dit zijn degenen die het later zullen erven. Maar ook andere familiegerelateerden, de "bloed- of naastlegershalven" vielen hieronder met niaarriucht of naastingsrecht. Aantasting van dit grondgebied - op welke wijze dan ook - werd altijd middels rechtspraak bestraft, dan wel afgehandeld. Hierop wordt later teruggekomen.
    Uit Worden SP en PVV straks afgekeurd op gebrek aan Europese waarden uit de Volkskrant van 7 februari 2013 genoteerd door Remco Meijer blijkt dat de regelzucht van Europees georiënteerde machtliefhebbers als de niet democratisch gekozen Europese Commissie, voorstellen gaan doen die ervoor zorgen, dat democratisch gekozen partijen geen subsidie mogen ontvangen om Europees politiek te bedrijven.
    Dit voorstel speelt al enige jaren en de zorgen vanuit Nederland worden hierover geventileerd.
    Twee uitzendingen van NOS illustreren dit.
    De kamerbrief van Plasterk van 15 februari 2013 geeft het standpunt van de Nederlandse overheid weer.
    Door het geven van de trouw aan de (Frankische) koning, werd dit recht gerelativeerd. Trouwbreuk aan de koning betekend automatisch verlies van de grond.
    Het geven van trouw, betekent dus in dit geval dat je de spelregels van die andere accepteert.
    Langzaamaan werden de regels uitgebreid, zoals we dat heden ten dage nog steeds zien gebeuren (zie kader), om de positie van de regelverzinner te versterken. In de zeventien keuren en vierentwintig landrechten, die zo rond 1080 zijn geschreven, vertellen de toenmalige regelgeving.
    De eerste keur - een zogenaamde concessie van de koning Karel de Grote - vertelt dat de Friezen vrij over hun goederen mogen heersen en die mogen bezitten, zolang zij ze niet verwerkt hebben.
    Hiermee kreeg de koning een optie om het onroerend goed aan zijn jurisdictie te onderwerpen. Hiermee kon de "eigenaar" van het onroerend goed verplicht worden om zich te verantwoorden op een zitting - georganiseerd door of in naam van de koning - en was de "eigenaar" verplicht om een verweer te voeren. Dit op straffe van verlies van het goed. Nu kon de koning ook andere regels gaan stellen, want men had zich immers onderworpen aan de rechten (rechtsgrillen!) van de koning. Zonder deze onderwerping of aanvaarding kon iedereen zich immers hieraan onttrekken door eigenrichting, raf. De ingevoerde koningsregels zijn er dan ook op gericht om deze raf uit te bannen.

    De vrije Fries was hierbij verworden tot fideles van de Frankische koning. Het zevende keur (volgens Das Rüstringer Recht / W.J. Buma en W. Ebel, Altfriesische Rechtsquellen, Texte und Übersetungen 1, p. 36/37):

  • "thet alle Frisa an fria stole bisitta and hebbe fria sprka and fri ondwarde; thet urief us thi kinig Kerl, til thiv thet wi Frisa suther nigi and clipskelde urtege and wrthe tha suthera kininge hanzoch and heroch alles riuchtes tinzes and tegotha".

  • "dat alle Friezen een vrije rechtstoel moeten bezitten en aldaar vrij mogen spreken en antwoorden; dat privilege gaf ons koning Karel, omdat wij ons aan de machten uit het zuiden onderwierpen en de belasting aan de Noormannen in klinkende munt weigerden en de koning uit het zuiden onderdanig en gehoorzaam werden wat betreft alle rechtmatige belasting en tienden".
  • Op DRW RüstringerR. 134 staat, maar ook uit Das Rüstringer Recht / hrsg. von Wybren Jan Buma - Göttingen [u.a.] : Musterschmidt, 1963. - 179 S. - Altfriesische Rechtsquellen; 1:

  • "Thiu siugunde kest.
    Vse fri lond, thet is thi riuchta fria stol, ther mugu wi wel binna hebba fri spreka and ondwarda; thet urief us thi kining Kerl umbe thet, thet wi thene daniska kining urtegon and an thene rumeska kining hnigun, thet wi him tins ieue and tegotha ouirgulde and riuchtere herskipi bikande; tha lethogade hi us fon Redbate, tha deniska kininge, and fon there clipskelde and fon there etszena withtha, ther alle Frisa and hiara halse drogon, and fon allere unriuchtere herskipi."

  • "Die siebente Küre.
    Unser freies Land, das ist der rechtmäßige freie Stuhl; an diesem dürfen wir sehr wohl freie Sprache und Antwort haben; dies verlieh uns König Karl dafür, daß wir dem dänischen König den Gehorsam verweigerten und uns dem römischen König unterwarfen, daß wir ihm Zins gäben und den Zehnten entrichteten und (seine) rechtmäßige Herrschaft anerkennten; da befreite er uns von Redbad, dem dänischen König, und von der Abgabe in klingender Münze und von dem Band aus Eichenholz, das alle Friesen um den Hals trugen, und von jeder unrechtmäßigen Herrschaft."

  • Dezelfde verwijzing naar origineel oud-Friese tekst, worden hier toch echt verschillend geschreven. De vertaling komt weliswaar uit op ongeveer hetzelfde, al wordt er door Algra kennelijk enigszins geshopt in het citaat.
    In zijn levenslange zoektocht naar tijd- en plaatsbepaling van de keuren en landrechten komt Algra 25 jaar later met Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten / N.E. Algra. - 2e dr., 1992 (
    PDF 22,7 Mb).
    Dit werk staat op het lijstje van nog te lezen boeken.
    (Algra/Ein, p. 48, 55, 76-78, 97-98; DRW RüstringerR. 134)


    Bonifacius
    In 754, wanneer Bonifacius de behoefte voelt om op hoge leeftijd zijn bekeringsopdracht in Friesland te beëindigen, hij was inmiddels 74 jaar, toog hij naar Dokkum. Hier had hij op een veld zijn tenten laten oprichten om de gelovigen toe te spreken. Echter op deze 5 juni waren er naast nieuw-bekeerden die de zegenprediking van Bonifacius ontvangst wilden nemen, ook een groot aantal heidenen die onverwacht onder een vervaarlijk gedruis kwamen aansnellen en deze plechtigheid verstoorden. In het ontstane strijdgewoel trad Bonifacius naar het midden en sprak de menigte toe. Hij was nog maar nauwelijks uitgesproken of de onstuimigste van de vijanden naderen de plek waar hij stond en enige momenten later stierf met drieënvijftig anderen de marteldood.
    Door de dood van Bonifacius ontstond er onder de Friezen een tweespalt. De bekeerde Friezen sloten zich aan bij de Franken om de misdaad te wreken. En zo werd koning Radboud, zonder bewijs, schuldig bevonden voor de dood van Bonifacius en zag zich genoodzaakt te vluchten. Eerst naar de Saksen, bij Hertog Witekind en vervolgens naar het afgelegen Jutland (Witkamp I, p. 127-128).
    > Hier raak ik Witkamp toch even kwijt. Witkamp laat koning Radboud vluchten (754), terwijl hij 3 dagen na z'n doop-weigering overlijdt (719). Hierop hoop ik later terug te komen.

    Blok meldt dat Van de Kieft terecht verondersteld wegens voorgaande kerkelijk onderlinge ruzies ervoor heeft bijgedragen dat Bonifatius aan het einde van z'n leven door de rijkskerk op dood spoor is gezet. Dit was voor hem ook de reden om de laatste jaren van z'n aardse zwerftocht weer te besteden aan zijn Friese missie, waarmee hij in 716 was begonnen.
    Die MAGNUSKÜREN
    Audi de uictoria Fresonum.
    Höre von dem Sieg der Friesen!

    [1] Tha thet strid vphewen warth twisc Romera heran andthene kening Kerl, tha brochtma tha nakene Fresan alles afara, hu se erst alle forslain worde. Tha nethtend tha Fresan mitha liwe and efter bifuchten hiat mithta hondum, thet se Rome wonnen an thredda tyd thes deys, tha Romera heran ouer hiara mose weren. Tha brochte Magnus, ther Fresena foner was, sinne fona vppa thene allerhagesta turn, ther binna Rome was. A, hu leith thet kening Kerl was, er weren se alle nakend Fresan heten, tha het se thi kening and bad ma tha herum gold and gode wed; tha bad ma allerekum sinne breda schild mitha rada golde to bislain; tha bad ma tha herum allerekum to settane in ene sunderga rike and mam therof thianede, ala ma ena weldicha kening scholde. Alle tha iefta, ther thi kening bad, tha withsprec Magnus an kas en alle betera. An kas thet, thet alle Fresan were freiheran, thi berna and thi vneberna, alsa longe sa thi wind fonta himele weide and thio wralde stode, and wellat wesa mith kere thes keninges herenatan.
    [1] En hij koos, dat alle Friezen vrije heren zouden zijn, de geborenen en de ongeborenen, zo lang als de wind van de hemel zou waaien en de wereld zou staan, en dat zij met deze keur de heergenoten van de koning wilden zijn. (Nijdam/Lichaam, p. 273).
    [1] Als der Kampf zwischen den Herren der Römer und König Karl anfing, da führte man die nackten Friesen ganz nach vorne, damit sie alle zuerst erschlagen würden. Da wagten die Friesen ihr Leben dafür und nachher erkämpften sie es mit den Händen, daß sie Rom eroberten zur dritten Tageszeit, als die Herren der Römer bei Tische saßen. Da setzte Magnus, der der Fahnenträger der Friesen war, seine Fahne auf den allerhöchsten Turm, den es in Rom gab. Ah, wie leid war das dem König Karl, zuvor wurden sie alle nackte Friesen genannt, nun nannte sie der König alle Herren und bot man den Herren Gold und feine Gewänder an; da bot man einem jeden an, seinen breiten Schild mit rotem Golde zu beschlagen; da bot man jedem der Herren an, ihn in ein besonderes Reich einzusetzen und (daß) man ihm daraus diente, wie man einem mächtigen König sollte. Alle Gaben, die der König anbot, lehnte Magnus ab und wählte sich eine weit bessere. Und er wählte dies, daß alle Friesen Vollfreie sein sollten, der Geborene und der Ungeborene, solange der Wind vom Himmel wehen und die Welt bestehen würde, und daß sie aus freien Stücken des Königs Heergenossen sein wollten.

    [2] Alderefter kas Magnus then otheren kere, and alle Fresan au Magnus kere ien, thet ma tha Fresan tha witta ofta halse spande and hia ammermar frei were, thi berna an thi vneberna, and se mitha kere were thes keninges herenatan.
    [2] Danach wählte Magnus die zweite Küre und alle Friesen waren mit der Wahl des Magnus einverstanden, (nämlich) daß man den Friesen die Holzbänder vom Halse lösen sollte und sie immerfort frei wären, der Geborene und der Ungeborene, und sie aus freiem Willen des Königs Heergenossen wären.

    [3] Tha kas Magnus thene thredda kere, an alle Fresan an sine kere ien, thet se nene keningschelde ne hachra gulde than riuchte hwslotha tha scheltata, hit ne were thet hit dumme liude in tha bonnum hiara vrbreke an hias thenna vngulde.
    [3] Danach wählte Magnus die dritte Küre und alle Friesen waren mit seiner Wahl einverstanden, (nämlich) daß sie keine höhere Königssteuer zahlen sollten als die rechtmäßige Haussteuer an den Skeltata, es sei denn, daß unverständige Leute dies für ihre Person durch Bannbußen verwirkten und sie die dann entrichten müßten.

    [4] Tha kas Magnus then fiarda kere, thet se nene himelschilda ne hachra gulde than riuchten dekma tha proueste, ther tha haudsto bisiunge, hit nere thet hit alle dumme liude in tha bonnum hiara vrberde and ses thenna gulde.
    [4] Danach wählte Magnus als vierte Küre, daß sie keine höhere Kirchensteuer zahlen sollten als den rechtmäßigen Zehnten an den Propst, der die Messe in der Hauptkirche läse, es sei denn, daß ganz unverständige Leute dies für ihre Person durch Bannbußen verwirkten und sie die dann entrichten müßten.

    [5] Tha kas Magnus thene fifta kere, thet se nene herefert nelde farra fara than aster to there Wisere and wester to tha Fli, vp mitha flod an vt mitha ebba, thruch thet, thet se hudat deis ande nachtis withen nordischa kening and with thene wilda witzend and thene deikisflod mith fif wepnum: mith swerde, mith schelde, mith spada, mith forka and mith ettegris orde.
    [5] Danach wählte Magnus als fünfte Küre, daß sie auf keiner Heerfahrt weiter ziehen wollten als ostwärts bis zur Weser und westwärts bis zum Fli, landeinwärts zur Flutzeit und zurück zur Ebbezeit, weil sie bei Tag und bei Nacht das Meeresufer vor dem nordischen König und dem wilden Wiking und der täglichen Flut mit fünf Waffen: mit Schwert, mit Schild, mit Spaten, mit Gabel und mit der Speerspitze schützen.
    aster to there Wisere and wester to tha  Fli,
    áster ti ther  wíser  and wéster ti ther flé,
    vp mitha  flod  an  vt mitha  ebba
    úp mittha flóda and wt mittha ébba.

    De schrijfwijze van Algra wijkt ook hier enigszins af, van de reeds aangehaalde Magnuskeuren.
    In zijn discussie over de ouderdom van de rechtsteksten (hij komt uit op 17 keuren, Magnuskeuren, Oud Schoutenrecht), haalt hij bovenstaande regels aan met aansluitend "den wilda witzenges floed" waartegen de bewoners zich moesten wapen en verdedigen. Zoals ook hierboven staat gaat het om zwaard, schild, spade, vork en speerpunt. Het valt Algra meteen op dat, wanneer met "wilde viking" de Noormannen worden bedoeld, dit niet met landbouwwerktuigen als spade en vork kan gebeuren. Hij vraagt zich dan ook meteen af of de betekenis van "wilde viking" wel de juiste is? Het wordt immers gevolgd door flod. Dit zou dan kunnen inhouden, dat met "de wilde viking vloed" eigenlijk de springvloed die de dijken bedreigt, bedoeld wordt. Ligterink bevestigd dit met dat de oude Friezen de onstuimigheid en onberekenbaarheid van de zee goed kenden. En zij vergeleken de meedogenloze vloedgolven met die van de Noormannen, de woeste Vikingers of wilda witzing (Algra/Ein, p. 60, noot 13, p. 61; Westerkwartier/Ligterink, p. 43).
    Software dateert eeuwenoude akten
    kopt de Volkskrant 17 januari 2013 op haar Wetenschapspagina 27.
    Misschien is het in de nabije toekomst mogelijk om met behulp van een softwareprogramma voor alle datumloze uitgaven het jaar aan te geven. Onderzoekers Gelila Tilahun, Andrey Feuerverger and Michael Gervers van de University of Toronto hebben in DATING MEDIEVAL ENGLISH CHARTERS aangetoond dat dit mogelijk is.
    Zeker wanneer het gaat om na te gaan welke van drie teksten in welke volgorde moet komen, wanneer we bijvoorbeeld spreken over de uitgavejaren met bijvoorbeeld 200 jaar tussenpozen, dus 800, 1000, 1200!
    > Vreemd genoeg kunnen deze argumenten ook andersom gebruikt worden. Met wapens als zwaard, schild en speerpunt houd je geen springvloed tegen. De combinatie van wapens tegen de Noorse koning en zijn Noormannen en het gereedschappen ten behoeve van de dijken, lijken mij logisch genoeg.
    Maar het gaat Algra om de leeftijd van de rechtsboeken. Hij beredeneert dat het Oud Schoutenrecht jonger moet zijn dan 1135 (Algra/Ein, p. 62).

    [6] Tha kas Magnus thene sexta kere, thet hia hiara ain riucht welde halda binna hiara ayna sogen selondum bi thes paws ande kaysers iefte an bi alle riuehta bonnum, bi asega domum and bi riuchta papana ordele, alsa hia hethe twen leyan to folgre.
    [6] Danach wählte Magnus als sechste Küre, daß sie ihr eigenes Recht in ihren eigenen sieben Seelanden halten wollten gemäß dem Privileg des Papstes und des Kaisers und nach allen rechtmäßigen Geboten, nach den Sprüchen des Asega und durch rechtmäßiges Urteil der Priester, wenn diese zwei Laien als Beistimmende hätten.

    [7] Tha kas Magnus thene sogenda kere, thet him ti paws Leo and thi kening Kerl welde iewa bref and insigel and hia ther moste one scriua vij keran an xvij kesta, xxiiij londriuchta and xxxvj sindriuchta. Thet orlof ief thi paws and ti kening Kerl mith munde and efter weddaden set mitha hondum. En helich biscop set tha to and screuet mith sine hondum and Magnus spreket mitha munde vt ther stenena teula, thet God her Moyses ief vp tha birge to Synai. Tha thit bref birat was, hv frey monich Fresa thes was! Tha gingen se alle tofara thene paws stonda and tofara thene kening. Thet bref him thi paws jef. A, hu hage hit himman biplichte and het, thet hia thet riuchte helde, sa feste sa hia then cristena noma halda wolde and hia tha sutherna hera riuchte heroch wesa wolde, hwant hia in thet northkeningrike er herden and alle hethen weren.
    [7] Danach wählte Magnus als siebente Küre, daß Papst Leo und König Karl ihnen Brief und Siegel geben möchten und sie darauf (diese) 7 Satzungen und (die) 17 Küren, 24 Landrechte und 36 Sendrechte schreiben dürften. Die Erlaubnis dazu erteilten der Papst und König Karl mündlich und nachher bekräftigten sie die durch Handschlag. Ein heiliger Bischof saß dann dabei und schrieb es mit den Händen auf und Magnus sprach es ihm mündlich vor von der steinernen Tafel, die Gott Herrn Moses auf dem Berge Sinai gegeben hat. Als dieser Rechtsbrief fertiggestellt war, wie freute sich mancher Friese darüber! Da stellten sie sich alle vor dem Papst und vor dem König auf. Der Papst übergab ihnen den Rechtsbrief. Ah, wie nachdrücklich trug er es ihnen auf und gebot er, daß sie das Reeht halten sollten, ebenso fest wie sie den Christennamen behalten möchten und sie dem südlichen Herrn Rechtens untergeben sein wollten, denn sie gehörten ehedem zu dem nördlichen Königreich und waren alle Heiden.

    [8] Allererst ther himman thet bref in tha honde kom, tha hof se vp anne loflaysasong ande sungen 'Krist, vnse genathe, kyrieleison'. Tha remden se thet keninges Kerles hof and thet Romera lond. Ac bundens to hiara skefte thes keninges hereteken, hv hit alle folke trowe were, thet alle Fresan frei were, thi berna and thi vneberna, alsa longe sa thi wint fonta wolcnum weide and thio wralde stonde. Thet bref brochte Magnus inna Fresena merka to Almenum in tha sinte Michaelisdome to Hernze, ther in ther tyd mith holte and mith rheide remat was. Ther nas ellekes in Freslond nout monich. Ther lesma vta brewe vij keran, xvij kesta, xxiiij londriuchta and xxxvj sindriuchta, alle Fresum to lowe an to erum.
    [8] Als der Rechtsbrief ihnen zuerst in die Hände kam, da stimmten sie ein Loblied an und sangen: "Christ, sei uns gnädig, Kyrie eleison!" Dann räumten sie den Hof König Karls und das Land der Römer. Auch banden sie des Königs Heerzeichen an ihre Lanzen, damit es allen Leuten sicher wäre, daß alle Friesen frei seien, der Geborene und der Ungeborene, solange der Wind von den Wolken wehen und die Welt bestehen würde. Den Rechtsbrief brachte Magnus nach dem Friesenland nach Almenum in den St. Michaelsdom zu Harlingen, der damals aus Holz und Rohr erbaut war. Es gab (damals) in Friesland sonst nicht viele (Kirchen). Dort liest man in dem Rechtsbrief 7 Satzungen, 17 Küren, 24 Landrechte und 36 Sendrechte, allen Friesen zu Lob und Ehren.

    De winter van 753 en 754 bracht hij in Utrecht door, om in het voorjaar weer op pad te gaan in Friesland. Op deze tocht is hij en onder andere bisschop Eoba door een bende heidenen - die waarschijnlijk van over de Lauwers kwamen - bij Dokkum vermoord.
    Wat vreemd is, is dat deze moord op zo'n belangrijke persoon (toch nog altijd aartsbisschop der Frankische kerk en bisschop van Mainz), zo weinig reactie heeft uitgelokt. Er waren weliswaar een paar bekeerde Friezen die een strafexpeditie ondernamen, maar van een officiële Frankische tegenzet is niets bekend. Een vermoorde zendeling is altijd een goede reden voor christelijk ingrijpen (Blok, p. 54).

    Gregorius zette het werk van Bonifacius in Friesland voort. Ook zond hij kwekelingen naar Westfalen en andere streken. Onder hen bevond zich de Fries Ludger, uit Wierum. Ludger zou later de eerste bisschop van Münster worden.


    Saksen
    Op 24 september 768 laat de Frankische vorst Peppin te St. Denis het leven, na terugkomst van een veldtocht tegen de hertog van Aquitanië, Vaïfer. Zijn twee zoons krijgen het opgedeeld rijk Karel, nu 26 jaar, krijgt zeggenschap over Austrasië met bijna geheel Germanië. De jongste, Karloman, krijgt Bougondië, met Provence, het Narbonnais, Schwaben en de Elzas. Daarnaast werden Neustrië en Aquitanië beiden in tweeën gesplitst en onder beide broers verdeeld. Dit gebeurde omdat beide gebieden de neiging hadden om zelfstandig te worden. Bij een opstand zouden ze zo de macht van beide heersers ervaren.
    Al na drie jaar werd de splitsing van Frankenland ongedaan gemaakt door het overlijden van Karloman op 4 december 771. Zijn gebieden werden nu door de bevolking ondergebracht bij Karel. De weduwe van Karloman ontvluchtten met de kinderen Frankenland, terwijl dit voor Karel niet nodig was.
    Karel de Grote is nu alleenheerser.
    Ook Karel heeft grote moeite om alles onder controle te krijgen en houden.

    In 772 begon Karel de Grote zijn eerste veldtocht tegen de Saksen. Dit zou uitmonden in een 30-jarige strijd. De eerste onderwerping was gereed in 775, waarna de grote opstand onder leiding van Widukind of Wittekind (743-807) in 778 begon tot aan 804 toe. Lag het grootste gedeelte van de strijd in het noorden tussen de Wezer en Elbe. In 778 speelde ook de strijdtaferelen aan het oostelijke gedeelte van de IJssel, waar in Deventer voor de tweede maal de kerk in vlammen opging.
    In 784 werden ook onder leiding van Widukind Friesland (van Vlie tot Eems) bij de strijd betrokken. In 785 is voorlopig de strijd over. De Saksen (behalve het noordoostelijk deel) zijn onderworpen en Widukind bekeerd. En daardoor komen Friesland ten oosten van de Lauwers nu in vaste handen van Karel. Liudger word weer door Karel als missionaris aangewezen in de gouwen Hugmerchi, Hunusga, Fivelga, Emisga en Rederitga en het eiland Bant.
    Ook onderneemt Karel de Grote in de loop van 789 een veldtocht over de Elbe tegen de Wilzen en in 791 trok hij diep Hongarije binnen, om de Avaren, aan de Hunnen verwant, terug te dringen. Bij beide tochten maakten zowel Friezen als Saksers deel uit van Karel's heerban. Beide groepen waren sinds de verloren strijd ook hun rechten kwijtgeraakt en zodoende waren ze verplicht ook buiten hun eigen landsgrenzen mee te strijden naar behoefte van Karel de Grote. In de veldtocht van 791, dat langs de oevers van de Donau liep, ging Karel de Grote met een legermacht van Franken, Alamannen en Beieren langs de zuidoever. Aan de noordkant voerde een door Karel over het Friese gebied aangestelde dux Theoderic en schatbewaarder Meginhard de Friezen en Saksen aan. Opvallend aan deze opdracht was, dat de Friezen met hun schepen moesten komen tot ze in Pannonië waren aangekomen. Deze strijd wonnen ze.
    De vraag die dit oproept is natuurlijk hoe krijgen de Friezen hun schepen in de Donau?

    Bron kaart:

    De route dat de Friezen moesten varen, liep langs de al eeuwen gevolgde waterwegennetwerk die Europa rijk is. Met een minimaal stukje over land, dus net als bij de Noordzee - Oostzee route, dat een stuk over een dijkwal 'Danevirke' of 'Danewerk' liep. Echter, dit stukje is slechts twee kilometer.

    We beginnen op de Rijn en nemen de zijtak Main bij Frankfurt. We volgen de Main tot aan Bamberg. Hier varen we de Regnitz tot aan Neurenberg, waar de rivier zich splitst. De Pegnitz stroomt door Neurenberg, maar de Friezen vervolgen de Regnitz en Schwäbische Rezat naar Weißenburg. Tot hier konden ze varen. Twee jaar later zou Karel de Grote een aanzet geven om een kanaal te graven naar Treuchtlingen, een project dat letterlijk in drijfzand eindigde, nadat de beschermende kleilaag was weggegraven. Restanten hiervan kunnen we tegenwoordig nog terugvinden als 'Karlsgraben' en 'Fossa Carolina' bij het plaatsje Graben.
    En dus moesten de Friezen met schip en al lopen naar Treuchtlingen. Dit is - in deze periode - heel toevallig een 'Freibauerndorf' en ligt aan het riviertje Altmühl, dat een zijtak van de Donau is. Deze konden ze dus afvaren tot ze de legers van Karel troffen onder Wenen, waar het gebied dat Pannonië heette zich ten zuiden uitstrekte.

    Dit soort strijdtonelen zeggen echter niets over de verhoudingen tussen de Franken en Saksen en Friezen. In 793 volgde weer veldtocht waarbij de Friezen betrokken waren. Dit team van Theoderic kwam echter dit jaar niet verder dat Riustringen, omdat ze daar in een Saksische hinderlaag liepen en werden vernietigd. Ook Theoderic kwam hierbij vermoedelijk om het leven. Deze veldtocht werd vervolgens afgeblazen. Hieruit blijkt ook wel een beetje, dat het niet om enorme aantallen mensen gegaan kan zijn. Wanneer een contingent, de Friese in dit geval, niet komt opdagen, meteen de hele veldtocht afblazen geeft dit aan.
    Een laatste opstandje door de Friezen was omstreeks 793 onder leiding van Unno en Eilrat.
    Tussen 794 en 798 moest Karel meerdere keren uitrukken om de Saksische opstanden tussen de IJssel en Elbe de kop in te drukken. En hoe volhardend de Saksen ook hun vrijheid probeerden terug te krijgen, het lukte niet.
    In de tussenliggende periode werd Karel door steeds meer gebieden erkent en zo kon hij gekroond als koning en keizer heerser genoemd worden van het Avondland.
    Karel beëindigde de Saksische oorlog met het verdrag van Selz in 803. De Saksers werden hierbij, onder de voorwaarde van zich te laten dopen, als een vrij volk in 't verband van het grote Frankische Rijk opgenomen. Ze hoefden alleen maar tienden op te brengen voor de geestelijken. En verder mochten ze naar hun eigen gewoonten en wetten leven.
    Er was echter een vreemde uitzondering voor 10.000 Saksers. Zij werden geherhuisvest met hun gezin, in gebieden als bij de Rijnmond, Vlaanderen, in de Ardennen en Helvetië. Volgens Witkamp is hieruit te verklaren waarom er in Zuid-Holland als in Luxemburg een dorp Sassenheim bevindt: Huis van Saksen (Witkamp I, p. 137-138; Blok, p. 57-59; Henstra/Graafschappen, p. 20, 38; Wikipedia Main, Regnitz, Fossa Carolina, Fossa Carolina, Treuchtlingen, Freibauer (Mittelalter), Main-Donaukanaal; Deel 5: binnenvaart rond de tijd van Karel de Grote, 750-850; Karlsgraben; Karlsgraben).


    Gunstbrief Karel de Grote
    Met de Friese handelaren ging het goed. Ze hadden van hun handelspartners het vertrouwen. Als handelaar moet je ook wel te goeder trouw zijn, anders zijn de zaken zo voorbij. Kennelijk kregen ze ook diplomatiek het vertrouwen. Zo konden ze bijvoorbeeld optreden als bemiddelaars tussen Karel de Grote en de Deense Koning Gudfred (of Godfred, Göttrick, Gøtrik en Gudrød). Wanneer de verhoudingen tussen hun belangrijkste afnemers goed bleef, bleef ook de handel goed (Tuuk/Gouden, p. 130).
    Witkamp schrijft dat er in Friesche kronieken verhalen staan over een gunstbrief, waarin Karel de Grote zo rond 802 of 810 vrijheid schonk aan de Friezen. Ook kregen ze hiermee het recht om door landgenoten bestuurd te worden en een hoofd te kiezen. Witkamp verwijst deze dichterlijke vrijheid naar de prullenbak. Want, stelt hij, deze gunstbrief was totaal overbodig. Witkamp gebruikt de woorden van Aylva Baron Rengers om dit kracht bij te zetten: "Karel had niet noodig den Friezen vrijheden en voorregten te geven: hij liet hun slechts behouden, wat zij van overlang bezaten." Ook Henstra corrigeert deze "in de middeleeuwse Friese bronnen wijdverbreide historisch onjuistheden" in zijn noot 74 (Witkamp III, p. 626; Henstra/Graafschappen, p. 25)
    Witkamp refereert vervolgens aan de "Verhandeling over de benaming van Vrije Friezen, Geschiedkundig toegelicht door L.H.W. van Aylva Baron Rengers":
    Te midden nu dier bevolkingen van lijfeigenen
    en hofhoorigen, schotbare lieden
    ['schatbare luiden',
    volgens Witkamp], zwoegende onder de
    opbrengsten van cijns en onder de verpligtingen van zoo
    vele heerendiensten, zag ieder Fries zich in het volle genot
    van persoonlijke vrijheid; hij kon gaan, waarheen hij
    wilde, en verdienen zijn brood, op welke wijze hij ver-
    koos; hij was tot geene andere dienst verpligt, dan tot
    den algemeenen heerban, of de volkswapening tot ver-
    dediging van den vaderlandschen bodem, en nimmer kon
    hij, zonder eigen toestemming, buiten de grenzen van zijn
    land tot krijgsdienst gedwongen worden; hij bezat zijn
    eigendom, de erfenis zijner vaderen, in veiligheid, en had
    het volle genot daarvan, tot geene belasting of geldelijke
    opbrengst hoegenaamd gehouden zijnde, dan tot die, waar-
    in hij zelf toestemde; hij leefde onder de oude voorva-
    derlijke wetten en eigen gebruiken, waarvan de uitvoering
    opgedragen was aan Overheden, Regters en Ambtslieden,
    door de vrije keus des volks benoemd, tot weder-
    opzeggens toe, of die op bepaalde tijden door anderen
    werden vervangen; ieder landeigenaar was regtens lid van
    de volksvergadering, en alle leden dier vergaderingen
    hadden gelijke regten. Men ziet, dat de tegenstelling
    - (met
    de harde onderwerping en de zware dienstbaarheid bij
    de andere volken van Europa) voegt Witkamp toe - groot
    was, en de vergelijking den Friezen wel regt kon geven
    tot een hoog opgedreven gevoel van eigenwaarde.

    Kortom, eventueel wel edelen, geen vrijheren. Wel aanvoerders, maar als eerste onder gelijken, zonder titel, waarop de adel buiten Friesland zo belust was.
    Dit stel ik me dan ook voor bij de deugdzame Fries, die al die poespas niet nodig heeft. Gewoon met beide voeten in de klei, zorgdragen voor degenen of het gebied waar je - als erfbare - zorg over gekregen hebt, of wat je zelf ontgonnen hebt.

    Een ander mogelijk is echter dat het hele verhaal symbolisch bedoeld is. Kort gezegd kan men de vrijheid van de Friezen vergelijken met het scheppingsverhaal: De mens werd in het begin der tijden door God geschapen door middel van een aantal transformaties. Van de aarde maakte God het vlees van de mens, van steen zijn botten, van water zijn bloed, van de wind zijn hart, van de wolken zijn gedachten, van de dauw zijn zweet, van gras zijn haar en zijn ogen van de zon. Toen blies God zijn adem over Adam en de eerste mens was daar. De Vrije Fries werd geschapen door Karel de Grote. Van de naakte, lage, eerloze en wetteloze slaaf die een houten band om zijn nek droeg, maakte hij een geklede, hoge, eervolle en wettelijke Fries. Om zijn nek kreeg hij een gouden halsketting en zijn haar werd opgeschoren als symbolen van de verworven vrijheid. De Vrije Friezen bezaten eer, land en een huis. En ze bezaten deze vrijheid voor eeuwig – zowel de geborenen als de ongeborenen – ‘zolang als de wind van de wolken waait en de wereld bestaat’. [...] Net zoals om de vrije hals van de Vrije Fries een gouden halsketting hing om zijn vrijheid te symboliseren, zo lag om het land een ‘gouden band’ (geldene hop), een ringdijk die het land vrij maakte van het zeewater en de Friezen welvaart bracht. (Nijdam/Lichaam, p. 279).
    Zou dit dan inhouden de verhalen, de keuren et cetera. dan ook symbolisch gezien kunnen of moeten worden? De ontstaansgeschiedenis van de Vrije Fries gedegradeerd tot een literair roman? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de Friezen rond 800 gedacht hebben, 'kom, laten we een ringdijk maken, dit komt de symboliek ten goede', want de dijken liggen er. Daar is niets symbolisch aan. Ze beschermen de opgeworpen terpen of wierden die als kralen, ongeveer een uur lopen van elkaar verwijderd zijn. En nu is een dijk metaforisch een parelmoeren-ketting. Het draadje voor de kralen mag ook.

    Ook Algra schrijft in zijn proefschrift Ein hierover in noot 2 (hoofdstuk 1) iets, namelijk de verwerping "dat de Friese vrijheid door Karel de Grote verleend zou zijn". Dit schrijft Halsema in 1778 in zijn Oordeelkundige verhandeling over den staat en regeringsvorm der Ommelanden, tusschen den Eems en de Lauwers, van derzelver allereerste en vroegste opkomst, tot op deeze tijden ; waar in de grondbeginzelen van derzelver Staats- en bijzonder recht, voornamentlijk in de oudste tijden, gelijk ook van dat van 't aloud Friesland worden nagespoort en aangetoont: "Want in de allervroegfte tijden heevt men te ftrijden met veele verzierfelen der laatere midden eeuw, waar van fommigen zoodanig zijn ingeworteld, dat er op veeltijds, als egte ftukken, gebouwd zij. De gewaande voorrechts briev van Karel den Grooten aan de Friefen gegeven, en de veronderftelde onafhanglijkheid dezer landen in den leevtijd van dien Vorft, ftrekken tot eene proev van de faalen, dewelke in die min verlichte eeuw zijn ingefloten."
    Wat Algra hiervan zelf vindt, daarover laat hij zich in deze beschrijvende fase van bekende auteurs nog niet uit (Algra/Ein, p.1; Halsema/Oordeelkundige, p. 7).
    Hoewel vele oude bronnen niet als volledig betrouwbaar worden beschouwd, toch kan er soms een bevestiging uit gehaald worden. Zo ook uit de tekst van Melis Stoke (1235-ca. 1305), die niet echt een grote vriend was van de Friezen, aangezien hij een klerk was in dienst van Floris V, die zoals we later zullen lezen door de Friezen is gedood. Deze Stoke schrijft in zijn Rijmkroniek:
    Wes bewinden hem dan die Vriefen?
    Wanen fie verdullen en verriefen
    Die ghene, die dat waer weten,
    Dat fi hem vriheden vermeten,
    De hem Kaerle de Grote gaff,
    Daer men niet en vindet af?

    Halsema merkt wel op dat men deze en andere teksten in de tijdgeest moet plaatsen. Het verdrag tussen Karel en de Saksen en Friezen te Saltz, waar de Friezen 'vrije luiden' worden genoemd, speelt hierin een rol (Halsema/Oordeelkundige, p. 32).


    Verdrag van Saltz
    Het Verdrag van Saltz werd tussen Karel en de twee volken Saksen en Friezen in een van zijn paleizen gesloten. Dit paleis lag aan de rivier de Sala in Frankenland.
    De dichter die dit verhaal en verdrag beschreef spreekt weliswaar alleen over de Saksen, maar men -andere geloofwaardige schrijvers uit die tijd- meent dat ook de Friezen hieronder vielen, omdat ze samen deelnamen aan de laatste strijd tegen Karel.
    Het verdrag hield het volgende in. De Saksen en Friezen zullen voortaan het christelijke godsdienst aannemen. Ze zullen onderdanig zijn aan de bisschoppen die over hen worden aangesteld. De rechters en graven, die zullen regeren namens de Frankische vorsten, respecteerden de eigen wetgeving. Ze hoefden geen belastingen te betalen. Wel werden de onderhoudskosten van de geestelijken verhaald, door middel van het heffen van tienden.
    Hiertegen was al eerder protest tegen aangetekend van de geestelijken zelf. Zoals uit de mond van de beroemde geestelijke Alcuinus of Albinus valt op te tekenen. ‘Zyt een Leeraar des Geloofs, geen afperser van tienden, schreef hy aan eenen Bisschop, die, onder de Saxers of Friezen, of andere nieuwbekeerden, ging prediken: ‘wat behoeft men, vervolgt hy, den onwetenden een juk op te leggen, 't welk noch wy, noch onze broeders hebben konnen draagen? Na de "bekering" van de Saksen en Friezen, schreef hij zelfs een brief aan de koning Karel zelf: ‘Uwe Godsvrugt overlegge wyslyk, of men deezen woesten Volkeren, in het begin huns Geloofs, den last der tienden behoore op te leggen, de zelven van huis tot huis invorderende. Hebben de Apostelen ooit tienden gevorderd?
    't Is waar, daar komt vrugt van de tienden. Maar is 't niet beter, die vrugt dan het Geloof te verliezen? Wy, die in den Kristelyken Godsdienst gebooren en opgevoed zyn, gedoogen naauwlyks, dat al ons goed vertiend worde. Hoe veel bezwaarlyker moet het deezen zwakgeloovigen, kinderlyken en vasthoudenden Luiden vallen? Als hun Geloof wat sterker is, moet men hun eerst zulke lastige geboden opleggen.

    Het wordt hier duidelijk dat Alcuinus of Albinus wat meer tijd vraagt, voordat deze kerkelijke belasting wordt ingevoerd. Hij hoopt zo dat het geloof beter hecht in de hoofden van de Friezen en Saksen en dan daarna minder moeite zullen hebben met het betalen van tienden. Of dit een tactiek is, om te hopen dat van uitstel afstel komt, wordt mij niet duidelijk, maar omdat zijn voorgaande regels wel in die richting wijzen, ga ik er maar van uit dat hij het oprecht meent, wat hij in zijn eerste vraag zich retorisch afvraagt.

    Dit is ook het moment dat de zich de erenaam van Vrije Luiden lieten aanmeten dan wel zelf aannamen. De Friezen gingen voor de benaming "Frije Freesen".
    Wel worden de Friezen, Saksen en Franken voortaan als één volk aangemerkt, dat door één koning wordt geregeerd.
    Dit verdrag zou er eventueel wel voor gezorgd kunnen hebben, dat de verhalen over de Friese overwinning op Rome voor koning Karel (en vervolgens Keizer Karel) en zetje in die richting hebben gegeven. Immers, die komt overeen met de in vrijheidstelling van de Friezen, die er daardoor 'uit dankbaarheid' van de koning/keizer kwam.
    Zo ook kan dit verdrag stimuleren van het bestaan van de brief van Karel aan het Friese volk, van de eeuwige vrijheid.
    Mogelijk is dit allemaal hetzelfde verhaal.
    Ook wordt er gedacht dat Karel de wetten aan de Friezen gegeven heeft. Met eventueel aanvullingen van Friese wijzen, met name Willemarus en Saxmundus.
    Ook opvallend is, dat er toch nog een 'heidense regel' gehandhaafd gebleven is: ‘Die in eenen Tempel gebroken is, staat 'er, en iets van 't Heilige geroofd heeft, wordt aan den zeekant gebragt; alwaar hem, in het zand, 't welk de vloed gewoonlyk bedekt, de Ooren gespleeten worden. Voorts wordt hy ontmand, en den Goden of Heiligen [Diis], wier Tempels hy geschonden heeft, opgeofferd(e)’.
    Tot zover lijkt dit verdrag best wel positief uit te pakken voor de Friezen. Maar Karel had ze wel hun vaderlijke erfrecht ontnomen, als reactie op de strijd die de Saksen en Friezen onder leiding van Widukind geleverd hadden, waarbij de christelijke symbolen als kerken uit hun gebied werden vernietigd en de zendelingen werden verjaagd.
    Na het sluiten van dit verdrag waren nog lang niet alle Friezen en Saksers tot het christendom bekeerd. Karel deed hieraan van alles om ze toch maar zover te krijgen om zich toch te laten dopen. Degenen die het geloof aannamen werden beloond met de 'schatten' die Karel kon bieden na het veroveren van andermans gebieden: geld, kostbare kleren en ander buit. En natuurlijk was daar de traktatie van de wijnen, die ze van nature niet in hun eigen gebied hadden (Wagenaar/Historie, Deel 1, p. 442-447; Henstra/Graafschappen, p. 20).


    Zeven Zeelanden
    Nadat de Franken diverse gebieden op de Friezen hadden veroverd bleven er nog de volgende gebieden over: de zeven Zeelanden.

  • 1e Zeeland: tussen Reekerwad en het Vlie.
    Het oostelijk daarvan ligt nu in het IJsselmeer. Het westelijk deel is bekend onder de naam West-Friesland, waarvan het oostelijk deel bekend staat onder de naam Drechterland.
  • 2e Zeeland: tussen Vlie en de Lauwers.
    Oostergoo, Westergoo, Stavoren en Stellingwerf.
    Oostergoo en Westergoo werden gescheiden door de Middelzee. Na dichtslibbing ging er een deel van Stavoren naar Westergoo en het overige vormde met Stellingwerf de Zevenwolden.

  • 3e Zeeland: tussen Lauwers en de Eems.
    Humsterland, Langewold, Vredwold, Middagten, Hunsego, Fivelgo, het Oldambt, Reiderland en Westerwolde.
    Onzeker is of Drenthe, met Drentherwolde (Groningen en het Goregt) bij dit Zeeland hoorde of deel uitmaakte van een ander Zeeland.

  • 4e Zeeland: tussen de Eems en de Wezer.
    Eemsland, Moermerland, Broekmerland, Norderland, Harlingerland, Wangerland, Ostringen, Rustringen, Ammerland en Butjadingerland.

  • 5e Zeeland: tussen de Wezer en Elbe.
    Würsten, Kedingen, het Alteland, Stedingerland en Hadelerland.

  • 6e Zeeland: tussen de Elbe en Eider.
    Dithmarschen (noord en zuid)

  • 7e Zeeland: tussen de Eider en Konings-Aa (of Kong-Aa).
    Noord-Friesland

  • (Witkamp III, p. 626)


    Ludger/Liudger
    Ludger werd omstreeks 744 te Wierum bij Dockum geboren. Hij had in Utrecht het onderwijs genoten van Gregorius. Ludger heeft ijverig meegewerkt met het verspreidden van het christelijk geloof onder de Friezen en Saksen. Door zijn toedoen was de kerk te Deventer herbouwd, werd er een dorpskerk in z'n geboorteplaats gesticht en werd de afgodstempel in Helwerd bij Rottum (Hunsego) van zijn aanzien beroofd.
    Ludger reisde geruime tijd door Humsterland, Hunsego, Fivelgo, Reiderland en Borkum. Overal predikte en doopte hij. Karel vroeg hem op een gegeven moment om het bisdom van Mimigernford of Münster te gaan leiden. Hier won hij het vertrouwen van de mensen, omdat hij al zijn bezittingen en dat van het bisdom inzette voor de armen en werken van liefde. Ook toen hij verheven werd tot bisschop, bleef hij in de streken tussen de Lauwers en de Eems actief met bekeren. Hierdoor kreeg hij de erenaam van apostel der Groningers.
    Ludger overleed 26 maart 809 (van der Aa/Biographisch, p. 701-704).
    Anderen geven aan dat Liudger bij Suecsnon, Zuilen aan de Vecht werd geboren. (Diekamp/Liudgeri, p. IX)
    Verder zijn er ook die 742 als geboortejaar aanhouden, wat meer aannemelijk is. (Ludgerkring)
    Ook de zoektocht van Weetgierig op de discussiepagina Nifterlaca heeft ook een mooie benadering. Via de bronnen komt ook "Zuylen an der Vecht", gevolgd door Zwezen (een Voormalig gehucht op de Zwezer Eng, vlakbij Zuylen) in zicht. Verondersteld wordt dat dit het "Suecsnon" is "waar" volgens een 10de eeuwse abdij-goederenlijst Liudger zou zijn geboren. Vervolgens komt er een vage verwijzing naar "Handboek der middel-nederlandsche geographie" van L.Ph.C. van den Bergh. In dit oorspronkelijke in 1852 uitgekomen en hier gebruikte handboek "naar de Bronnen Bewerkt" kan ik op pagina 169 en 272 iets vinden. Noot 27 rept over Swegion - Rudinhem, (A. en M.) Suegon, (H.) Suegsnon. Beide plaatsen zijn onbekend of het eerste moest Zwezereng zijn, eene buurschap bij Zuilen. Noot 28 Suesna, misschien Sulesna, (A.) Suegsna, (H.) Suesna, (M.) Suigna. Het is het dorp Zuilen aan de Vecht. In Altfridi vita S. Lugeri (Pertz Mon. Germ II.) heet het "Sualisna juxta Trajectum". uitgaven (A.) Asch van Wijck, (H.) Heda, (M.) Mieris
    Verder gaat deze zoektocht naar de bron Altfridi, Vita Sancti Liudgeri waar we op pagina 405 lezen, dat hier Suabsna staat, met als extra in rhythmica vita Sualisna dicitur, in MS. Budic. Suahsna.. In dit vita valt te lezen dat Suabsna 'naast Traiectum' ligt.
    Wanneer we bij de kaartendatabase van de RUG gaan zoeken op Traiect*, vinden we onder ander dat 'Traiectvm = Wtrech' met een kaart erbij. De tweede titel boven de kaart uit 1743 luidt volgens de titelbeschrijving: Nova tabula dioeceseos Traiectinae.
    De discussie is echter nog niet afgelopen!

    Ook de bisdommen van Osnabrück en Seligenstadt (Salingstede) kregen Friezen aan het hoofd, namelijk Wilko en Hildebrand.
    De eerste opvolgers van Albrik in Utrecht waren ook van Fries bloed. Theodard bestuurde het bisdom van Utrecht er van 784-790, Harmokar van 790-806 en Rixfried van 806-828 (Witkamp I, p. 138).
    Verder hebben we tussen 828-838 nog Bisschop Frederik. Hij was de opvolger van Rixfried. Men denkt dat hij een achterkleinzoon van Radboud I is en uit Sexbierum bij Harlingen kwam. Frederik moest op een gegeven moment naar Walcheren om een einde te maken aan de huwelijken van broers en zussen en zelfs van zonen met hun moeders. Bisschop Frederik werd 18 juni 838 door een bediende van Judith doodgestoken, omdat deze haar relatie met Graaf Bernard van Barcelona had bekend gemaakt.
    Het feit dat de bisdommen allemaal Friezen en Saksen aan het hoofd kregen in het Friese en Saksisch gebied, is natuurlijk volkomen logisch. Onder de hoede van Karel de Grote werd dit nog logischer. Hij liet namelijk sinds 775/76 twaalf tot veertienjarige knapen uitkiezen om te gaan studeren aan de kloosterschool te Utrecht. Hierna werden ze weer uitgezonden bij hun eigen stamgenoten om het evangelie te verkondigen. In 785 kwam Karel met strengere wetgeving. Hij nam de kerken en dienaren kwamen onder zijn hoede en bescherming èn de stamgenoten werden verplicht om zich te laten dopen, op straffe van de doodstraf! (Heese/Saterland, p. 70)
    Karl Willoh heeft een missieverband weten te leggen tussen Saterland en Hümmling. Ludger had in Bokeloh (bij Meppen) een missionarissenpost. En deze had een "Satertür". Dit zou erop duiden dat Saterland al rond deze tijd bewoond zou zijn door Friezen en ook zou de bevolking helemaal of grotendeels christelijk zijn (Heese/Saterland, p. 71).
    De afstand Bokeloh - Saterland is echter hemelsbreed een kleine 50 kilometer en is bij 5,5 km/u zo'n 9 uur lopen. Nu weet ik niet hoe de rivierensituatie was rond deze tijd, de 8e en 9 eeuw. Maar anders zou het zo maar kunnen zijn dat de Saterlander via hun Sagter Ems verder de Ohe stroomopwaarts konden gaan met hun kleine boten, waarmee ze bijna in Sögel uitkwamen. Hier liepen ze over de Friesenweg, hoe toepasselijk (hoe lang zou deze weg reeds bestaan?), naar Sögel, waarna ze stoomafwaarts de (toen nog gevulde ?) NordRadde naar de bossen van Bokeloh konden volgen, waar de kerk met de Satertür of Saterthur staat. Dat zou natuurlijk al een stuk sneller gaan, al was waarschijnlijk zaterdag weggaan nog steeds nodig.
    Uit een bericht van Johann Gottfried Hoche uit 1800 blijkt dat aan het einde van 18e eeuw wel vervoer over het water tussen Ellerbrock en Scharrel mogelijk was (Heese/Saterland, p. 165). Dit vervoer ging dan over de andere zijtak van de Sagter-Ems, de Marka. Een schip kon in deze periode (18e eeuw) ongeveer net zo veel vervoeren als twee vierspanwagens, waarmee wordt aangegeven dat het nog best wel grote schepen waren. En dat deze stroompjes nog best wel breed waren.
    Volgens de Topographische Karte von Westphalen, 1796-1813 van Carl Ludwig von Le Coq was scheepvaart over de Ohe zelfs tot Lorup mogelijk. Hij vermeldt namelijk op zijn kaart: "die Ohe kan bis zur Heide Brucke bey Lorup mit Kahnen befahren werden". Dus mogelijk versneld dit de route.


    Lex Frisionum
    In het "Groot Placaat en charter-boek van Vriesland", uitgegeven door G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (Leeuwarden 1768-1793; 5 delen) is het enige algemene oorkondeboek betreffende de provincie Friesland. Hierin is vanaf pagina 1 de Lex Frisionum/Vriesen wet in twee talen te lezen.
    Lex Frisionum
    Een belangrijk initiatief van Karel de Grote was, om alle volksrechten van de gebieden dat hij veroverd had, te laten opschrijven. Belangrijkste reden hiervoor was de hervorming die Karel voor ogen had. Hadden de gebieden voorheen eigen mensen die de rechtsgang in goede banen leidde, nu moesten dat koningsgezinde graven worden. En zij kenden natuurlijk niet de lokale wetgeving. Daarnaast stonden er in de verschillende lokale wetgevingen regels die Frankische of Karels belangen schaden. Deze moesten dan worden aangepast.
    Vele lokale volksrechten werden op de rijksdag in Aken in 802 goedgekeurd.
    Voor het Friese gebied zullen er waarschijnlijk verschillende versies zijn geweest. Tussen Sincfal, nu 't Zwin en Vlie, tussen Vlie en Lauwers en tussen Lauwers en Wezer waren er waarschijnlijk verschillende varianten van de Lex Frisionum. Hierin zou ook een indeling in rechtsdistricten gezien kunnen worden: West-Frisia inter Fli et Sincfalam, Midden-Frisia inter Laubachi et Flehum en Oost-Frisia inter Laubachi et Wisaram. Een begrenzing landinwaarts wordt niet vermeld. Dan hebben we nog de Ewa quae se ad Amorem habet, "de wet die bij de Amor geldt" voor het rivierengebied; de Lex Saxonum voor het oostelijk deel van ons huidige land. Het Frankische recht, voor Zuid-Nederland en voor de Franken, was al eerder opgetekend in respectievelijk Lex Salica en Lex Ribuaria.
    Naast de drie genoemde Friese rechtsdistricten, is er nog een, namelijk Noord-Frisia. Deze is echter niet door Franken veroverd en valt dus buiten het rechtendistrictenstelsel van de Lex Frisionum. Men is waarschijnlijk na 789 begonnen met het opschrijven van de Friese volksrechten, maar is tevens waarschijnlijk rond 793 afgebroken. Het is dan ook niet op een rijksdag vastgesteld.
    Dat al deze verschillende rechtspraakvormen al ingewikkeld waren en er ook nog rekening gehouden moest worden met kerkelijk recht en immuniteiten, vormen van belastingheffing, politie (van kerk en staat). Om deze complexe materie te ontwijken, werd -volgens sommigen in het Frankische rijk ontwikkelende- personaliteitsbeginsel ingevoerd en ontwikkeld. Dit hield in dat een Fries in Nijmegen volgens het Friese recht berecht moest worden (Blok, p. 91-93; Algra/Ein, p. 6; Henstra/Graafschappen, p. 3, 24-25).
    > De vraag Is er naast West-Friesland ook nog een Zuid-Friesland? is hiermee dan al beantwoord. Echter -zoals we wel vaker zullen gaan zien- niet op de verwachte manier. Wel een 'ja', maar met toelichting dat West-Friesland het begrip Zuid-Friesland betekend. Immers Midden-Friesland is er als begrip bij- of tussengekomen. Als we de 45 graden gedraaide kaart
    van "Bewoning geografisch ingedeeld" bekijken is deze indeling van west, midden, oost en noord ook best logisch.
    Hierbij moeten echter wel in het achterhoofd houden dat de verschuiving in West-Frisia naar het zuiden, dus over de natuurlijke grens de Rijn, die bij Katwijk via de Kromme en Oude Rijn de Noordzee instroomde, pas gebeurde nadat de Franken dit gebied waren in getrokken en de Romeinen vanaf de derde eeuw verdreven. Rond 700 trokken de Friezen over de rivier om zich er te vestigen, al beschouwden de Franken dit wel als hun gebied. Verder veroveren de Friezen gebieden onder onze huidige IJsselmeer en het Land van Maas en Waal. Hierbij moet ik opmerken dat het gebied onder het IJsselmeer ook grote stukken bevat dat boven de aangegeven Rijn ligt en dat dit nauwelijks veroveren genoemd kan worden. Opmerkelijk is vervolgens dat de Franken het 'op hun veroverde gebied onder de Rijn' Frisia Citerior. Boven de Rijn noemen de Frisia Ulterior. Friesland dichtbij c.q. Friesland verderaf. Dichterbij en verderaf van wie? (Henstra/Graafschappen, p. 4).

    Verder zijn er ook van andere gebieden vroege rechtsteksten bekend: Op de Britse eiland van de eerste Kentse koningen, waarvan de oudste die van koning Æthelberht (ca. 590-616), geschreven in de volkstaal.
    Deze verzamelde teksten horen allen bij de Leges Barbarorum, de wetten van enkele Germaanse volkeren binnen de Merovingische en Karolingische invloedssfeer.

    De Lex Frisionum bestaat uit een hoofdtekst en een ‘toevoeging van de wijze mannen’ Additio sapientum, de wondlijst of compensatielijst. Deze twee wijze mannen waren Wlemar en Saxmund. Deze wondlijst is veruit de langste of uitgebreidste lijst van de bekende lijsten (Nijdam/Lichaam, p. 67-68).
    Mogelijke oorzaken van of argumenten voor de lengte van deze boetelijst zijn:
    "Dankzij de autonomie onderhielden de Friezen een eigen rechtssysteem. De boeteregisters waren tegelijkertijd een uiting van de ideologie van de Friese Vrijheid – want onderdeel van het Friese recht – en een instrument om vetes te beëindigen of met behulp van een rechtszaak te voorkomen" (Nijdam/Lichaam, p. 26).
    "Het mechanisme [van compenseren/boetelijsten] floreert echter in een samenleving zonder een sterke (centrale) overheid – dus waar de staat niet het geweldsmonopolie bezit – en waar vrije mannen samen de rechtsstaat vormen" (Nijdam/Lichaam, p. 53).
    "In middeleeuws Friesland ontbrak namelijk een centrale overheid met een ontwikkeld justitieel en politioneel apparaat, die actief misdadigers vervolgde, boetes oplegde en toezag op het betalen ervan" (Nijdam/Lichaam, p. 61).
    We zien dat de Friezen ook hierin een uitzonderingssituatie vormen met de rest van de volkeren uit zijn omgeving. Deze hebben naast een overheersende staat en machthebber en naast politie ook nog eens een kerkelijke (mogen we zeggen religieuze politie) met bijbehorende regels en wetten.

    We moeten vervolgens vijf eeuwen geduld hebben, voordat er een schriftelijk vervolg komt onder het kopje Oudfriese Boeteregisters.


    Vrij en onvrij
    Had Witkamp het over een hiërarchische indeling van vrijgeborene (met grootgrondbezitters als adelstand), de onvrijen/laten/lijfeigenen (de krijgsgevangen en hun nazaten), en de vrijgelatene. Nijdam haalt uit de Lex Frisionum onder andere de edele (nobilis), vrijen (liberes) en halfvrijen (lites) en slaven (servi) (Nijdam/Redbad, p. 19).

    Slaven
    In het voorgaande komen we een aantal keren slaven en de handel hierin tegen, ook en vooral door de Friezen. Nu hebben we al gezien hoe deze slavernij tot stand komt. Veelal betreft het gevangenen die de strijd hebben verloren en dus niet gedood zijn tijdens de strijd. Ze werden echter als een soort van "rechtenloze" opgenomen in de gemeenschap, mocht dit lukken. Daarnaast waren er natuurlijk ook mensen die voldoende kapitaal hadden en zichzelf konden vrijkopen, dan wel dit door het thuisfront te laten doen. Mocht dit allemaal niet lukken of was men genoodzaakt om lang te wachten, dan werkten ze voor de gemeenschap om aan hun boetes te voldoen, die hen gevangen genomen had. Ik kan me voorstellen dat in sommige gevallen de gevangenendruk te veel werd, doordat er te veel gevangenen in een gemeenschap aanwezig waren. En dat de gemeenschap tot het besluit kwam om er een aantal te verkopen, om zo van de druk af te komen en het verschuldigde boetegeld of een gedeelte daarvan te kunnen ontvangen. En dan ontstaat er dus een gevangenenhandel of zo men wil, slavenhandel of mensenhandel. Daarnaast moesten degenen die wel vrijgekocht werden ook weer naar huis.
    Wanneer je zoiets voor het eerst leest, is het eigenlijk een gruwel. De handel in mensen was echter een lucratieve onderneming. Je kon als passagier mee, maar dus ook als 'stukgoed'. Aangezien de Friezen grotendeels het vervoer over water in handen hadden, ligt het voor de hand dat de Friese koophandelaren ook hiervoor te vinden waren. Ze voeren dan ook in het Middellandse gebied om deze handel te drijven. De in Marseille gevonden sceatta's en de in Wieuwerd gevonden solidi zouden hierop kunnen duiden. De solidi werden onder de Frankische koning Chlotharius II in Marseille geslagen.
    Maar welke alternatieven zijn er. Bij strafbare feiten kan ik me voorstellen dat wanneer de eis de doodstraf zou zijn, dit dan bij de slaaf evenals bij anderen ook daadwerkelijk werd uitgevoerd. Dit kan eventueel - dat door de christenen uit die tijd als een heidens offerritueel aan de goden werd beschouwd - middels het doden door de zee. Men werd dan aan een paal vastgebonden op bepaalde hoogtijdagen, zodat men verdronk. Zodoende hoefde niemand van de Friezen iemand daadwerkelijk te doden. Of we hierin de hoogtijdagen in de betekenis van de huidige feestdagen moeten herkennen, is een vreemde gewaarwording.
    Aangezien het verhandelen van de gevangenen of slaven dan overblijft is dan een feit.
    (Goudschat van Wieuwerd; Wikipedia Chlotharius II; Van der Tuuk/Friezen, p. 172, 178)
    Echter hoe kijken hier tegenwoordig tegen aan. Eigenlijk doen we vandaag de dag niet veel anders, al is het wel een stuk onaangenamer geworden. Gevangenen worden tegenwoordig van hun vrijheid beroofd door ze op te sluiten, afgeschermd van de gemeenschap. Hier werken ze voor "bijna" niets, om enigszins een bijdrage aan de kosten van hun eigen opsluiting te leveren. Dus ook een vorm van slavenarbeid.
    Vreemder komt het misschien dan over wanneer we stilstaan bij feit dat ook deze gevangenen of slaven ook verhandeld worden door gemeenschappen. Ook nu is de ruimte de veroorzaker. Ruimtegebrek of overschot in gevangenissen. Dus eigenlijk geen verschil met 1 à 2 millennia geleden en ook nu zijn de huidige bewoners van dit gebied verantwoordelijk voor deze mensenhandel en verplaatsing. En men is er trots op getuige de volgende uitspraken: Ik ben zeer verheugd uw Kamer dit nieuws te kunnen melden. [...] In Noorwegen is sprake van een capaciteitstekort en in Nederland is juist sprake van een capaciteitsoverschot. [...] Het gaat om enkele honderden detentieplaatsen.
    Het gaat hier om nieuwe ontwikkelingen met een niet aangrenzende gemeenschap. Met de naaste buren is dit proces al enkele jaren bezig. In het Tractatenblad kunnen we lezen hoeveel deze handel oplevert. Artikel 25-27 zegt hierover onder andere het volgende:
    Vergoedingen voor beveiligd vervoer van gedetineerden: € 455,--.
    Er wordt voor 500 plaatsen (of ze wel of niet gebruikt worden) een vast jaarlijks bedrag door de 'zendstaat' betaald van € 30.000.000,--.
    Dat is dan omgerekend € 60.000 per kamertje, wel incl. natuurlijk.
    Tractatenblad Jaargang 2009 Nr. 202, 12 november 2009 09:01
    Kamerstuk 24587 nr. 598, 10 september 2014 09:29
    Algra somt uit verschillende bronnen een aantal termen op: vrijgeborene, liten, horigen, eigen mannen, vrijgelaten. En wat gebeurt er, wanneer een lite zich vrijkoopt. Wordt hij dan een vrije of een friling? Ook duidt hij meteen het probleem met deze standen. Hij zet eigenlijk meteen in op dat er maar twee standen zijn: vrijen en onvrijen. De vrijen zijn de vrijgeborene, de andere op de een of ander manier onvrij. Wel vraagt hij zich af of er nog verschil aanwezig is tussen de vrijen en komt met hogere en lagere vrijen. Deze twee konden uitgewisseld worden. Men kon dus afzakken als hogere vrije naar een lagere vrije en andersom kon men ook stijgen van een lagere vrije naar een hogere vrije. Hiertussen kan men zich verschillende stadia of lagen voorstellen. Uitsluitsel wat het verschil tussen vrijen en onvrijen is, geven de rechtsbronnen niet. De rechtsbronnen zijn eigenlijk ook alleen maar voor de vrijen bestemd, gezien alleen zij erin voor komen. Met betrekking tot friling wordt er nog een voorbeeld gegeven. Wanneer er een vijandelijk leger optrekt, worden alle weerbare mannen door de frana tot de landweer gebannen (opgeroepen). Twee broers die deze oproep krijgen, volgen hun eigen keuze. De ene trekt ten strijde en de andere vlucht. Na afloop heet degene die het ethel verdedigde een etheling. De gevluchte werd een friling, verlies van stand. Hem kwam géén ethel meer toe. Zelf geen erfelijke deling met zijn etheling-broer. De regels zijn hierin duidelijk: wie het land ontvlucht, die winne nimmer ethel (Algra/Ein, p. 92-95).
    In het boetegedeelte over doodslag
    1 - 10 wordt gesproken over Edelman (nobilis), Vryman (liberum), Laat (litum) en 11 Slaaf (feruus), waarbij opgemerkt kan worden dat de slaaf uit alle geledingen een Heer kan hebben.
    > Het lijkt erop dat de definities niet overal hetzelfde zijn, maar dat mag intussen geen verrassing meer zijn. Vooral bij de onvrijen/laten/lijfeigenen (de krijgsgevangen en hun nazaten) en de vrijgelatene gaat mank met Laat (litum) en Slaaf (feruus). Zal de Lex Frisionum onder invloed van de Franken dan toch anders geïnterpreteerd moeten worden? Want de vrijgelatene kan ik niet als Slaaf (feruus) zien. Terwijl de Laat (litum) tekstueel wel overeenkomt met onvrijen/laten/lijfeigenen (de krijgsgevangen en hun nazaten), terwijl ik deze wel als Slaaf (feruus) zou kunnen zien.
    Daarnaast vraag ik me af in hoeverre in deze periode al sprake is -in de Friese landen- van grootgrondbezitters en daaraan gekoppelde adelstand/Edelman (nobilis). Dit lijkt me dan meer een invloed uit het Frankenland, waarin dit wel veelvuldig voorkwam.
    Verder valt op dat Algra wel onderscheid maakt binnen de groep vrijen, maar niet tussen de onvrijen, terwijl er bij de groep toch voldoende termen met verschillende betekenissen voorhanden zijn in de literatuur.


    De Denen
    In 806 vond Karel het tijd om de deling onder zijn drie zonen van zijn rijk te bespreken. In Diedenhoven (Thionville) aan de Moezel kwamen de rijksgroten en de drie zonen Karel, Lodewijk en Peppin samen.
    Hier werd waarschijnlijk ook het gevaar uit het noorden besproken. Want ondanks dat de Saksen nu onder het Frankische Rijk viel, sommige werkten met de Denen samen, om invallen over land en zee te plegen. Ook Friesland kreeg met de plunderingen te maken. In september 807 werden de Friesche dorpen Westerwierum en Dijkshorne in de as gelegd. In 808 volgden Ezonstad en andere plaatsen aan het Vlie. In 810 werden, behalve het ontluikende Groningen, vele naburige eilanden en streken geheel uitgeplunderd en vernield (Witkamp I, p. 138).
    De dapperheid van de Friezen deed niettemin de Deense rovers die overwinningen duur verkopen. Ook Karel en diens zoon en naamgenoot Karel dreven de aanvallers terug. In 811 werd er tussen de Denen en Franken overeengekomen dat voortaan de Eider de grens is tussen de twee rijken.

    In 800 had Karel de Grote langs de kust een vloot gelegd en wachtposten ingericht. Ook in de Frieslanden komt Karel met een kustafweer. Hij laat langs de kust vuurtorens neerzetten en geeft de Friezen de opdracht om een leger te vormen om de kust verdedigen. Nu zit hierin meestal een probleem, want de Friezen vechten in principe niet voor andermans gebied. Maar dit gaat om hun eigen kustlijn, dus in dit geval kunnen ze de opdracht van Karel, zonder problemen uitvoeren. En met succes, op de plaatsen waar de Friezen stonden, kwamen geen Noormannen aan land.
    Dit voorkwam echter niet elders de grote inval van de Denen in 810. Karel gaf in ieder geval de opdracht weer een vloot te formeren en schepen te leggen "in alle rivieren die vanuit Gallië en Noord-Germanië in de oceaan stromen" en plaatste bij alle havens en bevaarbare riviermondingen wachtposten (Blok, p. 83; Kurowski, p. 45).
    De aanval van de Noormannen/Denen in 810 kwam echter als reactie op het door Karel de Grote in Noord-Albingia bij Itzehoe gemaakte burg Esesfeld en het verzamelen van troepen, met misschien de bedoeling het gehele Noord-Albingische gebied te heroveren op de Denen. De Deense koning zag zich hierdoor genoodzaakt om -naar men zegt- met 200 schepen (x50 man=10000 man ?) een verrassingsaanval - richting Aken te doen, althans zo dacht Karel, en zo het rijk van Karel te veroveren. Allereerst werden de Friese eilanden aangevallen, werd er brandgesticht en kregen de inwoners een schatting van 200 pond zilver opgelegd, wat neerkomt op 1 pond per schip. Is dit veel?
    Een rekensommetje: 500 gr/50p = 10 gr/p. 1,2 of 1,3 gr. per sceatta's = ongeveer 8 sceatta/pp!
    Anders gerekend, volgens de Leeuwarder Courant, 8 mei 1915: Naar Engelsche muntwaarde berekend bedroeg dit 2400 gulden (1089 Euro [WP]), wat in die dagen (810 nOJ) een enorme belasting was. Karel reageerde hierop onmiddellijk door de troepen verzamelen bij monding van de Aller in de Wezer, nabij Verden, vanwege zijn gedachte dat ze richting Aken zouden gaan. Verden was bekend terrein voor Karel, want hij had zo'n 30 jaar daarvoor, in 782 tijdens de strijd met Widukind hier mogelijk 4.500 bewoners laten onthoofden. Dit staat bekend als Verdener Blutgericht. Ditmaal was het loos alarm, want de Denen gingen huiswaarts, omdat Godfred was vermoord door een van z'n eigen lijfwachten, de Húskarls in de Friese gebieden. De Húskarls, letterlijk huiskerel, waren de enige professionele soldaten van de koning.
    >Ook zo'n verhaal roept weer vele vragen op. Er wordt tevens beweerd, dat hij eerst de Friese kusten plunderde of een ongedekt gedeelte. Dat lijkt me niet logisch als je een verrassingsaanval plant. Verder rijst de vraag, hoe kom je bij Aken? Vaar je dan bij Walcheren de Maas op, om bij Roermond de Roer/Ruhr/Rur te nemen en bij Heinsberg de Worm/Wurm naar Aken te varen? Is de Worm hiervoor wel geschikt? Ook in die tijd? Lopen lijkt geen optie, want dan is de verrassing er wel af.
    Tegenwoordig loopt de Worm bij Kempen de Roer in en is daar 1 meter diep en 8 meter breed. Vroeger kwam het iets hoger de Roer in, daar waar nu de Adolfosee ligt. Theoretisch zou dit bij de monding prima kunnen. Alleen bij het zien van de foto, lijkt met het haast onmogelijk om hier fatsoenlijk doorheen te roeien! Maar in vroegere tijden was dit dus waarschijnlijk een stuk breder. En zo breed waren de bootjes uit die tijd ook niet.
    De optie, die Karel de Grote in z'n hoofd had volgt dus de Wezer. Dan komen we uit bij Fulda, waar de in opdracht van Bonifatius gestichte benedictijnerklooster stond. Koning Pepijn verhief Fulda in 765 tot rijksabdij en keizer Karel de Grote verleende in 774 de immuniteit.
    De nieuwe koning van Denen, Hemming (*-810-812) ging met Karel de onderhandelingen aan en ze sloten in het bijzijn van 10 rijksgenoten een vredesovereenkomst op het eiland in de rivier de Eider (het huidige Rendsburg) in Noord-Albingia. De Eider zou de grens worden van de twee rijken (Kurowski, p. 52; Henstra/Graafschappen, p. 33-34; Opkomst en bloei der oude Friesche Steden / P. Janzen, LVIII; Wikipedia Blutgericht von Verden, Verden, Fulda (stad), Abdij van Fulda, Hemming, Eider, Rendsborg).


    Friese handel
    Karel had - net als de Friezen ook al eeuwen hadden - contacten met het Midden-Oosten. Ook was het in deze periode gebruikelijk om elkander geschenken te geven bij diplomatieke ontmoetingen.
    De Friezen voorzagen de monniken in het land al aan stof voor de pijen. Maar deze wollen stoffen, van de talloze schapen die de Friezen in de kwelders hielden, waren zo fijn van kwaliteit en kleur (ook een specialiteit van de Friese handel: kleurstoffen), dat Karel de Grote van deze stof een pallium Fresonicum, een Friese mantel samen met een paar snelle en felle honden voor de jacht op leeuwen en tijgers, meegaf als geschenk voor Haroen-al-Rasjid, de kalief van Bagdad, tijdens een diplomatiek reisje.
    Ook zijn zoon Lodewijk de Vrome schonk deze kleurrijke stoffen aan vooraanstaande mensen.
    Van nature waren de lakens grauw, bruin of zwart, zoals we aan de kleur van de schapen kunnen zien. De Friezen verfden de lakens met blauwe kleurstof, die uit de bladeren van de wede werd verkregen en de rode kleurstof uit de meekrap. (Tuuk/Gouden, p. 31; Pye/Noordzee, p. 51; Dorestad).

    Ging het volk in het Frankische land gebukt onder de regel- en rechtzucht van de machthebbers: koning, hertogen of hun vazallen of andere plaatselijke potentaten, in de Frieslanden deed men waar men goed in was. Hier was geen visrecht voor de rivieren, beken en andere bevaarbare binnenwateren als meren. Er werd dan ook handig gebruikt gemaakt van wat voor mogelijkheden eb en vloed gaf. In de getijde geulen werden netten geplaatst, zodat er geen terugweg was voor de vissen, die met vloed het land op waren gekomen en nu via de getijde geulen weer naar zee zouden stromen.
    De contacten met de bewoners van het Frankenland waren goed.
    De Friese schipper Ibbo had een schip waarmee hij op Engeland voer. Met het klooster van Sint-Maximus in Trier had hij een contract om namens het klooster handel te drijven. In konvooi met 5 andere schepen ging hij dan naar de overkant. Zo'n contract had voordelen, er zaten privileges, rechten en andere vrijheden aan vast, zoals het niet hoeven betalen van tol (Tuuk/Gouden, p. 128).
    Oorsprong van dit verhaal komt uit Vita sancti Maximini en waarin de wonderen van de heilige beschreven worden. Van de 13 genoemde wonderen in dat jaar betreft het 3 Friezen. In één geval gaat het over een Fries genaamd Ibbo, in dienst van deze klooster, die ultra mare, dus overzee ging, wat inhoudt, naar Engeland of Scandinavië ging. Het wonder gaat over een gebeurtenis dat speelde toen een grote groep schepen in zwaar onweer terechtkwamen, waarbij 6 schepen zonken. Het schip van Ibbo overkwam niets omdat hij en de bemanning God en de heilige Maximin om bescherming vroegen en dat dus ook kregen. Ze kwamen ongeschonden uit de storm (Clemens/Trier p. 69). Voor ons gaat het dan vooral om het feit dat ene Ibbo, Fries, overzeese handeldreef.

    Het verhaal gaat als volgt:
    1 Vir quidam oriundo Freso, cui nomen Ibbo fuit, se suamque substantiam beato Maximino donavit.
    2 Quo facto, cum fratrum utilitatibus desudaret, fuit necesse, ut negotiandi gratia transmarinam peteret regionem.
    3 Ita classi sex navium sociatus mare ingressus est.
    4 In altum itaque cum processissent, tempestas repente oborta easdem sex naves quassavit, ac undae tumentes solutas protinus involverunt.
    5 Hoc Ibbo deprehensus necessitatis articulo, nautas hortatus est, ut secum sancti Maximini suffragium inplorarent.
    6 Quibus, ut par erat, id summisse agentibus, Ibbo virum instar solis splendentem et supra mare, non infusis pedibus, ambulantem subito aspexit, qui, fiducia confidendi resumere iussa, cum formidinem voce pepulit, tum etiam sua praesentia tranquillitatem reduxit.
    7 Sic facti reduces, auctori tam manifestae salutis Deo sanctoque Maximino laudes summa cum exultatione fuderunt.

    Omdat ik het latijn totaal niet matig ben, ga ik eens onderzoeken hoe de vertaalmachines dit doen. De volgende vertaalautomaten nemen de proef op de som:
    G "Google vertaling",
    B "Babel Fish vertaling",
    M "Bing Translator",
    F "Free Translation",
    A "Bad Translator".
    Helaas weet alleen Google om te gaan met Latijn en vertaalt dit als volgt:
    1G 2012 Een zeker man, een inwoner van Friesland, wiens naam was Ibbo, St. Maximin gaf zichzelf en hun inhoud.
    1G 2016 Een zekere zelf Frese, wiens naam Ibbot werd gezegend Maximin gaven zichzelf en hun eigendommen.
    2G 2012 Welke wordt gedaan, met het voordeel van de broeders werkten, omdat het per se moet, om deel te nemen aan de handel buiten de zee, om te vragen om de genade van het land.
    2G 2016 Die wordt gedaan, met het voordeel van de broeders desudaret, als het per se moet, naar de genade van onze eigen, om te vragen om het land van de handel.
    3G 2012 Zo is de vloot van zes schepen werd in verband gebracht met de zee gaat.
    3G 2016 Dus ik werd lid van een vloot van zes schepen ging de zee.
    4G 2012 Dus toen ging hij naar zee, een storm plotseling stond op en schudde ze, zes schepen, en de zwelling golven zij betrokken was geweest.
    4G 2016 Dus toen ging ik in het diepe water, storm plotseling blies dezelfde zes schepen schudde, en de golven zijn zwelling vrijgegeven direct betrokken.
    5G 2012 Ibbo gevangen dit moment van nood, hij de zeilers aangemoedigd, terwijl hij smeekte de voorspraak van de heilige Maximin.
    5G 2016 Dit Ibbot gevangen dringende gevallen, zeilers en spoorde hem aan St. Maximin stem smeekte.
    6G 2012 Die, als natuurlijk was, dat, terwijl de rustige, Ibbo man, gelijk de zon schijnt en de zee, niet doordrenkt met zijn voeten, hij liep, zag hij plotseling, dat, vertrouwen, vertrouwen en hervat commando's, met de stem alarm is afgegaan, ook en bracht de rust van zijn aanwezigheid.
    6G 2016 Die, zoals het was, dat nederig agenten, Ibbot een man, en, als de zon schijnt op de zee, niet kelderen in zijn voeten, als hij liep, plotseling en zag, en die, vertrouwen, vertrouwen, en het bevel te hervatten, en toen hij uit de angst voor een luide stem reed, evenals de rust van de aanwezigheid van zijn eigen achtertuin.
    7G 2012 Dus breng ze terug te zijn gemaakt, maar ook als de auteur van het heil aan God en Saint Maximin de lof van het manifest met de grootste vreugde, gerouteerd hen.
    7G 2016 Alzo zullen de dingen terug naar de auteur van de hoogste lof met vreugde, en beiden manifesteren het heil van God, en van de heilige Maximinus.

    Echt geweldig is deze Google-vertaling anno 2012 nog niet, ook bij herhaling in 2016 is het er niet beter op geworden, dus het is te hopen, dat er voldoende studenten zich blijven aanmelden om de oude talen te blijven bestuderen!

    De geestelijken moesten echter nog wel wennen aan het feit dat vervoer en handelen de prijs van de goederen opdreef. Ze vonden dat de prijs alleen hoger kon worden als er arbeid aan het product werd toegevoegd. Uit het opgevoerde gesprek van de Angelsaksische geestelijke Ælfric, de geleerde blijkt dat de handelaar daar anders over denkt. De handelaar vindt dat zijn reis (dus transport) met alle gevaren, investering in tijd, schepen, wel degelijk een toegevoegde waarde hebben, en dus enige winst rechtvaardigt (Tuuk/Gouden, p. 111).
    Opmerkelijk en verwarrend wordt het, wanneer van der Tuuk vervolgens de geestelijke Christianus van Stavelot citeert: Er zijn handelsactiviteiten die niet bedreven kunnen worden zonder dat men zondigt, namelijk als iemand goud of zilver koopt, er geen werk aan besteedt, er geen reis voor hoeft te maken, en de waar voor de dubbele prijs aan zijn naaste verkoopt, waaruit blijkt dat transport wel toegevoegde waarde heeft en dus een hogere prijs rechtvaardigt.
    Nicolas Oresme (±1320-11/7/1382) wist hier zo'n paar eeuwen later ook wel raad mee. Zijn woede draaide ook om het geld, dat mannen van de kerk verteerde door de hang naar rijkdom en luxe en ertoe over waren gegaan om de zondaars te laten geloven dat God zonden vergaf in ruil voor geld. Rond 1255-56 verschijnt zijn Traité des Monnaies (Pye/Noordzee, p. 258-259).

    Een ander wonderverhaal over een Friese koopman komt uit Miracula S. Goaris van Wandalberto, 27. De quodam Fresone similiter prope periclitato oftewel Mirakelen van Sint-Goar, dat rond 839 is opgeschreven. Deze Friese koopman voer stroomopwaarts de Rijn op en werd met een lang touw getrokken door een aantal helpers (dit heet jagen). De koopman stond samen met een knecht aan het roer en stuurde niet naar de wal van Sint-Goar, om daar een offer te brengen bij het heiligdom van Sint-Goar, maar bleef op de rivier varen. Hierdoor kwam hij in een draaikolk terecht die het schip meetrok. De knechten die aan het jagen waren konden nog net wegspringen, behalve de voorste, die had het touw om z'n middel gebonden. Hij werd het water ingetrokken en verdronk. De koopman realiseerde alsnog dat hij had moet bidden en deed dit alsnog. En zo werd de drenkeling door de hemelse tussenkomst van Sint-Goar gered. Als dank liet de koopman een heel pond zilver achter, waaruit we kunnen opmaken dat de zaken goed ging, want hij zal vast meer dan een pond zilvergeld bij zich gehad hebben. Een ander, soortgelijk verhaal, waarbij een Friese handelaar op de rotsen werd geworpen, vroeg ook om hulp van de heilige. Hij werd ook gered en de handelaar dankte met een -kennelijk schitterend- zijden gewaad. Hierbij wordt duidelijk dat dit een handelaar was, immers de Friezen produceerden wollen stoffen, zodat we kunnen concluderen dat deze koopman ook exotisch waar handelde en vervoerde. (Tuuk/Gouden, p. 145; Pye/Noordzee, p. 39-40).
    Zoals we al in ons reisverhaal Kruistocht in Spijkerbroek zagen, ligt Sankt Goar bij de beruchte berg Loreley, waar veel schepen vergingen.


    Lodewijk de Vrome
    28 januari 814 overleed Karel de Grote en nam Lodewijk als 36-jarige Midden-Europa van zijn vader over.
    Had Karel geprobeerd het Friesche en Saksische verzet proberen te breken, door het erfrecht van deze 2 volken af te schaffen. Lodewijk herstelde dit, zodat ze wat milder tegenover hem stonden. Dit werd weer tenietgedaan door zijn gedweeheid tegenover de pauselijk stoel.
    Ook de door zijn vader in 793 uitgevaardigde verbod op het maken van andere munten, dan de door hem gemaakte standaardmunt van 1,7 gram zilver liet Lodewijk los voor de Friezen, die hun ingeburgerde 1,3 gram munt bleven slaan. Het was in de Noordzeelanden de standaard, dat lukte dus niet om dit vanuit het Karolingische rijk op te leggen, waar ze alleen het Friese gebied konden beheren. Maar mogelijk hoopte Lodewijk dat de stammen zo gemotiveerder waren om de landsgrenzen te verdedigen.
    In de Oostzeegebieden was in deze eeuwen de standaard betalingsmiddel de Arabische Dirhams, zoals we tijdens de Oostzee-reis in het Archäologisches Freilichtmuseum te Groß Raden konden zien.
    Het ging zelfs zo ver dat in 816 formeel erkenning kregen voor hun nieuwe gouden munt solidus met een waarde van 40 zilveren penningen. Deze werd gebruikt voor het betalen van het zoengeld. Een ander voordeel voor de Friese handelaren kwam uit het besef dat de eed van trouw aan de koning ook inhield dat er een koninklijke plicht tot bescherming van zijn onderdanen. Dat was voor de Friese handelaren een garantie om veilig door hun Frankische achterland te kunnen reizen en handel te drijven. En dit voordeel hadden de andere Noord- en Oostzeevolken natuurlijk niet. Dus de betaling van een klein financieel tribuut was slechts een kleine investering. Verder hield deze koningsplicht in dat wanneer de koning door onwettig handelen hieraan niet voldeed, het de vrije mannen in Frisia natuurlijk ontsloeg van hun eed en trouw.
    >Zo buig je een zogenaamd onderdanigheid om tot je voordeel!
    Wat ook niet het eerbied en vertrouwen versterkte, was het feit, dat hij reeds in zijn vierde regeringsjaar zijn rijk onder zijn drie zonen Peppin, Lodewijk en Lotharius wilde verdelen.
    De Noormannen diende zich weer aan op het Friesche (en dus Frankische) grondgebied en zodoende moest Lodewijk hier ook ingrijpen. Hij mengde zich in het Deense koningshuis, waar een tweespalt was ontstaan. Lodewijk koos voor de zijde van Heriold en beval de Friezen en Saksen om hem weer terug op de Deense troon te krijgen. De Denen hadden echter gekozen voor de zonen van Godfried. En hierdoor kregen de Denen weer oog voor Friesland en Saksenland en lieten een spoor van vernielingen achter.
    Verder maakte Lodewijk de fout om Heriold en zijn volgelingen in delen van Friesland en Saksenland te laten wonen. Heriold ontving Rustringen (Riustri) aan de Wezer en Dorestad (of Duurstede aan de Rijn). Roruk Kinhem kreeg Kennemerland en Hemming ontving Walcheren. Kwamen de vijanden in eerste instantie de tegenstanders van hun koning bestrijden. De te halen buit nodigde hun uit om vaker terug te komen. Volgelingen van Heriold, Roruk en Hemming hielpen de tegenstanders hiermee. Het vertrouwen van de Friezen en Saksers in deze vreemde medebewoners was hierdoor tot het nulpunt gedaald. Zonder ondersteuning van de machthebbers (Lodewijk), werden bij regelmaat de kusten belaagd en werden de steden geplunderd en verwoest.
    De Friese handelaren moesten echter wel zeer diplomatiek handelen om beide partijen, dus ook de Denen, te vriend te houden. Hun belangrijkste handelsroute naar de Oostzee en Haithabu was, zoals we al eerder hebben kunnen lezen en verderop nog uitgebreid uitgelegd gaat worden via Eider, de Treene en een smalle landengte in Jutland. Dit was Deens grondgebied.
    Lodewijk, weduwe geworden, hertrouwde met een Beierse gravendochter Judith, waarvan hij nog een zoon kreeg, later Karel de Kale geheten. Hierdoor wilde Lodewijk in 829 de verdeling onder zijn 4 zonen anders regelen. Dit vond echter geen doorgang. Diverse wijzigingen volgden elkaar op, zonder dat het werd doorgevoerd en op 26 juni 840 blies Lodewijk z'n laatste adem uit, het Rijk in grote verwarring achterlatend (Witkamp I, p. 146-147; Henstra/Graafschappen, p. 21-22, 30-31, 35).


    Opdeling
    De overgebleven zonen (Peppin was inmiddels overleden) van Lodewijk, Lodewijk, Lotharius en Karel moesten nu de macht onderling herschikken.
    Lotharius frustreerde Karels zeggenschap, door Heriold/Harald jr., de neef van koning Harald in ballingschap, uit te nodigen Denen in te huren om in Karels gebied invallen te doen. Ook kregen de Saksen weer vrije godsdienstkeuze. Hierdoor gingen velen weer terug naar het heidendom.
    Deze niet bewezen complot van Lotharius tegen zijn vader (en z'n broers) zou wel kunnen verklaren waarom er 'opeens' invallen van Noormannen/Denen/benden vanaf de zee de kusten teisterden met plunderingen en verwoestingen van christelijke objecten.
    Dit verhaal werd wel openlijk geopperd door waarschijnlijk Prudentius van Troyes (?-861), de annalist van St. Bertin. Walcheren en omgeving kwamen zo ook in handen - als leen van Lotharius - in handen van Harald, zodat ze in buurt verder het land van z'n vader konden teisteren met aanvallen, om zo z'n vader onder druk te zetten, met als doel om het hele gebied te erven. Nadat Lodewijk zich weer verzoend had met zijn zoon Lotharius, in 839, kregen ook de medestanders van Lotharius hun ontnomen goederen terug. Een van die medestanders heette Gerulf en kreeg het land met boerderijen Cammingehunderi terug. Het zou hier gaan om de boerderijen Kamminga en Hundert. Dit zou gelokaliseerd kunnen worden bij Berltsum/Berlikum. Janet Laughland Nelson verteld in haar boek The Annals of St-Bertin het verhaal van deze annalen.
    Karel en Lodewijk maakten prompt een einde aan alle gewetensbezwaren.
    Ook sloten de beide broers op de oevers van de Rijn te Straatsburg op 14 februari 842 een verbond, welke werd voorgedragen in het Duits en Waals aan beide legers.
    Een jaar later, in augustus 843, kwam er eindelijk vrede tussen de drie broers, middels het verdrag van Verdun.
    En zo werd het grote Frankische Rijk in drie redelijk gelijke taartpunten opgedeeld, waarbij het hart van de verdeling in ons land lag. Hierdoor kreeg Lotharius onder andere het Oostelijk België en Friesland; Karel de Kale onder andere het gebied van de Scheldemond en Lodewijk II onder andere Saksenland (Henstra/Graafschappen, p. 34-35, 41; Witkamp I, p. 148-150; Naamkunde. Jaargang 6, 1-4 p. 42-50).
    Voor Frisia had deze opdeling verregaande gevolgen. De handel in de internationale knooppunten liepen terug. Naast de toch al enigszins teruglopende handelsvolume, die zich meer en meer naar het oosten verplaatste, raakten ze door deze nieuwe indeling het achterland kwijt, zodat alleen Lotharingen overbleef. Hierdoor raakten Dorestad, Domburg en Medemblik geïsoleerd en leden sindsdien een kwijnend bestaan. Hiervan profiteerden de havensteden Stavoren en Jever (Tuuk/Gouden, p. 194-196).

    > Wat opvalt is dat de bevolking van het Friese land kennelijk lijdzaam toekijkt hoe en wat er allemaal om hun heen gebeurd. Of krijgen ze slechts lokaal van de strijd iets mee. De handelsplaatsen Dorestat en Walcheren werden beroofd en platgebrand. En her en der werden gebieden van Lodewijk de Vrome beroofd. We horen niets van strijd of verdediging. We horen ook niets over verzet of roofgangen naar andere gebieden. Hierdoor komt mogelijk weer een eigenschap naar boven, die deze handelaren zich hebben eigengemaakt.


    De Denen II
    Omdat de drie broers niet in staat bleken om samen te werken aan hun gemeenschappelijk belang, gingen diverse medeheersers en andere machtige vazallen steeds meer voor zichzelf werken. Ook de Deense/Noorse aanvallen bleven komen. In 843 werd Nantes geplunderd. In maart 845 voeren ze met 120 schepen de Seine op en werd de omgeving van Parijs leeggeplunderd en Parijs verwoest. Om dit soort activiteiten tegen te gaan, want voor strijd waren ze te zwak, was Karel de onderhandelingen met de 'woeste Noormannen' aangegaan. Hij kwam overeen, dat als in vrede zijn gebied zouden verlaten, hij ze 7000 pond goud en zilver zou geven. Deze gift namen de Noormannen natuurlijk aan. De volgende keer waren ze nog wreder en wilden ze nog een hogere afkoopsom. En zo werden de Noormannen beloond. Dit ging zo lang door, dat er op een gegeven moment de bevolking zich aansloten bij de Noormannen en dit betekende dan ook het einde van het christendom voor deze mensen.
    Echter niet iedereen was het verdedigen verleerd. De Friezen, Saksers en Franken waren hun voorvaderlijke dapperheid nog niet vergeten en versloegen de Noormannen, na hun Parijse avontuur, toen ze Friesland aandeden. 12.000 Denen verloren hierbij het leven (Witkamp I, p. 150-151).
    Winkinger Museum Haithabu te Sleeswijk
    Direct voor de aanlegsteiger van Haithabu verbrandt en zinkt dit langschip van 31 meter. Het is rond 985 nOJ. gebouwd en behoorde waarschijnlijk toe aan Harald (Blauwtand) Jelling van Denemarken, Koning Van Noorwegen 976-986 en Denemarken 958-986 (± 910-986).
    Opvallend is ook dat het gebouw als een schip is gebouwd.


    Een handelsschip kon alleen zeilen (nagebouwd in het klein).

    Een groot langschip, waar roeiers èn zeil voor de voortgang konden zorgen (nagebouwd in het klein).

    Hierop is ook mooi het stuurboord te zien.
    Maar waarschijnlijk zijn deze aantal schromelijk overdreven. Op een gemiddeld Noors schip zaten zo'n 32 roeiers. Het schip van Olaf Tryggvason had er maar liefst 68. Knut de grote, die met z'n mannen Engeland 'bezocht', telde zelfs 120, maar dit waren uitzonderingen.
    Het Noorse Schnigge, een langschip, had 40 roeiers en konden daarbij nog 50 man vervoeren. Meestal bedroeg het echter 30 roeiers en max nog 20 anderen. Eerder minder dan meer, want een langschip had een kiel uit één stuk. En deze kwam uit een eik, en deze worden niet langer dan zo'n 20 meter (wat gebruikt kan worden voor de kiel).
    Een zeemacht van zo'n 1000 man is al een hele opgaaf. Ook om deze te voeden in de winter is al moeilijk genoeg. Dus de 600 schepen die in 845 over de Elbe naar Hammaburg -het huidige Hamburg- voeren, om het te plunderen zo goed als onmogelijk. We hebben het dan over 600 schepen met elk 50 man, dit zijn 30.000 man. Ook voor zeerovers uit het dunbevolkte Denemarken en omgeving zijn dit een beetje te veel. Deze mensen zijn niet zomaar 'over'. En eigenlijk waren het ook geen zeerovers, want vechten, kapen et cetera op zee gebeurde niet. Er werd op land gegaan en daar werd gevochten en de buit verzameld.
    Eénzelfde verhaal bestaat er ook van 350 schepen, die de Theems opvaren (Kurowski, p. 44).

    Naast het Winkinger Museum Haithabu te Sleeswijk beschrijft ook van der Tuuk (Tuuk/Noormannen, p. 20-22) de twee belangrijkste scheepstypes. De snelle langschip, als oorlogsschip bij uitstek, rank en licht, met een laag vrijboord om te kunnen roeien. Niet geschikt voor ruwe zeeën. En de knórr voor de lading, die breder en hoger was en hierdoor ook een iets wildere zee aankon. Het was daardoor trager.
    Op zo'n handelsschip konden handelaren ruimte huren om hun goederen te vervoeren.
    >Waarom het langschip steeds als oorlogsschip wordt opgevoerd, terwijl dit type schip niet echt geschikt is om buit mee te vervoeren, is voor mij nog steeds een raadsel.
    Daarnaast vraag ik me af: "Zou dit langschip aan het begin van de traditie van The Boat Race-traditie op de Theems tussen Oxford en Cambridge met een roeiwedstrijd?", ook al is het pas in 1829 voor het eerst georganiseerd.
    Zou er een verband zijn tussen naamgeving van de Theems en de Eems?

    Toen de Noormannen, met nieuwe strijders in 846 opnieuw Friesland (bij Oostergoo en Westergoo) aandeden om verhaal te halen en wraak te nemen, dolven de Friezen het onderspit.
    Op steun van de heersers hoefden ze niet te rekenen, want deze sidderden van angst en durfden niets te ondernemen. En zo werd het grote rijk van alle kanten aangevallen. Griekse kapers in Marseille, Arabieren vanuit Afrika in Rome.
    Eindelijk kwamen de zonen van Lodewijk tot het inzicht dat ze echt moesten samenwerken. En zo kwamen ze in februari 847 tezamen in Meersen aan de Geul (bij Maastricht) om plechtig te beloven elkander met alle vermogen te helpen.
    De eerste stap maakten ze naar de Deense koning, waaraan ze vroegen om zijn onderdanen voortaan te bedwingen.
    Ter bevestiging kwamen de Noormannen nog hetzelfde jaar naar Duurstede en zonder tegenstand van de graven Sigar en Liothar, werd de hele Betuwe geplunderd. Kortom het verzoek aan de Deense koning had niet geholpen.
    De bewoners begonnen nu de gebannen Deen Heriold te wantrouwen en waren ervan overtuigd dat deze Deen met de Noormannen samenwerkte. De bewoners overvielen hem en hij werd van het leven beroofd. Ook moest zijn broer Roruk in Kennemerland moest het ontgelden. Hij werd gevangengenomen, maar wist te ontkomen naar Lodewijk II in Saksenland, waar hij aan de grens van Denemarken kon verblijven. Roruk wist een grote bende Denen om zich heen te verzamelen, waarmee hij als zeekoning op de noordkust van Lotharingen was geland. Even later had hij Duurstede zo stevig in handen dat de keizer hem daar met geen mogelijkheid meer vandaan kon krijgen.
    Dus besluit Lotharius een verdrag met Roruk te sluiten. Rurok kreeg de stad en omringende oorden op voorwaarde dat hij de staatsinkomsten voor het rijk zou innen en het gebied tegen de Noormannen met kracht zou verdedigen. Witkamp laat zich hier voor het eerst negatief uit over deze handelswijze: "Zoo zwak en magteloos waren de verdeelde vorsten geworden, dat zij zich gedwongen zagen om belooningen, die voor trouwe diensten bestemd hadden moeten blijven, aan hunne vijanden af te staan! Geen wonder dat deze lafhartige toegevendheid de Noormannen slechts tot menigvuldiger en stouter invallen aanmoedigde.
    En inderdaad, in 852 verschenen de Noormannen in groten getale en tegelijkertijd voor de monden van de Rijn, Schelde en Seine. Geheel Friesland, dus inclusief het huidige Holland en Utrecht, en de Betuwe werden geplunderd. Het paleis te Aken, klooster en kerken, Trier, Keulen, de St. Bavo-abdij te Gent, heel Neustrië tot Beauvais en Rouen werden geplunderd, vernield en in brand gestoken. Duizenden inwoners verloren hierbij het leven of werden verminkt.
    De Deen Godfried ontving van Karel een graafschap tussen Bretagne en Picardië.
    Geluk had Lotharius met de burgeroorlog die in het Deense rijk was ontstaan. Hierdoor vertrokken Roruk en Godfried het Frankische gebied in de hoop de Deense kroon te kunnen bemachtigen. Lotharius maakte van deze gelegenheid gebruik om het bewind in Friesland (de Noordelijke Nederlanden) over te dragen aan zijn tweede zoon met dezelfde naam Lotharius II. Net op tijd, want vader Lotharius overleed in 855 (Witkamp I, p. 150-151).

    Kaart die Europa rond 814 toont, („Estland“ in der antiken Bedeutung eingetragen).
    Ook nu werd het gebied van Lotharius in drieën verdeeld. Zijn broer, Lodewijk II, kreeg Italië met keizerlijke titel; zijn andere broer Karel het koninkrijk Provence. Lotharius II kreeg dus Lotharingen, het gebied tussen de Rhône, Schelde en Noordzee.
    Het was prins Roruk niet gelukt om de Deense kroon te bemachtigen en hij kwam, met gevolg, terug naar Friesland, waar hij zich wederom vestigde te Duurstede. Ook Lotharius II zag geen andere mogelijkheid dan om Roruk als zijn vazal te zien en erkennen. Maar wederom verliet Roruk Duurstede om zijn Deense aanspraak te doen gelden. Helaas viel de verlaten Duurstede meteen ten prooi aan andere Noormannen. Ook diverse dorpen in de Betuwe en aan de Kromme Rijn kwamen aan de beurt. Zelfs Utrecht werd belegerd en overwonnen. Door de vijand werd Utrecht in 857 versterkt, zodat de buit veilig kon worden geborgen.
    In 859 kwam een derde golf Noormannen, die de Betuwe plunderden. En zo ging het maar door: 863 voeren ze de Rijn op om naar Keulen te gaan, Duurstede ging werd weer geplunderd en ging in rook op.
    In 866 wisten de Friezen weer eens een overwinning op Roruk te behalen. "Friesche landlieden met de naam van Conkingi verdreven Roruk." Witkamp vindt het aannemelijk dat de Konkingen de bewoners van Kockengen (bij Breukelen) zouden kunnen zijn, al schrijft Bolhuis in 'De Noormannen in Nederland' dat dit "belagchelijk" is (Witkamp I, p. 153).
    Kaart die Europa tussen 843-888 toont, met name het Karolingische Rijk, maar ook mooi de verdeling op de Britse eilanden weergeeft. Ook ziet de Belgische kust er anders uit.
    Het haalde echter niets uit. In 868 veroverde Roruk met nieuwe Deense strijdkrachten Duurstede weer terug. Sterker nog, door het overlijden van Lotharius II in augustus 869 kreeg hij zelfs meer invloed (Witkamp I, p. 150-154).
    Doordat het Friese woongebied of het vroegere Friese woongebied, of het gebied waar vele Friese handelaren handeldreven, in handen was van de Frankische heerser en door hun Deense vazallen werd beheerd, werd er waarschijnlijk zo vanaf 863 ook een begin gemaakt met de verplaatsing van het handeldrijven van Dorestad naar Tiel en Deventer. Dit kon echter niet voorkomen dat Deense piraten deze en andere plaatsen, waar de Friezen handel dreven ook rond dit jaar werden geplunderd (Tuuk/Noormannen, p. 58-60).


    Verdrag van Meerssen
    De op 22 januari 870 gesloten
    Verdrag van Meerssen door de broers Lodewijk de Duitser (Oost-Francië) en Karel de Kale (West-Francië), die de verdeling van Lotharingen (het Middenrijk), het gebied van Lotharius II, moest regelen, zorgde eigenlijk voor het begin van de splitsing tussen de Frieslanden.
    Het gebied werd enige tijd beheerd door de Deense vazal Hrørek. Maar nu kreeg hij de twee broer als leenheren, omdat de grens dwars door de Frieslanden liep, al lag het grootste gedeelte nu in Oost-Francië van Lodewijk. De verhoudingen tussen Hrørek en Karel waren een stuk beter dan met Lodewijk. En ook na de splitsing bleef dit zo. Zo kon Karel het hele westelijke gedeelte van Frisia in handen krijgen, omdat Hrørek alleen Karel nog als leenheer aannam. Dat het alleen om het westelijke deel gaat heeft waarschijnlijk te maken met de gebeurtenissen die een paar jaar daarvoor, in 867, hadden plaatsgevonden. Toen werd Hrørek uit een gedeelte ten oosten van het Vlie verjaagd.
    Deze verdeling liep van de IJssel en Vlie, zodat Friesland feitelijk werd opgesplitst en een Westelijk Friesland en Friesland aan de oostkant van het Vlie.
    Karel de Kale zag zijn grootste handelshaven als Quentovic, wat beter aansloot op zijn achterland en liet Dorestad aan zijn lot over, wat eigenlijk het einde van deze handelsstad betekende. Lodewijk concentreerde zich meer op Deventer en Tiel.
    De vazal Hrørek bleef hierdoor eigenlijk met lege handen achter. In 873, in een sfeer van wantrouwen, namen de twee Hrørek en Lodewijk toch weer contact met elkaar op en Lodewijk nam hem toch maar weer aan als zijn vazal (met waarschijnlijk het oostelijke gedeelte van het Vlie van Frisia). Kort daarop was Hrørek op strooptocht in Oostergo en werd hier gedood de Friezen onder leiding stonden, van een tot het christendom bekeerde Noor, die al lange tijd onder de Friezen leefde (Tuuk/Noormannen, p. 60; Wikipedia Karel de Kale, Lodewijk de Duitser, Rorik; Tuuk/bronnen).


    Internationale handelsroutes
    De Zweedse kooplieden hadden in de loop van tijd een andere handelsroute gemaakt, die van de Oostzee via de Russische rivieren (voornamelijk de Wolga en Dnjepr) naar de Kaspische zee ging. Hier hadden ze twee nieuwe kolonies gesticht: Bulgar (Bolgary) en Astrakan (Itil). Hier dreven ze rechtstreeks handel met de Arabieren en Byzantijnen. Dit ging waarschijnlijk ten koste van de handel van de Friezen (Tuuk/Gouden, p. 148; Graichen/Hanse, p. 50, 52-53, 316).
    Op de kaart van Atlas Maior uit 1614 is de route in ingekleurd -een oudere had ik niet voorhanden- waarin Bulgar als stad met een kerk is te zien.
    De Friese route liep dan vanuit het Friese land/Dorestad, via de wadden naar Haithabu. Hier werd het waarschijnlijk overgedragen aan de volgende handelaar. Deze ging verder per schip langs de Deense eilanden en Zweedse kust naar Gotland/Visby. Ook hier zal er gehandeld worden. De volgende of dezelfde handelaar voer dan verder naar Riga of Novgorod, waar weer gehandeld werd en eventueel verder landinwaarts werd getrokken tot Smolensk of Bulgar. Om Smolensk te bereiken vanuit Riga voer men over de Daugava/Dvina/Düna tot Vicebsk/Vitebsk, waar ze - net als om bij Haithabu te komen - te voet verder moesten. Ook hier zal het vervoer vast geregeld zijn. Vanuit Smolensk trokken de (of andere) Friese handelaren over de Dnjepr verder naar Kiew om via de Zwarte Zee bij Constantinopel uit te komen. Van de Zweden is bekend dat ze via de Wolga vanuit Bulgar verder voeren naar Astrakan. Om de Wolga te bereiken moest ook hier een gedeelte te voet afgelegd worden. Of hierbij ook Friesen bij waren is onbekend. Aangekomen bij de Kaspische Zee, kan ik me voorstellen dat ze hier de handelaren uit de andere continenten ontmoetten. Mogelijk voeren ze nog een eindje verder naar bijvoorbeeld Baca om de Arabieren en Byzantijnen te ontmoeten.
    Grappig om te zien is, wanneer we inzoomen op Bulgar (het huidige Bolgar in Tatarstan), Astrakan en Baca/Baki, dat het stratenstramien dezelfde zijn als ten tijde van Dorestad. Dezelfde soort strandhandel. Verder valt op dat in Bolgar er in het oude gedeelte (maar dat is maar een aanname aan de hand van deze beelden, dus hoeft in het geheel niet te kloppen) er een kerk staat en tevens een moskee, gebroederlijk naast elkaar. Hoe oud deze gebouwen zijn is mij helaas niet bekend.

    Wanneer mensen handeldrijven met elkaar is het onverstandig om ruzie met elkaar te maken. Het is beter om elkaar te vertrouwen. Dit vertrouwen wordt zelden geschaad. Zelden houdt in dat het dus af en toe voorkomt, maar onvoldoende om er mee te stoppen. Overal komt weleens een rotte appel voor. Of dat nu in een mand ligt of tussen de handelaren. En soms is het geen opzet, maar komt het gewoon voor. Vertrouwen is de basis van handel. Vooral tussen mensen die elkaar nog nooit eerder gezien hebben. De handelaren beseffen dat vrede voor beiden voordelig uitpakt. En dit is een unieke menselijke prestatie. Het is dan ook een kenmerk van een beschaving. Vrijhandel vereist vertrouwen en dit is besmettelijker dan de pest. De tolerantie kwam dan ook in eerste instantie niet van de dominees, maar van de pragmatische kooplieden.
    Bregman pleit echter wel voor regelgeving om het vertrouwen te consolideren. Het vertrouwen moet met wetten beschermd worden tegen krijgsheren, maffiosi, monopolisten en speculanten. Het volgende zinnetje is mijns inziens uitermate belangrijk. Als dit beschermen niet gebeurd, dan zijn alleen zíj werkelijk vrij (Bregman/Vooruitgang, p. 322-324).
    Dit is een waar woord. Echter, zoals we al konden lezen en nog zullen lezen, het probleem met deze regels en wetten is, dat ze vaak juist van deze mensen afkomstig zijn en dus hun beschermen, omdat zíj de regels en wetten maken en met geweld handhaven, dan wel ze worden niet in geest uitgevoerd en er wordt misbruik gemaakt van de mazen in de wet. Ook Bregman beaamt dat koningen en landheren vaak terecht als gewetenloze uitbuiters worden neergezet, omdat de geschiedenis van de troon er een is van onrecht en uitbuiting. Vreemd genoeg corrigeert hij dit beeld meteen door te stellen dat deze geweldsmonopolie uiteindelijk het daadwerkelijke (?) geweld deed afnemen. Ook is de hiermee verkregen rijksvrede een voorwaarde voor handel en innovatie.
    De vrije Friesen en hun Scandinavische handelspartners hebben volgens mij juist aangetoond, waar het probleem ontstaan is en eigenlijk nog steeds bestaat.
    Immers, de gewone burgers en handelaren sluizen hun geld niet weg naar - legale, maar niet in de geest van - belastingparadijzen. Koninginnen, multinationals en zelfs onze eigen overheid aka Nederland BV doet hier aan mee, wat dus allemaal weer ten koste gaat van de eerlijke en betrouwbare mensen.
    Ook staat regelgeving en wetten volgens mij haaks op vertrouwen.
    Vertrouwen heeft geen regeltjes -zwart op wit- nodig. Juist niet. Mensen die elkaar niet vertrouwen sluiten dus juist verdragen, contract et cetera met allerlei clausules, uitkoopopties en boetes. Volkomen wantrouwen dus. Mijns inziens deden de Friese kooplui het dus nog niet zo slecht. Ze hielden de aantallen bij op hun kerfstokken en voor wie het bestemd was. Simpel en vol vertrouwen.
    En mocht het vertrouwen wegvallen, dan heet dat leergeld en doe je nooit meer zaken met deze persoon. En dit kun je dan met je collega-kooplieden bespreken en was het dus snel gedaan met zakendoen voor deze persoon.

    De verhoudingen tussen de Noormannen en Friezen zijn niet slecht, misschien zelfs wel goed te noemen, maar beter is dat ze afhankelijk van elkaar waren. De Friezen zagen hun als een verwant volk, waren in staat om goed met hun te communiceren, omdat ze vrijwel dezelfde taal spraken. Hierdoor konden ze ook makkelijk handel met elkaar drijven. Daarnaast hadden ze een soortgelijke samenlevingsvorm. Kleinschalige en onafhankelijke gemeenschappen, die grotendeels er een boerenbestaan om na hielden en dus ook kleinschalige handeldreven. Ze hadden naast de afkeuring van het Frankische centralistische bestuur gemeen, ook een hekel aan de missiedrang, van -in dit geval- de christelijke religie (Tuuk/Noormannen, p. 25-27).

    In 873 kwam er een einde aan Rudolfs leven. De Noordse zeeschuimers waren weer eens in Friesland geland met een bloedige veldslag tot gevolg. In 874 stond de gevreesde Noorman Rollo voor Walcheren. Zelf hulp vanuit België en Friesland mocht niet baten. Walcheren werd volledig verwoest. Rollo ging via het meer Almari naar Friesland en vernielde daar ook de dorpen en hoeven, alsmede Egmond.
    In 875 en 876 waren de Schelde-oevers weer aan de beurt. En ook verder zuidwaarts. Rollo kreeg naar dertig jaar aanvallen op de Frankische westkust eindelijk een gebied in vaste hand. Dit gebied heet sedert dien Normandië (Witkamp I, p. 154).

    Deze gebeurtenissen waren desastreus voor Dorestad. De functie van Dorestad werd overgenomen door Tiel en Deventer. Ook elders had het dezelfde gevolgen. Quentovic werd opgevolgd door Montreuil, Birka door Sigtuna en Hedeby door Schleswig. De eens zo voortvarende steden Quentovic, Dorestad, Hedeby en Birka verdwenen van de kaart en met alle verwoestingen ook van het land, mede omdat ze binding hadden met hun omgeving. Het waren eens logische plekken voor de handel. De hoogtijdagen van Dorestad als een vicus opulentissimus, een zeer rijke handelsplaats (met koninklijke tol, zetel van wikgraaf of prefect et cetera.) waren zo van 750-825.
    Deze verdwenen plaatsen zijn dan ook door archeologisch onderzoek weer getraceerd, zodat nu weten waar ze gelegen hebben (Tuuk/Gouden, p. 196, 201-202). De glorietijd van Dorestad hield niet alleen op door de vernietigende aanvallen van de Noormannen. Ook de afgelegen plaats en het vinden van betere en centraler gelegen plekken waren hieraan debet. Opvolger was dan ook Tiel in Westfriesland [sic] en vervolgens kwam het 250 meter lang gestrekte en 50-70 brede wierde van Emden in aanmerking (Kurowski, p. 60).
    Waarom Kurowski Tiel opeens in West-Friesland plaatst weet ik niet. Gezien het feit dat Tiel onder Dorestad ligt, zou Dorestad ook in West-Friesland moeten liggen. Maar misschien is dit vanuit Ostfrieslands gezichtsveld zo.

    Op pagina 155 maakt Witkamp melding van (in de oude kronieken genoemde) Biorzuna, waar vandaan zegevierende Noormannen naar Nijmegen vertrokken.
    De gebieden werden na het overlijden van de broers en neven steeds verder versmaldeeld, al poogden sommige wel weer gedeelde stukken samen te voegen door strijd of door te blijven leven.
    Na 880 was Karel de Dikke de enig overgebleven broeder van de Duitse Karolingen, welke als koning van Allemanië het Duits-Frankische-rijk herenigde. Hij kreeg ook Italië er in 879 al bij en in 881 werd hij door paus Marinus I als roomse Keizer gezalfd.
    Dit alles weerhield de Noormannen niet hun strooptochten. In 882 deed de keizer een poging om de Noormannen te verjagen. Hij omsingelde hun Deense kamp bij Elsloo. Om zo snel mogelijk weer naar Italië terug te kunnen keren, sloot hij een verdrag met ze. Ze kregen een vrije aftocht, mochten het geroofde goed houden en kregen nog een afkoopsom mee. Siegfried kreeg 2080 pond edelmetaal en Godfried (een zoon van Heriold) kreeg de hand van prinses Gisela, enige Friesche graafschappen aan de Rijnmond en maar moest wel christen worden. Uit het geredde kerkgeld moest Siegfried betaald worden. En zo verkwanselde de keizer grotendeels Friesland, te weten van graafschap Teisterbant en omliggende gouwen, van de splitsing van de Rijn bij Lobith tot aan het Reekerwad of mogelijk wel tot het Vlie, aan de Denen. De Deense prins Godfried kwelde de mensen op een ondragelijke wijze. Hij vernederde ze door ze met stroppen om hun nek te laten rondlopen, zodat hij ze bij de minste weerspannigheid, zonder recht, op een schandelijke wijze meteen ter dood kon brengen.
    Ook mochten de Noormannen naar hartenlust komen plunderen.
    Af en toe, als ik met dit "Vrije Friezen"-verhaal bezig ben, komt dit nummer voorbij en ik vind dit zo bij elkaar passen, wetend dat de schrijver ook (andere) vrijheden in z'n hoofd had:


    Wachten op de dag / Bløf

    Ik vind je prachtig, zoals je bent
    Je bent oogstrelend, mooi van top tot teen
    Je denkt iets anders, je spreekt je eigen taal
    Je blijft onveranderd jij

    Je zegt vaak dingen, die ik niet begrijp
    Je bent hoop gevend, mens van top tot teen
    Je kijkt heel anders, je voelt je eigen kleur
    Je blijf onveranderd jij

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat we onszelf zijn, zonder vlag
    Zonder een oordeel
    Zonder de angst, die ons verblindt

    Kom we gaan dansen, jij en ik
    We zijn springlevend, mens van top tot teen
    Waar vandaan we komen en waarheen we ook gaan
    We zijn onveranderd wij

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat we onszelf zijn, zonder vlag
    Zonder een oordeel
    Zonder de angst, die ons verblindt

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat je weer alles zeggen mag
    Vol van ideeën
    En een gevoel dat ons verbindt

    Altijd maar vechten uit een naam
    Voor wat je niet zelf hebt gedaan
    Zo blijf je niemand

    Maar als je vandaag rechtop gaat staan
    En tegen de stroom durft in te gaan
    Dan wordt je iemand

    Laten we werken
    Blijf niet onopgemerkt
    Maar maak een nieuw begin

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat we onszelf zijn, zonder vlag
    Zonder een oordeel
    Zonder de angst, die ons verblindt

    Ik kan niet wachten op de dag
    Dat je weer alles zeggen mag
    Vol van ideeën
    En een gevoel dat ons verbindt

    Een enkel lichtpuntje ontstond toen de Friezen in 884 in Norden, aangezet door bisschop Rembertus van Bremen, een overwinning op de Denen behaalden (Witkamp I, p. 155-158).
    Of met dit lichtpuntje het verhaal wordt bedoeld dat de Friezen met hun kleine bootjes de Noormannen aanvallen, terwijl zij achter de vluchtende Saksen aan het varen waren, weet ik niet. Toen de Saksen echter in de gaten kregen dat de Noormannen werden aanvallen door hun buren, keerden ze om vielen ook de Noormannen aan. Hier konden ze niet tegenop en werden dan ook op een paar vluchtende Noormannen, volledig in de pan gehakt. De Friezen namen de vijandelijke schepen in beslag met hierop de door de Noormannen buitgemaakte goud, zilver en waardevolle huisraad. Dit zou later de slag bij Norden gaan heten en vond plaats zo rond oktober (volgens het laatste onderzoek) of december 884 (volgens Kurze) of 6 januari 885 (volgens Dümmler). De teksten zijn ook te lezen in de hier gelinkte kronieken.
    Hierbij worden we nog verwezen naar noot 21 van de Chronicon Moissiacense uit de Scriptores (in Folio) (SS) van de MGH op pagina 298 waar te lezen staat, dat met Nordedi Norden in Frisia wordt bedoeld.
    Ook de voorkomende 10.000 dodelijke slachtoffers die er gevallen waren, is waarschijnlijk met een 0 teveel overdreven. In deze periode werden 100 man al als een leger gezien en waren 1000 man ontelbaar (Kurowski, p. 58-59).

    In zijn verwaandheid ging prins Godfried zo ver dat hij in 885 twee Friese graven, Gerolf en Gardolf naar de keizer zond, om ook nog landerijen te eisen waarop wijn gemaakt kon worden. De Keizer lokte Godfried door een vergadering te beleggen in een hinderlaag, waar Godfried op de tweede dag door graaf Everhard (Saxo) met een zwaard werd doorklieft en de dood vond. Dit betekende meteen het einde van de Deense heerschappij op Fries grondgebied (Witkamp I, p. 155-158).
    Gerulf of Gerolf kreeg hiervoor van de Oost Frankische koning Arnulf van Karinthië op 4 augustus 889 als beloning een aantal goederen: Het betrof een gebied buiten zijn graafschap, in Teisterbant, bestaande uit een aantal boerderijen en huizen in onder andere Tiel, Aalburg en Asch, plus een gebied binnen zijn graafschap, bestaande uit een bos en een bouwakker (terra arabilis), ergens tussen de monding van de Oude Rijn en Swithardehaga, vermoedelijk omgeving Bennebroek / Noordwijk. Dit waren onder andere de 'vrijgekomen' graafschappen van Godfried en Rorik. (Blok, p. 99; Henstra/Graafschappen, p. 66 Wikipedia).
    Hierna kregen de leenheren, graven en anderen steeds meer macht en al erkende ze de keizer of koning wel als hun heer, ze gedroegen zichzelf steeds meer als zelfstandige koningen, vorsten, graven en wat dies meer zij.
    Van de Noormannen had men in de Friese landen ruim een eeuw geen last meer. Pas in 994 kwam de eerste nieuwe reeks van rooftochten (Kurowski, p. 59).

    De invloed van de plunderende Noormannen is in het verleden schromelijk overdreven. De eerste Noormannen die deze kant opkwamen en bijvoorbeeld Dorestad bezochten, waren net als de Friezen gewone kooplieden, handelaren, schippers. Ook zij bouwden immers goede schepen en konden zich dus ook vlot bewegen. In de drie eeuwen waar Dorestad te maken kreeg met aanvallen door Noormannen, kunnen we er negen tellen, allemaal tijdens Frankische heerschappij, waarvan er acht plunderingen zijn en waarvan er al vier tussen 834-839 plaatsvonden. In 850 werd Dorestad bezet. Ook hadden deze plunderingen door het Frankische Rijk weer voordelen voor bijvoorbeeld Dorestad. Immers het geroofde waar moest ook weer ergens verkocht worden.
    Daarnaast kun je de plundering ook in een ander daglicht stellen, namelijk hetzelfde als wat de Franken deden bij veroveringen van bewoond gebied, deden de Denen/Noren nu ook. Eigenlijk was dan ook niet meer als een interne Frankische aangelegenheid.
    Weliswaar werden de aanvallen van 1e helft negende eeuw uitgevoerd door de Deense Haraldr, maar gebeurde dit op verzoek van de ontevreden Karolingische Lotharius I, in een poging zijn vader en keizer Lodewijk de Vrome af te zetten. Dit omdat hij zich misdeeld voelde over de verdeling van het rijk (Tuuk/Noormannen, p. 52-53).


    Ontstaan boerengenootschap
    De overwinning op de Noormannen leverde naast de overwinning en daarmee hun buit ook nog iets anders op. Een boerengenootschap die de verloren landerijen terugpakte op de Noormannen, die het gebied ook bezet hadden gehouden. De al deels ingepolderde gebieden werden door de overwinnaars teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren. De rest van het land verdeelden ze onder elkaar.
    Hierna ontstond een genootschap die er voor zorgde dat hetzelfde land altijd overging binnen de familie. Het genootschap heet "Theelacht", vernoemt naar de acht delen, die het beheerd.

    Helaas wisten we niet van het bestaan van dit oudste boerengenootschap. Op dag 3 van onze reis stonden we namelijk 's avonds voor het gebouw, waar ze al enkele eeuwen hun 'Theelkammer' hebben. Hadden we het geweten, dan waren we natuurlijk eerder op dag een kijkje binnen wezen nemen. De regels over de te beheren acht delen, staan beschreven in de Jus Theelachticum Redivivum, oder Neu revidirtes Theel-Recht nebst einer Vorerinnerung und Historie der Theel-Rechte / Caspar Wenckebach, waarvan de 2e en 3e druk online beschikbaar zijn (Kurowski, p. 60, 179-182).
    Ook heden ten dage bestaan deze acht delen nog steeds. Op een kaart uit 1985 zijn de exacte percelen terug te vinden.


    Frankische wereld
    "Heeft de Frankische verovering ook sociaal iets nieuws gebracht?", vraagt Blok zich af.
    > De vraag die volgens mij dan ook gesteld kan en beantwoord moet worden: is dit vervolgens ook een verbetering? En vooral: voor wie?

    Het doordringen van de feodaliteit in een groot deel van ons land (hiermee wordt het huidige Nederland bedoeld), is een van de belangrijkste sociale vernieuwingen, die de Franken hier brachten. Bijzonder hierin is het grote deel van ons land, waar dit niet voor gold. De Friese edelen bleven er buiten.

    Kaart waarop in rood het gebied van koning Harald (Blauwtand), Koning van Noorwegen 976-986 en Denemarken 958-986 en in roze zijn uitbreiding.
    Een tweede vernieuwing is waarschijnlijk het ontstaan van de stand van koningsvrijen. Mogelijk aan te wijzen in het gebied tussen Zelhem en Hengelo en in het grensgebied van Utrecht en Holland (Gooi).

    Blok concludeert dat er geen koningsvrijen in Friesland zijn, wat overeenkomt met het verspreidingsgebied van het koningsgoed. Er wordt namelijk niet voldaan aan de eisen van de definitie. Samengevat hebben de Friezen een speciale relatie tot de koning, sinds de eigendom aan koninklijke gunst te danken was (denk aan het terug geworven erfrecht), ze betalen jaarlijks een tribuut (een soort huisbelasting) en hebben een speciale militaire functie (wat volgens Blok bestaat uit een autonome afweerorganisatie, in verband met de Noormannen en dus altijd paraat moesten zijn, en zodanig dus vrijgesteld waren van dienstplicht buiten Friesland, waarvan ze onder Karel de Grote nog niet van waren vrijgesteld).
    Dus per definitie, "juist die elementen, die worden opgegeven als karakteristiek voor de koningsvrijen, op één uitzondering na: de koningsvrijen staken door hun statuut af van de omgevende bevolking en vormden een eigen rechtskring; hier in Friesland had de gehele bevolking aan dit statuut deel. Juridisch is de Friese vrijheid wel met koningsvrijheid te vergelijken, sociaal echter - en dat is voor de historicus belangrijker - zijn ze volkomen verschillend en ook naar herkomst verschillen ze hemelsbreed" (Blok, p. 93-98).
    > Dan raak ik toch erg geïnteresseerd in wie deze definitie bepaald heeft en vanuit welk gezichtsveld deze gemaakt is? En wordt hierbij dan ook aangegeven waarom dit gezichtsveld gekozen is en niet die van een andere kant? En waarom is het sociale aspect voor een historicus belangrijker dan het juridische?

    Overal was adel en grootgrondbezit ontstaan en het heeft er alle schijn van, dat zij die aansluiting bij het Frankische rijk zochten en bereid waren tot bekering tot het christendom hiervan profiteerden. Maar zoals in de 13e eeuw bekend wordt, blijkt dit voor Friesland niet op te gaan. Blok schrijft vervolgens: "Deze eigen Friese maatschappelijke vormgeving moet echter wel dateren uit latere tijd, als rijks- en landsheerlijk gezag wegvallen waardoor ook het leenstelsel niet tot ontwikkeling komt. Een aanzet ertoe - al in Karolingische tijd - zou kunnen zijn de naar verhouding gunstige positie, die de stand der halfvrijen, de liten, in Friesland (evenals in Saksen) dan al inneemt. Ongetwijfeld is er ook verband met de bijzonder economische positie van Friesland: uitgebreide handel en grote geldcirculatie, extensieve veeteelt en weinig Vergetreidung (dit is omschakeling naar iets anders dan koeien houden in het grasland, bijvoorbeeld akkerbouw). Men meent overigens niet dat in de latere middeleeuwen het grootgrondbezit en de daarmee gepaard gaande machtsuitoefening over de 'onderzaten' geheel verdwenen was; de romantische opvatting, dat Friesland toen een Boerenrepubliek van vrijen en gelijken was, is in recente studies van Algra gevoelig aangetast (Blok, p. 99-101, 107).
    Helaas heb ik deze studie van Algra niet voor voorhanden. Wel een -als reactie en bevestiging daarop geschreven- artikel door J.R.G. Schuur "
    De Friese hoofdeling opnieuw bekeken", welke de argumenten van Algra voor '98%' lijkt te ondersteunen. Aangezien dit volledig samenhangt met de discussie over de Vrije Fries, kom ik hierop terug onder het kopje de Vrije Fries . Algra geeft in zijn proefschrift 'Ein' wel een territoriale indeling aan in de verschillende periodes van Friesland. Zo was al eerder vermeld dat in de Lex Frisionum niet een begrenzing landinwaarts gemaakt wordt. Hij vermoedt dat in eerste instantie de begrenzing echt vlak bij zee lag. Ik zou zelf meer denken aan de stroompjes die in zee uitmonden. Maar aangezien het land bestond uit vele eilandjes, waren er opties genoeg om geschikte plekken te vinden.
    Later, wanneer de tijd van het koloniseren van landinwaarts liggende gebieden aanbreekt, zo omstreeks de 11e eeuw, zullen de gebieden in de woudstreek tot Fries leefgebied gaan horen. Dit zijn de gebieden die met later Zevenwouden (in Wester Lauwers Friesland) en Langewolt en Fredewolt (in Ooster Lauwers Friesland) is gaan noemen. Ook het Wold-Oldambt en de Friese Wede (in het huidige Ostfriesland) zullen in deze periode bewoond gaan worden. Men zal waarschijnlijk ook door het stijgende zeewater gedwongen worden om verder landinwaarts te trekken, naar hoger gelegen gebieden.
    Gezien Algra in zijn noot (p. 7, 45) refereert aan veengebieden in het moorgebied van Ostfriesland, waarin een begin wordt gemaakt rond de 12e eeuw van het cultiveren van het hoogveengebied, terwijl het laagveen wordt overspoeld door water, maar of we hieruit iets kunnen opmaken of de eerder opgeworpen terpen en wierden verlaten worden, is niet duidelijk.
    Aangezien de Friezen in hun onderhandelingen hadden weten te voorkomen dat ze allerlei belastingen aan hun 'heer' moesten afdragen of andere verplichtingen hadden richting deze persoon en verder tamelijk onafhankelijk waren, was het voor omliggende bewoners natuurlijk ook wel interessant om te zeggen, wanneer ze zelf onder een zwak heerschap vielen, dat ze Friezen waren en daarmee dezelfde afspraken wilden. Mogelijk gold zo'n zelfverzonnen inlijving bij de Friezen voor het gebied wat we nu kennen als Stellingwerven. Het eigen Stellingwerfs, behorend bij de Saksische taalfamilie, zou dit kunnen bevestigen, al verteld een oorkonde van bisschop Godfried uit 1165, dat een groep Friezen uit 'Lammerbrucke' toestemming kreeg om land tussen 'Rutherikesdole' en 'Wibernessate' en tussen 'Antiquam Lennam' en 'Kunren' te ontginnen. [Terram que est inter Rutherikesdole et Wibernessate et inter Lennam antiquam et Kunren. (O.B.S.U deel I no 444 blz. 396/397)]. Deze plaatsen zouden ongeveer in het gebied liggen tussen De Tsjonger of Kuunder en De Lende. En dan waar deze de zee instroomden (Wikipedia: Stellingwerfs; De eerste kolonisatie in de middeleeuwen / Piet van der Lende; Algra/Ein, p. 6-8)


    Staatsvorming en religie
    Om een grote samenleving of staat goed te kunnen laten functioneren en besturen, is een godsdienst nodig. Mandeville geeft dit aan in zijn 'Eerste monoloog' van 'Een onderzoek naar de oorsprong van de eer en het van christelijkheid bij oorlog'. Het is volgens hem heel zeker dat er geen grote samenlevingen zijn, dat goed bestuurd kan worden zonder godsdienst en dat er ook nooit een natie is geweest waar niet een of andere vorm van aanbidding plaatsvond of niet in een of ander godheid geloofde (Mandeville/Eer, p. 48).
    Voor de Friese gemeenschappen gold dit, volgens mij, waarschijnlijk ook. Al kun je afvragen in hoeverre dit grote gemeenschappen zijn geweest tot nu toe. Er is echter maar weinig bekend over de religie van de Friezen. Om er enigszins een beeld van te kunnen vormen moeten we naar de buren uit de Scandinavische landen kijken. We komen in Vita Willibrordi de god Fosite tegen, die op een eiland Fositesland (vermoedelijk het huidige Helgoland), naar hem vernoemd, geëerd werd. In de IJslandse sages natuurlijk de god Thor (Þórr). Verder kunnen we de Germaanse goden, waar onze dagen naar vernoemd zijn, Wodan, Donar en Frija noemen. Ook Tîwaz zou een Friese god zijn, wat bevestigd wordt door een wijsteen in Housestead, waarop ook de twee namen van Friese godinnen Beda en Fimilene staan. Daarnaast zou er nog een godin Baduhenna zijn en -ook Fries- Hludana, volgens gevonden inscripties o.a. in Beetgum. Deze godheid is waarschijnlijk een aardegodin en er zijn overeenkomsten met de Noorse godin Hloðyn (Nijdam/Redbad p. 21-25).
    Daarnaast hadden we gezien dat de Friezen geen staat hadden die bestuurd werd. Dus met deze vergelijkingen schieten we niets op.
    Vele aanbaden voorheen waarschijnlijk deze diverse goden en later -nadat vele gekerstend waren- gingen ze over op het christendom. Weer veel later werd dit een broedplaats voor vele nieuwe richtingen en afsplitsingen in het christendom, wat eigenlijk ook weer te denken geeft, dat dit juist in deze omgeving gebeurde.
    Vanaf de intrede van het christendom gaat het verhaal van Mandeville wel houtsnijden. Immers de Franken krijgen enige invloed al verweren de Friezen zich daartegen. Maar langzamerhand krijgt de invloed van heersers links en rechts toch de overhand. En zelf vanuit de Friezen staan er mensen op die de trucjes gaan gebruiken om machthebbers te worden, zoals we verderop zullen zien.


    Saterland
    Om het machtsgeweld en/of storm- en overstromingsgeweld te ontvluchten gaan drie families over het water, via de
    Eems en de zijtak Leda (bij Leerort) op en komen uit in het door veen omringde en alleen middels het riviertje Sagter Ems of Seelter Äi (in het Saterfries) bereikbare zandgronden, wat nu Saterland heet.
    Het gebied van Saterland was van oorsprong eigenlijk Saksisch, toen de eerste Friezen in de 12e eeuw dit gebied introkken en aanspraak maakte op de Friese Vrijheid, die hun geschonken zou zijn door Karel de Grote. Hoe dit in werkelijkheid zit hebben we reeds eerder besproken. Voor de Saterlanders geldt een enigszins afwijkend verhaal. Dit komt later nog uitgebreid aan bod bij het hoofdstukje "Einde Saterlanders vrijheid" . Wel was hun uitzonderingspositie ten opzichte van de andere dorpen en steden, aanwezig.
    Handschrift Johann Friedrich Minssen
    Mittheilungen aus dem Saterlande. Im Jahre 1846 gesammelt.

    De Sagter Ems wordt gevormd of gevoed door de stroompjes Marka en Ohe.
    Er doen een aantal verhalen de ronde over deze kolonisatie van deze onbewoonde zandheuvels. De drie familie zouden zich vestigen in de drie door hun gestichte plaatsen Strücklingen, Ramsloh en Scharrel. Met gebruikmaking van deze geografische betekenisvolle aanduidingen lijken de plaatsnamen logisch en dus kunnen ze omgekeerd iets zeggen over hoe het er bij naamgeving uit heeft gezien.
    In Strücklingen herkennen we de struiken die dit gebied bedekte.
    Rahmsloh kunnen we splitsen in Ram en loh. In loh herkennen we loo, wat voor woud of bos staat en Ram betekend in het midden Nederduits grensboom (al heb ik dit niet kunnen verifiëren).
    Scharrel werd eerder geschreven als Scharloo.
    Het gebied zelf, Saterland, werd ook geschreven als Sagharderland, wat gesplitst kan worden in Sag voor sage, segge in de betekenis van laag of ondiep en hard voor bebost heuvellandschap (Klöver/Spurensuche, p. 22; Heese/Saterland, p. 44).
    Samengevat:
    Ramsloh, het beste hout, een langgerekte heuvel met bos.
    Scharrel, grenswal of grensbos.
    Ellerbrock, elsenbroek.
    Strücklingen, een met struiken begroeid gebied en
    Utende, een nederzetting in de uiterwaarden, dat regelmatig onder water stond (Heese/Saterland, p. 305).
    > Maar ook dit komt mij vreemd voor. Segge kan ook duiden op Zegge (planten van het geslacht Carex) die behoort bij de cypergrassenfamilie. En in een waterrijk veengebied komt dit veel logischer over. En dus hebben we het over een zanderig heuvellandschap, waarop vele cypergrassen-achtigen groeien.
    Deze benaming zou dan vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeld de Biesbosch, gebied tussen Brabant en Zuid-Holland, waar een bos van biezen was.


    Net als bij vele andere namen kent ook Saterland er vele. Uit verschillende bronnen, talen en kaarten kunnen we de volgende opsommen. Saderlandt, Saegeterland (1617), Saegelterland, Saeterland (1617), Sagaterland (1588), Sagelte, Sagelten, Sagelter (1474), Sagelterland (1401, 1415), Saghelsland (1457), Sagterland (1587), Sagtlerland (1588), Saijterland (1706), Saterland, Scharlesagitte, Seelterlound, Segelterland (1417), Seghelterland (1424), Sighilterland (1850), Szagelterland, Zagelte, Zagelten, Zegeerderland, Zegelterland (1457).
    (Klöver/Spurensuche; Heese/Saterland)
    In de eigen taal is het echter alleen Seelterlound en noemen ze zichzelf Seelter (Heese/Saterland, p. 305).
    Sagter-Ems stroomafwaarts en -opwaarts (rechts).
    Bij het maken van de foto was het duidelijk te merken dat het vloed was. Het water stroomde namelijk hard landinwaarts. Dus bij slim gebruikmaken van de stromingen, konden de Saterlanders makelijk op en neer komen.
    Vanaf het bruggetje bij Bokelesch (Johanniterstraße-Klosterstraße).

    Over de etymologie van Saterland bestaat nog niet een echte overeenstemming.
    Maar ook verstaan de onderzoekers onder Saterland en Scharrel soms verschillende plaatsen. De onderzoekers Niemann, Von Richthofen en Siebs bedoelen, wanneer ze het over Sagelterland hebben eigenlijk het kerkdorp Ramsloh en met Scharlevresen bedoelen ze Scharrel. Hettema en Posthumus bedoelen daarentegen met Scharlevresen het Oostfriesche Scharrel bij Detern, wat zo'n 16 km ten noorden van de Saterlandse Scharrel ligt.
    Volksverhalen geven een aantal mooie verklaringen voor deze namen.
    Eén verhaal vertelt over de gevluchtte kolonisten, die weer voor het eerst een bezoekje brengen aan de mensen die ze van vroeger kennen. Op de vraag van hun, waar ze nu verblijven, antwoorden de gevluchte, dat ze nu in een goed en veilig land woonden, waar ze van alle kanten beschermd waren en de enige ingang (via het water) alleen bij hun bekend was. Hierbij is een goed land in de toen geldende taal een Saterland of Sachterland.
    Een ander anekdote gaat over een vete tussen de graaf van Tecklenburg, die een bewoner van dit gebied gevangen had genomen. En omdat hij de gevangene tijdens het verhoor niet goed kon verstaan, omdat ze verschillende talen spraken, vroeg de graaf aan zijn mensen "Wat zegt die man?", waarop zij antwoorden: "Er sat eer Land sy fry."
    Een ander verhaal stamt uit de tijd dat er nog geen kerken waren in dit gebied. De mensen gingen -vanwege de tijdsduur, zo'n 8 uur- al op zaterdag (Satertage) richting het dorp waar ze op zondag naar de kerk gingen. Hier hadden ze een gezamenlijk gebouw Drögelhus, waar ze zich eventueel van hun natte kleding konden ontdoen en/of konden omkleden en eventueel ook slapen. Deze mensen werden door de bewoners van het dorp daarom Satertäger genoemd. In de Hümmlinger Walde schijnt nog de overblijfselen van een kerk te staan, die Saterkirche genoemd werd.
    Waar deze kerk precies gestaan heeft, is niet geheel duidelijk. Er zou sprake van kunnen zijn dat dit in Lastrup (Lasdorp) zou liggen, maar door een schrijffout kan dit ook in Lorup (Ladorp) liggen. Lastrup is echter wel zo'n 8 uur lopen (5,5 km/u), Lorup slechts zo'n 5 uur. De kerk van Lastrup zou ook geen speciale Saterkirche - Saterkarke gehad hebben, maar een Saterecke. Mocht de Hümmlinger Walde in de buurt liggen van het huidige Börger, dan zou dat zo'n 6 uur lopen zijn. Op de Hümmling wordt het verhaal verteld dat de Saterländer in Bokeloh (bij Meppen) kerkten. Dit is ruim 10 uur lopen (en ze moeten ook nog weer terug!). In deze kerk zou een Saterthür zitten.

    Verder zou Saten ook kolonisten kunnen betekenen. Ook passeren Oudfriese woorden als Sad en Sath als mogelijk opties, wat zoiets als moeras of poel betekent.
    Hoe het ook zij, de verhalen over de drie families Block, Awick of Auk en Kerkhoff, zijn hardnekkig. Kerkhoff stichtte Utende of Strücklingen, Block vestigde Ramsloh en Auk trok door en bewoonde Scharrel. De namen zouden vernoemingen zijn van de aanzienlijkste vrouwen van het gezelschap. Strukje (Strukelje), Romje (Romelse) en Gerdeltje (Scheddel) heten deze kerkdorpen in het Saterfries (Kramer/Lound, p. 31-32; Klöver/Spurensuche, p. 33-35; Heese/Saterland, p. 44, 70; I. Saterland, p. 1855 e.v. uit Strackerjan/Aberglaube).

    Een ander verhaal gaat over de naamgeving van het latere Sedelsberg. In de tijd dat er hier nog geen huizen waren en dus nog niemand woonde, gingen de mannen van Scharrel in deze omgeving turfsteken. De vrouwen brachten later op de dag het eten naar hun mannen. Maar omdat het eten door de voettocht weer koud was geworden, gingen ze op deze zandheuvel het eten weer opwarmen. Deze zandberg noemden ze in het Saterfries Seedelsbierich, waarin we Ketels- of Settelsberg dienen te herkennen. Het verband met ketel (opwarmen van het eten) kunnen we wel maken. In de loop der tijd werd dit Sedelsberg (Heese/Saterland, p. 288-289).

    Bijzonder aan dit gebied is dat het door het omringende veengebied een afgesloten gebied was, met maar één in- en uitgang: de Sagter Ems. Hierdoor werd hier nog steeds Fries gesproken, terwijl het Saksisch / Nederduits / Hoogduits al eeuwen geleden was ingevoerd in Ostfriesland. Pas in de 19e eeuw kwam hierin enige verandering.


    Einde gouden periode in 10e eeuw
    Hoewel de handel voor de Friezen nog steeds gunstig was, kwamen er steeds meer handelaren die van de successen van de Friezen overnamen. Na eeuwen handelsposten te hebben in buitenlandse oorden, vertroebeld het Fries-zijn en gaan ze op in de rest van de bevolking en als zodanig dus niet meer herkend als Fries. In documenten werden ze niet meer als zodanig benoemd. Ook de Denen, Zweden en Noren, Saksen gingen handelen in 'voormalig typische Friese goederen', ze vervoerden het met dezelfde Friese scheepstypen als de Kogge.
    Ze werkten er zelf ook wel aan mee. Diep in Zweden ligt Sigtuna (de opvolger van Birka), waar de Friezen ook een eigen thuisbasis hadden, werden Zweeds-Friese handelsgenootschappen opgericht. Hierin konden de kooplieden, schippers en andere belanghebbende elkaar ondersteunen bij slechte periodes, sterfgevallen, ongelukken. Een sociaal netwerk in tijden van nood voor één van de deelnemers. Zo waren er naast de in de 8e eeuw ontstane handelsplaatsen nu ook nieuwe ontstaan in vooral riviergebieden in het huidige Duitsland: Hildesheim, Brunswick, Magdebourg, Goslar en Erfurt.
    Kerfstokken uit de bakkerswinkel
    Iedere klant had een lat met zijn naam er op.
    Wanneer hij brood haalde zonder te betalen, werd met het broodmes een kerf in de lat gemaakt. Men haalde dan zogenaamd "op de lat".
    Na betaling werden met het mes de kerven weer vlak gesneden.
    (bron: Oudheidskamer, Stadhuis, Bolsward
    zie ook reisverslag )
    Een bezoek aan de Karckezolder in Twisk verteld ons dat zowel de bakker als de klant een stok heeft. Zo kon bijvoorbeeld het huwelijksgeschenk van bijvoorbeeld 2 mud rogge omgezet worden in brood ).
    Dit was weliswaar het einde van het Friese handelssucces, maar je kunt dit ook als het begin van een nog groter en breder los-vast geheel, wat we later gaan kennen als de Hanze. (Tuuk/Gouden, p. 122, 182; Henstra/Graafschappen, p. 18).
    Aangezien in deze periode de meeste afspraken waarschijnlijk mondeling werden gedaan, vrijwel iedereen was nog analfabeet, en het onderlinge vertrouwen was waarschijnlijk dan ook groot, en daarom hoefden er ook geen vrachtbrieven en contracten geschreven te worden, want deze zijn niet gevonden. Wel moesten ze natuurlijk onthouden hoeveel vaten et cetera, voor wie was, want er werd ook goederen in opdracht vervoerd. Dit werd dan gedaan door ze te merken of door dit bij te houden op -ons welbekend- kerfstokken (of Karvstock in het Zweeds). Dergelijke stokken zijn wel gevonden (Tuuk/Gouden, p. 123).
    > Met dit in het achterhoofd -niets op papier-, zou je op de gedachte kunnen komen, dat het ook niet nodig was om iets op papier te zetten. Er was nog vertrouwen in het handelen en men was nog deugdzaam. Vandaar dat er ook zo goed als niets terug te vinden is. Dit werd kort hierop wel anders. Er werd van alles aan het papier toevertrouwd om te voorkomen, dat men bedrogen werd, wat sindsdien dan ook veelvuldig voorkwam.


    Tielse handelaren
    Alpertus van Metz (Alpertus Mettensis) beschreef de Tielse handelaren zo rond het jaar 1000 in zijn werkje De diversitate temporum, een boekje over de mensen van onze dagen (libellum de nostrorum dierum hominibus), als een aparte groep. Ze hadden hun eigen regels en gewoonten. Ze hadden "schriftelijke toestemming van de Keizer" om hun eigen recht te hebben. Alpertus hield duidelijk niet van dit slag volk en schreef in niet mis te verstane bewoordingen dat ze eigenlijk een gevaar voor de handel en samenleving met hun bedrog en goddeloosheid, vormden (Tuuk/Gouden, p. 137; Graichen/Hanse, p. 89).
    > Dit hartstochtelijk verhaal is door een erg religieuze bril geschreven, maar klinkt me intussen allemaal erg bekend in de oren. Het lijkt erop de deze Tielse handelaren dus eigenlijk de Friese handelaren zijn.


    Begin Hanse
    Ook de opkomst van de Hanse gooide voor de Friezen uiteindelijk ook roet in het eten, al zullen er vast Friese handelaren deelgenomen hebben in deze steden. De Hanse heette in het begin nog niet zo. Eerst duiden ze zich aan als "groep kooplieden die graag met Gotland willen handelen" / universitas mercatorum terram Gotlandie gratia mercandi applicantium.
    De eerste tekenen op schrift zijn gevonden op een perkament uit St. Peterhofes te Nowgorod die Schra dere Dhutschen to Nogarden. In het middel Nederduits staat hierop onder andere het volgende geschreven:
    recht, dhat van aneginne gehalden is unde gewesen hevet in dheme hove dhere Dhutschen to Nogarden
    van ganceme rade unde van eneme gemenen wilcore dhere wisesten van allen steden van dhutscheme lande
    to haldende allen dhen genen, dhe dhen beschenen hof pleget to søkende bi watere unde bi lande
    so wanne se komet in dhe Ny
    so solen se oldermanne kesen dhes hoves unde synte Peteres under sic selven, dhe dahr rechtest to sin, van wiliker stat so se sin
    Dhese olderman dhes hoves, dhe hevet vorth vrien wilcore to kesende ver man eme to helpe, dhe eme rechtest sin; we sic dhes enten wille, dhe betere sante Peter I marc silveres
    (Graichen/Hanse, p. 56-58).
    Van deze Schra (of Skra, scra, schrage) zijn er zeven variaties / versies gevonden. Deze versies worden uitgebreid besproken in Die Nowgoroder Schra : in sieben Fassungen vom XIII bis XVII Jahrhundert / Wolfgang Schlüter. In de Russische uitvoering staat vanaf pagina 42 naast een middel Nederduitse versie de Duitse en Russische vertaling. In hoofdstuk 9 van The Skra of Novgorod : Legal Contacts Between Russia and Western Europe in the Middle Ages / Ferdinand Feldbrugge worden de versies in historisch context geplaatst.
    Deze Willkür of willekeuren (wetteksten of regels) lijken sterk op het Friese rechtssysteem dat ook elders in deze omgeving, tot een canon aan rechtsregels heeft gezorgd, zoals al zagen en nog zullen zien. Deze regels vonden hun weg naar rechtsteksten waarvan sommige in het hele Friese kustgebied bekend en geldig waren (zoals de Zeventien Keuren en de Vierentwintig Landrechten), en andere een meer regionaal karakter hadden (zoals het Emsingoër Penningschuldboek of de Brokmerbrief). Deze teksten behandelen verschillende aspecten van het recht: huwelijksrecht, erfrecht, procedurerecht, ‘strafrecht’ of beter ‘conflictrecht’ (vanwege het ontbreken van een overheid en een politioneel apparaat)."
    Tegenwoordig heeft het woord willekeur een uitermate negatieve betekenis. Dit was echter in deze periode vanzelfsprekend. Willekeur betekent dan ook niets anders dan met eigen wil een besluit nemen. Iets wat elk welwillend mens doet. In deze periode en context worden door diverse handelaren uit verschillende steden afspraken gemaakt en regels opgesteld, waarmee ze met en uit eigen wil tot een groepsbesluit of groepsregels komen. De juristen van de vorsten en landheren van de territoriale staten begonnen echter dit oude recht van de mensen in diskrediet te brengen om hun eigen vorstelijke rechtspraak er doorheen te drukken omdat zij hier natuurlijk meer invloed / macht mee kregen. En met groot succes. Tegenwoordig denkt iedereen bij willekeur aan principeloosheid en wanordelijkheid (Graichen/Hanse, p. 54)!
    Om deze betekenisverschuiving te bewerkstelligen, kan men gebruikmaken van de verbeeldingskracht. De protagonist laat met allerhande middelen (pracht - praal - schoonheid - kunst - wonderen - simpele boodschappen die blijven hangen: soundbites, oneliners en cliffhangers) de gebruikte woorden hun werk doen om te overtuigen. En overtuiging is vanzelfsprekend geen rationele overweging. Wanneer de jurist, heer, vorst eenmaal met taaldaden begint te spreken, kan de overgang gaan plaatsvinden. Op een soortgelijke wijze kunnen we ons ook een naamwijziging - van Friesland naar Holland - voorstellen.
    En ook tegenwoordig wordt er nog veelvuldig gebruik gemaakt van 'verschuivende betekenissen'. Ook nu wordt er in de politiek door populisten met omkering van symbolische betekenissen gewerkt, met m.i. wederom hetzelfde doel als de vorst en landheer, absolute macht in een totalitaire staat en daarmee zonder vorm van democratie, waarbij het volk er slechts nog is als onvrije diender voor de leider. (Frissen/Fatale Staat, p. 27, 29, 41, 166-169)
    Het is dan ook niet zonder reden - om weer terug te komen bij onze middeleeuwse handelaren - dat de heren handelaren deze afspraken maakten in een gebied waar hun vorsten en landheren geen invloed hadden, bijvoorbeeld Visby, Smolensk of Nowgorod. In deze steden sloten de machthebbers/heersers van de plaatselijk steden wel verdragen met deze verzameling handelaren, die hiervoor de zegel "Siegel aller Kaufleute" gebruikten.

    11e en 12e eeuw
    Ook aan het einde van de 10e eeuw zorgden keizerlijke giftbrieven ervoor dat delen van Friesland werden weggegeven. Zo ontving Graaf Dirk II -door tussenkomst van zijn zoon aartsbisschop Egbert van Trier, Hollander van afkomst, lid van het regentschap- een keizerlijk gunstbrief (25 augustus 985) voor het land Gemarchi bij Medemblik (Medemelacha) en de keizerlijke bezittingen van Texel. In 986 ontving Ansfried, bisschop van Utrecht, de munt, tol en cijns te Medemblik. Dit oneigenlijk verdelen zette uiteraard kwaad bloed bij de West-Friezen, wat resulteerde in een strijd tussen de Hollanders en Friezen voor de komende drie eeuwen.
    Tegelijkertijd hadden de Friezen ook te kampen met de Noormannen, die met enige regelmaat de kerkschatten en de kostbaarheden van de kloosters kwamen leegroven. Zo bezochten ze onder andere de bloeiende Stavoren en Uitgong (in de buurt van Berlikum/Berltsum). Soms bleven ze langer hangen en bezetten ze het gebied met veel ophef: "het bloed van duizenden Friezen aan de zwarten wolf te drinken gegeven te hebben."
    Wanneer de Friezen ook maar enigszins in staat waren om genoeg mensen op de been te brengen, dan waren ze ook in staat om ze te verjagen. Zo ontkwam de Noorman Egil met moeite aan een Fries zwaard. (Witkamp III, p. 630)
    Het Zwin bij eb, 6 mei 2013, richting de vroegere havensteden Sluis, Damme en Brugge, waar de Friezen vanaf de begintijd op voeren.
    (Links van het Zwin het huidige Nederland en rechts België.)
    Merk op dat het hier nog steeds om delen van Friesland gaat die worden weggegeven. Ook na het jaar 1000 wordt het gebied tussen het Zwin en Vlie nog steeds aangeduid met (West-)Friesland, al is er geen [organisatorisch] verband meer tussen deze en de andere Frieslanden (Algra/Ein, p. 7, noot 48).
    > Het gebruik van de 'Hollander' door Witkamp is in deze periode vreemd, aangezien een eerste vermelding van een Holland-achtig woord pas ruim twee eeuwen later voorkomt !

    De landvoogden en de grote leenheren (die de gekregen gebieden konden overerven en nu graven genoemd), die de keizerlijke rechten moesten handhaven, schijnen met enige regelmaat te worden afgezet omdat ze hun taken niet waardig volbrachten. Ook de geestelijken probeerden zoveel mogelijk gebied in handen te krijgen. Tussen 1040-1046 kwamen de Groningse keizerlijke hof, Drentherwolde en Drenthe in handen van de bisschoppen. De Breemse Bisschoppen kregen rond 1057 het voorheen door Egbert beheerde graafschap in handen. Dit is bijna heel Hunsego en Fivelgo.
    In Alkmaar kwam Godfried, hertog van Lotharingen in de problemen toen de Friezen zijn oprukkende troepen stopten. Bisschop Willem van Utrecht moest hem uit zijn benarde situatie redden en vroeg hiervoor zeggenschap over het graafschap Stavoren. Ondanks de keizerlijke gunstbrieven is Stavoren nooit ingelijfd bij het Sticht.
    Eigenlijk gold voor elke overwinning op de Friezen tussen het Vlie en de Lauwers, ze waren steeds van tijdelijke aard. Of hier nu een keizerlijke giftbrief aan ten grondslag lag of niet, telkenmale wisten de Friezen deze vazallen weer het land uit te krijgen.
    > Waarover ik nog niets ben tegengekomen, is het feit dat er diverse leenheren over diverse Frieslanden gestrooid zijn, en dat hiermee mogelijk het gebied een andere naam krijgt, maar daarmee veranderen de inwoners niet. Dezelfde mensen blijven juist in deze gebieden wonen. Dus eigenlijk kun je evengoed stellen, dat de Friezen een heer kregen van niet Friese origine. Dat hij zijn gebied niet meer Friesland wil noemen, dat maakt de bewoners niet opeens minder Fries. Dit zou voorlopig nog niet opgaan. Eerst volgt een periode van heerschappen die zich weer los van keizers proberen te weken. Zij zullen later gegroepeerd worden onder de noemer 'Huis van Holland', maar echter geheel van Friese afkomst. Dat ze daarentegen ook met elkaar de strijd aangaan om grondgebied te veroveren en hun macht uitbreidden, puur en alleen voor de macht, geeft al aan dat het hier gaat om hetzelfde slag mensen, als waartegen andere Friezen ooit gezamenlijk streden. Aan die tijd lijkt voor het West-Friese deel definitief een einde te komen.


    Friese heerschappen van Holland
    Een heet hangijzer voor de omgeving is dit altijd geweest: Holland. Ook leidt het tegenwoordig nog steeds tot een hoop verwarring in het buitenland en wekt het in het binnenland irritatie. Eeuwenlange frustratie door een paar letters.


    Holland - Holtland
    Als genealoog ben je gewend om diverse schrijfvarianten van persoonsnamen bij je onderzoek te betrekken. Gezien de hedendaagse mogelijkheden is het misschien aardig om de varianten van het aloude probleem Holland en Houtland op een rijtje te zetten. Mogelijk werpt dit nieuw licht op dit spraakmakend onderwerp.

    Schrijffouten?
    Wanneer we in een overzichtje de varianten noteren die voorkomen in de diverse namen, kunnen we tot de conclusie komen dat het ook mogelijk is dat we te maken hebben met -zoals gebruikelijk bij het schrijven- spel- en taalvarianten of taal- en schrijffouten:

    Hollandia, Holandiae, Holande, Hotlande, Hothlandia, Hoilande, Hoylandiae, Hoylonde, Hoyllaunde, Horlaunde - Ex rerum Anglicarum scriptoribus saec. XII. et XIII, p. 564

    Ook gecombineerd met enkele 'mannen van naam' levert de nodige variatie op:
    de Hotland (Willelmum) - 1213 - Ex Annalibus Dunstaplensibus, p. 41
    Wilkinum de Hotlonde - 1213 - Annales de Dunstaplia, p. 41
    Gillelmus de Hollandia - 1248 - Ex rerum Anglicarum scriptoribus saec. XII. et XIII, p. 382
    Willelmo de Holandia - 1250 - Ex rerum Anglicarum scriptoribus saec. XIII, p. 508
    Willelmum de Holondia - 1251 - Ex rerum Anglicarum scriptoribus saec. XIII, p. 508
    Wilquinum de Hollendia - 1254 - Ex rerum Francogallicarum scriptoribus, p. 681

    Florencio comiti Hollandie - 1268 - Iohannis Longi Chronica S. Bertini, p. 856
    Florencium comitem Hollandye - 1270 - Chronicae principum Brunsvicensium fragmentum, p. 27
    Florencius comes de Hoylande - 1291 - Ex rerum Anglicarum scriptoribus saec. XII. et XIII, p. 464

    Uit Annales Egmundani A. 1159-1162, p. 462 volgt hieronder een stuk volledige tekst, waaruit volgt dat de schrijfwijzen kort op elkaar kunnen variëren:
    Anno 1161 . domnus Walterus abbas , bonorum memoria dignus , post renovationem ordinis et status Egmundensis cenobii , post constructionem et ornatum templi , post claustri et omnium officinarum edificationem , post fratrum de parvo numero in magnum aggregationem , obiit 4 . Kal . Decembris , cum praese disset ecclesiae annis 31 , mensibus duobus , diebus 21 , indictione 9 , concurrentibus 6 , epactis 22 . Cui successit Wiboldus abbas . Eodem anno Fresones de Drechtren cum comite Holtlandensi Florentio pactum pacis inierunt post triginta annorum et amplius discordiam , et omnes Fresones sub una pace fuerunt .
    Anno 1162 . Florentius comes Holtlandiae sororem regis Scottorum nomine Ada , cum magno navium apparatu ornatu et milicia advectam , duxit uxorem . Eodem anno validissima fames in multis locis , maxime in Lotharingia facta est , adeo ut modius avenae , qui plerumque pro quinque denariis vendi solebat , pro quinque solidis venderetur , modius ordei pro septem , tritici pro decem , multique mortales famis inedia morerentur .
    Eodem anno Frithericus imperator post diutinam obsidionem Mediolanum cepit , et expulsis veteribus colonis , urbem funditus exstirpavit . Eodem anno imperator Frithericus , rex Franciae Lothewichus , et Heinricus rex Angliae cum multis episcopis abbatibus ducibus comitibus et aliis baronibus regnorum suorum maximum concilium habuerunt in civitate Burgundiae Bisenszun , pro discordia quae erat inter papam et papam , nec in unum convenire potuerunt , quia plures erant qui Alexandro favebant , nec imperator suum papam deserere nec alteri consentire volebat .
    Eodem anno Florentius comes , filius Theoderici comitis , inspiratione divina conpunctus , recognovit patrem suum in hoc errasse quod capellano suo Thit boldo Flardinge ecclesiam violenter magis quam iuste tradiderat , et optulit eam cum fratre suo Robberto ecclesiae Egmundensi , quam quondam Arnulfus comes cum filiabus suis eidem ecclesiae Egmundensi contulerat . Et quia eadem ecclesia sub banno primum tradita fuerat , domnus Wiboldus abbas cum omnibus presbiteris albis indutis stolis circumdatis , eum et patrem eius banno absolvit .
    De vertaling in Google (van mei 2015) ziet er als volgt uit:
    In het jaar 1161. Heer Walter, abt, waardig te worden herinnerd door goede mensen, na de verlenging van het klooster van de orde, en de toestand van de Egmundensium, na de bouw, en draaide de schoonheid van de tempel, na de bouw van het klooster, en van al het laboratorium, na de broers, van de samenvoeging van een aantal kleine in het grote, stierf 4. Kal. Van december, toen president van de kerk op, 31 jaar, twee maanden, op de dagen 21, indictie 9, met de aanwezigheid 6, epactis 22. Hij werd opgevolgd door Wiboldus abt. In hetzelfde jaar Frisons van Drechtren graaf van Holland Floris vredesakkoord na meer dan dertig jaar en tweedracht aangegaan, en al de Friezen waren onder de vrede.
    In het jaar 1162. Florence komt Holtlandiae zuster van de koning van de Schotten genaamd Adam, met een grote hoeveelheid ingevoerde militaire apparatuur, kleding en getrouwd. In hetzelfde jaar in de volle tij van de hongersnood in vele plaatsen, vooral in de Lotharingen het werd gemaakt, zozeer dat een maatregel van fijne haver, die vaak worden gebruikt om te worden verkocht voor vijf zilveren munten, verkocht voor vijf shilling, zeven voor een maatregel van gerst, tarwe goed voor tien, en veel stervelingen hongersnood stierven van de honger.
    Datzelfde jaar, na een lange belegering van Milaan Frithericus commandant gevangen en gedreven door oude kolonisten, de stad volledig uitgeroeid. In hetzelfde jaar de keizer Frithericus, Lothewichus de koning van Frankrijk, en Henry was de koning van Engeland, met veel van hun bisschoppen, abten van de koninkrijken van de grootste leiders hield een bijeenkomst in de stad van de graven van Bourgondië en andere baronnen Bisenszun, dat was in de plaats van wanorde tussen de paus en de paus, noch in de ene plaats, kon niet, want er waren veel meer die Alexander begunstigd, en zou noch de keizer moeten zijn toestemming aan de paus of aan een andere verlof.
    In hetzelfde jaar, Florentius, komt, van Theodoric, de zoon van de graaf, vol wroeging bij de inspiratie van het goddelijke, erkende hij dat hij in deze had gedwaald, zijn vader, de aalmoezenier gaf hem meer dan alleen zijn eigen Thit boldo Vlaardingen geweld ging de kerk, de kerk, en hij bood het aan zijn broer: Robbertus Egmundenses, dan een keer naar dezelfde graaf Arnulf en de steden daarvan, Kerk egmundensium teruggetrokken. En omdat de kerk werd opgericht op straffe van de eerste keer dat ze had gekregen, met alle priesters in witte gewaden, het dragen van de gewaden van de Heer abt van Wiboldus, om hem heen, en zijn vader, en veroordelen van de conferentie.

    In MGH 16: [Annales aevi Suevici] waarin ondere andere de Annales Egmundani A. 1159-1162 staat, levert 173 zoekresultaten op zoekvraag Hol*an*. Hieronder komt in de door redactie gemaakte inhoudsopgave, waarin Frisia et Hollandia als noemer wordt gebracht 1 maal voor en in de index ook nog eens 56 keer. Deze zijn hieronder buiten beschouwing gelaten:

    Holandenses p. 577
    Holdland p. 447 (1071)
    Holdlandiae p. 447 (1063)
    Holthlandensem p. 466
    Holtlandense p. 453
    Holtlandensem p. 464
    Holtlandensi p. 462
    Holtlandensis p. 455, 455, 456 (2x), 460, 461, 466 (2x)
    Holtlandia p. 757
    Holtlandiae p. 452, 462, 463, 464, 466
    Holland p. 372 (Nederlandstalige boektitelverwijzing), 484 (zie Opvallend), 740, 740, 742
    Hollandensem p. 473, 474, 475, 574
    Hollandenses p. 475, 476, 576, 577 (2x), 578, 582, 583
    Hollandensi p. 469, 576
    Hollandensibus p. 442, 477, 577, 582, 583 (3x), 584
    Hollandensium p. 444, 475, 477, 579, 580, 581, 582, 584
    Hollandensis p. 467, 468, 468, 468, 469, 470 (2x), 471, 473
    Hollandia p. 367, 426, 460, 473, 476, 575, 581 (2x), 591, 597, 740
    Hollandiae p. 326, 361, 362 (3x), 363, 371, 429, 443 (6x), 444, 445, 452, 452, 469 (2x), 470, 471 (4x), 473 (3x), 559 (2x), 655, 657, 657, 671, 678
    Hollandiam p. 372, 373, 374, 473, 475, 476, 478, 578 (2x), 579, 597, 655, 657
    Hollandie p. 28, 35, 37, 443, 469, 469, 478, 560, 575 (2x), 576 (5x), 577 (4x), 579, 579, 581, 590 (3x), 591, 597, 606, 607 (2x), 616, 627, 628, 737
    Hollant p. 182, 326

    Opvallend:
    In een enkel geval worden we met het in de huidige tijd meest duidelijk gebruikte term 'Holland' kennelijk op het verkeerde been gezet. We lezen:
    1253 . Inundatio maxima in partibus Holondere et Holderne, waarbij Holondere in pago Lincolniensi als Holland wordt gezien en Holderne in pago Eboracensi als Holderness. Holderness is het gebied aan de noordelijke kant van de Humber monding bij Hull, Engeland. Op p. 757 van de Index rerum, staat echter "Holondere, Holland in Anglia", dus in Engeland. Dit ligt aan de zuidelijk kant van diezelfde Humber, het gebied van Lincolnshire. Dit is een gebied met een landschap dat vergelijkbaar is met ons holland=laagland. Ook niet vreemd dat hier de voldoende Friese (handels)sporen zijn terug te vinden zijn. Ook is het dan niet vreemd, dat deze gebieden in de 21e eeuw deelnemer zijn aan het LancewadPlan , net als alle andere Friese gebieden.

    Alles overziend zijn er dus nogal wat varianten en variaties (met persoonsnamen) mogelijk, waarbij de meest voorkomende afwijkende stam Holtland (Holdland) dus voor de al eeuwendurende verwarring zorgt met de uiteindelijke naamgeving Holland.
    In een samenvattend denkproces van Muller, waarin hij de argumenten van vele bekende geschiedkundigen, waaronder Kluit, Van den Bergh, Fruin en Gombault nog even de revue laat passeren, komt hij zelf nog met een nieuwe optie.
    De geschiedkundigen hebben het over taalregels, woordgeschiedenis, discussies over wanneer iets 'houtland' genoemd mag worden. Ik vermoed dat de mensen zich daarmee in het dagelijks leven -net als nu- niet echt bezighouden.
    Een naar mijn smaak interessant discussiepunt is het raadselachtige dat Fruin beschreven heeft. In het Teuthonista is ons moeraslandschap gelijk aan 'olland', dus broekland. Holland betekent dan dus niet 'houtland' maar 'moerasland' of 'broekland'. Voor het 'buitenland' een logische aanduiding van dit gebied.
    Een andere optie zou kunnen zijn dat 'hol' afkomstig is hoele of whoele of ûle, dat herkend in geografische zin als knik of bocht.
    Echter, in datzelfde Teuthonista komt het wegvallen van de eerste 'H' niet voor. In het Nederlands komt eferesis van medeklinkers ook nauwelijks voor.
    Verderop in dit verhaal komen we echter een ander verschijnsel tegen, dat hierbij perfect aansluit, in het taalkundig uitstapje van de H-deletie bij 'schippers' . Het komt neer op verdwijnen van de 'h' waar het staat en het toevoegen van de 'h' waar het voor een klinker ontbreekt.
    Dat dit echter niet alleen hier voorkomt, blijkt ook het onderzoek van Hermann Garke dat in 1891 het boek met de titel Prothese und aphärese des H im althochdeutschen het licht deed zien, waarover Wilh. Bruckner een recensie schreef. Intussen komt Muller tot de conclusie dat wegvallen van de 'h' de discussie verliest van de 'houtland'-optie.
    (bron: MGH; Muller/Holland, p. 305-312; Pye/Noordzee, p. 55; Andere kennis---Taalkennis---deel 3, 27 November 2009, 21:54 Het verhaal van de ûle en de (w)hoele / T. de Wolff, hier wordt ûle als knik verklaart, ûle als in hoele of whoele heeft vele taalkundige afgeleiden, zoals bijvoorbeeld hol (maar ook hel, el, hul, hool, heul, ule, welle, wolle, wiel en wolf);
    )

    Gerulf (±850 - ±896)
    (jr)

    /
    Waldger
    > 915
    Alberade (854 - <919)
    weduwe van graaf Reinier van de Maasgouw (~850 - 915)
    kregen kind met naam Radboud
    &
    Dirk of Dirk
    I / I bis
    Thidericus Fresonie
    /
    Dirk / Diederik (±932 –
    Egmond 06-05-988)
    II

    ±950
    Hildegard (±936 - 10-04-990)
    van Vlaanderen
    /
    Arnulf / Aarnout
    (Gent ±951 –
    Winkel 18-09/11-993)
    van Gent (Gandensis)

    980
    Lutgardis
    (±960 - 14-05/09->1005)
    van Luxemburg
    Liutgard / Liutgardis / Liutgarde
    /
    Dirk (±982 – 27-05-1039)
    III
    Hierosolymita
    (de Jeruzalemganger)
    Othelhilde (±985 -
    Quedlinburg 09-03-1043/44)
    /
    Dirk (±1015 - Dordrecht 13-01-1049)
    IV
    &
    Floris (±1025 –
    Nederhemert 28-06-1061)
    I

    ±1050
    Geertruida (±1033/5 -
    03/04-08-1113)
    van Saksen | (Billunger)
    /
    Dirk (±1054 - 17-07-1091)
    V
    Othelhildis (±1065 -
    18-11-1120)
    van Saksen | (Billunger)
    /
    Floris (±1085/1091 - 02-03-1122)
    II | van Holland
    de Vette | de Dikke
    Geertruida (±1082 -
    23-05-1144)
    van Saksen | (Billunger)
    Petronilla/Petronella
    Gertrud
    von Oberlothringen
    /
    Dirk (±1114 - Utrecht,
    05-08-1157)
    VI | van Holland

    ±1125
    Sophia (±1120 -
    Jeruzalem, 26-09-1176)
    van Rheineck
    /
    Floris (±1140 - Tyrus,
    Antiochia 01-08-1190)
    III | van Holland

    28-09-1162
    Ada (±1145 - >1206)
    van Schotland
    van Huntingdon
    /
    Dirk (±1140 - Dordrecht,
    04-11-1203)
    VII | van Holland

    Loosduinen
    1186
    Aleid
    van Kleef
    &
    Willem (±1175 – 04-02-1222)
    I | van Holland

    Stavoren
    1197
    Aleid (±1182 - 12-02-1218)
    van Gelre
    /
    Floris 24 juni 1210 –
    Corbie, 19 juli 1234
    IV | van Holland

    06-12-1224
    Machteld (±1200 - 1267)
    van Brabant
    /
    Aleid (1228 - 1284)
    van Holland
    Aleid(a) van Avesnes

    09-10-1246

    \

    Jan
    (Houffalize 04-1218 -
    Valencijn 24-12-1257)
    van Avesnes
    & v
    Willem (Leiden 02-1227 -
    Hoogwoud 28-01-1256)
    II | van Holland

    25-01-1252
    Elisabeth (±1235 – 27-05-1266)
    van Brunswijk
    / v
    Floris (Leiden 24-06-1254 -
    Muiderberg 27-06-1296)
    V | van Holland

    1269
    Beatrix (Brugge ±1253
    - Soest 23-03-1296)
    van Vlaanderen
    / v
    Jan (±1284 - Haarlem
    10 november 1299)
    I | van Holland

    ~ *** ~


    07-01-1297
    Elisabeth
    (Rhuddlan Castle 07-08-1282
    - Quendon 05-05-1316)
    van Rhuddlan
    v
    /
    ---------
    /
    Jan (±1247 - Valencijn 22-08-1304)
    II | van Avesnes

    1270
    Filippa
    (1252 — 06-04-1311)
    van Luxemburg
    /
    Willem (1287 – Valencijn 07-06-1337)
    III | van Holland

    19-05-1305
    Johanna / Jeanne
    (Longpont, Picardië 1294 -
    Abdij van Fontenelle bij Maing, 07-03-1352)
    van Valois
    /
    Willem (1317 - Stavoren 26-09-1345)
    IV | van Holland

    ~ *** ~


    1336
    Johanna (24-06-1322 - Brussel 01-09-1406)
    van Brabant
    &
    Margaretha (24-06-1310 - Le Quesnoy 23-06-1356)
    II | van Henegouwen
    Margaretha van Beieren
    Margaretha van Holland en Henegouwen
    Margriet van Beieren

    Keulen
    26-02-1324
    Lodewijk de Beier (München 01-04-1282 – Puch 11-10-1347)
    (Wittelsbach)
    /
    Willem (Frankfort 12-05-1330 - Le Quesnoy 15-04-1389)
    V | van Holland | (Wittelsbach)
    Willem van Beieren
    Wilhelm I. (Bayern)
    Willem III van Henegouwen

    1352
    Machteld (Bolingbroke kasteel, Lincolnshire 04-04-1339 – 10-04-1362)
    van Lancaster | (House of Lancaster)
    Maud of Lancaster
    Matilda, Countess of Hainault
    &
    Albrecht (München 25-07-1336 - 's-Gravenhage 16-12-1404)
    van Beieren | (Wittelsbach)

    28-07-1353
    Margaretha (1342/1343 - 02-1386)
    van Brieg | (Piasten)
    /
    Willem (Den Haag 05-04-1365 - Bouchain 31-05-1417)
    VI van Holland | (Wittelsbach)
    van Oostervant

    Kamerijk
    12-04-1385
    Margaretha (Montbard, Bourgondië 16-10-1374 - Quesnoy, Henegouwen 08-03-1441)
    van Bourgondië | (Valois-Bourgondië)
    /
    Jacoba (Le Quesnoy ~16-07-1401 – Slot Teylingen 09-10-1436)
    van Beieren | (Wittelsbach)

    ~ *** ~


    ( Den Haag 1415) Jan van Touraine
    ( 1418) Jan IV van Brabant
    ( 1422) Humphrey van Gloucester
    ( 1434) Frank van Borssele
    bron:
    Henstra/Graafschappen, Verwantschapsschema's, p82 nt 40
    Cordfunke/Floris V, tabel 7, p 100
    De Maesschalck/Graven, stamboom 2, p.82
    De graven van Holland op rij;
    Dirk Iii van Holland;
    Foundation for Medieval Genealogy;
    Middelburg - Willem II, Graaf van Holland en Zeeland, Roomskoning;
    Waar is het graf van rooms-koning Willem II?;

    Wikipedia
    Gerulfingen, Floris II van Holland, Petronilla van Saksen, Petronilla von Holland, Dietrich II. (Lothringen), Dirk V van Holland, Floris I van Holland, Geertruida van Saksen, Florens I. (Holland), Gertrude of Saxony, Dirk III van Holland, Dirk IV van Holland, Arnulf van Gent, Lutgardis van Luxemburg, Lutgardis of Luxemburg, Dirk II van Holland, Hildegard van Vlaanderen, Dirk I (graaf), Gerulf I, Reinier I van Henegouwen, Dirk VI van Holland, Sophia van Rheineck, Floris III van Holland, Florens III. (Holland), Floaris III fan Hollân, Ada van Schotland, Dirk VII van Holland, Willem I van Holland, Aleid van Gelre, Floris IV van Holland, Machteld van Brabant, Willem II van Holland, Elisabeth van Brunswijk, Floris V van Holland, Beatrix van Vlaanderen, Jan I van Holland, Elisabeth van Rhuddlan, Aleid van Holland, Jan van Avesnes, Filippa van Luxemburg, Willem III van Holland, Johanna van Valois (1294-1352), Willem IV van Holland, Johanna van Brabant, Margaretha II van Henegouwen, Keizer Lodewijk de Beier, Willem V van Holland, Wilhelm I. (Bayern), Machteld van Lancaster, Maud, Countess of Leicester, House of Lancaster, Albrecht van Beieren (1336-1404), Margaretha van Brieg, Piasten, Piast dynasty, Piastowie, Willem VI van Holland, Margaretha van Bourgondië (1374-1441), Marguerite de Bourgogne (1374-1441), Jacoba van Beieren

    Bijnamen
    Nu we een idee hebben waar Holland voor zou kunnen staan: moerasland, onland of desnoods houtland of struikgewaslandschap, het blinkt niet uit in gecultiveerdheid. Het gebied was licht bewoond en ontstaan enkele concentraties op plekken die we nu herkennen met naam Vlaardingen, Delft, Maasland, Pijnacker en Rodenrijs hebben gegeven.
    Wanneer we zien dat bij de voornamen steeds vaker een aanduiding van waarvandaan men komt eraan wordt toegevoegd is het ook niet vreemd dat dit gebeurd bij iemand die rondstruint in dit moerassig veengebied en daarmee aan de slag gaat om er iets van te maken. En dus ligt de term van Holland het meest voor de hand.
    De eerste ondernemer en graaf die zich de bijnaam 'van Holland' gunde was Floris (±1085/1091-1121). Hij wordt ook aangeduid als Floris II of Floris de Vette of Floris de Dikke (vanwege z'n succes in het uitbreiden van gebied en invloed).
    Wanneer we z'n voorouders Gerolf, Dirk (diverse), Arnulf, Floris en nazaten Floris (diverse), Dirk (diverse), Ada, Willem (diverse), Jan in kaart willen brengen, zien we dat we deze niet uit elkaar gaan houden zonder bijnaam of andere aanduiding, veelal een romeins cijfer.


    Friese heren
    Nadat Waldger en Dirk op 4 augustus 889 hun beloning hadden gekregen van Arnulf, gingen beide heren aan de slag met hun gebied. Of het gebied van Waldger, Hamaland, dat rondom de IJssel gesitueerd was, nog bij Frisia hoorde, wordt hardop afgevraagd. Het antwoord bleek volgens het verdrag van Meerssen
    van 870 al ontkennend te zijn.
    Misschien 'Gouw'-kundig wel, maar het gaat natuurlijk om de mensen die er wonen.
    Dirk bleef - net als zijn vader - de West Frankische koning steunen en werd hiervoor op 15 juni 922 beloond met de kerk van Egmond met bijbehorende land tussen Suithardeshage (bij Schoorl), Vartrop (op Wieringen) en Kinnem (op Terschelling). Daarnaast ontving Dirk (Theodoricus) ook nog gebieden tussen datzelfde Vartrop/Kinnem en Swithardeshaga in het zuiden. Hij zou dit uitbreidden met een klooster voor nonnen, zodat dit complex het begin zou worden van Sint Adelbertabdij.
    > Het valt op dat hier twee locatienamen genoemd worden, die wel erg op elkaar lijken: Suithardeshage en Swithardeshaga. Dit laatste is echter de Latijnse benaming, zoals het in oorkondeboek geschreven staat, net als Fortrapa en Kinnem. Het Leidsch Jaarboekje verklaart nog even hoe we tot deze huidige plaatsen komen, zodat we deze kunnen plaatsen. Suitherthe is een derde vorm die we tegen kunnen komen.

    Hoe het precies zit met deze Dirk blijft onduidelijk in de literatuur. Het kan een samenvoeging zijn van verschillende Dirks, maar het kan ook om een langlevende Dirk met jonge vrouw gaan. Mogelijk zit er nog een generatie tussen, maar dat is niet geheel noodzakelijk. Henstra legt dit uit in zijn noot op p. 82.
    De situatie met Dirk II van de stamboom is duidelijker. Door zijn trouwen breidt hij de familiemacht uit in Vlaanderen. In 985 krijgt hij van de op dat moment 5-jarige (!) koning Otto III, dus eigenlijk van de waarnemende keizerinnen Theophanu en Adelheid van Bourgondië, leengoederen en -rechten in eigendom. Dit gaat om de gebieden tussen de rivieren Lier en IJssel (Liora et Hisla), de eigendommen in het dorp Zonnemeren (Sunnimeri), tussen rivieren de Middenleek (medemalachi) bij Medemblik en de Kennemerpalen (Chinnelosara-gemerchi = een grensstroom tussen Kennemerland en Texel) evenals alle bezitting in de gouw Texel. Dit alles krijgt hij dus in bezit, echter uitgezonderd de huslotha, het huisgeld of vredespenning, een Fries tribuut dat bestaat een symbolisch bedrag. Dus van vruchtgebruiker wordt hij eigenaar van de gebieden en kan er vervolgens mee doen en laten wat hij wil. Het begin van! met de graafschappen Masalant (Masaland), Kennemerland (Kinheim) en Texel (Texla), zolang de erkenningsgelden maar voor de keizer zijn.
    De erfelijke opvolger van deze gebieden, Arnulf van Gent beloond de monniken van Egmond voor de werkzaamheden voor de ontginning en landaanwinningen wat Bergan en Overschie gaat heten. Bergan wordt later vernoemd naar Arnulf's moeder, Hillegersberg, een natuurlijke berg. De donk is een pleistocene opduiking en had al tijdelijke bewoning voor de Romeinse tijd, maar niet tijdens de Romeinse tijd.
    Deze landaanwinning zal dus plaatsgevonden hebben tussen de mondingen van de Schie en de Rotte.
    Andere landwinning trachtte hij te behalen bij de Friezen, die hiervan niet gediend waren. Tijdens deze strijd moest Arnulf dit met zijn dood bekopen op 18 september 993. Onduidelijk blijft waar deze strijd heeft plaatsgevonden. Sommigen gaan uit dat deze plek tussen de Rekere en het Vlie, ter hoogte van Winkel lag. De stroom de Rekere lag ten tijde van dit gebeuren ongeveer op de plek waar nu het Noordhollandsch Kanaal ten noorden van Alkmaar ligt, in het huidige West-Friesland. Het West-Friesland ten tijde van dit gevecht lag echter tussen het Vlie en 't Swin. Zodoende denken anderen dat het dodelijk gevecht gesitueerd was aan de monding van de Oude Rijn, dat toen net iets noordelijker lag van de huidige monding bij Katwijk.
    Daarnaast is ook de motivatie voor deze strijd niet eenduidig, al komt het resultaat wel steeds op hetzelfde neer. Naast "landwinning" van bestaand gebied, kan het ook gaan om "slechts" verzet van de bewoners (ic de Friezen) tegen iemand (Arnulf) die gezag wil gaan uitoefenen over hen met inrichting van zijn organisatie en bijbehorende vertegenwoordiging.
    Deze strijd kan een uitbarsting zijn tegen Arnulfs een vier jaar durende poging om de mensen onder controle te krijgen, maar het kan ook zijn dat zijn familie al langer frustrerend te werk is gegaan voor de andere bewoners in het gebied waarin Masaland ligt.
    Mocht het laatste het geval zijn dan is hierover door de bewoners vanzelfsprekend overleg gevoerd, bijvoorbeeld op een van de mogelijke dingplaatsen in dit gebied. Dijkstra doet o.a. in figuur 7.3 enkele suggesties: Klein Duin in Katwijk, Grote Achterweg bij het Prinsenbos in Naaldwijk en Harago bij Vlaardingen, dat we kunnen plaatsen bij de dorpskerk van Kethel.

    De dorpskerk op de terp van Kethel waarvan de toren rond 1300 werd toegevoegd aan de kerk.
    (Mogelijke dingplaats, Harago.)
    foto 14 mei 2015
    Harago (Kethel) zou duiden op een pre-christelijk 'heiligdom'. Ook de diverse 'Harga'-benamingen in de buurt als Hargalaan doen de suggestie hier nog naar te verwijzen.
    Van de eerste twee suggesties is niets meer terug te vinden.
    Bij het treffen tussen de bevolking en Arnulf met z'n mannen delfde Arnulf dus het onderspit. Hij werd begraven in het Abdij van Egmond. Zijn vrouw Lutgardis nam de honeurs waar en werd gesteund door de Saksische koning Otto III, omdat ze anders waarschijnlijk de graafschappen waren kwijtgeraakt. In 1005 werd de oudste zoon Dirk (III) oud genoeg bevonden om de graafschappen zelfstandig te besturen. Hij maakte dankbaar gebruik van de connecties van zijn moeder. De hulp van haar zwager Heinrich II, de koning van Duitsland, werd ingeroepen om de Friese opstanden tegen te gaan. Nadat de gemoederen kennelijk waren bedaard verpachtte Dirk wilde gronden aan de bewoners in de omgeving, de Friezen, tegen een geringe huur copen, zodat ze deze gronden konden ontginnen en in cultuur konden brengen.
    Vermoedelijk was dit verpachtten een tactische zet van Dirk III. De politieke situatie was in de tussentijd veranderd. Heinrich II trachtte meer macht te krijgen ten koste van de adel en met behulp van de bisschoppen. De verpachtte veengronden werden door de bisschop van Utrecht als zijn grondgebied gezien. Hiermee begon dus een nieuw spanningsveld tussen Dirk III, gesteund door zijn Friezen, tegen de Utrechtse bisschop en Heinrich II.
    Het gebied waar de Friese kolonisten aan de slag gingen heette toenertijd silva Meriwido, het Merwedewoud. Algemeen wordt aanvaard dat dit het gebied is ten zuiden van de huidige Nieuwe Maas (dat door Rotterdam stroomt) en ten westen van de huidige Noord. Dit beschrijft een deel van de Riederwaard. Met een kleine sterkte verdedigde hij de Friese kolonisten.
    Vlaardingen
    De Oude Haven. Ter hoogte van de eerste scheepjes stond de getijdekreek de Flarding in verbinding met de (huidig zogenoemde) Maas.
    Dirk III
    De Grote Kerk. Voorheen stond op deze plek mogelijk de sterkte of burcht van Jan III.
    foto's 23 augustus 2013
    Dit zou dan waarschijnlijk gaan om de burcht dat Dirk in Vlaardingen bouwde, al zou dit ook in de kern van het huidige Maassluis gelegen kunnen hebben. In Vlaardingen zou de burcht in de buurt hebben gestaan waar nu de Grote Kerk staat, aan de getijdekreek de Flarding dat nu de Vlaardingse Oude haven is.
    De Flarding of Vlaarding was een getijdekreek dat liep van Kethel door de Vlaardinger Ambacht en ter hoogte van de Dayer en de burcht met de huidige Maas in verbinding stond. Ook zou er nog sprake (Alpertus van Metz / Alpertus Mettensis) zijn dat Dirk III in 1015 een burcht had gebouwd op de plek waar nu Dordrecht ligt en dus daarmee de stichter van Dordrecht zou zijn. Hiermee werd wederom (net als Maassluis) Vlaardingen bedoeld.
    Alpertus suggereert dat de sterkte nog maar pas opgericht zou zijn. Het zou echter niet vreemd dat hier al veel eerder een fort is gebouwd. De familie is hier immers al sinds 985 aanwezig, dus het zou ook in opdracht van z'n vader Arnulf of opa Dirk II gebouwd kunnen zijn.
    Dirk III ging - zoals zoveel mannen die deze voorzieningen hadden gecreëerd - de burcht ook inzetten voor het innen van tol. Hij had immers een belangrijke riviermonding onder controle. Alpertus verwees daarom naar hem en z'n mannen als predones, rovers. Algra stelt (en geeft hiermee zijn eigen tijdsgeest aan) dat het in de middeleeuwen lastig was om te bepalen welke tol rechtmatig dan wel onrechtvaardig was. De grens hiertussen was nogal vaag.
    Vervolgens kwamen er van allerlei zijden klachten. De geestelijke heren hadden bezwaren omdat ze mening waren dat ze in hun jacht- en visrechten werden aangetast. En de handelaren van Tiel , werden natuurlijk ook niet blij van deze kostenverhogende ophouding op de handelsroute naar Engeland.
    De ontvanger van deze klachten, intussen keizer (1014-1024) Heinrich II van het Heilige Roomse Rijk hoorde de interessante argumentatie van de handelaren aan: "Als hij niet ingreep en ze tegen dat onrecht beschermde, dan konden zij niet naar Engeland gaan om daar handel te gaan drijven en de Engelsen konden evengoed niet naar Tiel komen om te handelen. Daardoor kon er ook geen belasting meer geïnd worden in Tiel, zodat er geen belasting meer naar hem zou toevloeien, zoals het hoorde."
    De geschonden jachtrechten werden het zwaarst gewogen, tijdens 'de hofdagen' (en 'familiedagen') in Nijmegen, Pasen 1018. Naar het schijnt zou Dirk als leenheer (en neefje van de keizer) hierbij aanwezig zijn geweest, mede om zich te verweren en de plannen tegen te houden. De opdracht aan Godfried van Neder-Lotharingen was en bleef om met de troepen van de naburige geestelijke vorsten naar het Merwedewoud te gaan en het te zuiveren van indringers.
    (bron: Nieuwenhuijsen/Vlaardingen, p. 32-50; Van Bentum/Oorlog, p. 8-17; Nieuwenhuijsen/Flaridingun, p. 167, 169, 174 (afb 43), 176 (Zwijndrecht), 204; Algra/Dispereert, p. 63, 65-66; Gordon/Rijnland, p. 85; Henstra/Graafschappen, p. 66-67, 81-84; Gumbert-Hepp/Egmond, p. 412; Dijkstra/Rijnstreek, p. 298-300, 303, 375; Over Rotta en het Middeleeuws Rotterdam / Engelfriet; De Oude Haven / HVV (ANWB-62541/001); Frijhoff/Dordrecht I, p. 15-18; Van Rij/Gebeurtenissen, p. 77; Wikipedia Slag bij Vlaardingen (1018), Dirk I (graaf), Dirk III van Holland, Dirk IV van Holland, Oude Rijn (Harmelen-Noordzee); Oude Rijn (Harmelen-Noordzee); Putten (eiland); Riederwaard)

    Slag bij Vlaardingen 1018
    Godfried van Neder-Lotharingen (965-1023) voer met diverse schepen naar Vlaardingen en omgeving om z'n opdracht uit te voeren, het verwijderen van de Friese kolonisten uit de veengebieden. Dit leidde op 29 juli 1018 tot een strijd, waarbij uiteindelijk Godfried gevangen werd genomen door Dirk III en dus de strijd had verloren.
    Grootste oorzaak van dit verlies zou volgens Alpertus de vele grachten zijn, waardoor de troepen van de verschillende bisschoppen moeilijk uit de voeten konden. Over deze grachten is echter enige discussie. De vraag is namelijk of er geen dijken bedoeld wordt. Van Bentum legt dit echter verklarend uit. Alpertus kent goed Latijn en weet het verschil tussen fossae = 'grachten', vallum = 'wal van uitgegraven aarde' en agger = 'dam van aangevoerde aarde', zo blijkt uit andere schrijfsels van zijn hand, zodat deze verwarring onterecht is. Daarnaast weten we hoe veengebieden ontgonnen worden.
    Het verhaal Alpertus maakt duidelijk dat de troepen met vloed aankwamen bij Vlaardingen en dus tegen de stroom in moesten roeien. Mogelijk waren ze dus al vermoeid voordat de strijd die dag begon, toen ze 's nachts of 's ochtends vroeg uit Tiel waren vertrokken. De grachten waren een belemmering omdat de mannen met loodzware maliënkolder niet konden zwemmen. Ze moesten dus omlopen, omlopen, omlopen en omlopen en waren dus zodoende al verslagen voordat er een gevecht was geweest. Nadat er een commando terugtrekken (of vlucht, dat doet er eigenlijk niet toe) was gegeven, sloeg de paniek toe, waardoor er gedrang ontstaat en mannen vast komen zitten. Ook bij aankomst bij de schepen, die inmiddels midden op de rivier liggen (naar ik aanneem vanwege eb door de beheerders met het veranderende tij in het water gehouden, maar dit wordt niet vermeld), zodat er lange tocht door de blubber aangevangen moest worden. De zwaarbewapende (met loodzware maliënkolder, [aanvulling WP]) mannen zakken rechtstandig de blubber in. De mannen met lichtere bescherming bereiken nog wel de schepen, maar zij laten de schepen bij het inklimmen kapseizen. Voor de Friezen een eitje om rest af te maken. Zij hebben veelal een lederen bewapening, zoals we weten uit illustraties van kampvechters en zijn dus veel lichter en flexibeler in hun doen en laten.

    Vlaardingen in de 11e eeuw [film]
    illustreert deze slag mooi en geeft de nodige achtergrondinformatie.
    We zien hier de getijdekreek de Flarding (Oude Haven) met op de punt de houten sterkte en daarachter het houten kerkje (op de plek waar nu de Grote Kerk staat).
    > Het wordt hier mij voor het eerst duidelijk de er in dit soort historische verhalen vaak verkeerde woorden worden gebruikt voor het hanteren van wapens. Ook hier wordt zwaarbewapend gebruikt in de zin van veel zware wapens bij de hand hebben terwijl er eigenlijk bedoeld wordt dat de mannen ingekapseld zijn in een veel kilo's wegende bepantsering / harnas op en om hun lijf. Welke wapens ze verder nog bij zich hebben is niet echt interessant wanneer je wegzakt in de blubber. Deze wapens kunnen ze immers op elk moment loslaten. Uit een harnas kunnen ze nauwelijks of niet zelfstandig uitkomen en dus verdrinken velen.
    Onder de vele slachtoffers zouden drie graven zitten: Johannes, Godfried en Godizo, de graaf van Teisterbant. Daarnaast zou er bijna geen ridder uit de bisdommen Utrecht, Kamerijk en Luik in leven gebleven zijn.
    Een geografische kaart
    (afb. 75) in het boek Ad Flaridingun geeft een mooi overzicht van het landschap rondom Vlaardingen in 11e eeuw. Het artikel De slag bij Vlaardingen laat een soortgelijke afbeelding zien (afb. 3), maar dan iets uitgebreider met de diverse locaties van handelingen.
    (Beide kaarten zijn ook van T. de Ridder en E. van der Linden)
    Dirk zit de strijd uit in zijn burcht en schiet de in het nauw gedreven Godfried te hulp door met zijn mannen uit te rijden en hem te redden, door hem gevangen te nemen. Hierdoor kwam Dirk in een goede onderhandelingspositie te zitten en veelal leverde dit in zijn leefwereld ook vaak de nodige financiën aan losgeld of schadeloosstelling op.
    Gezien de grote hoeveelheid doden zit dat er mogelijk niet in. Godfried zal bij de keizer het nodige moeten verklaren om voor Dirk, zijn mannen en de Friezen de voor de hand liggende wraaktochten te besparen. Mogelijk is dit ook een reden dat bij een regeling na de slag bij Vlaardingen, korte tijd later, het bezit van de kerk is afgestaan aan de Utrechtse bisschop Adalbold.
    (bron: Nieuwenhuijsen/Vlaardingen, p. 32-50; Nieuwenhuijsen/Flaridingun, p. 238; Van Bentum/Oorlog, p. 8-17; Dijkstra/Rijnstreek, p. 286; Frijhoff/Dordrecht I, p. 16; Wikipedia Godfried de Kinderloze)

    Dirk IV [beeld]
    1975 - Jan Haas - Bronsplastiek: Dirk IV van Holland i.o.v. Mees & Hope, Varkenmarkt Dordrecht.
    Op bijbehorend steen staat de volgende tekst geschreven:
    Dirk IV graaf van Holland
    Vermoord bij Dordrecht 1049
    Aangeboden door bank Mees & Hope op 29-10-1979
    Dit had natuurlijk moeten zijn:
    Dirk [IV], comes Fresonum/(Friese graaf)
    Gedood bij Thuredrech (Dordrecht) 13-01-1049
    foto 10-09-2006
    Slag bij Nederhemert 1061
    Hierna bleef het vrijwel rustig in het gebied. Dirk III breidde zijn gebied verder uit ten koste van de jachtgebieden van de bisschop van Utrecht.
    Na zijn dood is ook Dirk III begraven in de Abdij van Egmond.
    Thuredrech
    Thuredrech is het - mogelijk hand gegraven - water tussen de Dubbel en de Merwede. De monding van Thuredrech aan de Merwede zal de later 'Oude Haven', de Wijnhaven van Dordrecht worden. Aan de Thuredrech zal Dordrecht dan ook haar naam ontlenen.
    Tussen dit toekomstige Dordrecht en de Zwijndrechtse Waard - in deze periode Suindrecht geheten - ligt de bij eb doorwaadbare plaats waar Zwijndrecht haar naam heeft te danken. In allerhande internetbronnen (kijkdatum juli 2015) wordt de Zwijndrechtse Waard omringd door de rivieren de Pelster of Pelser (in 1837 de mond van de Noord genoemd), de Noord, de Oude Maas en het Waaltje. In deze periode lopen de Noord of Noort en de Pelster evenwijdig aan elkaar met daartussen een eiland. Beiden maken onderdeel uit van de Merwede, zoals de rivier stroomopwaarts en stroomafwaarts verder heet. Het Waaltje heet nog de Waal.
    ( Register der peilingen, behoorende tot de kaart der rivieren de Boven-Rijn, De Waal, De Merwe, De Oude- en een gedeelte der Nieuwe-Maas, van Lobith tot Brielle. - ['s Gravenhage : Schinkel, ca.1837], p. 35; Wikipedia Zwijndrecht (Nederland);
    Museum "Het Hof van Nederland";
    Regionaal Archief - Zwijndrechtschen Waard
    foto: 21-07-2015)
    Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirk IV, die z'n uitbreidingsgebieden ten zuidoosten verder bracht. De Utrechtse bisschop Bernold kon dit niet toestaan en verzocht keizer Hendrik III in te grijpen. Dit bracht Dirk weer terug bij af, want hij raakte vele gebieden kwijt. Zijn dood in 1049 zorgt ervoor dat Dordrecht voor het eerst op schrift genoemd wordt: Dirk wordt door zijn vijanden bij Dordrecht apud Thuredrech gedood. Het gaat dan ook waarschijnlijk om het stroompje dat zo heet. Of er rond deze tijd al enkele nederzettingem zijn, dat deze naam al kan dragen, is niet duidelijk. Dit geldt wel voor de Zwijndrechtse waard.

    De burcht in Leiden
    Volgens het informatiebord is deze burchtheuvel ouder dan de stad zelf. De burcht zelf stamt uit ongeveer 1150 en was er kennelijk ten tijde van de munt nog niet. Op deze plaats zou - volgens het verhaal dat hier gaat - al vanaf de vierde eeuw een groot verdedigingswerk liggen.
    (foto's: 1-11-2015)
    Zijn broer Floris (I) nam de familiewinkel over, omdat Dirk geen nageslacht had. Zo kreeg hij ook de burcht in Leiden in handen. Een bevestigende aanwijzing voor dit feit zouden we kunnen vinden in een Russische muntvondst, waarbij twee in Leiden geslagen munten (Denarius / denarii) zaten. Het eerste zilveren muntje werd ergens in Rusland (toen nog Sovjet Unie) in 1934 in zogenaamde schat van Wigmjaz gevonden. Dertig jaar later, in 1960, werd er nog eens een muntje gevonden, nu in Kolgolema. Deze zijn te dateren tussen 1049 en 1061 en hebben het opschrift “+LEITH~ERIC BVRCH” op de ene munt en “+LEI~THERI BVRCH” op de andere met op de andere kant “~+FLOR.ENTIVZ”. Zodoende staat het in de literatuur vermeldt als Florentiuz en Leithericburgh of Leitheriburch of leith eriburch. We kunnen Kolgolema tegenwoordig lokaliseren in het Leningradskaya oblast, Rusland. Vermoedelijk ligt Wigmjaz ook in deze contreien, maar hiervan heb ik nog nergens een bevestiging van kunnen vinden.
    De muntjes zullen ongeveer 0,6 gram gewogen hebben, aangezien Floris de eerste was die in deze omgeving ook begon met de aanmunting van zilveren penningen en de munten in deze periode dit gewicht hadden.
    Kolgolemo
    Aan de rivier Pasha. Deze mondt uit in Svir, dat vervolgens uitkomt in de Ladagomeer. Dit meer loopt via de rivier Neva naar St. Petersburg en Oostzee. Kolgolemo is dus een logische plaats om zo'n muntje te kunnen vinden, het ligt namelijk twee riviermondingen verder dan de Internationale handelsroute naar Novgorod en verder.

    Een afbeelding van dit muntje of andere bevestiging van bovenstaande heb ik nog niet kunnen vinden. Wel tekent Jan Post in de Detector Magazine het muntje na van een afbeelding die hij zegt te hebben, waarbij hij vermeldt dat het op de afbeelding niet helemaal te lezen is. Hij tekent/schrijft echter 'Florenzius' in plaats van 'Florentiuz'.
    Ook Floris kreeg het al vlot aan de stok met andere heersers en weer om de dezelfde bezigheden. Ook hij zocht weer uitbreiding in het rivierengebied. Tweemaal in 1061 werd hij aangevallen door de anderen in deze omgeving. De eerste aanval wist hij door tactisch vernuft te winnen, terwijl hij ook in de minderheid was. Hij plaatste in de omgeving van Oudheusden talloze valkuilen, waardoor een deel van de tegenstanders al voor het gevecht uitgeschakeld was, waardoor de rest in war raakte, zodat deze eenvoudig verslagen konden worden. Op 28 juni 1061 werd er opnieuw strijd geleverd, nu eindje noordelijker bij Nederhemert. Ook deze strijd was gewonnen. Echter toen hij samen met zijn Friese strijdmakkers verkoeling zocht onder de bomen langs de Maas, werden ze overmand door de slaap en vervolgens door de mannen uit het kamp van Herman van Cuijk overmeesterd en gedood. Ook Floris werd begraven in het Abdij van Egmond.
    Ondanks dat deze Friese heerschappen zich net als in andere gebieden gingen ontwikkelen richting koninkrijkjes of hertogdommen en deze familie er voor Friese begrippen weer vroeg bij waren, tenzij wij ze als opvolging zien van andere Friese koninkrijken waarvan we Radbod als bekendste herkennen, waar deze familie volgens sommigen via de vrouwelijk lijn toch mee gerelateerd is, hielden ze op hún manier toch ook vreemde mogendheden buiten de deur, al waren deze ook aan elkaar gerelateerd, zoals eigenlijk alle ontstane hertogdommen en koninkrijkjes, want met huwelijk breidde men de kansen op uitbreiding uit. (bron: Nieuwenhuijsen/Flaridingun, p. 206, 224-225; Van Kaam / Markten, p. 39; Cordfunke/Gravinnen, p. 31, 47; Dommerholt/
    Trix, p. 63; Post/Grut, p. 8; Brand/Macht, p. 18; Fannee/Leiden; Wikipedia Floris I van Holland)

    Dirk V
    Na de moordpartij op Floris I trouwde zijn weduwe Geertuida met Robrecht I van Vlaanderen, daarna zichzelf al gauw de Fries
    noemend, zodat deze als regent kon optreden voor haar zoontje Dirk V. Dit plan faalde, want de bisschop van Utrecht, Willem van Gelre zag zijn kans schoon en nam de gebieden die Floris en zijn voorgangers hadden afgesnoept van de Utrechtse bisschoppen weer af, zodat Robrecht slechts met Vlaardingen en Masaland kon beheren. In de toekomst zal echter blijken dat de inzet van Robrecht en creatie van ruimte voor zijn stiefzoon en kleinkinderen, de aanzet zou geven voor een vaste bodem van dit geslacht op deze bodem.
    Zover was het echter nog niet. 1070 stonden in het teken van de strijd met Willem van Gelre en Godfried III van Neder-Lotharingen. Na Willems dood in 1076 namen ze het terug. De keizer gaf het gebied echter onder controle van Godfried III van Neder-Lotharingen, Godfried met de Bult of de Bultenaar. Daarop gaven Dirk en z'n stiefvader Robrecht de opdracht om deze Godfried te vermoorden. Dit werd op 26 februari 1076 in Vlaardingen uitgevoerd door hem tijdens een toiletgang in zijn aars met een zwaard of speer te verwonden, waarna hij naar Utrecht werd gebracht. Zeven dagen later overleed hij echter aan zijn verwondingen.
    De opvolger van Willem van Gelre, Koenraad van Zwaben (bisschop) raakte na zijn overname diverse grondgebieden kwijt aan het duo Dirk en Robrecht. Koenraad zelf werd gevangengenomen. Mogelijk kwam er uit de vrijlatingsonderhandelingen dat Dirk de 'eigen' gebieden in leen kreeg van Koenraad.
    (bron: Henstra/Graafschappen, p. 112-113; De Maesschalck/Graven, p. 87; Nieuwenhuijsen/Godfried, p. 55; Wikipedia Robrecht I de Fries; Willem van Gelre (bisschop); Koenraad van Zwaben (bisschop); Godfried III van Lotharingen)

    Floris II
    Door een ander soort politiek te bedrijven, zijn vader Dirk steunde immers tijdens de investituurstrijd tussen de Rooms-Duitse keizer en de paus van Rome, de paus, kwam er zicht op stabiliteit. In navolging hiervan zag Floris waarschijnlijk ook het voordeel van deze keuze, omdat de omliggende gebieden en dus strijdpunten bij de bisschoppen van Utrecht lagen. Na de steun keerde ook de rust terug. En na erkenning van bisschop Burchard van Utrecht als leenheer in 1101, waarna hij -waarschijnlijk ter onderscheiding- zich graaf van Holland kon gaan noemen. Ook ontstond er volgens Henstra mogelijk in deze periode een soort van scheiding tussen de Friezen van Holland en de Friezen in West-Friesland, Westflinge, en zodoende kon er een cultuurverschil ontstaan.
    Wanneer we hieraan een oorzaak willen geven, kunnen we denken aan het de voortdurende binding van de Friese mannen met de tot dan Friese graven. Door erkennen van het gezag van bijvoorbeeld in dit geval de bisschop van Utrecht en de 'makkelijke' winsten die hiermee te boeken zijn, kun je verschillende denkrichtingen krijgen. Immers, de Westfriezen verzetten zich nog steeds tegen dit model (zoals we ook in Ostfriesland zullen gaan zien). (bron: Henstra/Graafschappen, p. 112-113; Wikipedia
    Investituurstrijd, Floris II van Holland)


    Overstromingsgevaar
    Rond de millenniumwisseling wordt het land vaker bedreigt door het water. Vanuit zee, maar ook vanuit het land met hemelwater, mogelijk speelt ontginningen van veengebieden hierbij een rolletje. Er wordt minder water vastgehouden. We zien dan ook her en der kleine dijkjes gemaakt worden die het water uit de veengebieden moeten tegen houden en waarschijnlijk moet geleiden naar een stroompje. Dit zijn de oude veendijken, die we vaak op oude kaarten terugvinden, die duidelijk niet gemaakt zijn op het water uit de zee tegen te houden. Zodoende bleef het leefgebied voldoende droog om te leven en akkerbouw te bedrijven. Maar ook vanuit zee dreigt het water steeds vaker, vanwege een stijgende zeespiegel. En dus zal er ook een begin gemaakt moeten worden met het maken van dijken. Ligterink wijst erop dat dit alleen mogelijk is, wanneer er gezaghebbende initiatiefnemers zijn om dit te kunnen bewerkstelligen. Opdrachten moeten worden gegeven en onwillige gestraft, in één woord: het dijkrecht moet worden gehandhaafd. We zullen zien of dit gaan werken, maar deze gedachtegang van Ligterink lijkt me een tijdgeestkwestie, waar we langdurig last van krijgen.
    Maar de macht en dus de bal ligt bij de kloosters, de kerken en de grote steden. Allereerst waren het de kloosters, die vanwege de vele 'giften', zoveel land hadden dat ze dit wel moesten verdedigen tegen het water. Ze hadden dan ook voldoende mensen in hun 'gemeenschap' die dit ter hand konden nemen.
    De eerste echte ringdijk werd echter door de lokale bevolking gelegd om hun woongebied Humsterland en deels Middag - dus zonder bemoeienis van klooster (van Aduard), al zullen belanghebbende van kerk of stad (Groningen) ook dwingend het die richting hebben gestuurd. Maar dat is natuurlijk vanzelfsprekend. Zo werkt dat ook. Belanghebbenden bespreken met elkaar de gemeenschappelijk problemen en daar komt dat iets uit, in dit geval een ringdijk. Deze samenwerkingsdijk ligt er nu al zo'n 750 jaar, al heeft het z'n functie voor nu verloren.
    Grotere werken tegens sterke stromen moesten nu nog echt plaatsvinden, maar men was nog niet bij machte om zoiets groots te bewerkstelligen. En de kunstwerken moesten wachten op de introductie van de baksteen (Westerkwartier/Ligterink, p. 47; Landschappen van Noord-Nederland: Middag Humsterland).
    Dat deze eerste dijk ook de nodige doorbraken heeft gehad kunnen we nu nog in het landschap terugvinden. Zo zijn er diverse kolken te vinden. Bijvoorbeeld tussen Lammerburen en Englum. Iets verderop tussen Englum en Saaksum en vervolgens tussen Saaksum en Ezinge. Opvallend is ook een minikolkje midden in het gebiedje dat gevormd wordt tussen Den Ham, Fransum en Tolhek, wat zou kunnen duiden dat ook hier op Middag een dijkdoorbraak is geweest, vanuit de oude zee-inbraak die Middag van Humsterland scheidde, namelijk de Kliefsloot. Ligterink bevestigd dit door ook melding te maken van een dijkdoorbraak in de Fransummerdijk, even ten westen van de boerderij van Nienhuis, wat bij Moolenbroek de boerderij van Nijenhuis heet.
    Dit gebeurde zo rond 800. Zo'n 500 jaar later was de dichtslibbing zo ver gevorderd dat het veenwater uit het zuiden problemen had gekregen om weg te komen en dus een bedreiging voor de omgeving begon te vormen. Een 'eerste' document bevestigd dat er werk wordt gemaakt door de monniken van Aduard, die in een straal van 3 kilometer om het klooster met een uitloper tussen het Middagster Riet en Reitdiep, tot aan waar het Reitdiep naar het westen afbuigt. In 1313 wordt er gesproken over een uitwateringssluis bij de 'Arbere'. Of dit de eerste activiteiten zijn is niet duidelijk en dit valt nauwelijks terug te lezen uit het dijkenlandschap heden ten dage.
    Arbere, dit zou een boerderij zijn en betekent uit het Oudfries graanschuur, al komt Ligterink middels taalkunde uit bij A-dijk, waarin deze sluis of zijl gelegen zou zijn. De naam Arbere vinden we op een sluitsteen in de boog boven de achterdeur van de boerderij. De Arberezijl zou hier ten zuiden van gelegen hebben. Delen van de deur zijn gevonden, die door een vloed in 1361 is uitgespoeld. Ook de Middagster Riet voldeed uiteindelijk niet meer aan de behoeft om grote hoeveelheden water te kunnen afvoeren. Zodoende werd besloten om een nieuw kanaal te graven die het water rechtstreeks kon afvoeren op de brede uitloop van het Reitdiep. Het rechte Aduarderdiep werd gegraven met aan het eind het Aduarderzijl dat rond 1407 klaar was. Dit kanaal was het verlengde via het Koningsdiep van het Peizerdiep en hiermee kwam een directe snelle afwateringkanaal van het Drentse veenwater gereed.
    De Stad had zelf ook de nodige problemen met alle problematiek van het afwateren van het Drentse water en het bevaarbaar houden van de voor hun o zo belangrijke aan- en afvoerroutes, zonder de andere belanghebbenden te veel in het vaarwater te zitten. Toen er besloten was om een recht kanaal te maken tussen Dorkwerd en Wierum, werd het water van de Paddepoel niet langer afgevoerd naar het Aduarderdiep, omdat de Paddepoel ten oosten van het nieuwe kanaal zou komen te liggen en het Aduarderdiep ten westen. Om dit te voorkomen, plaatste men een grondzijl oftewel een duiker (we spreken 1430!) onder het nieuwe kanaal, het Westerdiep te leggen (Westerkwartier/Ligterink, p. 49-51, 55; Abtenkroniek/Moolenbroek, p. 154-170; Wikipedia Abdij van Aduard, Aduarderdiep, Kliefsloot, Aduarderzijlvest; Het klooster van Aduard).


    Gouden hoepel
    Het waterproblematiek had in het hele gebied de volledige aandacht en vele eilandjes werden bedijkt, zoals met Humsterland was gebeurd. Ook werden er her en der nieuwe polders gewonnen op dichtslibbende zeearmen. Vermoed wordt dat de gouden hoepel zo ook rond 1300 in het Westerkwartier afgerond was. Met gouden hoepel wordt de zeedijken bedoeld, die om heel het Friese land zou liggen. Ditzelfde kwamen we al tegen als de gouden band of geldene hop bij Gunstbrief Karel de Grote
    en later nog als landrecht van een gouden band bij het hoofdstuk Fria hals .

    Visvlieterdiep met zicht op de Lauwers vanaf de Heirweg in Visvliet

    Visvlieterdiep met zicht op de Stationsweg vanaf de Heirweg in Visvliet
    In vroegere tijden werd het onderhoudsprocedure voor de sluis, die hier lag, besproken en misschien vastgelegd. Er was echter een misverstand over een uitdrukking, wat leidde tot de benaming die voor lange tijd gold voor deze vaart: Besheersdiep. Het verhaal gaat dat het onderhoud 'als bis her' geregeld zou blijven, waarbij de 'bis her' (zoals het Duitse bisher) 'tot nu toe' naam dragend werd voor het diep en dus diep Besheer, later Besheersdiep ging heten.
    De Visvlieter Oude zijl, zoals de sluis heette, een binnenzijl, is nog lange tijd als voorheen onderhouden.
    foto's Weekendje Noord-Groningen
    (Westerkwartier/Ligterink, p. 58-59; Wikipedia Visvlieterdiep
    De 'gouden band' in het Derde Zeeland, tussen Lauwers en de Eems bestaat uit een aantal oude 'begindijken'. In het zuiden hebben de oude Leydijk, die onderhouden werd door de bewoners uit Marum, Nuis, Niebert, Tolbert en Midwolde. Deze dijk diende het uit het zuiden komende veenwater tegen te houden en liep grofweg van de Friese Palen via de Linde en de Caroliweg naar de Diepswal. En dan zijn we in Leek aangekomen.
    De Lauwers heeft een zijtak, de Oude Riet, die ook ongeveer bij de Friese Palen ontspringt, naar het oosten stroomt om de zandheuvel van Zuid en Noordhorn om vervolgens naar het westen te gaan en zich samen te voegen ter hoogte van Lauwerszijl en Munnekezijl, met de Lauwers. Deze twee geulen waren ideaal voor zeestromen om landinwaarts binnen te dringen. De oude dijken zijn gemaakt om deze twee zeearmen uit het land te weren.
    Zo hebben de we de volgende dijken: de Oxwerderdijk, dat onder Visvliet begint en het water van Oude Riet dient te temmen, loopt naar het oosten en sluit aan op de gaast van Noord- en Zuidhorn. Bij Zuidhoorn loopt de dijk Zuiderweg eerst een stukje naar het zuidoosten om vervolgens naar het westen af te buigen. Aansluitend komt de Maasdijk dat de laatste verbinding is tot aan de grote gaast.
    Aan de overkant bij Enumatil begint de Westerdijk de insluiting van 'de Oud Riet'. Bij Den Horn gaan we via de dijk de Hoge Weg naar het noorden, gevolgd door de Oude Spanjaardsdijk, de Oude Dijk, Hamersterdijk met straatnamen als Jensemaweg, Frijtumerweg (door Frytum) en Balmahuisterweg (door Balmahuizen). Een haakse bocht naar het noordwesten brengt ons weer op een "Oude Dijk". Deze dijk gaat onder de naam Heerenburen door Pama, richting het huidige Kommerzijl, wat uiteraard toen nog niet bestond. We volgen de dijk -weer met een haakse hoek naar het noordoosten op de Hoge dijk. Parallel hieraan lopen de wegen Gaaikemaweg en Aalsumerweg. De Hoge dijk loopt vervolgens naar het oosten en komt door Lammerburen.
    Hierna vervolgd de dijk richting Oldehove waarboven nu een kolk van een doorbraak terug te vinden is. Verder naar het oosten komen door Englum en Saaksum, waartussen een volgende kolk te vinden is.
    Wanneer we bij Saaksum naar de overkant van het Reitdiep de dijk vervolgen, komen we uit op de Zuurdijk (dit een verbastering van Zuiderdijk) die in een rechte lijn naar het noordwesten gaat van Barnegaten, via Zuurdijk naar Midhallum. Van Midhallum is nu niet veel meer over. Er zijn nog twee boerderijen met de naam Midhalm te vinden op de zuidoostzijde van de afgegraven wierde, waar men aan het begin van de jaartelling met bewoning begonnen is. Hierna moeten we het hebben van verkavelingslijnen, omdat de dijk ten westen van de lijn Ulrum en Niekerk (2 km onder Ulrum) verdwenen is.
    De Oude Zeedijk of Oude Provinciale dijk, die de noordkant van De Marne moet beschermen, kunnen we dan ook duidelijk herkennen. Direct ten westen van Vierhuizen, vervolgens langs Midhuizen, waar een aantal kolken door dijkdoorbraken zijn ontstaan. Typisch is na de inpoldering de nieuwe dijk met dezelfde problemen kreeg te kampen, want ook hier in de Westpolder zijn een aantal kolken te ontdekken. Niet voor niets dat de inbraak van de Lauwerszee op deze plek achter het gat van Ameland en Schiermonnikoog is ontstaan, al zijn de mondingen van de riviertjes hier natuurlijk ook debet aan. (Westerkwartier/Ligterink, p. 58-59; Beschrijving Groningen 1959, p. 12- + kaart 3 ; Wikipedia Midhalm).


    Vorsten van Brunswijk
    Hendrik de Vette (1060 - 10 april 1101) was ook één van de markgraven (een graadje hoger dan een graaf, ook wel markies en gelijk aan hertog), die na 1099 een claim op Friesland door de keizer Hendrik IV (Goslar, 11 november 1050 - Luik, 7 augustus 1106) gehonoreerd zag. Hendrik was een zoon van Otto van Northeim en erfde zijn gebieden van hem. Hij was Markgraaf van Brunswijk en behoorde tot de Brunonen, de 'vorsten van Brunswijk' die in de 11e eeuw tussen het Vlie en Lauwers graven waren van Stavoren, Oostergo, Westergo, Iselgo, Hunsingo en Fivelingo.
    Zijn vader Otto, was een van de belangrijkste tegenstanders van keizer Hendrik. Ook Hendrik ging in zijn jonge jaren mee met deze lijn. Nadat zijn vader in 1086 was overleden aan de twee jaar eerder opgelopen beenbreuk, gekregen door het vallen van zijn paard, trok hij toch maar deze visie in en koos hij de kant van de keizer. Hij volgde zijn vader op in de gebieden Northeim en Eichsfeld als graaf en nog enkele andere gebieden in het midden van het huidige Duitsland.
    Nadat de markgraaf -de bisschop Koenraad van Zwaben van Utrecht- van Friesland tussen Vlie en Lauwers (Stavoren, en Oostergo, Westergo) was vermoord, door mogelijk een bouwmeester, van wie de bisschop een geheime funderingsmethode had weten te ontfutselen en dit dus met de dood moest bekopen, werd Hendrik dus markgraaf van deze Friese gebieden.
    Ook Hendrik werd misschien vermoord. Nadat hij vriendelijk in Staveren was ontvangen door ministerialen (onvrijen met belangrijke posten) uit Utrecht en andere belangrijke personen uit Staveren en Friesland, werd er aanslag op hem gepleegd. Hij wist samen met zijn vrouw per schip naar Deventer te ontsnappen. Bij Deventer werd hij echter ingehaald door de Friezen die hem overmeesterden, neerstaken en overboord kieperden. Hij verdronk hierdoor in de IJssel. Zijn vrouw Gertrudis ontkwam ternauwernood.
    Maar het kan ook zijn dat hij bij een veldslag in Norden (in het huidige Ostfriesland) is omgekomen. Of een combinatie is ook mogelijk: een treffen tussen Hendrik en de ridders van de bisschop van Utrecht, geholpen door de Friezen, brachten een einde aan het leven van Hendrik.
    Het was trouwens voor de Brunonen ondoenlijk om in de Friese gebieden stand te houden, naast de afstand van hun thuisgebied, in het midden van het huidige Duitsland, wat niet aansloot en dat ze noch bij de Friezen, noch bij de keizer vriendschap vonden.
    Van de Brunonen weten verder, dat ze in het Friese gebied geld in omloop hebben gebracht. (Wikipedia
    Keizer Hendrik IV, Markgraaf, Otto I van Northeim, Hendrik van Northeim, Brunonen, Koenraad van Zwaben (bisschop), Ministeriaal; Algra/Ein, p. 41-42, Westerkwartier/Ligterink, p. 33).


    Christendom
    Het christelijke geloof had intussen in het Friesche landschap een goede voedingsbodem gevonden. Het had lang geduurd voordat ze om waren, maar toen het eenmaal zover was, ging het ook snel. De kloosters en kerken groeiden als paddenstoelen uit de grond. Het centrum van de wierden werden verkozen tot de plaats waar de kerk werd gebouwd.
    Maar zoals met zoveel regels van buiten, daar hadden de Friezen niet zoveel mee op.
    Toen paus Gregorius VII, geboren als Hildebrand van Sovana (Sovana, 1020/1025 - Salerno, 25 mei 1085), op 22 april 1073 werd gekozen als opvolger van paus Alexander II (1010/15 - Rome, 21 april 1073) en hij als paus bepaalde veranderingen ging doorvoeren, ontstond er een meningsverschil. De paus had onder ander het volgende verzonnen:

  • Celibaat voor priesters: er mochten geen getrouwde priesters meer zijn. Zij moesten zich concentreren op hun geestelijke taak.
  • Verbod op kopen van ambten door bisschoppen (het hogergenoemde simonie).
  • Alle bisschoppen werden verplicht om zich in Rome te melden alwaar ze het pallium, de ceremoniële sjaal, in ontvangst namen van de paus en niet van de keizer.
  • Verder bepaalde hij dat pausen van een hogere orde waren dan koningen en keizers, wat inhield dat zij deze lager geplaatsten ook moesten kunnen afzetten.

  • Het Friese volk bleef altijd op de hoede voor machtliefhebbers, die het op hun vrijheden gemunt hadden. En dus hadden ze ook in dit geval te kennen gegeven dat een priester bij hun moest kunnen trouwen. Ook waren de afdrachten en giften aan de kerk op vrijwillige basis (Kurowski, p. 183; Wikipedia
    Paus Gregorius VII).

    Boerenrepubliekjes
    Nadat de laatste graven uit Brunswijk vertrokken, verdreven waren en het bisschoppelijk bestuur te ver weg zat om daadwerkelijk zijn macht uit te oefenen ontstonden er in het overgebleven gebied van Frisia kleine gemeenschappen met zelfde belangen van boeren, de zogenaamde boeren republiekjes die onderling als los zand bij elkaar hoorden, maar hun eigen 'Friese vrijheid' beleefden en zoektocht naar rechtsnormen en orde. Misschien lagen de ontstane boerengenootschappen
    hieraan mede ten grondslag. De mensen bepaalden zelf wat al dan niet toelaatbaar was en zo ontstond langzamerhand een volksgeweten. Je kunt je zelfs afvragen, waar zou het anders vandaan moeten komen. Uitgangspunt was echter steeds, wanneer er strijdende partijen ontstonden, dat er een verzoening zou plaats vinden en dat de partijen naar elkaar de hand zouden uitsteken en aannemen.
    Mocht verzoenen er absoluut niet inzitten, dan moesten de schriftelijke willekeuren, zoals reeds hierboven besproken, uitkomst bieden en een uitspraak doen.
    Zoals we verderop deze Willekeuren in diverse paragrafen als Oudfriese Boeteregisters , Haet is riucht? , Freeska Landriucht , Verhoging veteboeten en Fria hals nog verder zullen bespreken, kunnen hier wel alvast aangeven dat het lichaam en leven onaantastbaar waren in de ogen van de Friezen. Dus geen lijfstraffen. "Men bleef vasthouden aan de aloude Friese grondregel dat alle Vresen sullen oere veyde (veten) my gelde beteren, sunder stocken, sunder gheyselen, sunder bessem, sunder scheren (paragraaf 16 en 17 van de 17 keuren)". Al sinds de tijd van de Romeinen moest de boete uit geld bestaan, de boetegelden. Voor de hand ligt, dat het daarvoor afgedaan werd met goederen.
    Ligterink beschrijft het als volgt: "geld was 'the weak spot' en alle straffen waren geldstraffen."
    Het beeld van Amerikaanse toestand komt meteen bij me op, wanneer ik dit lees. Aangezien - zoals we later zullen zien - er velen naar wat later de V.S. is gaan heten, zijn geëmigreerd, is het eigenlijk niet vreemd dat de overbekende 'claimcultuur' daar wortel heeft geschoten, al is het naar 'onze normen' iets te ver doorgeschoten.
    Waarin ook wij te ver zijn doorgeschoten en nu langzaamaan weer op terugkomen zijn de betalingen van het geld door schuldig bevondene. Deze dient namelijk twee boetes te betalen. Een aan de klagende partij, dit lijkt logisch, want deze heeft namelijk de schade geleden. En tevens moet er een geldbedrag to broeke de breuk aan de rechter betaald worden voordat degene weer volledige rechtsbescherming van de gemeenschap waarin hij leeft kan ontvangen. Het is ook logisch dat de rechter voor zijn diensten een vergoeding krijgt, al zou dit natuurlijk ook volgens een toerbeurt kunnen, wat ook meteen goed is voor de algemene en algehele kennisoverdracht en beheersing. Wij zijn daarin echter op het ander vlak te ver doorgeschoten. Immers, de geheven boetes gaan allemaal naar de staatskas, ten behoeve van ons allen. Algemene en algehele kennisoverdracht is er niet meer bij, want het is specialistenwerk geworden. Mede hierdoor is het dan ook niet meer mogelijk "de wet te kennen". Bij toerbeurt was de regelbrij waarschijnlijk uitgebleven.

    Naar aanleiding van de ontdekking van deze oudste zichtbare kampvechters, is deze gebruikt als omslag voor een notitieboekje.
    (zie verder: notitieboekjes)
    Sinds kort zijn we hierop teruggekomen en wordt ook de geleden schaden meteen vergoed uit diezelfde staatskas en wordt dit verhaald op schuldig bevondene.
    Dit gebeurt dan middels de procedure Voegen in het strafproces (i).

    Kampvechters
    Bijzondere keuren die eigenlijk thuishoren in de categorie van de godsgerichten kwamen voor in die van Humsterland. Ook die Langewold (uit 1250) had nog regels betreffende de gerechtelijke tweekamp, waarvan we in de kerken
    van Den Andel, Westerwijtwerd en Woldendorp nog enkele fresco's van kunnen terugvinden. Uit de plaats van de kerken zou je dan ook kunnen concluderen dat dit niet beperkt was tot Humsterland en Langewold, aangezien Den Andel, Westerwijtwerd en Woldendorp niet in deze gebieden liggen.
    In deze periode was er een soort gilde van kampvechters, waaruit de strijdende partijen iemand konden kiezen, die voor hun de tweekamp aanging, bijvoorbeeld als ze zelf niet (meer) in staat waren om zelf hun strijd te strijden of omdat ze vrouw of een geestelijke was. De uitslag was bindend voor beide partijen. Deze getrainde kampvechter kempe of kampvechters kempan gebruikten in hun strijd - zoals we kunnen zien op de foto - schild of beukelaar, zwaard of sax en speer of kletsie. Het Oudfriese woord 'kletsie' - in het Zweeds klyka en in het Fins-Zweeds klytjo - staat in de zestiende keur als zodanig beschreven, evenals 'sax' in de zeventiende: thet man anda londe nena cletsia ne droge, waarin wordt bepaald dat in vredestijd geen wapens gedragen mogen worden.
    (Het zou me niet verbazen wanneer 'kempan' een voorganger van onze huidige term 'kemphaan' is. Hierover kan ik echter (nog) geen bevestiging vinden.) Bij de tweekamp droegen de kampvechters de schobbejak, een kledingstuk van over elkaar vallende stukken leer, als bescherming. Tegenwoordig zien we het woord 'schobbejak' stukken negatiever terugkomen, waaruit mogelijk blijkt dat deze ooit gewaardeerde functie verworden is middels vechtersbaasjes tot schurken/schooiers.
    Tijdens het maken van de fotoachtergrond op de titelpagina, waarbij ik de "mannen" van de gouden munten heb gebruik, viel mij deze speer al op. Aangezien ik ze als een groep reizigers op weg naar een jaarlijkse landdag bij de Upstalsboom heb afgebeeld, kwam bij mij de gedachte op, dat dit vermoedelijk ook gebruikt werd als polsstok om de kreken, riviertjes en andere watertjes, die ze onderweg tegenkwamen, over te springen. Immers het Fierljeppen is in het huidige Friesland nog steeds een traditionele sport. Deze stok heeft niet voor niets een gaffel of driepoot aan de onderkant zitten. Ook tegenwoordig zijn deze houten stokken zo'n vier meter lang, net als de speer van de kampvechter. Verder wordt deze 'stok' tevens in de scheepvaart gebruikt, om het scheepje voort te duwen in deze waterrijke gebieden waar met platbodems werd gevaren, vanwege het ondiepe water, ook wel een schippersboom of vaarboom of kloet genoemd, waarbij opgemerkt dat kloet naast springstok tevens een wapen kan zijn. En dan zijn we volgens mij rond met deze multifunctionele stok.
    Dit systeem van de tweekamp kwam in Langewolder echter bij de herziening van de keuren in 1282 tot een einde. De keuren van deze republiekjes bleven rechtsgeldig totdat het in 1601 overging in het Ommelander landrecht. Hieraan had men al sinds 1550 zitten sleutelen (Westerkwartier/Ligterink, p. 35-36; Vechtersbazen/van Bentum, p. 89-91; Krijgers/Mol, p. 110; Altfriesisches Wörterbuch/Richthofen, p. 874, 1001; Wikipedia Polsstok; INL kloet).

    Kruistochten
    Er waren ook Friezen die deelnamen aan de Kruistochten. Zo ook aan de eerste kruistocht onder leiding van Godfried van Bouillon, te weten: Liauckema, Galama, Herema, Botnia, Ockinga en Roorda.
    Rond deze periode was de stad Groningen, gelegen in het midden van Drentherwolde en omliggende streken, dermate tot bloei gekomen dat de stad zich kon veroorloven om de houten staketsels te vervangen door een stenen muur met sterke torens omringd door een gracht. Dit kwam omstreeks 1110 gereed.
    Helaas voor de Groningers, ze moesten het weer afbreken, want ze hadden geen toestemming gevraagd aan de prelaat, de graaf-bisschop Godebald. En deze was hierover gekrenkt in zijn landsheerlijke rechten. De Groningers waren hier niet blij mee en trokken, onder leiding van het machtige geslacht van de Gelkingen, op naar het slot Groenenberg aan de Hunse te Euvelgunne van de bisschops stedehouder en vernielde deze.
    Godebold was niet blij met deze actie. Wel blij werd hij van de bevestiging van keizer Hendrik V van de rechten op de Utrechtse Sint Maartenskerk op Oostergoo en Westergoo. Alsof de Oostergooërs en Westergooërs zich hiervan ook maar iets aantrokken.
    Keizer Lotharius deed deze schenking in 1132 geheel te niet. Hij schonk het gebied Oostergoo en Westergoo, toen aan zijn neef graaf Dirk VI
    . Dit bleek voor deze Hollandse vorst echter een gevaarlijk geschenk. De Oostergooërs en Westergooërs trokken namelijk gezamenlijk op met de West-Friezen van Drechterland en ander koggen of koogen om in Holland huis te gaan houden, tegen Dirk VI en zijn broer Floris de Zwarte. (Witkamp III, p. 631)
    De volgende keizer Koenraad III bracht Oostergoo en Westergoo in 1138 weer onder bij Utrecht. De giftbrieven bleven komen en door allerhande herverdelingen onder Groningse kerkbestuurders en Hollandse hulp kwam de volgende keizer Frederik I in 1165 tot de slotsom dat de Sepperothen (zonen van de gestorven burggraaf Lefferd van Bierum van Groningen) met steun van de Groningers zeggenschap kreeg over de stad Groningen en Hollandse graaf Floris III over Oostergoo en Westergoo. (Witkamp III, p. 632-633).
    Wegens de Juliaanvloed (van 1164) hadden de Gooërs nu even iets anders hun hoofd.
    Floris III viel in zijn regeerperiode 1165-1190 (hij overleed aan een pestachtige ziekte) regelmatig West-Friesland aan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Dirk VII . Een andere zoon Willem wilde ook gebied. De West-Friezen kozen de zijde van Willem en lokten een strijd uit. Zijn schoonzuster wist echter de gemoederen tussen de broers te bedaren en ze tot een verzoening te brengen. Willem zou nu wel zeggenschap krijgen over de graafschappen Oostergoo en Westergoo en nam hiermee de titel graaf van Friesland aan. Willem bleek een gezien gast in Friesland. De waarschijnlijke reden hiervoor is de aanwezigheid van de benedenbuurman Hendrik de Crane, graaf van Kuinre, heerser over de landen van Kuinre en Blankenham, Urk, Ens, Emmeloord en ander intussen ondergelopen land. Hij viel vanuit het zuiden de Friezen aan. Graaf Dirk VII zijn dood op 4 november 1203 zorgde voor een twist in Holland tussen Willem en de dochter van Dirk VII, Ada. Willem werd door de Friezen geholpen zijn bezit te handhaven.

    Door het condominiumverdrag tussen Holland en Utrecht in 1165, waarmee een (zend)graaf in opdracht van de keizer naar Friesland wordt gezonden, is hierbij ook gestationeerd in Friesland. Hiervoor mocht de graaf slechts eenmaal in de vier jaar Friesland visiteren. Deze gravenperiode wordt uit onvrede van de Friezen met de slag bij Warns in 1345 beëindigd (Algra/Ein, p. 27).
    De graaf (van Holland) moest zijn eens-in-de-vier-jaar gerechtsreis naar Friesland beginnen in Franeker. Hier verleende de asega hem een vrede. De graaf beval zichzelf geen onrecht te plegen tijdens dit bezoek en alle aanwezigen bevestigden deze vrede onder ede. Vervolgens moest de graaf hen allemaal in hun leen bevestigen, zonder dat hij daarvoor leengeld of vergoeding voor ontving. In deze periode werden ook alle nog niet afgedane zaken in een fimelding afgehandeld, die nog niet in de voorafgaande bodding waren afgerond. De genoemde asega heeft kennis van de te volgen procedures en draagt daarbij zorg dat dit ook zo gebeurt. Tevens is hij is staat om in de verschillende zaken middels voorgaande, zeg maar jurisprudentie, de regels te interpreteren (Algra/Ein, p. 29-30).
    > Aan deze beleningsvorm kunnen we ook aflezen, dat er 'bijzondere relatie' is tussen de Hollandse graaf en de Friese leenheren.


    Alt Lübeck um 1100 (nach H.H. ANDERSEN).
    Uit het onderzoek van Andersen uit 1995 blijkt, dat er voor sommige schriftelijke beweringen hieronder vermeldt, er toen nog geen archeologische bevestiging was gevonden.
    (bron: Alt-Lübeck / H. Hellmuth Andersen)
    Süsel
    De Friese handelaren die zich rond de Oostzee hun handelskoloniën hadden gesticht en daar met de andere internationale handelaren handeldreven, maar ook met de lokale bevolking, kregen het steeds zwaarder. Een voorbeeld hoe het er die tijd aan toe ging gaat over de Friezen van Süsel. Hiervoor grijpen we even terug naar het begin.
    In de 7e eeuw -na de volksverhuizingen- hadden in de Oostzeegebieden ook verschuivingen plaatsgevonden. Zo werden gebieden van rond -wat nu de- Lübeckse Bocht heet, die door de
    Germaanse stammen waren verlaten, opgevuld door de West-Slaven, of beter gezegd de Wenden. Zij stichtten er talloze dorpen en steden, zoals wat later de hoofdstad zou gaan worden, Liubice of Leubice.
    Liubice ligt aan de monding de Schwartau die hier in de Trave stroomt. (Tegenwoordig bestaat deze stad niet meer en staat er herinneringsteen met de naam 'Alt-Lübeck'.)

    Gebied van de stam Abodriten of Obodriten en andere stammen rond het jaar 1000.
    De hoogtijdagen begonnen onder de Slavenkoning Heinrich von Alt-Lübeck uit de Dynastie der Nakoniden. De stad bloeide en groeide. Na een Burg, een haven en twee voordorpen, ontstond er aan de overkant van de oever rondom een koopmanskerk een koopmansdorp. De houten kerk -bleek na archeologisch onderzoek- was 22 bij 15 meter. In dit koopmansdorp vertoefden vele Friezen, maar ook andere handelaren uit vele andere gebieden.
    De volgende kerk die er gebouwd werd was van veldstenen gemaakt en was 20 bij 11 meter.
    Met de vreemde buurstammen klikte het niet altijd even goed. Heinrich had was een keer de strijd aangegaan met de Ranen, die op een eilandengroep woonden, voor de kust, waar nu Stralsund ligt. Hij versloeg ze toen en kwam machtiger uit de strijd.
    In 1123 probeerde Waldemar, een zoon van Heinrich, dit ook, maar hij verloor de strijd, zodat z'n vader een winterveldtocht organiseerde en over het ijs van de bevroren Oostzee de bewoners van Rügens een lesje kwam geven.
    Heinrich liet het leven op 7 juni 1127, er zou sprake kunnen zijn van moord, en liet aan zijn vier zonen zijn rijk na. Hij had echter een jaar voor zijn dood, in 1126, wel een missionaris van de kerk, Vizelin genaamd, toestemming gegeven om in zijn rijk te mogen prediken.
    Vizelin (rond 1090 geboren in Hameln en 12 december 1154 overleden in Neumünster) begon in 1126 met goede moed aan zijn klus, maar moest na de dood van Heinrich alweer stoppen wegens ruzie over de opvolging.

    Siegesburg (stad en berg).
    Twee zonen Waldemar († 1123) en Mstivoj († 1127) waren al voor Heinrich gestorven. Maar de andere twee zonen Knut en Sventipolk deelden eerst het gebied op. Maar binnen een jaar werd de strijd tussen die twee in 1128 in Lütjenburg ten gunste van Sventipolk beslist en kreeg zo zijn vaders rijk in handen.
    Op zijn reizen had Vizelin in 1134 het strategisch belang erkend van een 110 meter hoge gips- of kalkberg in wat na bebouwing Siegesburg is gaan heten en melde dit aan zijn sinds 1133 Rooms-Duitse keizer Lothar of Lotharius III (1075-1137). Die volgde de raad op van Vizelin en veroverde het gebied en plaatste er een burg, klooster en Augustiner-Chorherren-Kirche op, waarvandaan Vizelin drie jaren predikte.
    Tussen 1138 en 1139 bleven de veroveringen doorgaan en zo kwamen de stammen Wagrier en Polaben onder Saksisch gezag te staan.
    Ook de Ranen lieten, in de waarschijnlijk ontstane chaos en buitenkansjes, van zich horen door hoofdstad van het eens zo krachtige koning Heinrich von Alt-Lübeck, aan te vallen. Liubice werd in 1138, samen met de kerk volledig verwoest.
    In het boek Die Hanse / Philippe Dollinger, hét Hanse-boek, volgens kenners, kunnen we op pagina 33 het volgende lezen: Nach archäologischen Grabungen, aus Berichten Adams von Bremen (um 1075) und, ein Jahrhundert später, Helmolds, ergibt sich, daß die slavischen Städte eigentlich befestigte Plätze waren, daß sie aber außer militärischen und religiösen Einrichtungen auch eine oder mehrere nichtbefestigte Kaufmannsniederlassungen besaßen, in denen zuweilen fremde Kaufleute, Friesen, Deutsche oder Skandinavier, lebten. Wir wissen wenig über die Plätze der Obotriten, wie z.B. Oldenburg, Demmin, Ratzeburg, es sei denn über ihre militärische Bedeutung; in Süsel aber lebte eine Kolonie von 400 Friesen, und in Alt Lübeck siedelte der Slavenfürst Heinrich am Anfang des 12. Jahrhunderts außerhalb der Mauer des befestigten Platzes (vom 11. Jahrhundert) eine Anzahl Kaufleute und ein Gruppe von Handwerkern an.
    De hier genoemde Helmolds betreft de kroniekenschrijver en geestelijke Helmold von Bosau die van ongeveer 1120 in de omgeving van Goslar werd geboren en na 1177 in Bosau, Holstein overleed.

    de dienstdoende pastoors chroniek van Sint Laurentius te Süsel
    1148 Gerlaf, Vorkämpfer der Friesen gegen die Slaven.

    In 1147 wordt het gebied tussen de Elbe, Trave en Oder belegerd - in wat is gaan heten de Wendenkruistocht. De Saksische, Deense en Poolse reeds bekeerde vorsten maken hierbij deel uit van de tweede Kruistocht, maar niet zoals gebruikelijk naar Jeruzalem, maar naar de heidense buurgebieden. Op 13 april 1147 werd dit erkend door de Paus als geldig.
    Het ligt echter voor de hand dat niet alleen religieuze motieven hieraan ten grondslag lagen. Gebiedsuitbreiding en groter aanzien binnen het geheel waren waarschijnlijk een veel belangrijker reden om de oorlog te gaan voeren. Gebiedsuitbreiding was ook nodig om ruimte te bieden aan de steeds groter groeiende bevolking in deze periode. Ook werden soms bewust kolonisten uit andere gebieden van bijvoorbeeld de Noordzeekust (we bedoelen hiermee de Friezen) uitgenodigd om het gebied een economische impuls te geven door de handel op gang te helpen.

    De foto met daarop de voorgangers van de Vicelinkerk in Süsel en het verhaal van Süsel geeft ons de richting aan, waar we de komst van de Friezen kunnen zoeken.
    Sint Laurentius te Süsel
    De naam Vicelinkerk komt van zijn stichter Vizelin/Vicelin, de Slavenmissionaris en zijn opvolgers in deze regio, in dit geval dus Gerlaf, maar de veldstenen-versie werd waarschijnlijk tussen 1160 und 1180 gebouwd. Na de verovering in 1138/39 van de Saksen werden deze veldstenen maar ook weer- of vestingkerken gebouwd ter verdediging. De Friezen zijn hier vervolgens zelf gekomen sinds 1142 (gevluchte Friezen en/of handelaren uit het sinds 1138 verwoeste Liubice?) of gekomen uit gebied van waar nu Zeeland ligt en toen ze daar ook onder druk kwam te staan en dus maar geëmigreerd naar dit gebied (er ligt namelijk in de achtertuin van Süsel een gehucht dat Middelburg heet, al kan dat natuurlijk ook een andere oorzaak hebben. Dat moeten we nog uitzoeken). De Friese boeren hebben dit natte gebied onder handen genomen en gekoloniseerd.
    Een aantal vragen blijven nog staan. Zo weten we niet wie Gerlaf was. En zijn bij deze Friezen ook handelaren uit het sinds 1138 verwoeste Liubice? Of bestaat de groep van Süsel alleen maar uit gevluchte Friezen uit Liubice, en zijn ze met z'n allen de rivier opgevaren om uiteindelijk op deze plek Süsel te bouwen? Het was al veroverd door de Saksen.
    Fachbeitrag archäologische Kulturgüter literatuurverwijzingen naar:
    Starigard / Oldenburg : Ein slawischer Herrschersitz des frühen Mittelalters in Ostholstein / M. Müller-Wille (Hrsg.). - Neumünster, 1991
    Zur Geschichte von Starigard/Oldenburg / K.W. Struve. - p. 85 - 102
    p. 95.
    Das Hochmittelalter bis zur Schlacht von Bornhöved / W. Lammers. - Geschichte Schleswig-Holsteins 4, Teil 1. - Neumünster, 1981
    p. 296, Abb. 96.; p. 300; 329 ff.; p. 339 Abb. 111.
    Schleswig-Holstein im Frühen Mitelalter : Landschaft - Archäologie - Geschichte / Dirk Meier. - Heide, 2011
    p. 214
    Al blijkt uit het bord wel op te maken, dat er strijd is geleverd tegen de Slaven. Er stond aan de noordelijk kant van het meer dan ook sinds de zevende eeuw tot de twaalfde eeuw een schans of burg van de Slaven. Betekend dit dat deze burcht is vernietigd door de Saksen of daarna door de Friezen?


    Historische kaart van Wagrien uit 1651
    En aantal vragen kunnen intussen worden beantwoord. Onder andere uit het blad Archäologische Kulturgüter en ander geschriften blijkt dat Adolf II, graaf van Holstein in 1143 een oproep had gedaan aan de inwoners van Saksen, Westfalen, Friesland, Utrecht en Holland op zich in Wagrien / Waierland / Wagerland / Wageren te gaan vestigen. Dit ten behoeve van de ontginning en cultivering van dit gebied, maar ook om het christendom meer invloed te geven in deze contreien. Maar mogelijk werden ook de inwoners van Vlaanderen uitgenodigd.
    Ze gingen allen op dit verzoek in en zo kwamen de Hollanders rond Eutin terecht en de Friezen tussen Süsel en Neustadt. De eerste Hollanders zouden uit Leiden komen, vanwege zogenaamd hun kennis op de waterhuishouding en zoals we intussen begrijpen, waren dit ook gewoon Friezen met intussen een zich 'van Holland' noemende heer. Flemhude, iets ten westen van Kiel zou, zo blijkt uit de naam, de Vlamingen herbergen, maar ook iets ten noorden van Eutin zou een dorp Fleming gelegen hebben. Daarnaast zouden nog de zeer zuidelijk gelegen Flemsdorf en Flemmingen nog aanduidingen kunnen geven, maar dit lijkt in dit verhaal niet van toepassing.
    Wanneer in Über die niederländsichen Colonien welche im nördlichen Teutschlande im zwölften Jahrhunderte gestiftet worden, weitere Nachforschungen mir gelegentlichen Bemerkungen zur gleichzeitigen Geschichte uit 1815 van August von Wersebe hoofdstuk 6 Von den Colonien in Wagrien doornemen, lezen we opmerkelijke zaken. Wagrien, op het kaartje hierboven Wagria genoemd, wordt ook wel als Wagerland / Wageren aangeduidt. Wageren en Walcheren hebben slechts een letter verschil, wanneer we de 'g' en 'ch' als hetzelfde zien. Dit geheel terzijde. De gedachte ontstaat wanneer we lezen in hoofdstuk 6 dat het land van de provincie Wagria, dat is de rechthoek Kiel met de snelweg 33 naar het zuiden tot bij Bad Oldesloe, naar het oosten langs het huidige Lübeck richting Oostzee, behoort aan degene die het heeft veroverd en niet aan de daar geplantte -in deze tijd te noemen- Friese kolonisten. Of zijn het de eerste nieuwe emigranten?
    Leidraad is de Chronist Helmold. Hij was er immers bij, in de zin dat het verhaal zich afspeelde in zijn tijd.
    Zoals al beschreven, wordt in 1134 de Siegesburg gebouwd op de grens met het Slavisch gebied.
    De priester vluchtte met een schip naar Neumünster, toen Alt-Lübeck in 1138 met de grond gelijk gemaakt werd.
    Uiteindelijk verbroederden de mensen in Holstein zich en vielen zonder aanvoering van de hertog de sterke burg van Plön en werd de bezetter uit Wagrien verdreven.
    Adolf II erfde het veroverde gebied. Rond 1140 sticht hij op een nieuwe plek, de huidige Lübeck.
    Door het verdrijven van de vijand was ook het land verwoest achtergebleven. Hierdoor was Adolf genoodzaakt om kolonisten te verleiden om het land weer op te bouwen. Hij stuurde boden naar Vlaanderen, Holland, Utrecht, Westfalen en Friesland met de boodschap, dat eenieder die gebrek had aan land zich met de familie naar hier te komen, waar vruchtbare gronden, een overvloed aan vis en vlees en groene weiden op hun te wachten stonden, dat ze in bezit mochten nemen.
    Dat de nieuwe kolonisten zich slechts in Eutin en Süsel bleven bevinden, geeft aan dat het niet om grote aantal ging en dat er van uitbreiding nauwelijks sprake was.
    Ondanks dat de Holsteiner het gebied veroverd hadden en Adolf ze aanmoedigde om gebied te gaan cultiveren, bleven ze toch voornamelijk in hun eigen woongebied wonen.
    De Slaven cultiveerden dan ook de andere gebieden al gauw. Ook al bleven sommige gebieden nog langdurig woest.
    De plaatsen Eutin en Süsel waren echter door Adolf niet zomaar gekozen. Andere gebieden, daar waar de Slaven zich weer vestigden, bestonden uit stevige bodem. Eutin en Süsel waren omgeven door Moor- en veengebieden. Algemeen bekend was dat de Friezen en Hollanders daar wel raad mee wisten in tegen stelling tot de Slaven en Holsteiners.
    Nadat de Friezen en Hollanders zich hier gevestigd hadden mochten ze ook hun eigen wetten handhaven, de veengronden en drasland bewerken en kregen eeuwenlang de rechten van vrije burgers op vrije gronden. De feodale heren hadden het slim aangepakt om een rustige christelijk georiënteerde boerenbevolking als bufferzone te creëren op een toch al verloren gebied, wat mogelijk toch het nodige zou opbrengen in de toekomst.

    de kolonisten van Süsel en Gerlach onder belegering van de Slaven, 1144 (bron: Rijksmuseum)
    Wilhelm Ernst Christian verwoordt de rede van Gerlach op de pagina's 434-435 van Deel 1 van Geschichte der Herzogthümer Schleswig und Hollstein als volgt:
    "Was denket ihr zu thun? sprach er zu ihnen. Glaubt ihr euer Leben dadurch zu erkaufen, wenn ihr euch ergebet, oder meint ihr, daß die Barbaren Treue und Glauben halten? Ihr irrt, meine lieben Landsleute, und es ist ein thörigte Meinung. Wisset ihr denn nicht, daß unter allen Ankommlingen die Friesen von den Slaven am meisten verabscheuet werden? Warum wollt ihr denn euer Leben so hinwerfen, und eurem Untergange entgegen eilen? Ich beschöre euch bei gott, dem Urheber der Welt, dem es nicht schwer ist, auch wenige aus der Hand der Menge zu erretten, daß ihr eure Kräfte noch witer zu versuchen fortfahret, und mit den Feinden handgemein werdet.
    So lange uns dieser Wall umbiebt, haben wir unsere Hände und unser Waffen in unserer Gewalt, und unser Leben bruhet auf unserer Hoffnung. Unbewaffnete haben nichts weiter als einen schmachvollen Tod vor sich.
    So tauchet denn eure Schwerdter, welche die Feinde von euch freiwillig ausghändiget haben wollen, zuvor in ihr Eingeweide, und seid Rächer eures Bluts.
    Laßt sie eure Kühnheit schmecken, und seinen unblutigen Sieg davon tragen.
    Dies sagte er, und zeigte eine edle Seele, indem er sich mit noch einem an das Thor stellete, die feindlichen Hausen zurück trieb, und mit eigener Hand eine große Anzahl Slaven erlegte.
    Nachedem er endlich ein Auge verlohren hatte, und im Unterleibe verwundet war, so stritte er dennoch mit gleicher Hiße fort."
    En zo hielden de Priester en de weinige Friezen stand in de schans, tot er hulp kwam.
    Verder geeft Helmold antwoord op de vraag of er van de aangevallen handelaren uit Liubice ook nog enige zijn gevlucht naar Süsel. Deze gebeurtenissen zijn chronologisch na elkaar gebeurd. Er heeft nog een aanval door de Slaven op het nieuwe Lübeck plaatsgevonden. Dit kwam als reactie van de gehouden 'kruistochten'. Dit staat dus los van de aanval op de oude Liubice, zodat deze vraag onbeantwoord blijft. Wel vertelt Helmold het verhaal over de aanval op Süsel. Echter van de 400 kolonisten waren er maar 100 aanwezig. De andere 300 waren naar hun thuisland gevaren om hun huisraad en andere bezittingen te halen. Deze dappere honderd Friezen kregen een dag lang een aanval van wel 3000 Slaven te verduren terwijl zij zich in klein fort bevonden. Ze waren dan ook uiteindelijk de wanhoop nabij en wilden zich overgeven. Maar toen hield de geestelijke, genaamd Gerlach zijn rede (zie kader). Zodoende hielden ze stand tot het bericht kwam, dat Adolf hulp zou komen bieden. De Slaven verlieten het gebied en namen hun gewonnen buit en gevangen mee.
    (Fachbeitrag archäologische Kulturgüter, p. 34; Hampe/Zug, p. 31; Über die niederländsichen Colonien I, p. 305, 325; Digitales Historisches Ortsverzeichnis von Sachsen Flemmingen, Flemsdorf; Pye/Noordzee, p. 205-206; Wikipedia Helmold von Bosau; Predigers zu Bovenau im Herzogthum Holstein, Entwurf einer Kirchengeschichte des Herzogthums Holstein / Peter Christian Heinrich Scholtz p. 134-137; m.d.a. Otto Knottnerus).
    Ook de stormvloed van 1134, die de omgeving van het huidige provincie Zeeland, veranderde in een archipel, zorgde voor veel mensen op drift. Ook deze Friezen konden hier dus terecht. Mogelijk namen ze ook enkele bekende namen mee (bijvoorbeeld Middelburg). Dit resulteerde in het bouwen van een flink aantal nieuwe Pfarrkirche, uiteraard onder meegekomen missionarissen.


    de geulen van 't Zwin rond 700

    de geulen van 't Zwin rond 1134

    't Zwin 6 mei 2013
    De witte lijn geeft de huidige kustlijn weer. De inham van rechtsboven is het huidige natuurgebied van 't Zwin. De onderbreking in de duinenrij is hiernaast duidelijk te zien.


    de geulen van 't Zwin rond 1050
    de geulen van 't Zwin rond 1230

    't Zwin 6 mei 2013

    't Zwin en Brugge
    De storm van 4 oktober 1134, die Zeeland veranderde in een archipel en de bewoners verjoeg, zorgde ook voor hernieuwde en verbeterde handelstoegang tot Brugge. Met het ontstaan van 't Zwin, ontstond er ook een betere verbinding met de stad Brugge.
    Tot dit moment werd er handel gedreven door middel van goederenvervoer middels de bekende platbodems, die goed gebruikt konden worden bij getijdestromen. Bij eb lagen de scheepjes vast op het strand of drooggevallen geul en kon er makkelijk gelost en geladen worden. Vanaf welk moment dit gaande was blijft enigszins onduidelijk. Men vermoed enige handelscontacten met of door Angelsaksische, Friese en Scandinavische handelaren, zo rond de 8e en 9e eeuw. Men haalt dit voornamelijk uit de naam van Brugge. Dit zou in het oud-Noors aanlegsteiger betekenen. In oudere teksten wordt Brugge ook wel aangeduid als Bruccia of Brugas. Dit is te herkennen als brug, Brücke (Duits) en bridge (Engels). In het oud-Hoogduits is dit brucca, in het oud-Fries bregge of brigge en in het oud-Noors dus bryggja. De betekenis van dit woord veranderde ook in de loop der tijd. Stond het eerst voor 'stuk gekloofd hout' later werd dit 'kreupelhout', tot 'dam van kreupelhout', zoals het als hierboven met aanlegsteiger wordt omschreven. We krijgen dan ook meteen een beter beeld van zo'n steiger (en dus niet de moderne, die wij er tegenwoordig onder verstaan).
    Na de storm van 1134 konden echter ook koggen ingezet worden en werd het handelsvolume van Brugge steeds groter, waardoor de stad tot grote bloei kwam. De koggen konden echter niet tot helemaal Brugge komen en hierdoor ontstonden er naast andere havens langs de slufters van 't Zwin een voorhaven voor Brugge, die de toepasselijke naam Hontsdamme kreeg. Er werd namelijk een dam in de geul gelegd die voor een veilige en stabiele vaarroute naar Brugge zorgde. Hierdoor kon Damme uitgroeien tot een overslaghaven en deelde daardoor in de handel en welvaart.
    Later werd Hondsdamme Damme, maar intussen had Honds (Honde of Honte betekend iets van een modderig gebied aan een monding of zeearm) verbasterd tot hond met bijbehorende (duivelshond) legende ervoor gezorgd dat er een hond in het wapen van Damme was opgenomen.

    De voormalige Damse havenkom lag tussen de knotwilgen en weg. Op de achtergrond Damme. Rechts gaat de weg richting Damme. Dit was, voordat het gedempt werd, ongeveer de geul het Zwin en heet nu Slekstraat.


    De basaltkeien laten zien waar het Zwin ooit gelopen heeft en hier de Kerkstraat kruiste. Op deze plek stond de Speiebrug. De Speystraat is ongeveer de loop van 't Zwin.


    In 1262 werd de Lieve gegraven. Dit kanaal liep naar Gent. Met Brugge en Gent als achterland was Damme een geweldige overslag- en handelsplaats. In 1969 werd een sas uit 1616-1660 opgegraven. Merk op dat in deze tijd de scheepjes nog niet erg groot waren, zoals we elders ook steeds zien.

    De schepen kwamen dus voortaan in Damme aan in de haven, de Sleckeput. De Slecke was de sluis (sas) dat de Damse havenkom scheidde van het Zwin. Tegenwoordig is hiervan weinig terug te vinden. Een bordje herinnert nog aan de veilige haven van Damme.
    Uit het tolregister (!) van 1252 blijkt zoal wat er wordt binnen gevoerd en verhandeld: kalksteen, haring, lijnwaad, lood, huiden, turf, wijn, ketels, spelden, vlas, sinaasappels, gember, peper, Spaanse pruimen, zoethout, amandelen, vilten hoeden, saffraan, zijde, damast et cetera.

    Vervolgens werden de goederen op nog kleine bootjes of scheepjes verladen om te worden verscheept naar Gent en vooral Brugge.
    Let op dat de kaart van Brugge zo'n -90 graden gedraaid is, met wat we tegenwoordig gewend zijn. Dus links op de kaart wijst naar het noorden. Bij Brugge aangekomen bij de Speyepoort (huidige Dampoort - richting Damme), wat rond deze tijd nog niet bestond kwam men aan in het begin van de stad. De omgeving van Burg, Markt en de Salvatorskerk.
    Om een herkenbaarder beeld van Brugge te schetsen rond deze tijd, hierbij een Google-kaart met een situatieschets van 1127 en 1298.

    Brugge ontstond in de begintijd van de Frankische/Friese invloedsfeer in de geografisch ideale handelsgebied van de drie gouwen: de pagus Flandrensis (Vlaanderengouw), de pagus Rodanensis (Rodenburg- of Aardenburggouw) en de pagus Mempiscus (Mepsegouw). Ten noorden en oosten van het Zwin zaten de Friezen en ten zuiden en westen hadden de Franken het voor het zeggen. Het had in deze beginperiode ook een open verbinding met zee (zie de geulen van 't Zwin rond 700 hierboven). Dit verzandde echter ook, net als het in deze periode ook weer ging verzanden.
    In de 10e en 11e ontwikkeld Brugge zich als een echte stad, dat afwijkend gedrag van het platteland gaat vertonen. De bewoners (kooplieden en welgestelde burgers) krijgen behoefte aan eigen instellingen en openbare lichamen, als in gilden en hanzen. De bevolking kiest gemeenschappelijk voor een bepaalde richting, zonder dat dit een juridisch erkenning heeft ontvangen.
    In 1070 steunen zij Robrecht de Fries (ca. 1029/32 – Kasteel van Wijnendale, 13 oktober 1093), waarvan zij een gunstige politiek voor steden verwachten. Dit ten nadele van Richildis, de moeder van de wettelijke opvolger, Arnulf III, maar nog minderjarig, die een gunstig plattelandsbeleid voorstond.
    Nu behoeft de naam van Robrecht enige uitleg.

    't Keerske
    Robrecht de Fries, Graaf van Vlaanderen, sticht in 1080 een dubbelkapel toegewijd aan St. Pieter & St. Katharina.
    Heropgebouwd na een brand in 1389. Architect Hendrik Pulinx verbouwt de kapel in 1723-1725 voor de kaarsgieters.
    De stad Brugge restaureert in 1983-1987 naar ontwerp van architect Dugardyn.
    Keersstraat 1, Brugge. [i]
    In 1063 trouwde Robrecht met Geertrui, de weduwe van Floris I
    . Geertrui vond in hem namelijk een sterke partner voor haar nu nog minderjarige zoon Dirk V . Robrecht vestigde zich daarom in Holland, welke vanouds een deel was van Frisia, vandaar "de Fries" en deed afstand van zijn aanspraken op Vlaanderen ten gunste van Arnulf III de Ongelukkige, de zoon van zijn oudere broer Boudewijn VI. Wel erfde Robrecht na de dood van zijn vader het Land van Aalst, de Vier Ambachten en het graafschap Zeeland. Nog geen 7 jaar later had Robrecht echter Vlaanderen weer teruggewonnen door steun van de stedelingen.
    Robrecht vestigde zich in Brugge. En hij komt zijn belofte na ten nadele van de heersende machten, de adel en geestelijken. De handel kon gaan floreren en ze kregen hun eigen schepenbank, waar ze de juridische en administratieve zaken afwikkelden. Deze ontwikkelingen zorgden ervoor dat Brugge een economische macht werd en wenste dan ook meer autonomie.
    Na de moord op Robrecht de Fries zijn kleinzoon Karel van Denemarken - later de Goede - (ca. 1080/86 – Brugge, 2 maart 1127), kwamen organisatorische zaken in een stroomversnelling. Het was al enige tijd gaande dat de kooplieden van voorname steden (al hadden ze hiervoor nog geen "officiële" erkenning van een graaf) gilden of hanzen voor gemeenschappelijk beveiliging tijdens hun groepsreizen oprichtten.
    In deze periode waren alle poorters of stadbewoners kooplieden. Al zat er wel verschil tussen het economisch succes. Juridisch was er slechts één klasse, of men nu arm of rijk was.
    Tot 1190 zwijgen de keuren ook over een klasse niveau. Daarna ontstaat er bij de kooplieden wel verschil. De rijken onderscheiden zich als 'majores' ten opzichte van de armere, de 'minores'.


    Belfort
    Vanuit de Geernaartstraat met zicht op het Belfort

    Schouw in de Schepenkamer
    De Keizer Karel-Schouw in de Schepenkamer van het Brugse Vrije
    1528-1551
    door Guyot de Beaugrant (beeldsnijder), Lanceloot Blondeel (ontwerp)
    In Brugge werden alle juridische, administratieve en economische bedrijvigheden en zakelijkheden in de Halle en in het Belfort afgehandeld. Deze situatie bestond al enige tijd zo. Waarschijnlijk waren de gebouwen eerst van hout. Maar rond 1240 is men begonnen met het creëren van in gedeeltelijke stenen versie.
    Sinds de moord komen er echter ook 'uit naam van de stadvolking' initiatieven naar voren, voor allerlei verbeteringen en veranderingen. Er ontstaat een eigen schepenbank (bevestigd middels documenten uit 1168 en 1178, maar mogelijk al eerder operationeel), die volledig los functioneerden van de burggraaf en kasselrijschepenbank.
    De Londense Hanze was intussen ontstaan en lidmaatschap hiervan was een vereiste om als Brugse schepenen in aanmerking te komen. En dit gold natuurlijk alleen voor de rijke kooplieden de 'majores', zodat er hierdoor wederom een klassenverschil ontstond, al was het voor een Brugse ambachtsman theoretisch mogelijk om schepenen te worden. Om in een Hanze opgenomen te worden mocht hij sinds één jaar en één dag zijn handwerk niet meer uitoefenen en moest hij 1 mark goud betalen. Hierna kon hij eventueel meedingen tot de verkiezing van schepenen.
    > Volgens mij hebben we het hier dan over een rijke ambachtsman.
    De regels met betrekking tot één jaar en één dag komen in de Friese rechten in geval van personen of zaken al langer voor. Een neste were, een sterk en nagenoeg onaantastbaar recht, kreeg degene die een zaak een jaar en dag in zijn were had gehad. Evenzo gold voor een onvrije die een jaar en dag in de stad had gewoond en dus buiten de were van zijn heer had gewoond, vrij werd.
    Of we dit kunnen interpreteren dat de heer, die zorg te dragen had voor een onvrije hierdoor overtuigd was dat deze niet langer de zorg nodig had, omdat de onvrije hiermee had aangetoond voor zichzelf te kunnen zorgen en dus zijn heer van vrij het zorgen voor liet, vind ik zelf wel aannemelijk, maar krijg hierover niets bevestigd. Wel kunnen we dit zien als een methode voor een onvrije om vrij te worden.

    Mogelijke verklaring voor jaar en dag, ieer ende dei zijn bijvoorbeeld jaar plus zittingsdag, wanneer het om een gerecht handelt (wie een jaar en dag stilgezeten heeft, is zijn recht op een zaak kwijtgeraakt). Ook kan men hierin een vol jaar zien, waarbij een termijn wordt aangeduid, een periode waar dezelfde dag - de begindag en einddag - tweemaal geteld kan worden (Algra/Ein, p. 79-80).

    De lijst met rijkste poorters werd in 1282 aangevoerd met handelaren: Bonin, Calkere, Hoft, Alverdoe, Tolnare, Weide en Van Curtricke, gevolgd door brouwers. De lakenhandelaren waren echter niet vertegenwoordigd, omdat veel handelaren waren die per stuk verkochten. De grotere jongens, kwamen voornamelijk uit andere omliggende steden als Gent en Ieper.

    Rond deze periode werd er gewerkt aan een bijzonder complex gebouw aan de oostzijde van de markt, de nieuwe waterhal. Het hoofdgebouw van dit complex kwam rond 1294 gereed. De schepen konden nu doorvaren tot onder het gebouw waar ze droog gelost konden worden. Dit gebouw van 22 of 24 meter breed en 95 lang (de breedte van de muren variëren tussen de 1.30 en 1.50 meter). Op de kaart van Brugge van rond 1649 door Joan Blaeu in de Atlas van Loon getekend kunnen we dit complex terugvinden in de cirkel.

    De kasselrijschepenbank vergaderden nog steeds in het castrum. De stadsschepen kwamen een eindje verderop bijeen. Vermoedelijk eerst in de Oudburg, achter de Halle, de zogenaamde Bachterhalle. Hier kende men tot 1609 nog het Oud scepenhuus. Later, na de uitbreiding van de tweede ring, werd het ghyselhuus of Ghiselhuus (het voormalig grafelijke gevangenis), de nieuwe vergaderplaats van de stadsschepenen.
    In 1376 werd dit gebouw afgebroken en werd een begin gemaakt met een echt scepenhuus, dat in 1421 volledig afkwam.
    In het houten torengedeelte van het Belfort kwam in 1280 een brand voor. Hierin lagen dus ook alle afgewikkelde zaken op papier. Zodoende is er veel materiaal over de geschiedenis van Brugge verloren gegaan. Met het herstel van het Belfort en hallen werd vanaf 1284 een begin gemaakt. Wederom met een toren van hout. Dit zou tot 1294 duren voordat het af was. Dit gebouw werd ontwikkeld en gebouwd door Walter Codrüc, Paul Calkers, Matheus en Jan van Curtrice (Luykx/Brugge). Echter uit de Bulletin de l'Académie Royale des Sciences blijkt dat de namenlijst iets langer was: Walter Codric, Paul Calkers, Pierre de Weida, Mathieu et Jean de Courtrai, Jean de Dordrecht et Frére Simon de Genève. Al komt Jan van Dordrecht weer niet voor in een handgeschreven document (van de hand van Pierre-Jacques Goetgebuer, stichter van société royale des beaux arts, in 1808 onder de naam "société des arts").

    De leenheer van de Franse koning had tussen 1297 en 1302 Brugge bezet en dit had grote gevolgen voor de stad en zijn inwoners. De rijke handelslieden onttrokken hun kapitaal uit de handel en staken het -als geldschieter- in de graven van Vlaanderen en Holland, de abdijen en hun eigen stad Brugge. Hierdoor kregen ze bijvoorbeeld recht om tol te ontvangen in Dordrecht. Maar ook het innen van pacht, ondernemen van grote openbare werken, zoals "hun eigen" halle. Ook werden sommige grootgrondbezitters of gingen als tussenpersonen functioneren tussen vreemde kooplieden.
    De Brugse bevolking werd ingedeeld in 5 "belastingcategorieën". Inwoners die meer dan 300 lb. bezaten, moesten een paard gaan houden en zich hiermee ten strijde trekken, wanneer ze opgeroepen werden. Degenen (de rijksten) die meer dan 2000 lb. hadden, moesten tevens een ijzeren uitrusting aanschaffen. Opgemerkt wordt dat ook ambachtslieden in deze laatste categorieën vielen.
    Ten tijde van het Oud Schoutenrecht - rechtsvoorschriften die tussen 1166 en 1196 zijn verzameld - werd de bewapening ook afhankelijk gesteld van bezit. Specifiek gezegd, de waarde van het land dat hij "aan zijn were" had bepaalde zijn bewaping. Was dit 30 pond of meer waard, dan werden er ruiterdiensten van hem verwacht. Tussen de 20 en 30 pond had hij een aanvalswapen van het voetvolk nodig. Te denken valt aan een slagwapen als strijdbijl of morgenster. Tussen 12 en 20 pond werd een stokwapen verwacht, een speer met schild. Was het land minder dan 12 pond waard, dan had men afstandswapens nodig, zoals een koker met boog.
    De burgers van Brugge waren dus opeens maar meer een 'halve' burger.
    De Bruggenaren hadden op vrijdag 18 mei 1302 een verrassing voorbereid, "de Brugse Metten". In een nachtelijke verrassingsaanval werden de Franse soldaten gedood. Wie niet het sjibbolet scilt ende vrient goed kon uitspreken, moest wel een Fransman of leliaards (Fransgezinde Vlamingen, meestal patriciërs) zijn en overleefde dit niet.
    Ook de wraakactie op woensdag 11 juli 1302 van de Franse koning haalde niets uit. De 9.000 (voornamelijk voetvolk) aan Vlaamse zijde versloegen het leger van de koning. Dit bestaande uit 8.000 man, waarvan 2.500 ridders te paard. Het verlies van 1.000 man aan Franse zijde is enorm vergeleken met de 100 man aan de Vlaamse kant. De mensenlevens die de Guldensporenslag kostte, komt daarmee op 1.100 vernielde levens en gezinnen.

    Deze overwinningen waren de opmaat voor de Brugse Vrije en door het erkennen van Brugge als hoofd van de omliggende plaatsen als Aardenburg, Damme, Oudenburg, Torhout, Sluis, Kiksmuide, Nieuwpoort, Veurne, St. Winoksbergen, Broekburg, Duinkerke, Grevelingen, Gistel, Blankberge, Oostende, St. Anna ter Muiden, Oostburg, Hunkevliet, Ysendyk, Poperinge, Monnikerede, Hoede, Mardick, Loo, Lombardzijde, Eekloo en Kaprijke ging men spreken van Brugse Ommelanden (Bezoekerscentrum Damme en de Zwinstreek: Huyse de Grote Sterre; Wikipedia: Stormvloed van 1134, Damme (België), Geschiedenis van Brugge, Stadhuis van Brugge, Robrecht I de Fries, Karel de Goede, Brugse Metten, Guldensporenslag, Brugse Vrije, Belfort van Brugge, Waterhalle; Re: Atmosphere or random pictures; Luykx/Brugge, p. 11, 14, 17-19, 22-23, 28-30; Ryckaert/Brugge, p. 16; BARS-LBAB 18-I, p. 133; Goetgebuer, p. 52; Algra/Ein, p. 67, 71, 85; vdHoek/Nullijn, p. 51).


    Scheepvaart
    De Friezen voeren met hun platbodems, de koggen, langs de kustlijnen, over het wad en over rivieren. Met een door de wind voort geblazen schepen met één ra, bleef het lastig, zo niet onmogelijk, om tegen de wind in te zeilen. Vaak moest gewacht worden op gunstige winden of het schip werd gejaagd. Dit was ook één van de redenen om de kustlijn in de gaten te houden, zodat men snel naar de kust kon bij dreigend gevaar. Een ander reden, -ook belangrijk- was, dat men zich oriënteerde op deze kustlijn.
    Op wat voor schepen voer men eigenlijk, hoe groot waren ze en wat konden vervoeren?
    De ontwikkelingen volgden elkaar snel op en naar behoefte paste men het nieuw te bouwen schip aan. Grofweg kunnen er wel een aantal schepen beschreven worden om een indruk te krijgen. Er zijn dan zo'n vier hoofdtypes te ontdekken: aakachtige rivierschepen, de protohulk, de koggen en de kielschepen.

    Sinds de Keltische en Romeinse tijd worden er al rivieraken gebouwd. Dit waren simpel geconstrueerde plankschepen, platte bodem, met een licht schuin hellende opstaande rand van 1 à 2 planken hoog (30-40 cm) tot meerdere planken (1 meter). De ideale riviervervoerder, waar je eventueel met kar en al zo op kon rijden. De gevonden aken varieerden in lengte van 20 tot 25 meter.
    De Viking-aken waren geen platbodems, maar hadden een zijkant van overnaads -als dakpannen gelegde- gespleten planken. Zodoende liep het meer tabs toe en had het in het midden een bolle buik. Ook de grootte varieerde van 5 meter lang en 60 cm hoog, tot 16.5 lang en 5 breed of 20 lang en 6 breed.

    De zwijgende tol
    Ic Diederic, here van Wassenare make cont alle den ghenen, die desen brief sien solen of horen, dat mi mijn here har Florens, grave van Hollant, also lieve ghedaen hevet ende also met hem bem over een ghedraghen, dat ic die Huelec tolne, die ic tot Dordrecht plach te hebbene ende te houdene van minen here den grave van Hollant te leene quite ghescouden hebbe ende quite scelde eweleke vore mi ende mine nacomelinghe dat wise nemmermer anespreken ne selen
    In orconden van desen brieve die wart ghegheven in ons Heren jare dusent tvehondert ende achtentachtich des dinxendaghes na Sente Mathijsdaghe
    Dit kan 1288 Maart 2 of 1288 September 28 betekenen.

    Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 33. - Amsterdam : Johannes Müller, 1912. - p. 208 XCIX.
    De Hulk is ook een soort platbodemschip, zonder zeil en zonder kiel, welke vanaf 700 in onze regionen gebouwd werd. In 1288 komt de Hulc voor, om bij Dordrecht tol te betalen. Zeil en kiel kwam pas bij de bouw van de Kogge. Voor de rest komen de formaten van een Hulk en Kogge overheen en beiden waren geschikt voor zeetochten. Een Hulk kon geroeid worden dan wel getrokken. Je kunt ook zeggen dat de Hulk dus een trekschuit is. De Hulk begon vanaf 1200 ook een stevenroer te krijgen en vanaf die periode werden de formaten van de Hulk groter dan de Koggen. Hiervoor hadden ze een roer aan -hoe kan het ook anders- het stuurboord. Kunnen we hieruit concluderen dat de meeste schippers toen rechts waren?
    Volgens Wikipedia komen deze woorden waarschijnlijk uit het Oudnoors, van de Vikingen. Zij stuurden [stýri = stuur] hun overnaadse houten schepen met een roeiriem die altijd aan het rechterboord [borða = plank] was bevestigd. Dat was dus stuurboord. De roerganger, die de riem met beide handen vasthield, stond met zijn rug [bak] naar het linkerboord van het schip, en dat was dus bakboord.

    Volgens The Anglo-Saxon Chronicle liet de toenmalige koning Alfred in 897 een aantal nieuwe schepen bouwen:
    Then King Alfred gave orders for building long ships against the esks, which were full-nigh twice as long as the others.
    Some had sixty oars, some more; and they were both swifter and steadier, and also higher than the others.
    They were not shaped either after the Frisian or the Danish model, but so as he himself thought that they might be most serviceable.
    En toen gaf King Alfred de opdracht voor het bouwen van lange schepen tegen de esks, die vol nagenoeg twee keer zo lang als de anderen.
    Sommigen hadden zestig riemen, sommige meer, en zij waren en sneller en stabieler, en ook hoger dan de anderen.
    Ze waren echter niet gevormd na het Friese of het Deense model, maar zo, zoals hij zelf dacht dat ze het best gebruikt konden worden.

    Dit stukje roept dan meteen de vraag op wat een 'esks' is.
    Ducange in voce, who says they were small boats or punts used in fish-ponds; while Wendelinus considers that the Dutch schuyt, which he describes as small boats chained to trees (a very different thing from the present schuyt) came from Ascs. Holberg says they were called Ascs because they carried their food with them in chests: but Southey, following Ihre, suggests more reasonably that they were called Asks, from the word ash, of which they were built; and adds, that the sea-rovers, termed Aseomanni, perhaps derived their name from these ships (Nicolas/Royal navy, p. 12).
    Kortom, opties genoeg. Maar misschien is het scheepje wel vernoemd naar eilandbewoners die zich (vanuit het Deense of Friese gebied) gevestigd hadden tussen de twee rivieren North and South Esk in Schotland, wat er eender uitziet als de Friese en Deense kustgebieden, terwijl de rest rotsachtig is.
    Wat een punt is, wordt hier duidelijk gemaakt. Maar ik vermoed dat dat er nog geen zeil en dekvloer aanwezig was in de vroege versie.





    De middeleeuwse scheepsbouwers gebruikten bij de bouw van een koggeschip twee manieren om de planken aan elkaar te bevestigen. In het vlakke bodemgedeelte sluiten de planken met de zijkanten tegen elkaar aan (karveelbouw). Bij de zijden is de bovenliggende plank aan de onderliggende verbonden met houten pennen of spijkers (overnaadse bouw). De naden tussen de huidgangen werden met gesinteld mosbreeuwsel gedicht.
    TON en LAST
    In deze periode tot in de 19e eeuw is het volledig onduidelijk, hoeveel liter er in een ton gaat. Dit kan variëren tussen de 60-227 liter, afhankelijk waar het vandaan komt. Ook is het vervolgens afhankelijk van de goederen die in zo'n ton vervoerd gaan worden, om tot een bepaald gewicht in kilo's te komen.
    Dit geldt ook voor een last (van Scheepslast). Hierin kan het variëren van 2954 tot 3004 liter. Een Groninger Scheepsvracht is 10 last, dat overeenkomt met 17700 kg. Of rond Breda is 1 last = 60 ton. In granen kan het uiteenlopen van 2900 tot 3197,6l.
    Ook per periode kunnen de maten en hoeveelheden wijzigen.
    Voor een idee van de ton en last kan De oude Nederlandse maten en gewichten geraadpleegd worden.
    Rond 1150 bouwde men de Kollerup-Kogge. Deze platbodem is ongeveer 21 meter lang, 4.92 meter breed en 2.21 meter hoog. Het had een diepgang van 1.20 meter en kon ongeveer 21 Lasten vervoeren (een Last is ongeveer twee ton), dus ongeveer 42.000 kilo. Dit was waarschijnlijk de eerste versie die nog lang en slank van vorm was. Later werden ze steeds breder en kregen ze kastelen achterop, voorop en zelfs in de mast, ter verdediging.
    De Bremer Hansekogge van 1380 mat ongeveer 23.3 meter, was 7.6 meter breed en was middenschips 4.26 meter hoog. Met lading van 84 ton, had dit schip een diepgang van 2.25 meter. Dit was een van de kleinste van z'n soort.
    Rond 1400 ging de lading over de 100 Lasten, dus 200.000 kilo.
    De Poeler Kogge is er zo een die gevonden is. Lengte 31.5 meter, breedte 8.5 meter en maar een diepgang van 2.00 meter is deze weer beter geschikt om op lager water te varen.
    De bemanning bestond bij alle Koggen uit 11 personen (Graichen/Hanse, p. 75-76; Tuuk/Gouden, p. 226-256; Hoops/Reallexikon, p. 117-123).


    de Kamper Kogge
    In het rijtje van gevonden koggen, kunnen we sinds 16 oktober 2012 er een toevoegen 'de Kamper Kogge', of zoals de onderzoekers het wrak noemen 'de IJsselkogge'. Het wrak was al in 2011 gelokaliseerd. Onderwaterarcheoloog Wouter Waldus, die het schip 16/10/'12 heeft bekeken, bevestigd in het interview "Scheepswrak Kampen vrijwel zeker Kogge", dat het gaat om een kogge van zo'n 20 bij 8 meter. Deze kogge schijnt nog volledig intact te zijn en daarmee heeft Kampen een primeur. De krantenkoppen zijn dan ook juichend:
    Unieke vondst kogge in IJssel. - de Stentor : Kampen, vrijdag 01 juli 2011, 14:50
    Naast kogge nóg oud schip in IJsselbodem / Gerald Meijer. - de Stentor : Kampen, woensdag 06 juli 2011, 13:13

    Duikers onderzoeken wrak vermoedelijke kogge. - de Stentor : Kampen, vrijdag 12 oktober 2012, 14:40
    Kogge in de IJssel. - de Stentor : Kampen, dinsdag 16 oktober 2012, 12:42
    Wrak Kampen is inderdaad van kogge. - de Stentor : Kampen, dinsdag 16 oktober 2012, 12:50
    Scheepswrak bij Kampen is goedbewaarde kogge. - Reformatorisch Dagblad, dinsdag 16 oktober 2012, 13:43
    Kampen heeft echt een kogge / Erik Driessen. - Varen in de kop van Overijssel, dinsdag 16 oktober 2012, 19:29
    'Vrachtwagen uit de middeleeuwen' op bodem van de IJssel. - RTL Nieuws, dinsdag 16 oktober 2012, 19:30
    Eeuwenoud wrak bij Kampen blijkt kogge. - De Ergoedstem, dinsdag 16 oktober 2012
    Vondst van mogelijk internationaal belang / Ana van Es. - de Volkskrant, woensdag 17 oktober 2012, p. 11
    Wrak middeleeuwse kogge wereldvondst / Anne Boer. - de Stentor : Kampen, woensdag 17 oktober 2012, 09:29
    Vondst kogge bij Kampen van internationaal belang / Gijsbert Wolvers . - Reformatorisch Dagblad, woensdag 17 oktober 2012, 11:28
    Sterke roep om kogge te behouden / Ewoud ten Kleij. - de Stentor : Kampen, donderdag 18 oktober 2012, 07:00
    Een zilvervloot voor Kampen / Jaap Lodewijks. - de Stentor : Kampen, donderdag 18 oktober 2012, 08:00


    Kampen
    Kampen of Campen was al rond 800 een plaats met enige betekenis. Mogelijk door zijn gunstige ligging aan de monding van de IJssel met een groot achterland tot ver in Duitsland en een open zeeverbinding via de Zuiderzee kon een opvolgend handelsplek na Dorestad hier niet uitblijven. Of we Kampen ook als een Friese nederzetting of handelsplaats en later handelsstad mogen of moeten zien, is mij nog niet geheel duidelijk. Een beschrijving van de oude Kampers doet daar echter wel een klein beetje aan denken, maar goed, er zullen meer mensen zijn die zo zullen zijn: De oude Kampers weken of bogen zich voor niets en voor niemand. De Kamper kleuren: wit en blauw, waren in alle landen bekend en geëerd. En rond deze tijd, toen Kampen een stad was geworden, met een burgerij, bruisend van energie, overlopend van ondernemingszucht, begaafd met een zeldzame handelsgeest, werkend met een ijver en doorzicht en volharding, welke inderdaad verbazingwekkend genoemd mogen worden.
    Of Kampen een stad is met stadsrechten of dat het middels gewoonterecht deze status kreeg blijft onduidelijk. Maar of je van echte stadsrechten nu blij wordt. Immers, je krijgt deze rechten van een heer, die er zelf beter van wil worden. Dus middels gewoonterecht lijkt me dat dan beter, al blijft het een vreemd iets: recht dat ene juist geeft wat voor een ander verboden wordt.
    Het argument voor een gewoonterecht ligt ook meer voor de hand, omdat de heer in deze eigenlijk ontbreekt. De stad Kampen regeert zichzelf en hierdoor zijn er geen belemmeringen om te groeien en de nodige aanpassingen te doen om deze groei te stimuleren, zonder dat het ergens wordt afgeroomd.
    De open zeeverbinding gaf toegang tot de Noordzee en Oostzee -de Friese handelsoorden- dus het ligt voor de hand dat er vele Friese handelaren zich in Kampen vestigden en zo deze plek tot een handelsplaats maakte die tot de hoogste regionen zou gaan behoren. De steden aan de Rijn met zijn vele zijtakken zorgde voor de andere producten.
    De groei begon met de handel met Schonen, dit is het huidige landschap Skåne, op het zuidwestelijke punt van Zweden aan de Öresund of in het deens Øresund. Bij het water bij het zuidelijkste schiereiland lag het vis voor het "oprapen" en dus vestigden de handelaren uit Kampen hier zich in Skanör en Falsterbo. Deze relatie was zo belangrijk dat de geschiedschrijver Arent toe Boecop schreef: dat Kampen feitelijk door Schonen was opgebouwd.
    De relatie werd kennelijk van beide zijden belangrijk gevonden, want de Kamperse handelaren kregen in 1251 bijzondere voorrechten van koning Abel
    (1218 - 29 juni 1252), zodat ze een handelspost mochten bouwen in Skanör en Falsterbo. Op zich is dit al een vreemde situatie, want Abel leidt in 1252 een aanval op het Friese land, waarbij hij de 29ste juni om het leven komt. (Diverse verhalen doen hiervan de ronde.) Maar misschien is dit juist wel een aanleiding geweest.
    Ook hoeven ze geen tol of zeer weinig bij de Sonttol te betalen. Of dit inhoudt dat ze dus ook niet in de Sonttol registers staan geschreven, dient naderhand onderzocht te worden.
    De handelaren werden ook gespot in het stroomgebied van de Elbe, wat niet tot Fries gebied gerekend kan worden. In het archief van Hamburg zou een brief uit Kampen bevinden met een verzoek om de Kampers te beschermen. Deze brief is van 1267.
    In 1289 kregen de Kamper handelaren een volledige handelsvrijheid in Noorwegen. Dat de Kampers belangrijk waren, blijkt ook het feit dat ze aanwezig waren bij de vredesonderhandeling tussen de Noorse koning Haakon en de Hanzesteden. Welke Haakon hier precies bedoeld wordt, IV of V of VI wordt niet duidelijk. Ook is nu nog onduidelijk in welke periode dit speelde.
    Haakon IV, (Haakon Håkonsson, bijgenaamd Haakon de Oude) leefde van 1204 - Kirkwall, 15 december 1263 en was koning van 1217 tot 1263 koning van Noorwegen.
    Haakon V leefde van 1270 - Tunsberghus, 8 mei 1319 en was van 1299 tot zijn dood in 1319 koning van Noorwegen.
    Haakon VI leefde van ongeveer 1340 - Oslo, 11 september 1380 en was koning van Noorwegen van 1343 tot aan zijn overlijden in 1380.
    (Bij verwerking van de Hanseboeken komen we vast dit puntje nog tegen en komen er dan op terug.)
    In 1307 kregen ze rechten van Hertog Erich in Zweden om hout te kappen in zijn hertogdom.
    Van de Deense koning Menved kregen ze ook privileges.
    Dat dit allemaal niet zo heel erg bijzonder is zien we in de Bronnen tot de geschiedenis van den Oostzeehandel 1122-1499, eerste deel, eerste stuk, Rijks Geschiedkundige Publicatiën 35, p. 163, 29 augustus 1398 te Kopenhagen bevestigd Koning Erich van Denemarken, Zweden en Noorwegen met toestemming van koningin Margaretha en van de Deense rijksraad de privilegiën van Kampen in Denemarken. Immers, de Hansesteden krijgen op 29 augustus ook privilegiën in Noorwegen. Op 28 augustus hadden ze al de privilegiën voor Zweden en Denemarken ontvangen.
    (Kok/Kamper-uien, p. 6, 11, 12-13, 14, 16; Wikipedia Haakon IV, Haakon V, Haakon VI; )


    Navigatie

    Magneetsteen drijvend op vloeistof zoals deze in het midden van de 13e eeuw gebruikt werd.'
    Reconstructie van een primitief kompas met zon- of polaroidsteen, gemaakt van hout en steen. Volgens sommigen bepaalden Vikingen met polariserende edelstenen de stand van de niet zichtbare zon.
    Museum aan de Stroom (MAS), Antwerpen

    Astrolabium met Latijnse en Arabische inscripties - Jean Fusoris
    Het astrolabium, van het Grieks 'astron labein = een ster meten', werd rond de derde of tweede eeuw vOJ ontwikkeld. Vanaf de late middeleeuwen werd het ook een navigatieinstrument.
    Museum aan de Stroom (MAS), Antwerpen
    Het kompas deed in het Oostzeegebied voor het eerst z'n intrede rond 1400 (Graichen/Hanse, p. 37).
    Of dit ook de eerste plaats was, waar de natuurmagneten in een kompas gebruikt werd is onduidelijk. De Chinezen, de Arabieren, de bewoners van Klein-Azië en zelfs de Finnen kunnen het hebben uitgevonden. Het ontbrak namelijk nog aan navigatiemiddelen. Gezien deze groepen al met elkaar handelden lijkt dit aannemelijk. De Chinezen hadden echter al eeuwen hiervoor de speciale eigenschappen van deze stenen ontdekt.
    Wanneer de steen vrij was opgehangen, wees het kennelijk altijd naar het Zuiden. Hierdoor kende men de Noordster (Poolster), en het noorden. Dit lag daaraan diametraal tegenover.
    De eerste Europese vermelding van het kompas dateert uit een
    brief van een zekere Pierre of Petrus de Maricourt uit het jaar 1269 (Borstlap/Kompas, p. 6-8).
    Werd er een windroos of windschijf gebruikt bij het kompas, op een schip, dan werd deze betiteld als kompasroos. De Noormannen gebruikten ze al. Van de originele kompasrozen zijn er nog maar enkele bewaard gebleven. Het verzamelen van kompasrozen is dan ook een dure liefhebberij, duur omdat ze zo zeldzaam zijn. Degene die zich daarop toelegt, moet wel over een zeer ruime beurs beschikken wil hij tot een verzameling van tien, vijftien exemplaren komen (Wouters/kompasrozen, p. 382).
    Dat de Chinezen de uitvinders waren, wordt sterk betwijfeld. Het Chinese kompaswagentje is dan ook niet een kompaswagentje, maar meer een instrument om altijd dezelfde richting te kunnen blijven aanwijzen. En aangezien de Chinezen ook niet van tandwielen en raderwerk hielden in hun constructies, is het waarschijnlijker dat het naar de Chinezen is gebracht en door een ander land is uitgevonden. Een middelbare-scholier uit onze tijd kan met enig denk- en rekenwerk zo'n wagentje construeren (K.J./kompaswagentjes, p. 80).


    Vrije Rijkssteden
    De discussie over Vrije Rijkssteden lijkt alleen te gaan over status. Het suggereert dat het alleen en direct onder gezag van de keizer en het Heilige Roomse Rijk zou staan. Net als alle 'vrije Friezen' dus. Of en welk verband hier tussen zit, ontgaat mij op dit moment. Keizer Maximiliaan I (Wiener Neustadt, 22 maart 1459 – Wels, 12 januari 1519) zou in 1495 Deventer, Kampen en Zwolle hebben erkend als Vrije Rijksstad. In principe verloren ze deze status in 1528 alweer toen zij keizer Karel V als landheer aanvaarden. Voor 1495 gedroegen ze zich wel al als vrijstad - net als de Friezen zich gedroegen dus. Ik ben er gevoelsmatig dan ook van overtuigd dat de handelaren zeker van Friese komaf zijn, maar aangezien deze gaan en staan waar ze maar willen en zich vestigen waar de vrije handel mogelijk is, is het lastig om dit nog met feiten te staven, tenzij het mogelijk zou zijn om stambomen van deze handelaren te maken.
    Ook de stad Groningen kreeg in deze periode deze status. En ook Groningen gedroeg zich daarvoor, maar ook daarna nog als een rijksstad.
    Van Amsterdam wordt ook gezegd dat het als zodanig een Rijksstad zou zijn geweest, omdat op het (huidige) Paleis op de Dam op elke hoek een vergulde keizerskroon zit. De stad kreeg wel de mogelijkheid om Rudolfinische Keizerskroon op te nemen in het stadwapen als dank. Maar van de andere kant wordt juist beweerd dat ze niet kon meekomen met de religieuze hervormingen, zoals de andere Hanze en vrije rijkssteden, omdat het geen vrije Rijksstad was.
    Om die reden ook zou de Westertoren versierd zijn met een keizerskroon. Echter, de Neue Kirche in Emden, zagen we al bij ons vakantieverslag heeft een soortgelijke kroon. En Emden is nooit een rijksstad geweest, al onderstreepten ze hiermee wel hun autonomie. Deze kerk is gebouwd tussen 1643-1648 en ontworpen door Martin Faber. De Westertoren kwam in 1638 gereed (Kok/Kamper-uien, p. 21; Wikipedia Keizer Maximiliaan I, Vrije rijkssteden in de Nederlanden, Westertoren (Amsterdam); Aardrijkskundig woordenboek, I, p. 176; Meijer Jr/zegepraal, p. 85).


    de Vrije Fries
    Allereerst dient hier meteen opgemerkt worden, dat de Friese Vrijheid in de periode van de 9e eeuw een andere was dat die van de 15e eeuw. Oftewel de Fries ten tijde van Karel de Grote ervaarde de vrijheid anders dan zeg bijvoorbeeld Grote Pier, die we verderop nog uitgebreid gaan tegenkomen. Voordat de Franken de Friezen overwonnen, waren ze absoluut vrij. Hierna verhielden de vrijen en onvrijen zich onderling nog steeds hetzelfde. Echter de vrijen vielen onder een heer, maar dit was alleen de koning. Ze stonden dus in een relatie met de koning. De onvrijen konden onder diverse soorten heren vallen. Evenals daarvoor dus eigenlijk, al werden zij geen heer genoemd. De vrijen hadden een eigen rechtskring, zoals dat door de koning Karel was geschonken: thet alle Frisa an fria stole bisitta and hebbe fria sprka and fri ondwarde; thet urief us thi kinig Kerl, til thiv thet wi Frisa suther nigi and clipskelde urtege and wrthe tha suthera kininge hanzoch and heroch alles riuchtes tinzes and tegotha", "dat alle Friezen een vrije rechtstoel moeten bezitten en aldaar vrij mogen spreken en antwoorden; dat privilege gaf ons koning Karel, omdat wij ons aan de machten uit het zuiden onderwierpen en de belasting aan de Noormannen in klinkende munt weigerden en de koning uit het zuiden onderdanig en gehoorzaam werden wat betreft alle rechtmatige belasting en tienden", zoals hierboven al eerder geschreven.
    Ook de onvrijen hadden hun eigen rechtskring met hun eigen heer.
    Maar naast deze 2 was er nog een groep mensen die tot geen van de twee groepen horen. Beiden hadden recht. De derde groep was weliswaar vrij, maar had geen rechtelijke relatie met de koning, de reeds eerder aangehaalde friling. Dit waren degenen die bijvoorbeeld gevlucht waren tijdens een vijandelijke aanval en hierdoor hun (erf)recht, het recht op kindsdeel van het erf of 'ein' oftewel, zij erfden niets meer van de ouders en raakten tevens alle andere rechten kwijt. Ze werden rechteloos, net als misdadigers die hun fria hals verloren.
    Zoals we eerder zagen was het grondbezit sinds de overgave aan de Frankische koning, beperkt tot gebruik van de grond. Het was van de koning.
    In de loop der tijd, toen de machten van de koningen geringer werden, ontstond het idee dat men vrij was omdat men 'eigen' grond had. De vrijen hadden dus hun 'ein' een aarde (van de koningen) en de onvrijen zaten nog steeds onder diverse heren. Het begon er dus op te lijken, dat het hebben van grond, de vrijheid gaf en niet meer de fideliteitsrelatie met de koning. En zo ontstaan er een nieuw standscriterium, namelijk het hebben van grond. En de stand werd aangeduid door de term eigenerfden. Althans, zo heten ze in Westerlauwers Friesland. In Jeverland heten ze Vullarven, in Wezer en Nordfriesland Erbexen (Algra/Ein, p. 93-99).

    > Aangezien de groep van frilingen volgens mij hierdoor in de loop der tijd een grote groep wordt, word ik erg nieuwsgiering wat er van deze rechtelozen of vogelvrijen terecht komt en wat deze gaan doen in levensonderhoud.

    De 13-eeuwse encyclopedist Bartholomeus Anglicus schreef in zijn Liber de proprietatibus rerum het volgende over de Friezen: In habitu autem et in moribus plurimum differunt a Germanis. Nam viri fere omnes in coma circulariter sunt attonsi, qui quanto sunt nobiliores, tanto altius circumtonderi gloriosius arbitrantur [...] Gens quidem est libera extra gentem suam, alterius dominio non subjecta. Morti se opponunt gratia libertas et potius mortem eligunt quam jugo opprimi servitutis. Ideo militares dignitates abjiciunt et aliquos inter se erigi in sublimi non permittunt sub militie titulo. Subsunt tamen judicibus, quos annuatim de seipsis eligunt, qui rempublicam inter ipsos ordinant et disponunt. In het met de Prof. Van Winterprijs 2007-2008 bekroonde boek "Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland : Een studie naar de Oudfriese boeteregisters" van Han Nijdam staat gelukkig ook de vertaling:
    "De Friezen zijn een vrij volk, niet onderworpen aan het gezag van iemand van buiten het eigen volk. Ze wagen hun leven voor de verdediging van hun vrijheid en ze zijn nog liever dood dan dat ze zich een slavenjuk laten opleggen. Daarom verwerpen zij ridderlijke waardigheden en staan zij niet toe dat sommigen onder hen zich op grond van hun ridderschap zouden verheffen. Zij onderwerpen zich daarentegen aan rechters die zij jaarlijks uit hun eigen midden kiezen. Deze beheren en besturen de openbare aangelegenheden."

    Nadat in Nijdam/Lichaam is uitgelegd wat met personhood wordt bedoeld, de maatschappelijk persoonlijkheid (voor de een ben je de bakker, voor een ander de buurman, neef, vader, schuldige bij aanrijding et cetera.) geeft hij op p. 50 uitleg wat dit voor de Vrije Fries betekend:
    "Een middeleeuwse Vrije Fries ‘was iemand’ onder meer door de relaties die hij bezat en de machtsposities die hij in staat was te vervullen. Hij was onderdeel van een netwerk van verwanten en werd bijvoorbeeld geacht geregeld als rechter op te treden. Degene die in staat waren deze roulerende functies het vaakst uit te oefenen behoorden tot de belangrijkste personen."
    > Net als J.R.G. Schuur hanteert ook Nijdam macht hier als synoniem van invloed en hieruit voortvloeiend bij een positieve beoordeling, aanzien. Terwijl dit in dit onderwerp van Vrije Friezen toch als betekenis een eindje uit elkaar ligt. Zeker als in het licht van wat Bartholomeus Anglicus over zich verheffen (macht gebruik - eventueel ook nog in negatieve zin) en het niet toestaan van dit, schrijft.

    Ook wordt personhood nader verklaart in het groeiproces wat doorlopen wordt. In de loop van iemands leven doet iemand goede en/of slechte dingen. Voor het goede wordt zo iemand beloond met giften of positieve rituelen. Voor slechte zaken, zoals iemand toetakelen wordt iemand gestraft en zal hiervoor een financiële compensatie (=boete) moeten betalen, of kan een verbanning tegemoetzien (Nijdam/Lichaam, p. 50-52).

    Friese Vrijheid en Vrije Fries
    In Algra's Ein worden we er fijntjes op gewezen dat de begrippen 'Friese Vrijheid' en 'Vrije Fries' nogal eens door elkaar worden gehaald en in plaats van elkaar -ten onrechte- worden gebruikt. De Friese Vrijheid ligt volgens Algra op het politieke vlak. De privileges -zoals door sommigen beweerd worden- die Karel de Grote alleen aan het volk de Friezen gaf: de (beperkte) landweer, (beperkte) belastingplicht, recht op grond, recht op eigen recht en manier van procederen et cetera. Na 1345 gebruikten/misbruikten ze deze privileges om andere vreemde landsheren buiten de deur te houden. Zo bleven ze dus lange tijd - tot hertog Albrecht van Saksen in 1498 aantrad in een groot deel van de Friese gebieden - "rijksonmiddellijk" oftewel alleen de keizer als heer houden oftewel "direct onderhorig zijn aan de keizer zonder tussenkomst van een landheer".
    Het misverstand komt grotendeels door het feit dat deze privileges alleen geschonken zijn aan de vrijen en dus niet aan de onvrijen of rechtenloze friling. De vrijen hadden een stem in de staat, de anderen niet.
    Zij kozen de mensen voor de benodigde functies (als in een directe democratie), de pastoor (en later de dominee), de rechter, de leraar, de grietman et cetera. De verkiezingen vonden plaats in kerk, dat meer in gebruik is als dorpshuis, waar veelal ook recht gesproken werd, het eigen gefinancierde en waarschijnlijk lange tijd het enige stenen gebouw van het dorp. Ze werden opgeroepen door middel van 'clockklippinge' en 'huyscondinge'. Na de laatste clockklipping en tijdens het stemmen bleven de deuren gesloten, tot de stemmingen geheel volgens de procedures voltrokken en afgerond zijn. Deze methode van oproepen vond ook nog plaats in de 17 eeuw en werd ook gebruik voor bijvoorbeeld belastingaankondigingen.
    De vrijheid van de individuele Fries had dus niets met de privileges van de koning/keizer te maken, maar met de geboorte afkomst. Friboren, frey bern, Fri boren of vrijboren, volboren of welboren moest het kind zijn om als Vrije Fries door het leven te kunnen. En dit kon alleen als het kind uit een gelijkwaardige huwelijk van Vrij Friezen kwam. Oftewel, vader en moeder moesten beiden zelf ook vrijboren zijn. Vereisten voor dit soort huwelijk, zijn eigenlijk vanzelfsprekende als in de (kerkelijke en wettige) echt, van dus 'gelijkwaardige' partners.
    Verder werd in de gravenperiode ook in het Schoutenrecht nog gesproken over vrije Friezen (vrijen), waaruit blijkt dat ze (vrijen) ook rechten en plichten hadden ten opzichte van een graaf. Deze vrijheid wordt ook niet door het zwaard verdedigd, maar in het gerecht. hueerso een man syn fria hals schil biradia mit liode landriucht ende mit des koninghes oerkenen, so schilma him an da lioedwarue syn fria hals to dela, als haet hidae oenspreeck.
    Een laatste citaat hierover komt uit een officiële, door de notaris Conradus Dolatoris uit Frankfort gemaakte vertaling, op 21 oktober 1456, van het zogenaamde Sneker origineel van het Karelsprivilege, dat verloren is gegaan: "Oec gaff die keyser allen Vriesen den vrydoem, ende genaem hem die holten halsbant [die de Noormannen hen hadden omgedaan (toevoeging Algra)]; hie gebott dat alle landesheren ende alle luden, datsie hem neernstlichen hoeden, datsie tiegen die keyserlike eere die Vresen niet onteerden, datsie teeghen den Vriesen de vrydom niet envechten". De vrijheid (privilege) werd door Karel de Grote slechts aan de vrije Fries gegeven.
    Uit de huwelijkse voorwaarden van een vrije Fries, blijkt dus ook hoe men deze vrijheid kwijt kan raken. Namelijk door niet op de manieren te huwen en in de echt te treden. Ook de kinderen zijn deze status vervolgens kwijt (Algra/Ein, p. 87-88, 91, 100-102; Betten/Fries, p. 102; Spanninga/Gulden Vrijheid?, p. 65, 424; Placaat en charterboek Vriesland, dl. 5, pag. 404).

    De vetemaatschappij, zoals door sommigen de overheidsloze samenleving wordt genoemd, wordt door Nijdam als volgt gedefinieerd:
    "In een vetemaatschappij leidt een belediging of fysiek geweld (soms) tot wraak en wraak (soms) tot een vete. De staat van vijandigheid die dan tussen twee groepen mensen ontstaat kan weer verzoend worden, waarbij compensatie een belangrijke rol speelt." (Nijdam/Lichaam, p. 53)
    Deze verzoening kan dus door een compensatie of een boete te doen, waarbij boete als reparatie gezien kan worden, zoals men nog kan terugvinden in de betekenis van 'netten boeten' (visnetten repareren)(Nijdam/Lichaam, p. 61).
    Belangrijk te vermelden is ook het gevolg van deze boetedoening of verzoeningscompensatie, namelijk dat beide partijen de rechtsvergadering konden verlaten zonder een vlek op hun blazoen, kortom men kon weer verder met een schone lei (Nijdam/Lichaam, p. 64).
    Om de compensatieregelingen van deze Friese 'middeleeuwse' boeteregisters naar het heden te trekken, komt Nijdam met vergelijkbare huidige smartenregelingen, zoals deze bijvoorbeeld te vinden zijn bij de ANWB: hoeveel smartengeld (Nijdam/Lichaam, p. 65).
    En in strafrechtelijke zin kan dit aangevuld worden door het in 1976 opgerichte Schadefonds Geweldsmisdrijven, dat een financiële tegemoetkoming geeft aan slachtoffers met ernstig psychisch of fysiek letsel. Daarmee wordt het onrecht erkent dat hen is aangedaan. Zo draagt het Schadefonds bij aan herstel van vertrouwen (Schadefonds Geweldsmisdrijven, p. Over ons).
    De politiek gaat in het begin van de 21e eeuw Amendementen op het "Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces" indienen om het slachtoffer (met een eventueel voorschot verzorgd door de CJIB) te ondersteunen. Uiteraard wordt eerst de dader in de gelegenheid gesteld om zelf op tijd over de brug te komen met de betaling. Mocht dit om welke reden dan ook niet lukken, dan schiet de overheid i.c. de CJIB dit voor, die het vervolgens terug int op de dader, met een verhoging van 15% als kostenvergoeding (Vergaderjaar 2007-2008, Kamerstuk 30143, nr. 24).
    Deze constructie maakt een begin naar de verzoeningscompensatie. De vergoeding voor de bemiddeling van 15% is misschien een aardige bijdrage.

    Eer en goede naam
    Een prachtig voorbeeld hoe er met eer wordt omgesprongen -aan het begin van de 21ste eeuw- is een interview in de Volkskrant van 26-5-2012.
    In de schriftelijke neerslag van dit interview n.a.v. het verschijnen van het boek "De rode Ambassadeur" beschuldigd de ene ambassadeur (Coen Stork) de andere diplomaat (J.H.L. van de Mortel), schijnbaar van adel, van fraude. Dit interview is verschenen in de krant, dus in het openbaar. Dhr. Van de Mortel voelt zich hierdoor in zijn eer gekrenkt, wegens deze onjuiste uitingen, en wil excuses. Dhr. Stork plaatst -ook in het openbaar- deze excuses in dezelfde krant en betuigd zijn spijt.
    In principe zou hiermee de kou weer uit de lucht moeten zijn.

    Gelukkig wordt onder de Friezen meestal verstandig omgegaan met zaken als eer en wraak, op de momenten dat het fout gaat:
    "Een conflict eindigt meestal in een verzoening, al kan deze decennia op zich laten wachten. Deze is noodzakelijk voor de stabiliteit en het voorbestaan van de samenleving. Daarom moet elke samenleving mechanismen voor verzoening ontwikkelen." (Nijdam/Lichaam, p. 58)
    En bij een samenleving als die van de Vrije Fries, met alleen deze samenleving, dus zonder een (centrale) overheid die zaken voor je regelt, ben je behoorlijk op elkaar aangewezen en dus zal het overgaan tot geweld niet de eerste keuze zijn in deze samenleving. Uiteraard zal het wel een voorkomen dat iemand "in een opwelling (bi ira mode ‘met vertoornd gemoed’) een ander plotseling iets aandoet" of dat er met woorden allerlei bedreigingen geuit worden (quade ber ‘bedreiging met wapens’). Naast dat het uitvechten van een vete nogal wat organisatorische toestanden opleverde (familie en vrienden overtuigen dat het echt noodzakelijk is), lag er voor de deelnemers ook mogelijk schade/overlijden in het verschiet en voor de winnaars mogelijk de maagzoen (meitele).
    "In de praktijk kwam het er daarom meestal op neer dat alleen zware eerkrenkingen – doodslag, ernstige verlamming of verminking, verkrachting – tot een vete leidden" (Nijdam/Lichaam, p. 58).
    Omdat de Friezen een lange traditie hadden en ook navenant een zeer uitgebreide lijst met compensatiebedragen voor allerlei beledigingen en aangebrachte verwondingen, kunnen we gevoegelijk vanuit gaan dat deze samenleving "erop gericht was om verwondingen en aantastingen van iemands lijf en eer te compenseren" zonder bij andere volkeren bekende "instinctieve (negatieve) eer" Jij geeft, ik geef iets terug – jij slaat, ik sla terug (Nijdam/Lichaam, p. 58).
    Of van een ander categorie: Het publieke aanzien was kwetsbaar en kon zomaar geschonden worden door aanvallen in het openbaar, waar iedereen getuige kon zijn. Iemand die zijn eer hoog had te houden liep in het openbaar als op eieren. Het winnen van eer ging immers maar al te vaak gepaard met verlies van eer van een ander. Vandaar dat wel van een eereconomie (economy of honor) wordt gesproken (Nijdam/Lichaam, p. 55).


    Oudfriese Boeteregisters
    Scheltbrief (Schandbrief) aus dem Jahr 1550.
    Allgemein üblich war die Darstellung schändlicher Todes- oder Ehrenstrafen, die am Beschuldigten vollzogen wurden (Hängen, Rädern, Stäupen, Prangerstehen, Esels- und Sauritt u.s.w.).
    Nach altem Aberglauben übertragen sich derartige Martern und Demütigungen direkt auf die dargestellte Person. Stellvertretend „geschändet“ wurde meist auch das Siegel des Schuldners oder dessen Bürgen.
    Spätere Hildesheimer Schandbilder zeigen ehrlose Bürgen, „wobei einer der Herren verkehrt herum auf der Sau sitzt, deren Schwanz anhebt und alle ihren Siegelstempel in Händen halten, um ihn dem Schwein auf den After zu drücken“.
    Op deze smaadbrief zien we inderdaad de edellieden in kwestie op het wiel gezet -als ordinaire misdadigers- aan de galg bungelen met hun naam erbij geschreven.
    Ook zit hij omgekeerd te rijden op een zeug en is hij bezig zijn zegelring te drukken in de anus van een vrouwelijk dier (in dit geval een zwijn, maar hond komt ook voor of zelfs van een naakte vrouw).
    Verder zien we er een laveloos op de grond liggen, drinkend van ezelinnepis.
    Andere bekende scenes zijn:
    Dreigen met hel en verdoemenis. Dan zie we duiveltjes de schuldenaren halen, om ze weg te voeren naar de hel.
    Vaak is hun wapenschild erbij getekend, opzettelijk op zijn kop als extra belediging.
    Soms worden de schuldenaren zelf ook naakt afgebeeld.
    Aan een schandpaal vastgebonden worden en gegeseld worden of aan de kaak stellen waren ook opties.
    Aan het einde van de 13e eeuw worden nieuwe teksten gevonden die als opvolger van de Lex Frisionum kunnen worden beschouwd: de Boeteregisters.
    In vijfhonderd jaar verandert er nogal wat en zo ook bij deze regelgevende teksten. De aanvullingen zijn vooral te vinden in boeten voor eer krenkende handelingen. Konden we in de Lex Frisionum al voorbeelden van vinden, als 'iemand in het water gooien' nu zijn er talloze bijgekomen. Te denken valt aan:
    overgietingen met vocht om iemand te beledigen (swarte sweng)
    het kapot scheuren of snijden van kleren
    iemand met modder gooien (horewerp)
    iemand op zijn rug springen, zodat hij in de modder belandt (bekhlep)
    Ook is er meer aandacht voor een andere categorie:
    bedreigingen met wapens (ber)
    berovingen (raf)
    wegversperringen (weiwendene)
    kluisteringen (bende)

    Een aparte, vage omschrijving valt te lezen in geweldsdaden voor die geen bloedende wonden veroorzaken, maar wel een dusdanige bewusteloosheid dat gevreesd wordt voor het leven van het slachtoffer of die veroorzaken dat het slachtoffer zichzelf bevuilt (swimslek, soldede).
    Hebben we het hier over iemand volgieten, aanzetten tot comazuipen of iemand een gifmengsel laten eten of drinken en vervolgens zichzelf laten vervuilen met eigen braaksel?

    Verder gaat de aandacht naar huis en grond, de mensen en dieren waar hij zorg voor draagt en de schade van/door beroepsuitoefening (Nijdam/Lichaam, p. 70).
    Het woord "zorg" is hier belangrijk en wijkt af wat Algra uitlegt over "were", het woord wat in de dingtaal wordt gehanteerd. Een eiser klaagt bijvoorbeeld dat de andere partij ten onrechte een erf in zijn "were" houdt. Dit woord is verwant aan het Duitse rechtsterm "Gewere". Beide woorden kunnen herleid worden tot "war", wat "zorg voor" betekent. Gewere is later meer voor zakenrechtelijke dingen gebruikt en zou meer richting de betekenis van "bezit" gaan. Het Oudfriese woord beperkte zich echter niet alleen tot zaken, maar ging ook over mensen. En hier gebruikt Algra het voorbeeld: "Zo was het nog in de 16e eeuw gebruik te spreken van: een vrouwe komt in de "were" van haar man, d.w.z. door met hem te huwen komt zij onder zijn gezag te staan. [...] Daaronder viel zijn gezag over zijn vrouw, kinderen en knechten maar ook vee, have en grond."
    Tenzij in de jaren '60 van de vorige eeuw iets anders werd verstaan onder "gezag", namelijk machtsbevoegd, lijkt deze woordkeus enigszins vreemd, om hij zelf in zijn uitleg heeft verklaard, dat het "zorg voor" betekent. Nu komt in het woord "gezag" ook "zag" voor, een verleden tijd-vorm van zien, welke weer in verband gebracht kan worden met "waarnemen", maar deze verklaring is niet erg aannemelijk. Wat wel natuurlijk overkomt is het begrip "zorg dragen voor" in dit verband. Namelijk na het huwelijk draagt de man zorg voor zijn vrouw en verder natuurlijk ook voor zijn kinderen, knechten, vee, have en grond, zoals Nijdam dus ook zegt (Algra / Ein, p. 66).

    Naast de nieuwe regels zijn er -waarschijnlijk ook mede onder invloed van andere volkeren- andere 'verhaal'-methoden ontstaan, zoals daar is de smaadbrief. (zie afbeelding)

    Hoe werkte zo'n rechtszaak:
    In het Algemene Boeteregister wordt aangegeven met hoeveel eden de onschuld voor het genoemde vergrijp moet worden bewezen:
    Faxfanges bote: fif skillinga and fiuwer panninga ieftha twene etha
    ‘De compensatie voor het trekken aan haar: 5 schellingen en 4 penningen of twee onschuldseden’.
    Dit betekende dus dat als de aangeklaagde de compensatie niet wilde betalen, hij zelf moest zweren dat hij onschuldig was, bijgestaan door een eedhelper, die onder ede bezwoer dat de aangeklaagde een eerlijk man was die nooit onware dingen zou verkondigen (Nijdam/Lichaam, p. 72).
    Een ander voorbeeld van grotere orde: "Zoo luidde de bepaling omtrent het regt eens vaders over zijne dochter: "Dit is regt, dat de vader zijne dochter geen man behoort te geven tegen haar wil, naardien hare ouders geen magt toekomt dan over hare leden, en indien hij haar ten huwelijk geeft tegen haren wil en haar wegens hare onwilligheid mishandeling geschiedt, zoo zal hij den vrede (zijne schuld jegens het openbare regt) boeten, alsof hij haar verslagen had." Merkwaardige bepaling in een tijdperk, waarin bijna overal vaders hunne dochters naar goedvinden konden tuchtigen, verkoopen en in sommige gevallen zelfs dooden!
    Op vrouwenroof en schaking - in de middeleeuwen een maar al te groot euvel - stonden in Friesland, even als in vele andere streken, strenge straffen, maar wanneer dwang van ouders of bloedverwanten tegenover eene maagd aanleiding tot de schaking had gegeven, bevatte de Friesche wet eene bepaling, die de gedreigde straf volkomen te niet deed.
    Palen in de grond drijven
    Zoals we hiernaast kunnen lezen werden er palen de grond ingedreven, waarbij recht werd gesproken.
    Ook bij de bouw huizen, voorraadschuren, dammen, kades, bruggen et cetera werden veelal eiken palen de grond ingeheid. Maar hoe ging dit heien in z'n werk?
    De Romeinen heide ook al van alles. De bruggen over de Rijn bijvoorbeeld. Op de foto zien we links vooraan een drijvende heimachine, waarmee de palen de rivier in werden geslagen.
    Met zo'n heistellage -een fistuca- van de Romeinen werden de palen zo'n 2½ meter de grond in gedreven (Tuuk/Gouden, p. 213).
    Immers, wanneer eene vrouw met geweld was weggehaald en dit feit bij de regters aangebragt, waren deze handhavers van wet en orde verpligt naar de woning des schakers te gaan, de geschaakte op te eischen en haar gedurende drie dagen in bewaring te houden, opdat zij in dien tijd te rade ging, of zij den man, die haar ontvoerd had, al of niet tot gade wilde nemen. Als de derde dag aangebroken was, werden schaker en geschaakte beiden naar de werf of volksvergadering geleid, waar twee palen in de grond waren gedreven. Nu moest de vrouw "haren wil openbaren". Men voerde haar naar het middelpunt tusschen beide palen. Aan den een zag zij den schaker, aan den anderen hare bloedverwanten. Een sein werd haar gegeven om zich van de aangewezen plek te verwijderen. Haar gang besliste het vonnis. Spoedde zij zich naar haar schaker, zoo was de regtshandel te einde: dan toch staakten de regters alle vervolging, in de overtuiging, dat hunne verdere tusschenkomst de stormen in het ouderlijk gezin niet zou wegnemen, maar slechts vermeerderen. Doch keerde de vrouw haar "roover" den rug, en wendde haren schreden naar hare bloedverwanten, dan achtte men de schaking een hoogst misdadig feit, en het vonnis veroordeelde den schuldige tot "brand en blaak", dat is: vuur en moker moesten zijn woning vernielen, en uit zijne bezittingen moest hij tachtig pond opbrengen (Witkamp III, p. 627).

    Dit is echter een simpel voorbeeld. De wettelijke gevolgen en rechtelijke gevolgen van hoe mannen en vrouwen trouwen en met wie, welke stand, maakt nogal uit. Definiëren van de kwalificatie "volboren" is dan belangrijk. Maar ook in deze definiëring komen weer begrippen voor die uitleg behoeven, zoals "wettige voorvaderen" of "wettig huwelijk". Diverse kerren zijn er om de diverse eisen te beschrijven (Algra/Ein, p. 87-92).
    > Bij dit soort teksten beginnen echter bij de haren recht overeind te staan en ontstaat er een bepaalde weerzin om hierover verder schrijven. Dit valt, zeg maar, buiten mijn kader.

    Echter, voordat het tot een zaak kon komen, moest er eerst een vergrijp plaats vinden en een dader gepakt worden. De tekst Fon skakraf gaat over de plicht van alle Friezen om een misdadiger die een ernstig vergrijp heeft begaan te achtervolgen en terecht te stellen. Hij begint met een appél aan iedereen die een alarmroep heeft gehoord alles uit zijn handen te laten vallen en achter de misdadiger aan te gaan (Nijdam/Lichaam, p. 241).


    Upstalsboom
    We weten inmiddels dat er jaarlijkse landdag door vertegenwoordigers van de Zeven Zeelanden gehouden werd op de eerste dinsdag na Pinksteren.
    Op p. 23 van Nijdam/Lichaam staat een beschrijving welke benodigdheden er voor zo'n rechtszaak waren:
    "Het oudste, inheemse Friese recht was een volksrecht dat we ook bij andere Germaanstalige volkeren tegenkomen. De vrije mannen van de samenleving kwamen op gezette tijden in het jaar bijeen om rechtszaken af te handelen. Deze bijeenkomst heette het ding (thing, van bijvoorbeeld geding). Hier leidde een rechter een rechtszaak, bijgestaan door een rechtskenner (asega). Een rechtszaak bestond bij de gratie van een aanklager. De aangeklaagde had verder het recht om zich met een eed vrij te zweren van de aanklacht. De rechter stelde uiteindelijk een uitspraak voor – een vonnis, letterlijk ‘het gevondene’ – dat door de verzamelde mannen werd aanvaard of verworpen. Dit rechtssysteem leidde elders, maar ook in het Friese gebied, tot een canon aan rechtsregels. Deze regels vonden hun weg naar rechtsteksten waarvan sommige in het hele Friese kustgebied bekend en geldig waren (zoals de Zeventien Keuren en de Vierentwintig Landrechten), en andere een meer regionaal karakter hadden (zoals het Emsingoër Penningschuldboek of de Brokmerbrief). Deze teksten behandelen verschillende aspecten van het recht: huwelijksrecht, erfrecht, procedurerecht, ‘strafrecht’ of beter ‘conflictrecht’ (vanwege het ontbreken van een overheid en een politioneel apparaat)."
    Ik kan me zo voorstellen dat ook dit een onderdeel van de bijeenkomst was.
    In het woord ding of thing, kan men nog gemakkelijk geding herkennen, van bijvoorbeeld een kort geding. Maar ook in 'meedingen naar' komt het duidelijk naar voren.

    In Groninga Dominium van Piet H. Wijk staan een viertal kaarten waarop ik de Upstalsboom kon terugvinden. De grootste prijkt dan ook op de omslag van dat boek. Hierop is dan ook te lezen, zonder loep, "Upstalsboom locus quondam iudicii Frisiorum". Toevallig staat de titel zodanig dat de gehele tekst is te lezen. Dat is vast passen en meten geweest. Maar dit geheel terzijde.
    Het gaat om de kaarten te vinden op de pagina's 56-59 en pagina's 67-69, met kaartnummers 18.1-18.3 en 24.1. Van de 24.1 is hier een detail getoond.
    De originele koperplaten van de kaarten 18.1-18.3 (het Oostfriese gedeelte) wordt door Wijk toegeschreven aan David Fabricius. De kaarten zijn vervolgens naar believen aangepast (door de volgende eigenaren van de ets). Deze platen zijn respectievelijk in 1600, 1617 en 1624 gemaakt.
    De hier getoonde kaart komt uit ongeveer 1620 en is ook van David Fabricius. Hij heeft hier enkele aanpassing overgenomen van Van Doetecum waarmee hij samen de kaart uit 1600 had gemaakt.

    Ook de tijdens de vakantie gescoorde Frisia Orientalis : Alte Karten und Geschichte von 1550 bis 1800 van Lutz Albers staat een kaart met de Upstalsbaum. Of moet ik zeggen slechts één kaart. Het buurtschap Ra (waar de bezoekers aan de Upstalsboom zich meestal verzamelden en verbleven in die periode) kom ik wel op verscheidene kaarten tegen. Dus eigenlijk is het een grote ontkenning van de kaartenmakers uit deze periode. En dat is natuurlijk wel te verklaren, gezien de geheel andere machthebbers in die tijd.
    Op een detail van deze kaart gemaakt door Giovanni Rizzi Zannoni te Paris in 1758, verschenen in "Altas Topographique et Militaire", met origineel formaat 37x25 cm, staat de Upstalboom wel mooi ingetekend op een klein heuveltje. Opmerkelijk dat juist op een militaire Franse kaart dit wel is aangemerkt. Frankrijk en Oostenrijk waren in deze periode bezig met hun 7-jarige oorlog.


    Rechtelijke functies
    Wanneer we door alle eeuwen heen in de Friese gebieden de functiebenamingen van de (voor zover bij mij bekend) mannen die tijdens een ding of thing 'belangrijk' waren, kunnen we eindeloos in discussie gaan met de schrijvers van weleer. Algra beschrijft in zijn proefschrift 'Ein' een aantal standpunten van geschiedschrijvers met bekende naam en reputatie, die hierover ook van mening verschilden en hierover de strijd met elkaar aangingen. Rond deze periode schijnt er een ommekeer of verandering te hebben plaatsgevonden.
    De algemene aanduiding is wat mij betreft rechter (met een aantal schrijfvarianten in diverse talen: redgers, regters et cetera.) als het gaat om een steeds roulerend en aangewezen persoon, die de algemeen aanvaarde (en eventueel op schrift gestelde) regels en richtlijnen kent en in de gaten houdt en hierover eventueel communiceert met verdachte(n) en slachtoffer(s). Beschreven varianten met eventuele taakaccenten en/of verschuivingen, functienaam wijzigingen terwijl de functie-inhoud hetzelfde blijft (doen we nu ook nog steeds !) en later -bij hogere werkdruk of onder andere vorsten / graven / hertogen of andere heersers gekomen - taakverdeling zijn:
    abba, een (voor 11e eeuw) door het volk gekozen beambte, die gerechtelijke en militaire macht had, ging (na 11e eeuw) vonnissen wijzen, bleef onafhankelijk van de graaf (Jaekel);
    advocatus, of comes, graaf, had (voor 11e eeuw) zelfde bevoegdheden dan elders buiten Friesland, maar macht werd beperkt door de asega (Jaekel);
    asega, rechtspraak voorlichter aan het volk (Von Richthofen); oordeelvinders (oude naam, tot 13e eeuw -zonder functietaakwijziging- van eheran of redjeva) (Heck); zeer (voor 11e eeuw) oude volksmagistraat, volksrechter (Jaekel); stond de bon of bonnere bij en was belast met de 'Rechtsvortrag' dagvaarding (Siebs);
    azingen, waarschijnlijk bijgevoegde rechters of bijzitters (Halsema);
    banner, of bon, bracht (voor 11e eeuw) de dagvaarding uit en was vervanger van de frana (Jaekel);
    bon, of banner, bracht (voor 11e eeuw) de dagvaarding uit en was vervanger van de frana (Jaekel); of bonnere, had leiding over een van de 96 delen binnen de 3 landen (Siebs);
    bonnere of bon had leiding over een van de 96 delen binnen de 3 landen (Siebs);
    comes, of graaf, advocatus, had (voor 11e eeuw) zelfde bevoegdheden dan elders buiten Friesland, maar macht werd beperkt door de asega (Jaekel); de graaf, vanaf 9e eeuw volledig bevoegd vervanger van de graaf in Oost-Francië / Duitse Rijk (Henstra);
    consules, of redjeva, (in de redjeva-tijdperk, na 12/13e eeuw) groep van 12 of 16 personen in plaats van graaf/schout en asega (Von Richthofen);
    edictor, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Fivelingo en Hunsingo (Heck);
    eheran, of redjeva, oordeelvinders in westelijk rechtsgebied (nieuwe naam, sinds 13e eeuw -zonder functietaakwijziging- van asega) (Heck);
    enuntiator, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Harlingerland (Heck);
    frana/franen/frana's, zo goed als dezelfde functies als een onderschout (Halsema); (in de asega-tijdperk, voor 12/13e eeuw) synoniem aan schout (Von Richthofen); had (voor 11e eeuw) leiding over landweer, na dat graven dit overnamen bleef voorzitterschap van "placitum generale", de rechtbank, over (Jaekel); stond aan het hoofd van een land (Siebs); de permanente regionale (bv deel graafschap of gouw) vertegenwoordiger van de graaf, maar niet met dezelfde rechten, dus niet vice-graaf of leengraaf (Henstra);
    graaf, of comes, advocatus, had (voor 11e eeuw) zelfde bevoegdheden dan elders buiten Friesland, maar macht werd beperkt door de asega (Jaekel);
    grietman, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Westerlauwers Friesland of keeder, in Langewold, Fredewold en Humsterland (Heck);
    hodere, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Rüstringen (Heck);
    iudex, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Harlingerland (Heck);
    keeder, of grietman, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Langewold, Fredewold en Humsterland (Heck);
    kok, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Broekmerland en Oost-Friesland (Heck);
    onderschout, zo goed als dezelfde functies als een frana (Halsema);
    orator, functienaamswijziging sinds 12e eeuw van schout in Norderland (Heck);
    raden, of redgeren, de bijzondere en eigenlijke rechters van het volk (Halsema);
    redgeren, of raden, de bijzondere en eigenlijke rechters van het volk (Halsema);
    redjeva, of consules, (in de redjeva-tijdperk, na 12/13e eeuw) groep van 12 of 16 personen in plaats van graaf/schout en asega (Von Richthofen); dienden de asega te ondersteunen en namen de taken uiteindelijk over, namen later ook de taken van frana en abba over (Jaekel); of eheran, oordeelvinders in oostelijk rechtsgebied (nieuwe naam, sinds 13e eeuw -zonder functietaakwijziging- van asega) (Heck);
    schout/schouten, of skeltan (Henstra); de aanzienlijkste rechter naast de graaf (Halsema); had militaire en gerechtelijke taak tot 12e eeuw, daarna nieuwe functienaam met zelfde taken (Heck);
    skeltan, of schout/schouten (Henstra);
    vicecomes, de vice-graaf, vanaf 9e eeuw volledig bevoegd vervanger van de graaf in West-Francië / Frankrijk (Henstra).
    In bepaalde functies kan er eventueel een conflict of interest ontstaan bij vazallentrouw en koningstrouw. (Algra/Ein, p. 1-4; Henstra/Graafschappen, p. 22-23)
    > Met de beschrijving van Heck herkennen we zo rond de 12e eeuw de intrede vanuit het Frankische rijk, van de nutteloze "reorganisatiedrift" in onze leefgebieden, wat leidt tot andere naamgevingen voor dezelfde taak: praalzucht en onderscheidend titeldrift, zonder inhoud.
    Algra geeft Siebs een veeg uit pan over zijn verhaal van de verdeling van de gebieden waarin de frana, bonnere en asega. "In een weinig diepgaande verhandeling stelt hij dat Friesland van Zwin tot Wezer in acht duizendschappen ingedeeld zou zijn geweest. Ieder duizendschap zou in drie landen zijn uiteengevallen en ieder land in vier honderdschappen. Een honderschap zou weer uit vier buurschappen, en die weer uit drie "Zehntschaften" hebben bestaan, waarvan slechts de "Vollerben" lid waren." (Algra/Ein, p. 4)
    > Vreemd genoeg stelde ik me juist ongeveer zoiets voor bij de indeling van Friesland of de Frieslanden/Zeelanden.
    Maar laten we eerst de geciteerde tekst met een berekening benaderen. Dan zien dat het Friese 8 'duizendschappen' (noemen we voor het gemak 'Zeelanden'). Elke 'Zeeland' is verdeeld in 3 landen, zodat we uitkomen op 8*3=24 (Fries)landen. Deze Frieslanden zijn allen onder verdeeld in 4 'honderdschappen' (noemen we voor het gemak 'meenten'), zodat we uitkomen in alle Zeelanden op 24*4=96 meenten. Elke 'meente' bestaat weer uit 4 buurschappen, zodat we op totaal 96*4=384 buurschappen in alle 'Zeelanden' komen. De buurschap bestaat elk uit 3 'Zehntschaften' (die wij voor het gemak 'terpen' of 'wierden' et cetera noemen), zodat we op een totaal van 384*3=1152 terpdorpen in het hele Friese gebied uitkomen. En dat hierop zogenaamde 'Vollerben' woonden, lijkt mij niet echt vreemd of bijzonder. Wie zouden anders de voornaamste bewoners moeten zijn?
    Wat opvalt in deze cijferreeksen is de door Siebs genoemde benaming duizendschappen, honderdschappen en tienschappen. De uitkomst van de rekensommen geven deze reeks ook aan. 1152 terpdorpen geeft de duizendschappen aan, 96 meenten geven de honderschappen aan en de 8 Zeelanden de tienschappen. Het gaat volgens mij dan ook niet om de exacte rekensommen en uitkomsten, maar meer om de grootte aan te duiden, zoals wij tegenwoordig ook doen met 1001 en 101. Immers niet de rekensommen zijn leidend, maar de bevolking en dan ook de bevolkingsgroei of -daling. Daarnaast zijn andere factoren als het weer en omgevingsvolken van belang. Hiermee wil ik aangeven dat ook de berekende 1152 terpdorpen niet een vast gegeven zijn. Het kunnen er tientallen meer of minder zijn. En het zullen ook niet allemaal terpdorpen geweest zijn. Ook natuurlijke heuvels werden natuurlijk bewoond, maar ook gebieden waar geen waterdreiging werd verwacht, kwam natuurlijk in aanmerking voor bewoning.
    Wel kan ik me iets bij het beschreven beginsel voorstellen. Ongeveer 3 terpdorpen delen samen een rechtspraakpersoon. Deze buurschap vormt samen met andere buurschappen een groter geheel. 4 buurschappen vormen samen een 'meente', zodat een 'meente' al uit 12 terpdorpen bestaat.
    Veelal liggen de terpdorpen in eerste aanleg zo'n 2uurs gaand uit elkaar. 2 uur lopen à 5,5 km/uur, is dus 11 km uit elkaar. Vandaar dat 3 terpdorpen al een behoorlijk terrein beslaat en dus een logische eenheid vormen.
    Zo'n meente vormt met drie ander meenten een Friesland, zodat dit bestaat uit 48 meenten. Deze zouden dan voorzien zijn van een bon of bonnere. Bij een landsbijeenkomst zouden dan zo'n 48 bonneres bijeenkomen voor een goed gesprek.
    Het totale gebied bestaat uit zo'n 24 Frieslanden met dus elk 48 meenten. Elke Friesland levert een wijze frana, die elk jaar richting bijvoorbeeld de Upstalsboom gaan om daar de benodigde zaken te bespreken. En eventueel de rechtspraak aan te passen. Dat is misschien ook de reden, waarom er in de diverse dialecten toch enigszins verschillende woorden worden gebruikt voor hetzelfde doel. Ook werden natuurlijk de eigen noodzakelijk gevonden aanpassingen tussendoor aangepast. Dit lijkt mij een natuurlijk proces. En op de jaarlijkse bijeenkomst werden deze aanpassingen besproken en gewogen en over de verschillende redacties weer gladgestreken en aangepast, maar wel in eigen bewoordingen.










    13e t/m 15e eeuw

    Fluessen
    Grote delen van het Friesche land waren van gedaante veranderd, door ontginning en bebouwing, maar vooral ook watervloeden, het opslijken, graven van kanalen en ander waterafvoersystemen, en door andere natuurlijke oorzaken of volksvlijt. En zo werd het land vruchtbaar. Ook hier verrezen bossen of zelfs een woud als we de verhalen mogen geloven, bij de Fluessen (in het gebied van Suthergo). Echter omstreeks 1204, tijdens een hete zomer, zou een bos- en veenbrand dit compleet verwoest hebben en weer omgetoverd tot een meer. En de bewoners ontvluchtten tijdelijk dit gebied. (Witkamp III, p. 627-628)


    Maria's poort
    Rond datzelfde jaar 1204 werd ook een vrouwenklooster van de orde van de Premonstratenzers gesticht op een strategische plek tussen het veen en de zware zeeklei, maar op de hogere zandgronden van Langewold. Ten zuiden hiervan liggen de hogere zandgronden van Vredeswold. Tussen deze twee parallel liggende zandgronden had de zee door een inbraak eeuwenlang vrij spel.
    Er was in die periode veen aangroei, waardoor de Oude Riet kon stromen, in- en uitgaand zeewater (zout) en kleiafzetting. Deze combinatie maakte het mogelijk om het witte goud te winnen, samen met turfafgravingen en klei om steen bakken. En dit was allemaal onder handbereik van het vrouwenklooster. Maar of ze deze plek per toeval hebben gekozen is niet bekend, zoals er maar weinig bekend is van dit tegenwoordig niet meer bestaande klooster. Volgens de folder de "Zoute Bagel Route" is dit klooster na de Reformatie afgebroken en zoals meestal gebeurd, zijn de stenen verkocht en kunnen nu mogelijk in allerlei gebouwen terug te vinden zijn. Slechts een vreemde bocht in de Kuzemerweg doet nog een vleugje herinnering opstuiven van de vervallen historie.
    Door sterkere bevolkingsgroei in de 11e en 12e eeuw, ontstond er in Holland en Friesland een tekort aan agrarische gronden en dus trokken de bevolkingsgroepen erop uit, de wilde gronden op. Rond het jaar 1000 waren er in deze omgeving wel al (kerkelijke) kernen ontstaan op de zandgronden en deze zullen allen ook 'gesnoept' hebben aan de turf en klei. Op Vredewold waren dat Marum en Tolbert. Op Langewold Horn (Noordhorn en Zuidhorn), waarvan de kerk (in Noordhorn) rond 1280 is gebouwd. (Westerkwartier/Ligterink, p. 29; Wikipedia Kuzemer, Noordhorn, Zuidhorn; folder Zoute Bagel Route)


    Bloei
    "Behalve Stavoren en Groningen, bloeiden toen reeds Dokkum, Franeker en Bolsward, nevens vele dorpen, als belangrijke handelsplaatsen. Eenzelfde bloei genoten de reeds eeuwenoude of opkomende abdijen, zoals st. Odulfus te Stavoren, Mariëngaarde te Hallum, Lidlum bij Oosterbierum, Ludingakerk bij Midlum, Klaarkamp bij Risumageest, Bloemkamp bij Hartwerd, Foswerd of Bethanië bij Ferwerd, st. Johannes Evangelist bij Kloosterburen, Aduard in Middagt, st. Juliaan bij Rottum en Bloemhof bij Wittewierum. Veel van deze gestichten telden honderden bewoners. Door het steeds aangroeiende kloostervermogen waren de conventualen in staat, om grote bedragen te besteden aan het verbeteren van de landerijen, dijken, vaarten, sluizen, wegen, kerken en andere gebouwen. Van onschatbare waarde waren al die herscheppingen van het land. Ofschoon het graven van een kanaal langs Vlieland en Terschelling, op last en voor rekening van de abdij van Ludingakerk, wellicht aanleiding heeft gegeven, dat de landen tussen Texel en Harlingen werden overstroomd en het Vliemeer of Almeer zich uitbreidde tot de Zuiderzee." (Witkamp III, p. 634)

    In 1222 werd in opdracht van en op last van de Lidlumsche abt Syard Siersma de vlek Grind aan het Vlie met grachten en wallen omringd en werd er een school gebouwd (Witkamp III, p. 641).


    Baksteen
    Het ging goed met de Friezen. Een huis droeg in hoge mate bij aan de status van de man. Nog meer status was te verwerven door een stins of steenhuis te laten bouwen. Het was dan ook een verlengstuk van de man. Vanaf de twaalfde eeuw werd dit mogelijk (Nijdam/Lichaam, p. 243).
    Maar waar kwamen de stenen opeens vandaan?
    Vóór het einde van de twaalfde eeuw werd een aantal kerken in de Ommelanden uit geïmporteerde tufsteen opgetrokken, alle overige gebouwen waren van hout of vakwerk. Na de romeinse tijd stonden de hier in de Friese landen de eerste bakstenen gebouwen. Bij het bouwen van het klooster Klaarkamp zou in 1163 zou al baksteen kunnen zijn. Ook in de oudste kerk van het klooster Aduard in 1193 werd ter plekke gebakken steen verwerkt. De bakstenen kerken van Marsum, Enum en Oosterwijwerd hebben de bouwstijl van eind 12e eeuw (Groninger Tichelwerken, p. 9).
    De tichelplaats met twee vormtafels. Op de voorgrond de handvormer, twee afdragers slaan de eensteensvormen neer op de baan. De gedroogde stenen worden opgezet op hagen (links). Op de achtergrond een kleimolen (links), haaghut (midden) en kleibult (rechts). In de baksteennijverheid werd tot ver in de negentiende eeuw door kinderen van acht jaar en jonger 16 uur per dag 's zomers gewerkt. Kinderen van vier moesten soms urenlang stenen opstapelen en wegdragen.
    bron: Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel III, p. 250

    Op de voorgrond is de brandschuur te zien van het tichelwerk van Nanno Siers te Heiligerlee. Daar achter een droogboe. De droogboe is kennelijk geheel open, zonder luiken.
    Kaart van het Kloosterholdt te Heiligerlee, getekend door A. Verburgh in 1740. RAG, verzameling getekende en gedrukte kaarten (dia 1783).
    Dit tichelwerk aan het Winschoterdiep bij Kloostertil, stond hier ongeveer van (voor) 1594-1740 (of later). Zie kaart Frederik de Wit 1685, kaart Verburgh 1740.
    Eerste schriftelijke vermelding over baksteenfabricage kan men vinden in de kroniek van Menco:
    Eodem anno, videlicet anno domini MCCXXXVIII, anno ab inchoatione latericii operis tercio predictus abbas electus veniens in ortum sancte Marie, de consilio domini Sibrandi abbatis ibidem conduxit Magistrum Euerardum, lapicidarie artis peritum, natione Coloniensem, ad nouam ecclesiam in florido orto faciendam, mercede ipsius taxata tam hieme quam estate, videlicet ut reciperet preter uictum estiuo tempore ad diem VII dauentrienses.
    Dit gaat dan ook terug tot 1235. In 1238 begint men bij het klooster Bloemhof te Wittewierum de kerk te vernieuwen.
    Menco schrijft 'het derde jaar na het begin van de steenproductie' (Kronijken van Emo en Menko, p. 175).
    Bij de bouw van de tweede kloosterkerk van Aduard omstreeks 1250 -beschreven in een vijftiende eeuws verslag- wordt vermeld dat 'de stenen van de plaats waar ze gebakken werden, van hand tot hand naar de kerk worden doorgegeven.': Sed et hoc mirablile quia lapides non portantur ad structuram nec vehebantur, sed conversi in ordine stantes in loco quo cocta fuerant, projiciebant a primo usque ad ultimum et ultimus juxta ecclesie structuram deponebat.
    Ditzelfde verhaal komt ook voor bij de stichting van het klooster ter Apel. In later tijd bezat Aduard een eigen steenbakkerij te Legemeeden, op ongeveer 20 à 25 minuten afstand. Of deze onder Eylwardus reeds bestond, is onzeker.
    De kloostermoppen wegen zo'n 4,5 kilo per stuk. Naast dit formaat waren er ook ander speciaal gevormde stenen, zoals in alle oudere kerken te zien is. De op de foto getoonde ronde en met uitstulping behoren tot Bloemhofklooster te Wittewierum die onder de vloer van de huidige 19e eeuwse kerk liggen.
    Archeologen hebben middeleeuwse ovens kunnen opgraven. Bij het Selwerderdiep zijn twee ovens uit de 15e eeuw met een capaciteit van ieder ongeveer 10.000 stenen. De grote kloostermoppen met afmetingen van ongeveer 300 x 150 x 80 mm bleven in deze streken langer in zwang dan elders. Deze grote zorgde ervoor dat het productieproces een stuk langzamer ging. Het drogen na het vormen duurde langer, namelijk 4 weken in plaats van elders met kleinere formaten ongeveer de helft. Al kwam dit mede door de bijzonder dichte en kalkarme, maar ijzeroxiderijke zware vette klei. Daarnaast duurde het bakken ook langer. De ovens moesten lang en langzaam gestookt worden om de stenen niet te laten barsten. Deze stenen hadden -door de hoge ijzeroxide- een mooie rode kleur (zie achtergrondfoto). (Brugmans/kroniek Aduard, p. 44; Groninger Tichelwerken, p. 2, 10, 153).
    Rijke burgers begonnen hun eerste steenhuizen rond 1223 te bouwen, waarvan de eerste in het huidige Friesland. Een 'domus lapidea', een steenhuis met versterking stond van 1271 in de buurt van Farmsum, nabij Groningen. Ook in de Ommelanden stonden rond deze tijd er al verschillende. Voor de 14e en 15e eeuw wordt het aantal steenhuizen op 600 à 700 geschat.
    Men schat voor de periode van 1250 tot 1500 de totale baksteenproductie voor dit gebied op minder dan 50 miljoen stenen. Gemiddeld steenhuis verbruikt ongeveer 20.000 stenen. Men komt dan tot een 2000 steenhuizen, en verder nog een aantal kerken, stinsen en boerderijen (met groter verbruik) en een hoeveelheid stadshuizen (minder verbruik).
    In Vlaanderen en Holland ging men vanaf de 14e eeuw over op kleinere formaten om een grotere productie voor de rijke burgers mogelijk te maken. Men schat dat Stad en Lande omstreeks 1700 volledig versteend was (Groninger Tichelwerken, p. 10-12).
    Ook in Saterland zou er sprake zijn (enkele) steenhuizen "Steinhäuser" en ook hier werden ze gebruikt als toevluchtoord of verdedigbaar beschermplaats in tijden van nood of strijd. Het werd dus niet als woonhuis gebruikt door de landadel of leenheren, zoals misschien gedacht zou kunnen worden en bevestigd dus ook niet dat er überhaupt adel of heren waren in deze periode. Ook werden ze gebruikt als voorraadhuis (stapelplaats) die per schip naar Saterland werden gebracht (Klöver/Spurensuche, p. 64).


    5e kruistocht / Damiate
    Door het succes van zoveel kloostergestichten, ontstond er ook behoefte van de Friezen om deel te nemen aan de kruistochten. Toen de priesters en het volk op st. Bonifaciusdag te Surhuizum in Achtkarspelen een omgang hielden, ontwaarden ze in de lucht, naast de zon ook een blauw kruis, dat van het noorden naar het zuiden ging. Vele Friezen deden de belofte om nu deel te nemen aan de kruistocht.
    De eerste gelegenheid deed zich voor toen graaf Willem (van onder andere Friesland) aan de oproep van de paus Honorius III voldeed, door met 12 schepen op 29 mei 1217 de Maas uit te zeilen. Hij voegde zich -aangekomen bij de Britse kust- bij de Duitse vloot onder leiding van George graaf van Wied. De reis zette zich voort. Een aanzienlijk smaldeel Friese schepen versterkte nu ook de vloot. De voorhoede -onder Duitse leiding- raakte zo gehavend, dat Willem het commando moest overnemen. Door slecht en ongunstig weer landen zij uiteindelijk in Portugal. Hier kregen ze het verzoek van de bewoners van Lissabon, om de stad Alcazar op de Saracenen ter heroveren, welke in oktober 1217 plaatsvond.
    In maart 1218 ging Willem opnieuw de zee op en kwam tegen Pasen voor st. Jean d'Acre de Friezen tegen, waarvan hij in Lissabon afscheid had genomen. Eigenlijk wilden ze optrekken naar de heilige stad, maar gebrek aan drinkwater deed hun anders besluiten. Ze besloten naar Egypte te gaan en het zo geduchte Damiate aan te vallen.
    Wapen van Dokkum
    Men vermoedt dat de wassende maan boven de sterren in het wapen van Dokkum aan de overwinning op Damiate herinnerd, omdat de genoemde Friezen uit Dokkum en omgeving afkomstig waren. Zodoende kreeg het een wapenvermeerdering. Er is namelijk ook een (ouder) wapen bekend waarop deze nog niet staat.
    bronnen: www.pylgeralmanak.nl; Wikipedia; R. Tolsma en Wikipedia
    Damiate, met dubbele muren en talrijke torens en diepe singelgrachten verijdelden iedere aanval. De Saracenen gingen ervan uit dat de stad hierdoor onoverwinnelijk was.
    De kruisvaarders waren echter in staat om hierop iets te vinden. Ze creëerden een houten bolwerk van zware balken op twee aan elkander gehechte koggeschepen en voerden hiermee naar een toren die in het midden van de stroom op een rots gebouwd was. Vanaf het bolwerk stortten de heldenmoedige krijgers een Luiksch edelman en de Fries Hajo zich op de sterkte. Dit voorbeeld werd gevolgd en de toren werd overmand. De kettingen die de doorvaart belemmerden werden verwijderd, de voorheen gezonken schepen werden verwijderd. Het duurde echter nog een jaar voordat de stad zich gewonnen gaf op 5 september 1219.
    Willem overleed 4 februari 1223 en kreeg uit z'n 1e huwelijk 3 zonen en 2 dochters: Floris, Otto, Willem, Ada en Richardis (Witkamp I p. 199 & III, p. 634).


    Groningen
    Echter niet alle krijgslustige Friezen gingen op reis. Ook de thuisblijvers waren trots op hun vrijheid en zelfstandigheid en het gebeurde dan ook regelmatig dat ze met elkaar in strijd raakten, de veten. In deze periode kwam het vaak voor dat de Fivelgoërs en Hunsegoërs de strijd met elkaar aangingen. Deze strijd kosten velen hun leven. Ook de geestelijken deden mee aan de veten, gevolgd door de wraak van de anderen. Ook in de welvarende stad Groningen was deze strijdlust te vinden. De nog steeds machtige familie Gelkingen verzette zich nog steeds tegen welke stadhouder dan ook. In deze periode werd het burggraaf Egbert zo heet onder voeten, dat hij naar de Ommelanden vluchtte. Hier vond hij voldoende mensen om een tocht naar de stad te organiseren en het kerkgebouw St. Walburg veroverden en hiervan een citadel te maken.
    Door deze strijd ging bijna geheel Groningen in vlammen op. Een groot gedeelte van de Gelkingen verdween achter de tralies en hun bezittingen werden geplunderd. Echter, ze waren nog niet verloren. Samen met de slotvoogd van Coevorden, Rudolf III (die met de Groninger Gelkingen samenspanden) dreigden ze Groningen met vergelding.

    Slag bij Ane
    Nu kwam ook graaf-bisschop Otto II, die niet door Rudolf en de zijnen werd erkend, Egbert te hulp. Otto krijgt hulp van troepen uit Gelder (graaf Gerhard III), Holland (heer Gijsbrecht II), Cleve, Keulen en Münster. Hierdoor wordt Rudolf gedwongen, de aanval op Groningen te staken en zich te richten op de verdediging van Coevorden. Hij besloot zelfs zijn vijand te voorkomen en ging langs de Kleine-Vecht en Vecht naar het zuiden, om daar de vijand te treffen.
    En zo stonden beide legers tegenover elkaar, gescheiden door een drassige veengrond.
    Dit mondde op 28 juli 1227 uit in de veldslag bij Ane.
    Het leger van Otto was zo zwaarbewapend, dat de grond waarop ze vermoedelijk streden - de Mommeriete - hun niet kon dragen. Hun paarden zonken tot aan de knieën in het veen. Hierdoor waren ze een makkelijke prooi voor Rudolf, de Drenten en de Gelkingen.
    Tijdens de veldslag verloren 500 ridders en gewapende mannen het leven. Gijsbrecht van Amstel, Gerhard van Gelder, proost Dirk van Deventer en Oldenzaal, Bernhard van Horstmar (een ridder die in het Oosten door Richard Leeuwenhart was onderscheiden) worden met talloze andere edelen gevangengenomen door Rudolf. Gijsbrecht werd later -zoals toen ook al gebruikelijk was- tegen losgeld en gunsten -nog steeds gewond- vrijgelaten. Gerhard werd op zijn erewoord -om later terug te keren- eerder vrijgelaten. Beiden kwamen hun erewoord niet na. Graaf-bisschop Otto van der Lippe liet hier op 1 augustus 1227 zijn leven. De Drenten waren zo verbitterd dat ze de bisschop "de cruyne villeden van synem hoofde". Zijn verminkte lijk is later naar Utrecht overgebracht.
    Er waren ook strijders aan de zijde van de bisschop die deze slag wel overleefden, zoals de toen 16-jarige Floris IV .
    Hierna werd door Rudolf een poging ondernomen om Groningen weer te heroveren. Dit mislukte.
    Egbert slaagde er echter wel in om zijn invloed uit te breidden. Met een hulpbende Utrechtenaren veroverde hij het slot in Peize (Witkamp I p. 439-442 & III, p. 416, 536-537, 634-635).
    zie ook: beschrijving slag bij Ane van de gemeente Coevorden, Wikipedia, De slag bij Ane van Harm Hillinga, Slagveld in Holthone? van Cor van Dalen, De slag bij Ane van Anne Post en Slag aan de Ane (1227) van Alfred Stern


    Tweespalt / Willebrand van Oldenburg
    Otto werd opgevolgd door Willebrand van Oldenburg, bisschop van Paderborn en werd bisschop van Utrecht en wreker van Otto. De paus, Willebrand bevond zich tijdens zijn verkiezing in Italië, gaf toestemming om het ene bisdom voor het andere te verruilen, dit was normaal gesproken niet toegestaan. Toen Willebrand van de opstand van Drenten hoorde vertrok hij meteen naar het noorden.
    Willebrand ontsloeg "namens zijn kerkelijk gezag" Gijsbrecht en Gerhard van hun eervolle eed gedaan aan Rudolf.
    En zo helpen ze elkaar, want Gijsbrecht en Gerhard hadden Willebrand namelijk verkozen.
    Willebrand ging op zoek naar een krijgsmacht en predikte een kruistocht tegen de Drenten en de oproerlingen uit Coevorden. Zo verwierf hij een groot aantal West-Lauwersche Friezen, Groningers uit de stad en Hunsigoërs. Rudolf en de zijnen kregen hulp van Langewolders, Vredewolders en Fivelgoërs. Zij werden verslagen in 1229 en moesten 400 Keulse marken zilver betalen aan Willebrand en een klooster van 20 prebenden stichten op de plek waar Otto II was gevallen. En uiteraard moest Rudolf overal afstand van doen (Witkamp III, p. 537-538, 635).
    Ook laaide de strijd tussen de Drenten en Utrechtenaren weer op en hierop reageerden natuurlijk ook de Groningers en Ommelander partijen. Zo waagden de Drenten met de Fivelgoërs een aanslag tegen de stad. Dit bekwam beiden slecht. De Groningers deden een uitval tijdens de jaarlijkse markt van Zuidlaren (1232), vernielden de net gebouwde kasteel te Mitzpete (Midlaren) en roofden alle paarden van de markt. Ook ging de kerk van Zuidlaren in vlammen op. Op Groninger strooptocht naar Westeremden in Fivelgo werden er talloze hoven en velden langs de steeds meer opslijkende Fivel verwoest (Witkamp III, p. 635).


    Het juk van de geestelijken
    De Friezen tussen de Lauwers en Eems waren dus redelijk verdeeld over voor of tegen de stad Groningen en hun invloed op de omgeving. Wanneer het ging om hun kerkelijk leiders waren ze redelijk eensgezind. Een oproep in 1234 van de bisschop van Münster tegen de Stedingers in Rüstringen, die weigerden schattingen te betalen aan de aartsbisschop van Bremen, kon op grote belangstelling rekenen.
    Al waren er in Fivelgo ook nog een aantal protesten tegen deze kruispredikers te horen. In Appingedam werden allen die opriepen voor deze kruistocht naar de Wezer bespot, beledigd en mishandeld. Ook was er een vroegere lekebroeder van een Rottumer abdij die nu als kluizenaar in Stitswerd leefde. Hij hield zijn landgenoten voor om zich vooral niet voor deze tocht te laten lenen. Want, zo hield hij ze voor, je zult jezelf overladen met schuld en schande als je je eigen stamgenoten, die niets verkeerd gedaan hebben, helpt uitroeien.
    De beledigde geestelijken waren hiervan niet gediend en lieten de kluizenaar opsluiten in een onderaards kot en de Appingedammers werden gedwongen om op blote knieën vergiffenis te vragen. Tevens ontvingen ze in deze houding met ontblote rug een geseling van de boetepredikers.
    Zo diep zuchtten de vrije Friezen onder dit juk.
    Zoals al eerder in de Frankische tijd te zien was, waar een stelsel van godsverering er kennelijk ingeramd wordt, stuitte dit natuurlijk op verzet. Bewijzen hiervoor zijn te vinden in de vele en voortdurende veten, maar ook in de verwoesting van de kerkgebouwen. Binnen afzienbare tijd werden kerken in Fivelgo en Hunsego afgebrand, namelijk die in Usquert, Westeremden en Houweshuizen (Witkamp III, p. 635).


    Zelfstandig bestuur stad Groningen
    Tussen de jaren 1250 en 1255 woedde er een machtsstrijd om Groningen. De strijdende landen van Fivelgoërs en Hunsigoërs zetten hun geschillen even opzij om gezamenlijk de toenemende macht van Groningen tegen te gaan. De stad had intussen het hoogste woord en daarbij maakte ze zich schuldig aan onrechtmatigheden ten opzichte van de landlieden. En dus veroverden de gezamenlijke strijdkrachten van Fivelgoërs en Hunsigoërs allereerst het opnieuw opgebouwde Groenenberg aan de Hunse en verwoesten deze weer. Verder waren ze van plan om de stad aan te pakken, maar het slechte weer verhinderde dat. In het voorjaar van 1251 kwamen ze, nu versterkt met Oldambters, weer terug. Weliswaar waar de Groningers sterk genoeg om stand te houden tegen de belegering, na enkele dagen, namen ze hun verlies (zonder schade) en sloten ze in een verdrag af onder welke bepalingen de onderlinge relatie verder moest. Zo moest de stad Groningen beloven dat de muren gesloopt zouden worden, zodat de landlieden en kooplieden vrij in en uit konden komen en gaan om hun handel te verkopen. De ridders en krijgslieden moesten de stad verlaten en nooit meer terugkeren.
    Zo kregen de Gelkingen de bovenhand in de stad. Maar de ridders vonden dat ze te kort waren gedaan en wilden hun huizen in de stad weer terug. Gezamenlijk overvielen ze de stad, waarbij vele tegenstanders het leven lieten. Hieronder was waarschijnlijk ook het hoofd der Gelkingen Herman Buchel.
    De Fivelgoërs en Hunsigoërs konden dit natuurlijk niet over zich heen laten komen en traden gezamenlijk op. Tegen zo'n overmacht konden de ridders niet op en wachten de strijd af. Koenraad van Groningen gaf zich over aan de Hunsigoërs en Egbert van Groenenberg aan de Fivelgoërs en onder belofte dat ze voortaan zich zouden houden aan de gegeven orders.
    Echter wederom trokken ze weer op naar de stad waarbij Egbert van Groenenberg het aan de stok kreeg met de Gelkingen. De Fivelgoërs schoten hun wederom te hulp. De ridders overwonnen en geleerd, werden ze als misdadigers opgesloten in de kerker van Appingedam. Andere ridders deden nog een poging en nu met behulp van andere edelen uit de omstreken werd een wat meer stabiele overeenkomst gesloten. Egbert, de stedehouder van de bisschop, werd als hoofd van de rechtspleging erkend. De andere taken kwam voortaan in handen van een raad van 16 personen, waarvan 4 burgemeesters en 12 oldermans (de Friese magistraten). Deze werden gekozen uit de oudste en aanzienlijkste geslachten (Witkamp III, p. 635-636).


    West-Friesland
    De West-Friezen hadden de Hollandse graaf Willem I
    (ca. 1175 - 4 februari 1222), die zichzelf dus ook graaf van Friesland noemde, steeds geholpen met het in stand houden en zelfs uitbreidden van zijn rijk.
    Ook zijn zoon Floris IV (24 juni 1210 – 19 juli 1234) viel in goede aarde. In 1222 volgde hij zijn vader noodgedwongen als 12-jarige op. In 1230 werd de Hollandse graaf Floris IV in Franeker gehuldigd (Witkamp III, p. 635).
    Floris huwde Machteld van Brabant en kreeg zes kinderen: Willem II (Leiden, februari 1228 - Hoogwoud, 28 januari 1256), Hendrik, Floris (de Voogd), Machteld, Aleid (van Holland) en Margaretha.
    Ook de zoon van Floris, Willem II had de steun van de Friezen.
    Tot zijn kroning in 1248 als rooms-koning, waarmee hij kandidaat werd voor keizer van het Heilige Roomse Rijk in kroningstad Aken -welke ook mede door zijn Friezen was veroverd- bleef het vredig in het grensgebied van de West-Friesland en Kennemerland. Al vonden er uiteraard wat botsingen plaats tussen de adelloze Friezen en hun Kennemer edelen.
    Erkenning van andere vorsten kwam pas in 1252 nadat hij voor de tweede maal in huwelijk trad, nu met Elisabeth van Brunswijk, dochter van hertog Otto I van Brunswijk, komend uit de Welfische -een sinds de 9e eeuw bekend Frankisch adellijk- geslacht.
    De West-Friezen hadden het om gegeven moment wel gehad met hun Kennemer ambtenaren en kwamen in opstand. Hierdoor barstte de strijd weer uit tussen Kennemerland en de Vier-Noorderkoggen. Willem, weer teruggekomen uit een oorlog in Duitsland, behaalde 11 mei 1254 een belangrijke overwinning op de West-Friezen. Hierna volgde er nog een. Bij de derde veldtocht in januari 1256 ging het echter mis. Hij sneuvelde op de ijsvlakte van het Berkmeer bij Hoogwoude, neergeknuppeld door knodslagen en vlegelslagen van Friezen, die hem pas herkende, toen het te laat was.
    De rust keerde hierdoor voorlopig terug, althans wat betreft het strijdtoneel tegen de Hollanders.


    Sankt Petri Dom te Sleeswijk
    Noord-Friesland
    Over Noord-Friesland zijn we nog niet veel tegengekomen. Tijdens de vakantie in 2012
    waren we o.a. in Sleeswijk, waar we de St Petri Dom bezochten. Hierbinnen kwamen we als eerste het volgende kaartje tegen. Hierop staat geschreven hoe Erich Plogpenning als opvolger van zijn vader Waldemar II waarschijnlijk in opdracht zijn broer Abel op een boot op het Schlei is vermoord op 10 augustus 1250. Verzwaard met kettingen is hij overboord gegooid bij de versmalling in het Schlei bij Missunde. Hierdoor volgde Abel zijn broer op en begon een aanval op te zetten in Noord-Friesland. Dit plan liep niet zoals hij gewild had, want in de strijd bij Oldenswort stierf hij op 29 juni 1252.
    Kaart van de Noord-Friese eilanden, van de Amsterdamse Johannes Blaeu, 1662
    Om dit verhaal duidelijk te krijgen en enigszins te kunnen duiden, gaan we dit verhaaltje stukje bij beetje ontleden.
    Oldenswort of Oldenswordt ligt onder in Noord-Friesland, ongeveer in de buurt waar de Friezen hun Elisenhof hadden liggen, bij de monding van de Eider, een stukje boven Tönning. Dus een belangrijke plek voor deze Friezen.
    De andere spelers in deze gebeurtenis zijn Waldemar II en zijn twee zonen Erich en Abel. Wie zijn zij en waarom hebben zij strijd te leveren met de Friezen?
    We beginnen met de vader van Waldemar II: Waldemar I de Grote of Valdemar I. den Store, (* 14 januari 1131 - † 12 mei 1182 in Vordingborg). Trouwde in 1157 met Sophia van Minsk. Zij kregen zes kinderen: Knoet VI (1162-1202), Waldemar II (1170-1241), Rikissa (1174 - † 8 mei 1220) die trouwde met Erik X van Zweden, Helena († 1233) die trouwde met Willem van Lüneburg, Sophia (1165 - † 1208) die trouwde met Siegfried III van Weimar-Orlamünde en Ingeborg (± 1180 - † 30 juli 1236) die trouwde met Filips II van Frankrijk.
    Waldemar I de Grote was koning van Denemarken en hertog van Sleeswijk. Hij was echter pas na tien jaar strijd aan de macht gekomen, nadat zijn voorganger Erik III in 1246 was afgetreden, dus in 1257. De strijd om de opvolging ging tussen Sven III, de zoon van koning Erik II en heerser in Seeland, Knoet V, kleinzoon van koning Niels en heerser in Jutland, en Waldemar I zelf. Uiteindelijk bleef Waldemar I over en werd zodoende heerser in Denemarken.
    Kaart van het Hertogdom Saksen van Heinrich dem Löwen rond 1180.
    In 1259 sloot Waldemar I een vriendschapsverdrag met de buurman, de Saksenhertog Hendrik de Leeuw / Heinrich der Löwe. Ze trokken dat zelfde jaar nog samen op tegen de Obodriten. Tevens voerde hij ook zijn jaarlijkse campagne uit tegen de Ranen op Rügen. Zij vielen namelijk steeds de Deense kusten aan.
    Tijdens de vakantie in 2012 zijn we langs deze Dannewerken gefietst en kwamen we ook langs dit stukje Waldemarsmuur.
    Ook ging Waldemar I door met het versterken van de Danewerken: Valdemarsmuren / Waldemarsmauer. Maar ook de andere zwakke verdedigingsplekken langs de kustlijn versterkte hij.
    Een andere, zeer belangrijke stap voor deze familie, maakte hij ook. Hij wist namelijk te bewerkstelligen dat het koningschap niet meer een gekozen persoon werd, zoals tot die tijd gebeurde in deze omgeving, maar dat het erfbaar werd. Dit werd door Paus Alexander III rond 1166 erkend. En zo werd zijn zoon, Knud VI op 25 juni 1170 in Ringsted gekroond tot koning. Tegelijkertijd werd ook de vader van Waldemar I, Knud Lavard, heiligverklaard en zo kreeg de Deense monarchie ook nog een religieus fundament.
    Knud VI trouwde met de dochter van Heinrich der Löwe, Gertrud van Bayern en Saksen (1154-1197). Zij stierf, kinderloos vóór Knud en zodoende kreeg hij ook de Noord-Duitse en Slavische gebieden, inclusief de aanwezige vazallen, in beheer.
    Omdat Knud VI ook geen kinderen meer had gekregen nam zijn broer Waldemar II ("der Sieger") in 1202 het koningschap over, toen Knud VI was overleden. Waldemar II breidde zijn territorium richting vele kanten uit of zorgde voor erkenning van heerschappij (Lübeck und Hamburg).
    Op de nacht van 6 op 7 mei 1223 werd Waldemar II met zijn zoon ontvoerd door Graaf Heinrich von Schwerin (± 1155 – 17 februari 1228). Na een 'Schlacht bei Mölln' in januari 1225, die door de Denen werd verloren, ging Waldemar II uiteindelijk in op de losgeldeis van Heinrich: 45.000 Mark zilver, het opgeven van de meeste - buiten Deens grondgebied liggende - gebieden en 3 gegijzelde zonen moesten voor het nakomen hiervan zorgen.
    Waldemar II was namelijk 2 maal getrouwd. Eerst met Margarete Dagmar (± 1186 - † 24. Mai 1212), waarvan hij een zoon kreeg: Waldemar von Schleswig (* 1209 - † 1231).
    Zijn tweede vrouw heette Berengaria van Portugal (1197 Portugal – 27 maart 1221 Denemarken). Zij kregen nog eens 4 kinderen:
    Erik IV. (* 1216 - † 1250), koning van Denemarken (1241-1250)
    Sofie (* 1217 - † 1247) trouwde 1230 Johann I. Markgraf van Brandenburg
    Abel von Schleswig (* 1218 - † 1252), koning van Denemarken (1250-1252)
    Christoph I. (* 1219 - † 1259), koning van Denemarken (1252-1259)

    Daarnaast hij had nog twee buitenechtelijke kinderen: Niels, Graaf van Halland-Schwerin († 1218/19) en Knut, Hertog van Lolland, Blekinge en Estland († 1260)

    In de regeringsperiode van Erik IV (1241–1250) kreeg hij een bijnaam, Plogpenning oftewel ploegpenning. Dit kreeg hij omdat hij overal belasting ging heffen op het eigendom van ploegen. Dit is zeg maar de auto van die tijd. Tevergeefs en ten kostte van een aantal van zijn ridders probeerde hij dit ook in het Friese gebied binnen te halen.
    Nu we de andere spelers kennen, kunnen we naar het verhaal: Abel wilde ook de rol van zijn oudere broer Erik IV vervullen en zodoende was er een strijd om de troon van Denemarken. Dit eindigde dus in een moordpartij en zo werd Abel toch nog koning.
    Hij besteeg zelf de troon op 1 november 1250, met behulp van 24 ridders, die zijn onschuld (op de moord van zijn broer) zweerden op het thing in Viborg. Zo was er dus een dobbelt tylvter-ed, een twee dozijnen eed. Iets wat de bevolking altijd en nog steeds in twijfel trekken: Abel af navn, Kain af gavn oftewel Abel van naam, Kaïn in daden.
    Abel vond -net als zijn broer- dat de Friezen ook de ploegbelasting moesten betalen en dat de Friezen hem moesten erkennen en huldigen als heer, zoals de geschiedenis van Oldenswort verteld. De Friezen zagen dit alles uiteraard niet zitten. En dus ging hij naar de Friezen toe om ze te dwingen.
    De troepen van Abel overvielen Eiderstedt en plunderen de stad en beroofden en vermoorden talloze burgers. Op het hierop volgende thingvergadering besloten ze om deze koning niet te huldigen en niet over zouden gaan tot betaling van de belasting. Volgens Johann Russe, geschiedschrijver (± *1506 - ± †1555): „ ... unde eer dat se Koninck Abel wolden huldigen unde geven eme schatt unde tins, dar wolden se alle starven, – edder Koninck Abel scholde starven".
    Wederom beriepen ze zich op hun "Friesche Vrijheid". De strijd die daarna begon duurde een aantal dagen. De Friezen gebruikten hierbij een guerrilla-tactiek. Dit resulteerde op 29 juni 1252 dat Abel tijdens zijn vlucht werd getroffen door een pijl, waarbij hij het leven liet.
    Harry Kunz (Nordfriisk Instituut) schrijft in Gedenkstein an die Schlacht bei Oldenswort in het kort het verhaal van de slag bij Oldenswort.
    In een herdruk van Versuch einer Beschreibung von Eiderstädt : in Briefen an einen Freund im Hollsteinischen. NF-Reprint; 1 Neudruck [der Ausg.] Garding und Hamburg 1795 Husum : Husum-Druck-und-Verlagsgesellschaft, 1976, van het Nordfriisk Instituut wordt dit verhaal iets gedetailleerder beschreven. Hierin staat o.a. dat Abel het jaar daarvoor ook al een poging had gedaan, maar verslagen weer moest afdruipen. Het jaar daarop kwam hij dus met een landmacht, maar ook met een vloot via de Eider terug. Tussendoor hebben ze nog 6 dagen een wapenstilstand gehad. Dit zal dan wel het moment van bezinning zijn geweest, waar de Friezen hun thing hebben gehouden, waar de woordvoerder het verzamelde volk nog eens herinnerde aan de woorden van hun oervader Friso herinnerde: vrij te leven en te sterven.
    Ook veel van zijn ridders lieten het leven in de strijd tegen de Friezen, die onder leiding stonden van Sicko Sjaerdema (Sikke Sjaardema).
    >Dit roept dan weer verschillende vragen op?
    Wie was Sicko Sjaerdema en wat deed hij daar en waarom?
    Over Friso, volgens de sagen, de oervader, naamgever der Friezen, komend uit India, zijn talloze verhalen bekend. Zie bijvoorbeeld het dichtboek: Gevallen van Friso, koning der Gangariden en Prasiaten door Willem van Haren, 1741 of Croniicke ende warachtige Beschryvinghe van Vrieslant van Ocko Scharlensis, 1597 of zoals we al eerder konden lezen in BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN van W. Eekhoff, 1851: volgens het volksverhaal is het zo, dat Friso, eens Konings zoon uit Indië, na den dood van Alexander den Groote uit zijn vaderland verdreven, zich met zijne broeders Saxo en Bruno en vele anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met eene vloot in Friesland zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor den stichter van Stavoren, voor den bevolker van dit land en alzoo voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden ontvangen hebben.


    Verdrag tegen piraterij
    De Hanse-steden en de handelaren werden door de omstandigheden meer en meer gedwongen om beter te gaan samenwerken. De dwingende omstandigheden waren de situaties op zee. Nu hadden de handelaren ook last van rovers op het land, maar hier konden ze niet meer ingrijpen, omdat de vorsten van het desbetreffende gebied het recht in handen had. Op de zee was dit echter anders. Op zee gold geen recht, behalve die van de sterkste, sluwste of snelste. Kortom, de piraten of andere zeelui, konden de anderen eventueel beroven, zonder in de problemen te komen en zonder dat het slachtoffer ergens recht kon halen.
    En zo kwamen de handelaren ertoe om hun willekeur om te zetten in recht met een verdrag dat in 1259 het licht zag: een interstedelijke Willekeur. Bijzonder is wel dat dit recht ook gold voor mensen die niet tot deze steden behoorden.
    Dat de piraten nu spontaan ophielden met hun werkzaamheden of sidderen van angst, kunnen we nu ook weer niet zeggen, maar de handelaren waren tevreden met deze uitbouw van hun rechten (Graichen/Hanse, p. 71-73).


    De Mongolen zijn onderweg
    Wie ook niet ophielden waren de Mongolen. De Mongoolse legers hadden rond 1241 al heel Rusland, Hongarije en Polen veroverd. Behalve de handelsstad Novgorod, al was dat wel onderhorig aan hun, aldus Pye. Europa was verdeeld, voor de keizer van het Roomse Rijk of voor de paus in Rome en dus gebeurde er niets om de Mongolen te stoppen.
    Langs de Rijn waren al spionnen gesignaleerd.
    Berichten vanuit christelijke bronnen melden dat de Mongolen uitmuntende strijders waren. Ze waren betere ruiters, het waren nomaden, dus brachten ze hun leven grotendeels door op de rug van een paard. Ze waren tactisch gezien veel verder, ze maakten rechtsomkeert, schijnaanvallen en simuleerden de terugtocht om hun vijand in de val te lokken. Ze hadden kennis van kruit, katapulten en een apparaat van slechts drie vingers lang, dat in staat was om enorme gewichten te kunnen hijsen of laten dalen, waaruit hun kennis blijkt.
    Dit laatste apparaat doet denken aan een katrol (zoals het sinds de 17e eeuw is gaan heten) of blokken, gemaakt van het tropische Pokhout.
    Onder leiding van Temüjin (±1162–1227), de Dzjengis Khan (1206-1227) van de door hem verenigde stammen, nu verzameld onder de naam Mongolen, bestreken ze vele gebieden. Dit lijkt een beetje op het verhaal van Karel de Grote, die ook de stammen in Europa verenigde. De Mongolen waren echter nomaden, dus lang hielden ze de gebieden niet vast. Ze hadden zelf geen steden of speciale plekken waaraan ze zich hechten of wat verdedigd moest worden. Het gebied van Dzjengis Khan strekte zich uit van China tot aan de Donau.
    Je zou dus met gemak kunnen stellen, dat ze ook gewoon aan het rondtrekken waren, rovend als de benden in Europa, die in oorlogstijd betaald kregen door de koning, keizer of ander heerschap en daarnaast zich plunderend in leven hielden.
    Zijn derde zoon Ögedei (±1189-11/12/1241) werd na hem de tweede Khan (1229-1241). Het gebied breidde zich uit. Ze verkenden Korea en beheersten Persië. Een neefje van Ögedei, Batu Khan (zoon van Jochi - mogelijk alleen het eerste kind van de vrouw van Temüjin), richtte zich op het westen. Batu veroverde tijdens de Slag bij Legnica in 1241 de staten van het koninkrijk Polen van Hendrik II de Vrome. Op 11 april 1241 vond de slag bij Mohi plaats waar koning Béla IV van Hongarije verloor en zo Hongarije veroverd was. Hulp of redding van de keizer, was er niet bij, omdat de Béla IV geen vazal van de keizer wilde worden, zo werd verteld.
    Echter, nadat Ögedei was overleden, diende er nieuwe Khan gekozen worden. De was de redding van Europa, want de Mongolen trokken zich terug.
    Ook bij deze oorlogen wordt weer gesproken over 100duizenden strijders en miljoenen slachtoffers. De Khan is dood en Europa is gered. Waarschijnlijk zijn ook deze 'ooggetuigenverslagen' veelal overdreven om effect te scoren.
    Wat wel beklijft is de handelsroute, de befaamde Zijderoute, zoals het sinds 1877 wordt genoemd. Maar of dit een verdienste is van de Kahns? Het werd in ieder geval niet tegengehouden.
    Opmerkelijk is het wanneer Pye opmerkt, of zoals hij zegt, verwarrend wordt wanneer blijkt dat sommige Mongolen ook christenen zijn, die psalmen zongen. Deze beschouwden de westelijke christenen als verachtelijke honden en afgodendienaren, omdat ze immers hout en stenen aanbidden, wanneer daarop een kruis staat. Zouden deze Mongoolse christenen, dan de eerste hervormden zijn? (Pye/Noordzee, p. 231-233;
    Temujin / Machiel Spruijt; Wikipedia Katrol, Torsiegeschut, Blokmaker, Pokhout, Dzjengis Khan, Ögedei Khan, Batu Khan, Slag bij Liegnitz (1241), Slag bij Mohi, Zijderoute)


    Groei
    De West-Friezen en ook die van de andere Zeelanden kregen meerdere malen te maken met overlast vanuit zee. Watervloeden, in 1257, 1262 en vooral die van 1266, de st. Marcellusnacht bracht grote schade. Er ging dan ook veel land voor altijd verloren in het gebied tussen Texel, Stavoren en Terschelling.
    Ook namen vele Friezen deel aan de georganiseerde kruistochten. De prediking van Gerardus van Norden zorgde er in 1269 voor dat velen zich inscheepten richting Palestina.
    In deze periode vermeerderden door alle Friesche gouwen (behalve in West-Friesland, zij hadden het te druk met de Hollandse heren) de zogenaamde sterke huizen, tussen Vlie en Lauwers stinsen/staten (stins of state) genoemd en in de Ommelanden borgen.
    Deze stinsen waren natuurlijk een mooi vluchtoord en gaf de eigenaar een groot aanzien. Het gaf natuurlijk geen gezag over z'n omgeving, want iedereen was elkaars gelijke (Witkamp III, p. 638).

    Kenmerkend aan de 17 keuren en 24 landrechten was, dat ze van onderaf zijn vastgesteld. De rechters (redgers) waren gekozen en beoefende deze functie voor één jaar. Daarna was weer een ander clauwgerechtigde heerd aan de beurt. In een rechtsstoel die uit een of meerdere dorpen en buurschappen bestond, waren slechts heerden met een vastgesteld minimumbezit aan grond clauwgerechtigd. (Een clauw of kluft is een oud woord voor buurschap, als onderdeel van een dorp of rechtsstoel.) Wie vervolgens weer aan de beurt was, stond in een clauwlijst. Als een dorp bestond uit 4 kluften of buurten en elk telde 4 afzonderlijke heerden, dan waren ze om de 16 jaar aan de beurt. De richting van de ommegang ging met de klok of zon mee (Schroor/Hoogeland, p. 59).
    Post Den Haag te koop
    Nee, dit is geen bericht uit de middeleeuwen. Dit bericht speelt in de 21e eeuw! Het behandelt de positie van de Amerikaanse ambassadeur, die -net als hiernaast beschreven- nog steeds te bemachtigen is met geld, in plaats van kunde. In al die eeuwen is de massa nog steeds niet in staat om de enkele corrupte machtliefhebbers te blokkeren. Komt dit omdat er bij ons in Nederland op een aantal posities ook machtliefhebbers zitten, die net zo hypocriet of corrupt zijn, dat ze dit wèl toestaan?
    bron: Volkskrant, 3 mei 2012 p. 26;
    ISAN 20120503 90 4011 26 2 2
    Om het aanzien te vergroten -en daarmee de afgunst ten opzichte van de anderen te verergeren- probeerden de steeds rijker wordende landgenoten invloedrijke taken als rechters te bemachtigen. Aangezien deze taken bij toerbeurt, de zogenaamde ommegangen, aan mensen ten deel vielen of aangewezen werden, was dit niet eenvoudig. Door deze bepalingen te wijzigen van mensen in huizen (behuisde plaats of heerd), waren de rijken in staat om steeds meer stemmen te verwerven door deze van andere te kopen of anderszins te bemachtigen.
    Ook bij de geestelijken ging alleen nog maar om zo veel mogelijk goederen te verzamelen en handelden er dan ook naar. Ze dreven koop- en woekerhandel, legden zware geldelijke boetes op aan de burgers, begunstigden huwelijken in verboden graden om grote geldoffers hierover te ontvangen. En als vanzelfsprekend erfden ze hun ambt, iets wat uitermate ongebruikelijk was. Protesten van de Ommelanders haalden niets uit. Sterker nog, de Münster bisschop Gerhard, hield zelfs de geestelijken een hand boven het hoofd, al was het maar om niet toe te hoeven geven aan het volk, waar hij toch ver boven stond. En omdat het volk het goddelijk recht hadden beledigd, werden er handelssancties opgelegd en het werd hun verboden om nog deel te nemen aan het geestelijk leven. Dus geen missen meer tijdens doop, huwelijk en overlijden. De Ommelanders trokken zich hiervan niets aan.
    Pas door Gerhard's opvolger, bisschop Everard van Diest, werd er een vergelijk getroffen en werd er op 15 april 1276 te Faldern bij Emden een overeenkomst gesloten. Dit overeenkomst bestond uit 34 artikelen en betrof onder andere:

  • Geestelijken zouden aan niemand nooit het oliesel weigeren.

  • Bijdragen/giften waren vrijwillig bij biecht, laatste sacramenten, begrafenissen.

  • Bij degenen die gelofte van kuisheid hadden afgelegd, bij het betreden van klooster, werd verwacht geen huwelijk aan te gaan. Eventuele kinderen zouden geen erfgenaam kunnen zijn.

  • Vergoeding bij doodslag: geestelijke 60 mark, diaken 50, onder-diaken 40 en koster 36 mark. Hier bovenop kwam nog een betaling aan de bisschop voor opheffen ban.

  • Alle geestelijken die onrechtmatig hun plaats hadden gekregen, die een wapen hanteerden, die dronken waren, zouden allen worden afgezet.

  • Nalatenschappen tussen Friezen en Münsterlander uit Münster en Friesland kon onbelast nagelaten worden.

  • Evenzo ook bij schipbreuk, werden alle geborgen goederen teruggegeven.

  • Evenzo kon er handel gedreven worden, zonder extra tolheffingen.

  • (Witkamp III, p. 638-639).


    Haet is riucht?
    Zeven koningen zouden zich in het verleden zich hebben gebogen over het geschreven en het ongeschreven recht en hoe dit zich met elkaar verhoudt en in overeenstemming kan worden gebracht (Nijdam/Lichaam, p. 284-287). Zou hierin ook nog een probleem zitten tussen de Lex Frisionum, de pre-christelijke versie, en de Oudfriese wetteksten, die duidelijk beïnvloed zijn vanuit het christelijke?
    Das Fivelgoer Recht
    22:

    Hic incipit jus communitatis Frisie
    Hier beginnt das Recht der friesischen Gemeinschaft

    I.
    I. WAS IST RECHT?

    [1] Hueth is riucht? List ende kenst riuchtis ande godis. Riuchtes, thet queth rethelika thinga ande riuchtelika thinga, alsa bithiut hit thi paws.
    [1] Was ist Recht? Wissenschaft und Kenntnis des Rechten und Guten. '(Des) Rechten', das heißt "redlicher Dinge und rechtmäßiger Dinge", so erklärt es der Papst.

    [2] Hwet queth thet wird godis? Nethelikera thinga and erlikera thinga, sprecht thi kaiser.
    [2] Was heißt das Wort "(des) Guten"? "Billiger Dinge und ehrlicher Dinge", spricht der Kaiser.

    [3] Hv monich riucht ister? Twa, en godelic ende en manslic; thet erste is thi onbern, thet other scoltu lernia; thet en hath naturalis, thet other ciuilis.
    [3] Wie viele Rechte gibt es? Zwei, ein göttliches und ein menschliches; das erste ist einem angeboren, das andere soll man lernen; das eine heißt natürlich, das andere bürgerlich.

    [4] Hweth is godelic riucht? Onwerp Godis gastis, ther thet gode bihiuth and thet erge let. Godes riucht is thio ewe, ther thes monnis sin lert hine self to biriuchtane and thet vnriucht to vnfruchtane, tha vnscheldega to helpana and tha missidan to fordriwane, alsa ma seit: Jus est iuste viuere, neminem ledere, vnicuique suum dimittere.
    [4] Was ist göttliches Recht? Ein Antrieb des göttlichen Geistes, der das Gute befiehlt und das Böse verhindert. Gottes Recht ist das Gesetz, das des Menschen Sinn lehrt, ihn selbst in die richtige Bahn zu lenken und das Unrecht zu fürchten, dem Unschuldigen zu helfen und die üblen Sitten zu beseitigen, wie man sagt: "Recht ist gerecht leben, keinem schaden, jedem das Seine geben".

    [5] Hwetis manslic riucht? Keninges setma and liuda plega, nethelic ende erlic. Keninges setma hat ma scriuen riucht , sa hat ma ac ewa. Wither tha ewa ne mei nen wilkere stonda. Erlic plega fon longere vnicheid is alsa goud sa scriuen riucht, jef se nout ne tziwiath.
    [5] Was ist menschliches Recht? Königssatzung und Volksbrauch, (der) billig und ehrlich (ist). Königssatzung heißt man geschriebenes Recht, und wenn das geschrieben ist, so nennt man es auch Gesetz. Wider das Gesetz soll kein gewillkürtes Recht bestehen. Ein ehrlicher Brauch von langer Gewohnheit her ist ebenso gut wie geschriebenes Recht, wenn sie sich nicht widersprechen.

    [6] Hwervmbe is thet riucht eseth? Thet thi fatuus, thet is thi dumba, ther breke, thet hi werthe in there pina and lust there sende and bischirme tha vnschilde and scheppe tha wreke.
    [6] Weshalb ist das Recht gesetzt? Damit der fatuus, das ist der Törichte, der sich vergeht, in Strafe verfalle, und damit es ihn von der Lust zur Sünde abhalte und die Unschuld beschirme und für Vergeltung sorge.

    [7] Hwet is there ewa riucht? Erlike thinga reda, trastelic thinga biada, vrbiada vnriucht, henzia mothlika thinga and ac bihwilum vnmothelika thinga thruch fruchta thes wirre. Hwether sa thet riucht is naturalis sa ciuilis and hweder mith scrifte jefta mith ewa, schemat schetha; sa hat ma thet arre setma ande thet other vnicheid.
    [7] Was ist das Recht des Gesetzes? Ehrliche Dinge raten, hilfreiche Dinge gebieten, Unrecht verbieten, zulässige Dinge gestatten und bisweilen auch unzulässige aus Furcht vor dem Schlimmeren. Wo das Recht entweder natürlich oder bürgerlich ist und entweder schriftlich oder herkömmlich, da soll man es unterscheiden; dann nennt man das erstere Satzung und das andere Gewohnheitsrecht.

    [8] Hwet is vnicheid? En godlic plega, ther ma to riuchte halt. Alsa ma thene sethma brec, alsa en nie seke vphlap, ther nanout fon escriwen is, sa mot ma thene pliga to riuchte halda. Fon thisse plega hebbat er keningan mislike delit.
    [8] Was ist Gewohnheitsrecht? Ein dem göttlichen Gesetz entsprechender Brauch, den man als Recht hält. Wenn man die Satzung verletzt, sobald eine neue Sache vorkommt, von der gar nichts geschrieben steht, so soll man den Brauch als Recht halten. Über diesen Brauch haben Könige ehemals verschiedentlich geurteilt.

    Thi ersta sprech aldus: thet riucht scol alle tyd thene plega vpnima.
    [9] Der erste sprach wie folgt: Das Recht soll immer den Brauch aufheben.

    Thi other sprec aldus: plega fon nethlikere vneched is en cristenlike masterschip.
    [10] Der zweite sprach wie folgt: Ein Brauch von billiger Gewohnheit her ist eine dem Christentum entsprechende Autorität.

    Thi thredda sprec aldus: thet riucht, ther rethelike is, thet werth thene pliga, hwant thet riucht, ther en nomelic vnriucht forbiut iefta pinegat, thet scel nanne side wiaka.
    [11] Der dritte sprach wie folgt: Das Recht, das billig ist, stellt sich dem Brauch entgegen, denn das Recht, das ein offenbares Unrecht verbietet oder bestraft, soll keiner Sitte weichen.

    Thi fiarda sprec aldus: mislike is side; rethlic side is cristenlic masterschip, vnriucht side wiucht tha riuchte.
    [12] Der vierte sprach wie folgt: Verschieden ist die Sitte; eine redliche Sitte ist eine dem Christentum entsprechende Autorität, eine schlechte Sitte weicht dem Rechte.

    Thi fifta sprec aldus: thruch londis tberwa and red wiucht vnder hwilem thet riucht tha side.
    [13] Der fünfte sprach wie folgt: Zu Nutz und Schutz des Landes weicht bisweilen das Recht der Sitte.

    Thi sexta sprec: thet riucht is alle riucht, thi side is creftelic, ther era lert an vnera tosteret. Thet is godelic riucht, ther tha senda vrdiligat mith helga bodum. Thet is wralsche riucht, ther tha elingan hebbat set mitha elmetha to haldane thruch thes londis red.
    [14] Der sechste sprach: Das Recht ist völlig recht, die Sitte ist kräftig, die Ehrenhaftes lehrt und Schändliches ausrottet. Das ist göttliches Recht, das die Sünden mit heiligen Geboten tilgt. Das ist weltliches Recht, das die vollfreien Landbesitzer mit der stimmberechtigten Landesgemeinde gesetzt haben, um es zum Schutz des Landes zu halten.

    Thi sogenda sprec: thet riucht is alle riucht, ther mith mena bode wisa liuda is eset to thwonge ther sendena, ther bi willa iefta bi dumhede vphlapat; thet riucht vrwint alle sidan and alle keran. Thet riucht is alle riucht, ther witha werde nout ne fiucht and nethlic is an rethlic an erlic. Thet is falsche riucht, ther there werde mith thiugum vnfiucht; thet blindat siande aghene.
    [15] Der siebente sprach: Das Recht ist völlig recht, das durch ein allgemeines Gebot rechtskundiger Männer gesetzt ist zur Zügelung der Sünden, die absichtlich oder aus Unbesonnenheit geschehen; das Recht überwindet alle Sitten und alle Küren. Das Recht ist völlig recht, das der Wahrheit nicht widerspricht und billig, redlich und ehrlich ist. Das ist falsches Recht, das sich der Wahrheit mit Zeugen entzieht; das blendet sehende Augen.

    Hoe klinkt het Oudfries?
    Han Nijdam (van het Fryske Akademy) leest een aantal fragmenten voor uit Emsengo I (ca. 1400), Fivelgoër handschrift (1430), Riustringer I (ca 1300), Codex Unia (1475) en Jus Municipale Frisonum (ca 1490)
    De vredeseed
    De noden van het vaderloze kind
    De sage van Karel en Redbad
    De schepping van Adam
    De Dag des Oordeels
    De teksten staan hierbij tweetalig vermeldt (Oudfries en Nederlands)
    Nijdam doet meerdere ontdekkingen, zo meldt het Leeuwarder Courant van 13 juni 2012, de ontdekking van een tot nu toe onbekende codex Siccama, een vierde codex.
    Op 7 april 2014 om 11:48 brengt Omrop Fryslân het nieuws naar buiten dat Nijdam een nieuw handgeschreven stuk Oudfries heeft gevonden, wat zou gaan om een fragment uit de Codex Unia van 1485. De ontdekte tekst staat in een boek van de 16de eeuwse geschiedschrijver Simon Abbes Gabbema, die in de kantlijn fragmentjes over Koning Redbad had geschreven.
    Waar ik straks -bij Verloochening- ook nog verder op in ga, komt hier dus ook de statusbepalende 'recht' van de Vrije Fries ter sprake. Met 'recht' is een Fries íemand, zonder minder of Verlies van zijn “rjocht” maakt dat hij maatschappelijk gezien is overleden’ (Algra/Oudfries, p. 45).
    Dit is de kern van het Oudfriese recht (Nijdam/Lichaam, p. 286). Hetzelfde geldt m.i. voor 'eer', zoals ik later de Friezeneer omschrijf.
    In het Rudolfsboek (Nijdam/Lichaam, p. 286) en Westerlauwerssches Recht 356, 11 wordt dit als volgt omschreven:

    Hweer soe di fria Fresa ene soene biseent ende deer anne slachte wr slacht iefta wida an here kijnde birawath iefta mordbrand iefta wrbannena raef fan gaestlika lioedem iefta scaeckraef iefta bisit mit onriochta goede ende hi danne wille fan dis keisers halum riocht ontfaen, soe schel ma him weersprecka ende him ti nene riochte ti staene, hwant hyt selm toebritsen haet ende wrlerren ende alsoo moghen alle dae ienne, deer werdeth funden jn dusdener sonde, ende alle dae, deer naet friboren sint, ende alle dae jenne, deer nene fri spreke nabbeth.

    Als de Vrije Fries een zoen sluit en daarna toch een doodslag begaat of een weduwe en haar kinderen berooft, of een moordbrand begaat of een verboden panding van goederen van geestelijken of een gewelddadige beroving, of onrechtmatig verworven goed bezit, en als hij dan van keizerlijke zijde recht ontvangen wil, dan moet men hem tegenspreken en hem geen spraak en tegenspraak in een rechtszitting toestaan, want hij heeft zelf zijn recht geschonden en verloren en evenzo moeten allen behandeld worden die zulke zonden begaan, en allen die niet vrijgeboren zijn, en allen die geen recht hebben om vrij te spreken op de rechtzitting.

    ([11] Dies ist das dritte:) Wenn der freie Friese eine Sühne abschließt und trotzdem einen Totschlag verübt oder eine Witwe und ihre Kinder beraubt oder einen Mordbrand oder einen verbotenen Raub an geistlichen Leuten oder einen Schachraub (begeht) oder unrechtmäßig erworbenes Gut besitzt und er dann von seiten des Kaisers recht erhalten will, so soll man ihm widersprechen und ihm keine Rede und Antwort stehen, denn er hat das Recht selbst verletzt und verloren, und ebenso sollen alle diejenigen (behandelt werden), die in solcher Sünde angetroffen werden, und alle die, die nicht freigeboren sind, und alle die, welche keine freie Sprache vor Gericht haben. (Dieses Recht setzten König Karl und Papst Leo und sie geboten allen Leuten, es zu halten.)

    Je moet als mens wel erg ver gaan, om op dit punt te belanden. Maar aangezien deze regels er zijn, geeft ook aan dat er zulke mensen rondliepen. Voorgaande verhalen bewijzen ook dat bepaalde groepen het soms erg bont maken en totaal geen eer meer hebben.
    Hierin staat dus ook te lezen dat alleen de vrijgeboren de vrijheid hadden om op een rechtszitting te spreken. Nijdam voegt hierbij nog een aantal verontrustende zaken aan toe:
    Wie vermogend was, recht had en dat niet ‘verwerkt’ had, kon dus deelnemen aan de rechtsgang. Voor deze observatie zijn talloze attestaties te vinden in het Oudfriese rechtscorpus, zoals in het Westerlauwers Seendrecht:
    Nu agen tha liude ethsworan to settan. Tha schen wesa frey an fresic and fulbern and alsa rycheftich, thet hia byscopis bon beta muge, and hira riucht vnforlern - ‘Nu moeten de lieden eedgezworenen kiezen. Die moeten vrij en Fries en volgeboren en zo vermogend zijn, dat ze de bisschopsban kunnen betalen, en ze moeten hun recht niet verloren hebben’.

    Het vermogen speelde een rol. Iemand moest in staat zijn om financieel voor de gevolgen van zijn handelingen in te staan. Een onvermogende vrije (blata) was echter niet a priori uitgesloten van het recht, of uit zijn rechtspositie. We zagen eerder dat hij veteleider kon worden en zich borg kon stellen voor de gevolgen van de vetetocht. Het Oudfriese recht waarschuwde echter tegen zulke insolvabele veteleiders en sprak in deze context een hard oordeel uit over de onvermogende: thi blata thi is lethast alra nata ‘de onvermogende is de ellendigste van alle verwanten’.
    Er spreekt een walging voor een arme verwant uit (Nijdam/Lichaam, p. 286-287).
    Hieruit blijkt dat er rond de 13e eeuw er al niet echt meer sprake is van gelijkheid. Er ontstaan machtsvormen / rechtsvormen die, net als vetes, een factor kapitaal in zich hebben / krijgen. En dit duidt dan meteen op rechtsongelijkheid.


    Eems stroomafwaarts
    nabij Heede

    Eems stroomopwaarts
    nabij Heede

    Blokkade handelsroute
    De vijandigheden tussen de Friezen en het bisdom van Münster liepen tussen de jaren 1270 en 1276 weer hoog op. Friese schepen waren aan de ketting gelegd in Meppen en in Oost-Friesland waren er kooplieden uit Münster vastgezet. De handelsroute voor de Friezen over de Eems naar Meppen en de zijtak van de Eems, de Hase naar Haselünne werd door het bisdom geblokkeerd.
    Dit resulteerde erin dat andere handelsroutes flink uitgebreid werd, zoals de route Emden-Barßel-Friesoythe-Osnabrück (of Ossenbrügge) via de Eems-Soeste per schip tot Friesoythe en vervolgens met de ossenwagens naar de Hase. Bij Osnabrück was ooit een knooppunt ontstaan van de Osseweg en waterweg Hase met hierover een brug. Ideaal voor de handel. En zo ontstond de ossenbrucke.
    Maar ook deze succesvolle handelsroute werd door de vorsten van Tecklenburg gezien en door het aanbrengen van tolheffingen, poorten en burchten werd ook dit afgepakt (Klöver/Spurensuche, p. 90).


    Begin van einde Friese Vrijheid
    Ofschoon het de Friezen het voor de wind ging, zo tegen het einde van de 13e eeuw (vanaf 1275), de handel en bedrijven liepen goed, ze waren in het bezit van een persoonlijke vrijheid, die nergens zo in Europa te vinden was, ze zaten op vruchtbare grond en daardoor vee, zuivel en graan in overvloed, behoorden orde, rust en veiligheid steeds minder tot hun gemeengoed.
    Zelfverheffing, strijdlust en het verlangen naar een onbeperkte onafhankelijkheid, zorgden ervoor dat ze het recht op persoonlijke vrijheid van de buren uit het oog verloren. En hierdoor ontstonden er botsingen bij spelen, volksgaderingen, verkiezingen en kerkelijke bijeenkomsten. Hebzucht, hoogmoed en afgunst verergerde deze situatie. Beledigingen, vechtpartijen en doodslag waren het gevolg. Wraak zorgde voor groepsvorming. Deze groepen vielen een state, stins of borg aan om zich te wreken. Edelen verhieven zich tot Hoofdelingen en de volgers kozen hun machtigste onder hun. En zo ontstonden er familiegeslachten met meer macht dan gebruikelijk was voor de Vrije Fries die geen inbreuk wilde op zijn recht op persoonlijke vrijheid.
    Door deze ruzies werd er minder aandacht geschonken aan het beheer van de dijken.
    En zoals we al op Dag 7 van het reisverslag hebben kunnen lezen in het landrecht, dat het beschermen van het land een uiterst belangrijke zaak is.
    Vta skilu wi Frisa vse lond halda mith thrium tauwon, mith tha spada and mith there bera and mith there forke. (...) Aldus skilu wi Frisa halda use lond fon oua to uta.
    Tegen de zee toe moeten wij Friezen ons land beschermen met drie werktuigen, met de schop en met de berrie en met de greep. (...) Zo moeten wij Friezen ons land behouden van binnenland tot aan de zee.
    Werd hieraan niet voldaan door degenen die hiervoor in aanmerking kwamen, kortom leverde iemand wanwerk, dan was er een procedure die ervoor zorgde dat de onderhoudsplichtige vier dagen lang gemaand werd om de dijk te herstellen. Bleef er verzuimd worden, dan werd het baken aangestoken om weerbare mannen op te roepen. Op de vijfde dag werd er nog éénmaal een mogelijkheid gegeven om aan het werk te gaan en te boeten. Mocht hij blijven weigeren, dan werd terstond zijn huis afgebroken (Algra/Ein, p. 70).
    Hierdoor raakte hij alle rechten op gebied kwijt en kon iemand anders dit gebied, inclusief de zorg voor de dijken, overnemen.

    En zo kon het voorkomen dat de dijken zelfs inzit werd van onderlinge schermutselingen.
    Zo werd waarschijnlijk op 13 januari 1277 bij Jansum (tegenover Emden en Larrelt) de Eemsdijk vernield, zodat het water Reiderland inspoelde. Op 25 december 1277 volgde nog een dijkbraak bij Wilgum, een eindje stroomopwaarts. (Dit zou het begin zijn het onderlopen van al het land wat nu onder de Dollard ligt en zou rond 1540 z'n grootste omvang krijgen. Zie voor een uitgebreid kaartenoverzicht de pagina Rampspoed in de Dollard/Reiderland!)

    Wanneer er meerdere Hoofdelingen in een stad of dorp woonden, waren de conflicten ook heftiger en kwamen ze frequenter voor. Door het toenemen van deze botsingen van Hoofdelingen, maar ook tussen de bewoners van dorpen onderling, ontstonden er twee visie en daaruit voortvloeiend twee partijen: de Schieringers en de Vetkopers.
    WESTEREMDEN: ANDREASKERK
    Schieringers en Vetkopers
    De doodslag van Hayo Wibbens in 1398 in het Groningse Westeremden, was politiek gemotiveerd. Het was een uitvloeisel van de strijd om macht en invloed tussen de Schieringers en de Vetkopers. Saillant is dat de kern van deze twist tussen wereldlijke partijen oorspronkelijk gelegen is in een confrontatie tussen twee kloosterordes, de Cisterciënzers en de Norbertijnen. De benaming ‘Schieringers' komt van ‘Schiere monniken', de bijnaam van de Cisterciënzers die een grijze (‘schiere') pij droegen. ‘Vetkopers' refereert eraan dat de Norbertijnen vee hielden voor het vlees, zij deden aan ‘vetweiden'. Op de achtergrond speelden de graven van Holland en Oost-Friesland mee.

    Nadat de Schieringer Eppo van Nittersum uit Stedum - met zijn manschappen - de Vetkoper Hayo Wibbens uit Westeremden eerst uit de kerk de nabij gelegen pastorieboerderij - de ‘weem' - in had gejaagd, stak hij deze vervolgens in brand om hem uit te roken. Dat lukte, "alsoo liep Hajo Wibena wederom in de kercke alwaer hij dan voor het hooge altaer is gegreepen ende doodt geslagen", berichten de oude kronieken.
    VETKOPERS versus SCHIERINGERS
    Waar zit het verschil tussen de Vetkopers en Schieringers? Wat willen ze en waarom willen ze dit?
    Is het alleen maar een simpel-zielige machtskwestie?
    Een onderzoek naar dit partijenstelsel met dramatische uitkomst lijkt me niet overbodig.
    Zal ook vast wel gedaan zijn.
    De volksgezinde partij eigende zich de naam van Schieringers toe en de rijke en adel-gezinde factie noemde zich de Vetkopers. De naam van de Schieringers zou voortkomen uit de grijze kleur van de kleren van de burgers of aan de schieraal. De naam van de Vetkopers zou ontleend zijn aan het weelderige leven van de Edelen en rijken. Ook kon men ze herkennen aan de manier van vuur aansteken: boven dan wel onder de turf aansteken.
    Tijdens een gastmaal met daarbij een verkiezing om de eer van een zeden- of ceremoniemeester, welke ging tussen en rijke hoevenaar die veel vee fokte en een iets minder vermogende landman, werden voor het eerst de partijnamen gescandeerd. Daarna verspreidde deze al gauw door het hele land. De meeste Vetkopers zaten in Oostergoo en de Schieringers in Westergoo.
    En zo ontstond er een partijenlandschap in het zo rijke land, die het gedurende twee eeuwen in de afgrond duwde. En zelfs uiteindelijk ervoor zorgde dat ze de zelfstandigheid kwijtraakten.
    Werd een huis belegerd, dan zette de eigenaar een afgehouwen stam op het hoogste deel van het huis om zijn vrienden te waarschuwen, dat ze ontzet moesten worden.
    Krijgsgevangen waarvan men vermoedde dat ze buitenlanders waren, konden hun onherroepelijke verdrinkingsdood (wapeldjepinga, de waterdoop) alleen nog tegengaan door Friese zinnen als Raed hird reekt rierren lyre of Dir iz nin klirk zo krol az Klirkampstir krol. Here! di klirk aller klirken iz hja to krol. zonder haperen op te zeggen. Was Fries genoeg bevonden, dan werd men slechts gevangengezet (Witkamp III, p. 639).

    De macht van geld en hoe dit een maatschappij vernietigd
    Het gevoel dat het Frankische "way of live" langzamerhand de Friese gebieden binnensluipt en bepaalde lieden overtuigd heeft, wordt zichtbaar. Macht, geld, aanzien vormen de basis. We zullen zien dat deze Frankische methode niet meer te stoppen is. Het wordt vooruitgang genoemd, ik zet hierbij mijn vraagtekens. Tijdens het lezen van Bregmans boek "De geschiedenis van de vooruitgang" stuit ik op het verhaal over en van Rory Stewart, die een interview geeft in de Volkskrant. Parallellen met de situatie in Afghanistan zweven al enige tijd door mijn hoofd en vind hier de bevestiging. Rory maakte in 2002 een wandeling van 32 dagen door Afghanistan, en schreef hierover de bestseller "Tussenstations". In 2003 was hij assistent-gouverneur van de Iraakse provincie Maysan. Hij is van mening dat het Westen, die de oorspronkelijke leiders niet eens zagen, Afghanistan zagen als ungoverned space, dus net zoiets als de Friese landen, zonder heer(ser). Tijdens zijn wandeling ontmoette hij talloze lokale leiders die de orde handhaafden en rechtspraken. Intussen hebben ze de oude orde vernietigd, maar de moderne, centraal geleide staat is nog lang niet klaar en functioneert dus (nog) niet.
    Wanneer de Afghanen net zo volhardend zijn als de Friezen, dan betwijfel ik dat ten zeerste.
    Rory probeert het uit te leggen met een verhaaltje: Je kunt het vergelijken met een miljardair die in een dorpje komt wonen, tegen de zin van de bevolking. Hij gaat mensen betalen om met hem mee te doen. Daardoor houden de timmerman, de loodgieter en de elektricien op met hun werk. Ze worden chauffeur, tolk of bodyguard. De lokale economie en het lokale bestuur verliezen hun betekenis, omdat ze niet kunnen wedijveren met zijn geld. Maar als hij na een paar jaar vertrekt, laat een woestenij achter waarin niets meer zonder hem functioneert.
    De veerkracht van de eigen wil moet volgens mij niet onderschat worden, wanneer het weer vrij kan functioneren.
    Rory doet nog een duit in het zakje: Je hebt het grote 'wij gaan de wereld veranderen'-verhaal dat je het duidelijkst ziet bij de Verenigde Naties en soortgelijke internationale organisaties. Maar eigenlijk gelooft niemand in dat verhaal. (Bregman/Vooruitgang, p. 304; Giesen/Het westen snapt het niet)
    Voor mij is dit een bevestiging dat het Frankische systeem, wat vervolgens honderden jaren kon doorwoekeren en verspreidden, nu langzaamaan getemd kan worden.
    Ondanks dat er onderling ruzies werden uitgevochten in het Friese land, ging het de stad Groningen voor de wind en heerste vrede, rust en was het veilig. Sinds de overeenkomst van 1255 met Fivelgo en het zelfbestuur, sloten ze in 1283 een soortgelijke overeenkomst met het noorderdeel van het Oldambt en vervolgens met de Hunsegoërs, de Drenten en de slotvoogd van Coevorden. Zorgvuldig vermeden ze alle conflicten (Witkamp III, p. 640).

    Wat waarschijnlijk ook meespeelde waren de veranderende verhoudingen tussen de handelaren in de verschillende gebieden. In 1282 werd in Londen voor het eerst gesproken over een Hansa Alemanie. Het woord 'hansa' kwam echter al voor in een 4e eeuws Gotische Bijbelvertaling. Dit werd gebruikt voor een bende -een groep mannen- die Jezus gevangennam in de tuin van Gethsemane, een hof waar olie geperst werd, aan de voet van de Olijfberg. Ook Karel de Grote gebruikte dit woord hanse al, nu in betekenis van 'de gilden', omdat deze groep ook onderling 'een eed van trouw' hadden. Dit kon volgens hem natuurlijk niet, omdat ze alleen hem trouw mochten zijn. De Hansa Alemanie waren een verzameling Nederduitse handelaren, die voornamelijk rond de Oostzee (maar ook Noordzee) handelden, waar de Friezen al een aanzet voor hadden gegeven door met de Zweden samenwerkingsovereenkomsten te sluiten. Des te groter de groep, des te onopvallender je wordt. Maar er waren diverse samenwerkende groepen van handelaren, die verschillende onderscheidende namen worden gegeven, zoals de Hanze der XVII Steden of het Deense gilde van Sint-Knut. De Hanze der XVII Steden, bestaande uit Brugge, Aardenburg, Belle, Sint-Winoxbergen, Damme, Dixmude, Doornik, Ieper, Oostburg, Orchie, Oudenburg, Popering, Rijssel, Termuden, Torhout, Veurne en Yzendijke opereerde in de 13e eeuw in Vlaanderen, Henegouwen, Brabant en Artesië. Eerst dus in zeventien steden, later vijfentwintig, waarbij het laken en daarmee de handel met Engeland voor het verkrijgen van wol, het belangrijkste goed was. Het eindproduct richtte zich op Champagne, waar de handel met Italië plaats vond. Telkens is dit een verdedigings- of beschermingsreactie tegenover andere groepen (van welke soort dan ook, piraten, landheren, koningen, tolheffers et cetera), die zich ook weer -op een andere manier- beschermen tegen andere groepen.
    Is dit geboren uit wantrouwen of zelfverrijking?
    Eigenlijk geen van beide, veelal zijn de opgerichte gilden in eerste instantie om een bevestiging dat er hulp wordt geboden in geval van nood, maar veelal worden het al vlot toch bescherming tegen derden, zelfs tegen de eigen gildegenoten, bijvoorbeeld dat men niet tijdens het afsluiten van koopovereenkomst, er niet met een beter of ander bod tussendoor gaat fietsen. Dat dit kennelijk nodig was om vast te leggen, geeft al aan dat het kennelijk voorkwam.
    (Graichen/Hanse, p. 42; Pye/Noordzee, 275; Van Ommeren/Koopmansgilderol, p. 90-94; De export van textiel; Wikipedia Getsemane, Hanze der XVII steden).
    Maar de Hanse zette hun manier van handelen op een andere manier voort. Naast het claimen en afschermen voor andere dan de Hansesteden van de Oostzee, probeerden ze dit ook aan het einde van de 13e eeuw dit ook voor elkaar te krijgen op de Westzee (zoals de huidige Noordzee toen heette). Concurrenten die niet mee wilden draaien met hun aangenomen regels werden geboycot of met andere middelen uitgeschakeld.
    Was krediet eerst nog een vorm van geloof en vertrouwen, nu werd dit ingezet om te leverancier van goederen tot gedwongen winkelnering te verplichten. Zo kregen de vissers in het Noorden voorschotten, krediet van een vooraf vastgestelde prijs. Zodoende kregen de Hansehandelaren het alleenrecht op hun vangst, dat de vissers steeds in Bergen dienden af te leveren. De verhoudingen tussen gegeven krediet en vereffening van de vangsten waren dusdanig, dat er altijd krediet overbleef.
    Oorzaak en gevolg blijft altijd lastig in dit soort verhalen. Waren de Noren zelf schuldig aan het triggeren van dit gebeuren of gedroeg de Hanze zich niet als Friese handelaren? Eerst had een Noorse koning Sverre (1151 - 1202), zo rond 1180, geklaagd over het aanleveren van veel te veel wijn. Ze bleven aanvoeren. Daarna, in 1248 kwam het verzoek van Haakon Håkonsson (1204 - 15/12/1263, die regeerde van 1217 tot 1263 en bracht Noorwegen zijn Gouden Tijd) om toch vooral ook graanproducten te leveren, maar dat bleef onvoldoende. Wel werden er allerlei andere producten aangeleverd, vermoedelijk ook voor al die andere buitenlandse inwoners van het rijke Bergen.
    Ten tijde van Erik II (1268 - 1299, die 'regeerde' van 1280-1299), waren hadden vooral de raadsheren het voor het zeggen. Zodoende werden andersoortige maatregelen verzonnen om toch voldoende granen voor de inwoners ingevoerd te krijgen. Ze mochten voortaan alleen nog 's winter blijven, wanneer ze graan leverden. De Hanze begonnen een klaagzang en verzetten zich. Alv Erlingsson, een lokale heer uit voorname familie, kreeg in 1284 de opdracht om de druk op de Hanzehandelaren op te voeren en begon een kleine oorlog op zee, waarbij schepen van de Hanze werden aangevallen, waarvan de bemanning werd gedood en minstens eentje zonk. Maar ook neutrale schepen met Friese handelaren waren de klos.
    Dit liet de handelsgemeenschap niet ongemerkt voorbijgaan. De Hanze riepen hun handelsgenoten op tot een blokkade. Er mocht door alle bondgenoten geen granen, groenten en bier geleverd worden. Uithongering zal ze dwingen om te doen wat de handelsgemeenschap Hanze wil.
    Pye laat de hongersnood nog geen jaar duren, door de Lübecker kroniekschrijver Detmar op te voeren, die handenwrijvend schrijft: "Er brak een zo ernstige hongersnood uit dat ze genoopt waren om op hun schreden terug te keren." Hierna zouden de Noren de Zweden gevraagd hebben om te bemiddelen in deze kwestie, waarna de Noren bakzeil haalden, betaalden de Zweden voor tweeduizend (of zesduizend) zilvermark uit in -waarschijnlijk- natura, dus vis. De Hanze kregen nog meer privileges en de Noren werden zo nog meer afhankelijk van de Hanzehandelaren.
    Het kan echter ook zijn dat de zesduizend zilvermarken van de Engels koning Edward I geleend is, want Engeland had voor dit conflict net een nieuw vriendschapsverdrag met de Noren getekend en deed dus niet mee met de Hanzeblokkade, net als de Friezen.
    Soortgelijke situatie vond ook plaats voor de vissers en bevolking van Walraversijde, die tamelijk onafhankelijk waren en met zoutwinning, turf, piraterij en Noordhandel zichzelf konden bedruipen en eerder van betekenis waren voor de steden rondom, als Brugge en Gent. Tot het moment je geld gaat lenen in Brugge, bij Hanseaten, voor grotere schepen. Al gauw werden deze vrijen, loonslaven in dienst van de Hanse.
    Hier ontstaat dus de negatieve betekenis van het woord krediet. Niets geen vertrouwen of geloof meer, maar keiharde binding om te blijven leveren tegen een prijs die bepaald werd door een monopolist, want andere afnemers waren er op een gegeven moment niet meer.
    Dit zou het uiteindelijk het einde betekenen voor de Friese, maar ook de Vlaamse (vrije) handel. De Hanse ging zich ontwikkelen als een machtige groep, die invloed kreeg op de persoonlijke levenssfeer, burgerrechten, het geven van privileges, innen van belastingen om o.a. oorlogen te kunnen voeren om hun eigen winsten veilig te kunnen stellen, het opstellen van regels en wetten, kortom gingen zich net als de territoriale vorsten gedragen, maar dan als doel: geld i.p.v. gebied. Typerend is dat dezelfde (uitbreiding van steeds meer) regels er uiteindelijk voor heeft gezorgd, dat ze niet meer accuraat kon reageren en inspelen op nieuwe veranderingen. Dit deed hun uiteindelijk de das om (Graichen/Hanse, p. 320, 342; Pye/Noordzee, p. 214, 227, 263-265 Wikipedia Sverre, Haakon IV van Noorwegen, Erik II van Noorwegen, Alv Erlingsson (yngre), Erik V van Denemarken, ).


    Ebstorfer Weltkarte
    Dit is een detail van een namaak van de Ebstorfer Weltkarte van rond 1300. Het origineel in oktober 1943 bij een luchtaanval op Hannover verbrand.
    We zien hier Friesland liggen als een stroom "ESIA".
    (zie de interactieve kaart voor de andere aanduidingen)
    Wikipedia Ebstorfer Weltkarte
    DIE EBSTORFER WELTKARTE in einer interaktiven Ausgabe
    Door de stormen en overstromingen in de periode 1287-88 in alle Frieslanden waarbij waarschijnlijk 50.000 mensen de dood vonden, besloot de rooms-koning Rudolf om de Friese gebieden ten oosten van die van Floris V nu graaf Reinald I van Gelder tot landvoogd aan te stellen. Graaf Reinald kreeg volle zeggenschap om recht te spreken en dus ook rechters en ambtenaren aan te stellen en boetes op te leggen, aldus een gunstbrief van 17 augustus 1290.
    Echter, Rudolf van Habsburg overleed al spoedig, 30 september 1291. Uiteraard gingen de Friezen ook niet akkoord om zich te schikken aan deze Gelderse graaf. Ook de gunstbrieven van Rudolfs opvolgers van 21 januari 1295 van Aldolf van Nassau en 25 april 1299 van Albrecht van Oostenrijk hielpen de Gelderse graaf niet.

    In West-Friesland was de strijd gestreden, wederom bij Vrone. De West-Friezen werden voorgoed ingelijfd door de opvolger van Floris V, zijn zoon Jan I , al zat de werkelijk macht vanaf 27 oktober 1299 bij zijn regent graaf van Henegouwen, Jan II van Holland (welke ook een afstammeling was van Floris IV, namelijk een zoon van dochter Aleid van Holland). Ook Stavoren huldigen Jan. Jan I was zonder nazaten op 15-jarige leeftijd komen te overlijden.

    Begin 14e eeuw waren het vooral de rijke huislieden van de Vetkopers die weer herrie gingen schoppen. Dorp tegen dorp, zelfs kloostergeestelijken kozen partij.
    Echter, nog niet iedereen was zo ver gedaald.
    In 1306 gaven de dorpen Warns en Scharl (bij Stavoren) nog een treffend voorbeeld hoe het ook kon en vroeger ging: Beide dorpen waren ook verdeeld in de twee partijen en hadden daardoor al meerdere malen elkaar getroffen met de knijf en goedendag, met aan beide kanten meer dan 150 slachtoffers. Een persoon stelde bij dit treffen voor om er een tweegevecht van te maken. Beiden gingen hiermee akkoord. De Schieringer verloor en zo beloofden alle Schieringers aan de Vetkopers om nooit meer een geschil of twist te beginnen (Witkamp III, p. 642).

    Dit jaar 1306 mislukte ook nog de oogst door aanhoudende regen, zodat velen de hongerdood stierven en tot overmaat van ramp landen er langs de oevers van de Lauwers een horde Noormannen, die alles wat van waarde was meeplunderde. Gelukkig waren de Friezen in staat om hunne onderlinge strijd even opzij te zetten en zich te scharen onder leiding van de edelman Regner Hayo Cammingha. Ze snelden naar de aangevallen streek en doden 900 Noren in gevecht op 6 november 1306. Onder de Friese gesneuvelden bevond zich ook Cammingha.
    De Lauwers volgens de verkavelingslijnen

    We zien hier -ongeveer- de Lauwers van 'vroeger' weergegeven, zoals de verkaveling van rond 2010 dit laat herkennen. Stroomopwaarts gaat het over in een ondoordringbaar veengebied.

    De middeleeuwse Lauwers is onder vele namen en schrijfwijzen bekend, zoals Laubachus, Labeki, Labeke, Labeka, Loveke, Laveka, Lavica. Volgens de kaart loopt er nog steeds een klein watertje. Maar vanaf het Peebosch zien we de bedding van bovenloop overgaan in een dijk: de Fryske dijk.
    Hier stroomde ooit, omringd door veen, de Lauwers. Het zou al in vroegere tijden zijn dichtgeslibd en door inversie zou er een kleirug zijn ontstaan, die we nu nog steeds als grensdijk tussen Groningen en Friesland, al meanderend door het landschap zien lopen. Uiteindelijk verdwijnt het spoor (dijk/stroom) bij Surhuisterveen. (Westerkwartier/Ligterink, p. 46)

    Ter hoogte van het Peebosch ziet de oude Lauwers er vanuit de lucht zo uit. (foto Paue Paris/Staatsbosbeheer)

    Aan de horden Noormannen kan stellig worden getwijfeld, omdat de laatste inval van Noormannen uit 1042 stamt. De enige bron voor de 1306-inval is die van de "er op los fantaserende 'kroniekschrijver' Occo Scarlensis". Von Richthofen was waarschijnlijk vergeten deze melding te schrappen, want hiervan maakt hij in latere werken melding van met de woorden "dat Occo generlei geloof verdient". De 1306-inval komt weer ter sprake in een werk van R.P. Cleveringa Pzn, Het oud-Friese "Kestigia" (pdf, 34 Mb) waar dit op pagina 71-72 vermeld wordt. Cleveringa vindt dit verhaal uit de kronieken van Occo Scarlensis na het lezen echter wel betrouwbaar overkomen.
    Eerder had Witkamp het dus ook al overgenomen, maar hij zat er ook wel eens naast.
    Kortom, de feiten zullen gedetailleerd nagegaan dienen te worden en vergeleken moeten worden met andere, om hierover een standpunt over in te kunnen nemen. En dat moment is voor mij nu nog niet aangebroken.
    Twee maanden later lagen de Hollanders en hun stamgenoten de West-Friezen voor de kust. De Hollandse graaf Willem (de Goede) III, zoon van de in 1304 overleden Jan II van Holland, zocht met geweld uitbreiding in het Friese land. Vooral Gaasterland had te lijden onder dit bezoek. De Friezen wisten zich uiteindelijk te verenigen onder leiding van Hessel Martena. Gezamenlijk zorgden ze ervoor dat de Hollanders niet verder konden oprukken. De Hollanders wachtten een botsing dan ook niet af en scheepten zich mei 1309 weer in, terug naar Holland.
    De trouweloosheid van de West-Friezen moest gewraakt worden, want de Friezen waren verbolgen over de samenwerking met de Hollanders. En zo werden onder aanvoering van zes bevelhebbers diverse koggen goed bewapend en staken ze de Zuiderzee over. Het toen nog niet ommuurde Enkhuizen en omliggende oorden waren de klos. Ze richtten grote verwoestingen aan en namen een rijke buit mee terug naar Friesland. Dit werd weer gewraakt door Enkhuizen. Ze kochten enkele gasten om, die op 10 augustus 1309 de stinsen van de drie voornaamste aanvoerders -Beima, Offingahuizen en Hiddama- 's nachts in brand staken.
    Deze aanvoerders vereerden hierop wederom Enkhuizen met een vernietigend bezoek. (Witkamp III, p. 642-643; Algra/Ein, p. 47).

    De Stellingwevers, die tot nu toe meestal de Utrechtse machthebbers erkenden, meenden om onafhankelijk en zelfstandig te kunnen worden, het sterke slot Vollehove te moeten vernielen. De Utrecht bisschop Gwy van Avesnes riep de hulp van zijn neef Willem de Goede in, om dit te bestrijden. Deze hulp bleek uitermate voordelig uit te pakken voor Willem. Naast de heerlijkheden Amstel, Gooiland en Woerden wist hij een overeenkomst te Alkmaar met de Westergoërs te sluiten, waardoor hij Westergo als rechtsgebied onder zich kreeg. De Westergoërs kregen in ruil vrijheid van tol in Holland, Zeeland en West-Friesland en beloofde Stavoren bescherming tegen de zuiderbuurman, de grietman van Wildinge.
    Kortom, Willem de Goede was succesvol. Dit ontging ook de rooms-koning Lodewijk van Beijeren niet en hij wilde Willem dus aan zich binden. Dit deed hij door Willem en zijn erfgenamen nog ruimere bevoegdheden te geven en ook de rechten over de heerlijkheid Friesland te geven. Willem had zelf al geregeld dat hij Westergo onder zich kreeg, maar nu kreeg Oostergo in 1314 een keizerlijk bevel om Willem ook als heer trouw te zijn.

    1314-15 waren slechte jaren voor Friesland. Dijkdoorbraken, slechte oogsten en binnenlandsche veten zorgden ervoor dat mensen bij bosjes verhongerden en op de wegen, op het veld, in de bossen dood neervielen. Hierdoor brak ook de pest uit, waardoor er nog meer doden vielen. Zeker een derde van de Friezen verloren deze periode het leven (Witkamp III, p. 643).

    Einde Saterlanders vrijheid
    In 1314 kwam er een eind aan het vrije bestaan van Saterland. De graaf van Tecklenburg ontving vanaf dat jaar de jaarlijkse "Butterabgabe". Met deze 4½ vaten van totaal ongeveer 1350 pond boter kochten de Saterlanders alle privéleges van de graven van Tecklenburg af, zodat ze toch hun eigen rechtspraak konden blijven houden, maar ook dat de graven geen maal-, jacht- en visrechten kregen in dit gebied en deze familie het naar eigen inzicht konden blijven inrichten. Ook was het voor de graven niet mogelijk om leenrecht op Saterlands grondgebied toe te passen.
    Met deze "Butterabgabe" werd de graaf weliswaar erkend als heer en ontvingen de Saterlanders "bescherming". De "Butterabgabe" werd ook "grevie-boeter", "grafen-schat" of "Grafengabe" genoemd. Elk jaar werden de tonnen in Friesoythe afgeleverd en zo werd het bijvoorbeeld in 1474 in de Cloppenburger Amtsrechnung als "jarlinx rente der Sagelter vresen" ingeboekt.
    Volgens de verhalen was de boter niet altijd even vers en dat is misschien voorzichtig uitgedrukt. In 1585/86 wordt het intussen "Grauenschatz" genoemde boter anders gewogen. Nog steeds wordt het jaarlijks afgedragen in Phryßoytha. Inclusief verpakking (de houten vaten) moest het nu 1620 pond wegen (per ton à 60 pond met inhoud van 300 pond). De verdeling van de te leveren boter per plaats was als volgt:
    Scharrel 487½
    Ramsloh 187½
    Hollen 300
    Strücklingen 87½
    Utende 187½
    Bollingen 100
    In de 19e eeuw werd uitgerekend dat Saterland deze hoeveelheden nooit geproduceerd kon hebben. Het verhaal vertelt dat de drie families Awick, Block en Kirchhof in het Dollard-gebied nog weide en hooiland in bezit hadden en pachtten.
    De Friese Vrijheid gold ook Saterland, waarbij de kerk van Ramsloh een hoofdrol speelde. Op het kerkhof vond het landsgerecht plaats en was het hoogst gerechtelijke instantie. Verder was in het kerkgebouw de lade met daarin de standaardmaten en gewichten en daarnaast het Saterlanders rechtsregels. Op deze houten kist zaten drie sloten, zodat deze alleen geopend konden worden, wanneer alle drie de dorpsvertegenwoordigers tegelijkertijd aanwezig waren.
    In de loop der tijd zaten hierin onder andere de volgende documenten:
    ~ Das Landrecht des Saterlandes (1587)
    ~ Die Schüttemeisterordnung (1772)
    (Heese/Saterland, p. 57-65)

    > Zouden zij dan in 1277 gevlucht zijn uit de toen nog bewoonde Dollard? In dat jaar braken er dijken door, door storm en onlusten, met doorgestoken dijken tot gevolg.
    Dit zou inderdaad best kunnen. Degenen die na 1277 langzaamaan -de Dollard kreeg z'n grootste omvang immers pas ruim 150 jaar later in 1540- hun woning met hierbij liggende landerijen kwijtraakten aan het water, gingen de Eems stroomopwaarts. Zo gingen ook enkele families verder de Sagter-Ems op en voegden zich bij de reeds aanwezige Friezen (Heese/Saterland, p. 28).
    Uit welke plaatsen ze vandaan kwamen wordt niet vermeld. Ook is niet duidelijk wanneer deze Friezen uit Reiderland vertrokken en in Saterland aankwamen.

    Net als in Süsel en in andere parochies werden er lijsten van de dienstdoende pastoors bijgehouden. Vaak staat dit op een paneel in de kerk geschreven. In het geval van Saterland kunnen we hieraan geen verhuisjaar ontlenen. Wel geeft het bevestiging van het feit dat er vanaf dat moment in ieder geval werd gekerkt.
    De eerstgenoemde in de kerkgemeente in Scharrel - St. Petrus en Paulus was rond 1535 Dominus Joeb Golfen.
    In Ramsloh - St. Jakobus was het rond 1459 her Johann (curent)
    In Strücklingen gingen het omstreeks 1359 Beernt Swartewold (Heese/Saterland, p. 99).

    En om nog even terug te komen op de botervaten, later - in de 18e eeuw - werd de prijs van de 4½ vat boter in contact geld afgekocht. Eerst 150 Taler, en in 1809 was dat bedrag gestegen tot 200 Taler (Klöver/Spurensuche, p. 35-36).


    De Dollard rond en na 1277
    Het is fascinerend om link te hebben tussen het verdronken land van de Dollard of Rheinderland en haar voormalige bewoners.
    Nu we weten hoe de plaatsen van Saterland heten kunnen we misschien een vergelijking maken in de naamgeving. Waarschijnlijk is dit er niet, anders was dit allang bekend geweest. Maar goed, mocht het niet zo zijn dan kunnen we dit meteen uitsluiten.
    Kerkhoff stichtte Utende of Strücklingen - Strukje - Strukelje;
    Block vestigde Ramsloh - Romje - Romelse;
    Awick of Auk ging naar Scharrel - Gerdeltje - Scheddel.
    De vraag die we graag beantwoordt zien is of er een link tussen deze plaatsnamen is en de namen van de verdronken dorpen?
    De verdronken dorpen zijn al verzameld en in een mooi overzicht geplaatst door Otto S. Knottnerus. Hierbij geeft hij ook de diverse naam varianten aan, die hij uit diverse documenten (Werdener Urbare, Parochieregister Münster, Ubbo Emmius, Dollardkaarten) heeft nageplozen.
    Ik beperk me hier tot de Dollard kaart(en).

    Laten we eens kijken wat de kaarten ons willen en kunnen vertellen en dit per plaats beschrijven, om dit dan vervolgens te becommentariëren met in de literatuur gevonden onderzoeken en aanvullingen. En hierbij lopen we vanaf de eerste dijkbreuk per (schier)eiland de plaatsen af. We nemen als eerste kaart die van G. Venema (ca. 1847, waarschijnlijk 2e graad kopie van origineel door Ludolf Tjarda van Starckenborgh) heeft gemaakt. Dit is een van de jongste kaarten en ziet er goed uit, om te kunnen lezen. Vervolgens (2 kolom, in verschillende kleuren) de volgende kaarten: Rheiderland 1277 / Emmius, rond 1630, Kaart van het in de Dollard verdronken land / I. van Cleeff. - 2e graad kopie 1827 (meeste tussen-r als duidelijke r geschreven, maar soms ook als x, een x.), Kaart van het in de Dollard verdronken land / Hendricus Teysinga, rond 1735, De Dollard- en de Fivelboezems kaart VI b uit Nederland als Polderland / Beekman, 1932
    Op 13 januari 1277 breekt de dijk bij Jansum door en stroomt het water van de getijderivier Eems het land in, dus zout of zilt water en ontstaat het Jansummergat. Het betreft hier het gebied dat ten Noorden en het Oosten door de Eems wordt begrenst. Ten Westen en Zuiden wordt het begrenst door Reider AE. Dus zullen in eerste instantie de plaatsen in dit gebied in de problemen komen. In een tijdspanne van 225 jaar, dus na de vloedgolf 1509 zal de Dollard nog verder uitdijen om zo rond 1540 z'n grootste omvang te krijgen. Van de volgende oorden is sprake dat ze zijn verdwenen. De vraag is nog steeds, waarvandaan kwamen de Saterlanders?

    1. Sanct Lutgeri St Lutger St Lutger  
    2. Nonnenklooster   [Het klooster van Oosterreide werd in 1530 afgebroken]
    3. Ooster-Reide Oster Reide Oostereijde Oosterreijde Ooter-Reide  
    4. Beder Booder Booder  
    aan het ene kant van het Jansummergat en aan de andere kant
    5. Jansum Jansum Jansum Jansum beroemt vanwege de dijkdoorbraak in 1277. Dit is volgens velen echter fictie. De vloedgolf van 1509 zou hier eigenlijk debet aan zijn.
    6. ter Borg Borch Ter borge ? borg  
    7. Lede De Leide Leede Lede  
    8. Pieterwolde Pieterswoldt Peterswolt Peterswolt  
    En aan de andere kant van het stroompje hebben we:
    9. Berum Berum Berum Bierum Berum Berum een groot en rijk dorp
    [zonder sporen verdwenen, begin 16e eeuw]
    10. Fletum Fletum (aan de westerkant van het stroompje geplaatst.) Flectum Fletum Fletum Fletum [zonder sporen verdwenen, begin 16e eeuw]
    ? Katelmesinck (hier aan de A of Ee, onder Fletum)  
    11. Nesterland Nesterlät Nesserland Nesserland de Blinken Zandeiland op het land, en later in het water en nog weer later vast aan het vaste land bij Emden.
    [De kerk van Nesse werd na de stormvloed van 1825 gesloopt]
    12. Wilgum Wilgu Wilgum Wijlgum Wilgum Wilgum [zonder sporen verdwenen, begin 16e eeuw]
    ? Mariewer  
    Onder Wilgum breekt op 25 december 1277 nog een dijk en ontstaat het Wilgummergat.
    13. Therum Torum Torum Toonum Torum Torum Een stadje waar een Munt en 8 goudsmeden woonden. Er werd ook een mooie markt gehouden.
    [zonder sporen verdwenen, begin 16e eeuw]
    14. Uiter Pauwinge Uterpawinge Uterpavinge Uiter Pagiane Uterapaum Uterpauwing [zonder sporen verdwenen, begin 16e eeuw]
    Vervolgens bekijken we de oorden tussen de 2 A-stromen.
    15. Duweler Duneter Düneker Duneder  
    16. een naamloos oord tussen Duweler en Uiter Beerta Viertal oorden tussen Uiterbeerte en Hoevingeham  
    17. Uiter Beerta Uterbeerd Uiterbeerte Uitler Beerte Uterbeerte (bij Ditzumerverlaat) [zonder sporen verdwenen]
    18. Gaar Meden Garmye Gaarmeden Gaarmeeden (eijlant of blincke) Garmede ligt op een natuurlijk eiland op het land en na de vloed in het water
    19. Ooster Beerta Osterberde Oosterbeerte Ooster Beerte Utebert ?  
    20. Heutingeham Honingcham Hoevingeham Hovingeham Hovingaham (hier in de buurt van Nieuweschans)  
    21. Wijnemeer Wijnenmeer Wenemeer Wijne Meer  
    22. Blijham Blijham Bleijham Blijham  
    Tot zover zou de uitdijing van de Dollard in 1277 gekomen zijn.
    23. Harkenberg Harkenberg  
    24. Medum Medum Meedum Medum  
    25. Bundergaarden Botergartem Bondergarden Bondergaard Bundegarden  
    26. een naamloos oord tussen Medum en Eexterhof Megenham (ligt nu onder het meertje bij Wijnenmeer) Drietal oorden naast Bondergarden en een tweetal tussen Medum en Exterhoofd  
    27. Eexterhof Exterhoff Exterhoofd Eexterhoofd  
      Bonewerda of Jarde (bij Nieuweschans) [zonder sporen verdwenen]
    Lange Akkerschans is van later datum (later Nieuwe Schans).
    Nu gaan we weer naar boven en komen we weer uit bij de Eems, bij de zeven zijlen tussen Wester Reide en Ooster Reide, waarvan nog in 1673 onderdelen zijn gezien, nadat ze in 1277 zijn vergaan.
    28. Wester Reide Westerreide Westerreijde Westerreijde Wester-Reide [De kerk van Westerreide (op de Punt van Reide) werd in 1589 buiten gebruik gesteld en daarna alsnog gesloopt]
    Heinberg Homborg Homborg Homborg, Fimel Fijmel Fijmel, Olim Houwerda, Groot Termunten Groote Munte Groote Munte -met aan de andere kant van de hier als Tjamme aangegeven rivier- Lutke Munte Lutke Munte (net andersom: Grote Munte en Luttemüte) houden het droog op dit eiland (het immers omringd door stroompjes). Evenzo als een eindje verderop Jyner, Baamsum Bonsum Bonsum Bansum en Swaag Swacht Swaagh Swaag Swaghe (verdwenen).
    { De wegkwijnende parochie Zwaag wordt in 1419 vermoedelijk ingelijfd bij het Grijzemonnikenklooster van Termunten.
    Tussen Bonsum en Swaagh ligt nog een naamloos oord met molen.
    Over Olim Houwerda kunnen we het volgende vinden: Wikimapia ziet hierin de (ruïnes) van het kasteel van de Houwerda's bij Termunten. Knottnerus vindt in de literatuur een soortgelijke 'veldnaam' bij Woldendorp (Olim of Oudt Houwerda).
    29. Dallingeweer Ditsawehr Dallingeweer en daaronder Ditsari of Ditmeer Dallingeweer en daaronder Ditsari of Ditmi? Thijsweer  
    30. Stokdorp Stockdorp Stokdorp Stokdorp Stagestorp Stockdorp [zonder sporen verdwenen]
    31. Hakelsum Hakelsum Hakkelsum Haukzum
    32. Saxummerswolde Saxiümerwolt Saaxumerwolde Saaxumerwold Haxenerwalt Haxenewalt (Soxumerwolde, in 1385 vermeld als Hockynga waldt) [zonder sporen verdwenen]
    Rond 1454 is voor Saxummerwolde een nieuw dijk neergelegd die liep van Finsterwolde naar Wester-Reide. Echter in 1507 brak de dijk door ten hoogte van Palla of Palmaar en maakte zo de Midwolder Dollart.
    33. Santerdorp Santerdrop Santerdorp Santerdorp Zentorp San(t)dorp [zonder sporen verdwenen]
      (16?) Ewitzweer(, zou 16 kunnen zijn, ten oosten van het riviertje) Ewetsweer Ewitsweer Siweteswere (Thysweer of Ewitsweer) [zonder sporen verdwenen]
    34. Munnikkeveen Op deze plek ligt ongeveer Germerwoldt Hermanswold (ten westen van het eiland) Hermenswolt Munnikeveen ligt op een natuurlijk eiland op het land en na de vloed in het water
    35. Wijdeham Wincham Wijneham Wijneham Wijnedaham  
    36. Saksum Soxum Soxum Sarun Haxne (Soxum) [zonder sporen verdwenen]
    37. Okeweer Ockeweer Ockeweer Ookeweer  
      Onder Ookeweer nog een oord  
    Richting het westen is dit eiland nog verder overspoeld in 1507 en heeft de naam Midwolder Dollart gekregen.
    38. Zolthorn Goldthorn Southoorn Gothorne (hier onder Nesserland geplaatst)  
    39. Estok Ackstock AEstok Stoth  
    In het midden van de kaart ligt vervolgens een schiereiland wat ook langzaam verdween na de Cosmas en Damianusvloed van 26 september 1509. Dit ging ook de Midwolder Dollart heten.
    40. Reiderwolde Reiderwolt Reiderwolde Reijderwolde Upredewalt/Utredewalt Reiderwolde Een bijzonder rijk dorp met twee kerken en een kanonekerie Canonnie twee dorpen en een Canonnixdey voorzien.
    Het voorname en rijke dorp was waarschijnlijk uitgestrekt langs de Tjamme en had twee parochiën, Upredewalt en Utredewalt
    [zonder sporen verdwenen]
    41. Rypeldebeerde Rippeldebierde Keppeldebeerts Rippelde Beerte  
    42. Palla of Palmaar Palmar Peel of Palmar Pal ofte ? Palmaer (hier onder Wester-Reide) op een eiland in het land en vervolgens in het water een Benedictijner Monnikenklooster.
    43. Wijmeldemeer Wijneldemeer  
    44. Meerhuizen Nebrhusen Meerhuizen Meerhuisen (maar misschien ook wel Meerhaifen?)  
    45. Torpen Torpren Torpren Torpen  
    46. Markhuizen Marckhusen Markhuizen Markhuisen  
    47. Haikeweer Haykeweer Haijkeweer Haykeweer  
    48. Denellen Donellem Donellen Do?rellen  
    49. Homingegast Heumingergast Hoovingagarst Hovingegarst (Hovingegast + r tussen s en t?)  
    50. Oost Finsterwold Oostfinsterwoldt Oost-finsterwold Oosterwinterwode (?)  
    51. Stooksterhuizen Stoxerhueß Stoxterhuis Stoksterhuize  
    52. Utsda Ulsda Ulsda Ulsda voordezen een Eiland, vernoemd naar eene Adelijke familie
    De AE landscheiding wordt boven Ulsda nu (?: 1827, als J. van Cleeff deze toevoeging heeft geplaatst of 1722 door H.W. Folkers dan wel 1733 door H. Verburgh) Heerensloot genoemd. Op de kaarten van Folkers en Verburgh komt deze toevoeging niet voor. Dus het lijkt er op dat Cleeff dit zelf heeft toegevoegd. Echter, op de kaart van Hendricus Teysinga uit 1735 staat deze mededeling ook al.
    53. Oude Eexterhuis (ligt niet op het verdronken land op deze kaart) Oldt Exterhueß, ligt hier wel in het verdronken land Olt Exterhuis  
    De vete van 1413, waarbij twee zijlen werden vernield kan weleens de, maar in ieder geval een aanleiding van de overstromingen zijn geweest.
    De familie 'Tidinge' verwaarloosde haar land, dijken en sluizen in Reiderland en veroorzaakte hiermee het verlies van 24 kerkdorpen.
    Zuidbroek en Bunde hielden van 1429 toezicht op het herstellen van de dijken.
    Door verdergaande vetestrijd lukte dit slecht en zo stond in 1445 het water bij Winschoten.
    Stormvloed van 1446 zorgde ervoor dat het niet meer mogelijk was de dijken te herstellen. Hierdoor werd het klooster van Palmar verlaten.
    In 1454 een nieuwe dijk gelegd vanaf Finsterwolde naar de Eems.
    Deze dijk kon de vloed van 25 september 1509 (Cosmas- en Damianusvloed) niet aan en hierna kreeg de Dollard zijn grootste omvang.
    Het enige authentieke bronnenmateriaal dat over de verdwenen dorpen resteert, is een lijst van (bijna) verdronken parochies, die tussen 1463 en 1484 door het bisdom Münster is opgesteld.

    De volgende oorden zijn in de loop van der tijd tot 1540 verplaatst naar hoger gelegen zandgebied. Noordbroek, Zuidbroek, Meden, Scheemda, Midwolde, Oostwolde, West- en Oost-Finsterwolde vormen Finsterwolde, Beerta, Blijham, Bellingwolde.

    Hoax
    In vroegere tijd vertelde mensen elkaar naast sprookjes, ook verhaaltjes waar we tegenwoordig het etiketje 'hoax' op zouden plakken. Een verzameling van deze verhaaltjes zijn gebundeld in een zeer vaak herdrukt, met aanvullingen en/of wijzigingen onder titels als 'Das Lalebuch' (uit 1597) of Narrenbuch. Maar ook in ons land werden dezelfde verhaaltjes (vertaald) uitgegeven.
    Verhaal 39 uit 'Das Lalebuch' behandelt exact het verhaal hoe burgers van een stad hun klok, met daarin hun waardevolle spullen, in zee laten zinken, zodat het niet geroofd zou worden door de in aantocht zijnde vijandelijke troepen. Hoe het verhaal verder verloopt kunnen we hiernaast lezen, dan wel op p. 132-133 van 'Das Lalebuch'.

    Een aanwijzing waar de Saterlanders vandaan zouden kunnen komen, kan uit dit lijstje niet gehaald worden. Uit het lijstje van
    Knottnerus zou bijvoorbeeld Rommelskerken (of Rummelant of Rotmer) in Saterland: Ramsloh - Romje - Romelse in aanmerking kunnen komen. Volgens het Overzicht van verdwenen en verplaatste parochiekerken in de provincie Groningen zou dit tussen Noordbroek en Oostelijk Siddeburen kunnen liggen. Volgens het volksverhaal zou de duivel de klokken uit de toren van de kerk van Noordbroek hebben gestolen en op desbetreffende plaats in een poel hebben laten vallen.
    Dit verhaal heeft wel iets weg van het verhaal van de klok die de Saterlanders -samen met al hun kostbaarheden- verborgen in een poel voor langskomende Mansfelder (rovers)troepen, maar dit speelde zich pas veel later af, in 1622/23. En alle zoektochten naar deze schat ten spijt - in 1770, 1860, 1934 en 1959 zijn er pogingen ondernomen - het is nooit gevonden (Heese/Saterland, p. 286-287).
    Het zou ook een verbastering kunnen zijn van Roomsche kerk: romelskerk of rommelskerk.
    Het kan ook zijn dat de kerk simpelweg niet vervangen is, na de verplaatsing van het dorp Rodendebord (Rommelskerken, Rotmer of in 1478 Rummelant genoemd) bij Noordbroek. De kerk is rond de veertiende eeuw afgebroken. Hiervan zijn enkele profielstenen gevonden.

    De Eems bereikte Emden door een sterke noordwaartse bocht te maken, omdat het gehinderd werd door een zandduin, een 'nes' waarop het dorp Nesse lag. Hieronder stroomde de Westerwoldsche A en omringde de 'nes' ten zuiden en westen, waar het door de sluizen, tussen Bierum en Fletum in de Eems stroomde.
    De Tjamme, die met grote slagen door het uitgebreide Dollard gebied meanderde, kwam tussen de zeven zijlen van Wester- en Oosterreide in de Eems uit.
    De Munter A of Ee, welke stroom ontsproot uit de venen bij het huidige Veendam en ook het diepste punt van de westerinbraak was, meanderde zich een weg naar Eems, waar het zich bij de sluizen van het huidige Termunten samenvoegde.
    De Eems werd stevig ingeklemd tussen de dijken en hierdoor braken de dijken ook wel eens. Deze werden echter veelal vlot gerepareerd. Zeker met stormen uit het noordwesten, werd het water flink opgestuwd (zoals het tegenwoordig ook nog steeds gebeurd). Totdat een stormvloed de linkeroever dusdanig verwoeste en dijkherstelling voor jaren onmogelijk bleek. Een grote oppervlakte kwam lange tijd onder water te staan (Beekman/Polderland, p. 373).
    > Misschien was dit wel de reden dat de drie families hier weg trokken om zich in het rustiger Saterland te vestigen, zonder zich steeds zorgen te moeten maken over de dijk, die het altijd zwaar had, vanwege z'n ligging, vorm en vernauwing, zodat het water uit Noordzee bij wind en storm altijd kansen zag en bij slecht onderhoud, kreeg en nam. Dan zouden ze zomaar uit de omgeving van Jansum, ter Borg, Lede of Peterswold kunnen komen.

    Over het tijdstip van de inbraken bestaat trouwens nog steeds grote discussie. Het jaar -dat op alle kaarten staat- 1277, werd vroeger als beginjaar gezien. Later werd dit 1377. Ramaer vond het in 1909 waarschijnlijker dat het in één keer -in plaats van geleidelijk- in 1413 had plaatsgevonden. Als argument hiervoor worden de twisten tussen de Vetkopers en Schieringen aangevoerd, die de sluizen hadden vernield (Beekman/Polderland, p. 373).
    Voor de geleidelijke variant valt echter ook wel iets te zeggen. De voortdurende eb- en vloedstromen en de gewijzigde stroming van de Eems, wederom na dijkdoorbraken en vernielingen aan sluizen, zorgen voor een steeds groter uitdijende watermassa. Hierdoor gingen ook de rivieren die op de Eems uitkwamen hun stroom aanpassen. Voor het verplaatsen van de diverse oorden was meestal genoeg tijd. Dit is dan ook een belangrijke reden waarom er van vele oorden niets terug te vinden is.
    Op 25 december 1277 breekt de dijk bij Wilgum door. Hierdoor ontstaat het Wilgumergat. Wilgum, Berum en Fleetum blijven echter nog zeker bestaan tot aan het einde van de 15e eeuw. Het stadje Toornum (Thorum) - mogelijk ooit wel de hoofdplaats van Reiderland, waar volgens de kaarten acht goudsmeden woonden, werd er munt geslagen en had het een mooie markt, hield het zelfs uit tot de 16e eeuw.
    Vier jaar lang was men niet in staat door voortdurende stormen en onderlinge twisten om de dijken te repareren.
    Het grote dorp Ooster-Reide bestond ook nog in de eerste helft van de 16e eeuw. Het klooster (Sanct Lutgeri) werd pas in 1534, verplaatst. In Wester Reide stond in 1575 de kerk er nog en in 1865 nog twee huizen.
    Met 2 dijkdoorbraken stroomde het Eemswater en vloedwater over het land. Het had tot gevolgd dat het water van de Eems voortaan niet meer de sterke bocht om de Nes richting Emden nam, maar "rechtdoor" ging lopen. Hierdoor kwamen de dorpen op een eiland te liggen. Langzaamaan slipte deze voormalige hoofdmond van de Eems dicht en kwam het eiland Nesterland vastliggen aan het vaste land bij Emden. De kerk werd uiteindelijk in 1825 afgebroken (Beekman/Polderland, p. 374-375).
    De dijk vanaf Finsterwolde naar Wester Reide die in 1454 werd aangelegd, werd kennelijk slecht onderhouden (of was het sabotage?), omdat het na 50 jaar begin 16e eeuw driemaal was doorgebroken. In 1507 bezwijkt de dijk ter hoogte van Palla of Palmar, dit is een klooster van Witte Wierumer orden.
    In de laatste honderd jaar waren een zo'n tien kleine en grote stormen en vloeden die dus de diverse kusten teisterden. Op 26 september 1509 kwam de genadeklap met de Cosmas en Damianusvloed en kreeg de Dollard zijn grootste omvang. De kustlijn liep door tot in de zuidwesthoek tot Muntendam, welke waarschijnlijk ook in deze periode is ontstaan (voor het water vluchtende mensen), waarbij het stroompje Oude Ee of Munter Ee nu ook bij de Dollard behoorde. Ten noorden van Muntendam werden de dorpen Zuidbroek en Noordbroek naar het westen verplaatst, zodat ze nu op de zandgronden gevestigd worden. Aan de andere kant werden ook aantal dorpen verplaatst. Meeden, Scheemda, Midwolda worden naar het zuidoosten verplaatst. Oostwolde wordt naar het zuiden verplaatst, de bewoners van de dorpen West- en Oost-Finsterwolde vormen samen ten zuiden het nieuwe Finsterwolde, Beerta wordt verplaatst naar het Westen. Winschoten en Pekel (Oude Pekela) komen aan de Dollard te liggen. Blijham wordt verplaatst naar het zuiden, maar houdt het kennelijk niet droog. Bellingwolde wordt ook naar de zandgronden ten zuidoosten verplaatst (Beekman/Polderland, kaart VI b De Dollard- en de Fivelboezems).
    De andere dorpen werden verwoest door het water. Dat een aantal dorpen verplaatst werd, geeft wel aan dat er vaak voldoende tijd was om de gebouwen (vaak al van baksteen) af te breken en elders weer te hergebruiken voor de herbouw. Dus van meeste dorpen is ook niets terug te vinden. Dijkdoorbraken gaan echter wel met bruut geweld. Sporen hiervan zijn dan ook talloos te vinden. Ook tegenwoordig nog. Kijk maar eens op dit stukje Google Maps.
    Ondanks de verkavelingen zijn hier nog sporen van twee dijken zichtbaar en een zevental kolken, veroorzaakt door dijkdoorbraken. Ook is de oude loop van de Munter Ee, toen het nog ten zuiden van Munnikeveen of Munnikkeveen en uiteindelijk samen met de Reider AE richting de Eems liep.
    Het eiland Munnikkeveen is uiteindelijk weer helemaal ingepolderd. Volgens de kaarten van de Dollard zijn er van de 7 zijlen tussen Ooster- en Westerreide nog in 1673 restanten gezien. Van de andere dorpen zijn nauwelijks sporen terug te vinden.
    Volgens Ratus en Menboldus die Pastoren waren in Reidemer Wolda (Reiderwolde) waren de volgende plaatsen verdwenen door de watermassa: Stockdorp, Samdorp, Soxom, Eewes-Wehr, Aeicko-Wehr, Soxomer-Woldt, Wynehamm, Wtterkorde, Stock, Wymehr, Dueslee, Houingaste, Kappelde Berda, Berum, Ocke-Wehr, Wyneldeham, Reyder-Wolda mit twee Kercken vnd eine Canonekesie, Goldthorn, Wilgom, Walmahr-Mude, ein Kloster, Wittewerumda, Wtterpauwing, Beda, Fletom, Thorom, Hauwingham, Thornom, Oster-Finser-Woldt, Bleyham, Megenham, Medena, Nyeham, Südma-Zyl. Dit bericht komt uit een kopie van het document "kleine ostfriesische Chronicke", in een van oorsprong in Plattdeutsch geschreven document (Jahrbuch der Gesellschaft für bildende Kunst und vaterländische Altertümer zu Emden, Vierter Band, Zweites Heft, p.75-76).
    Vele dorpen bleven in de loop van de stormen en vloeden bestaan, omdat ze op een natuurlijke verhogingen of zelf gecreëerde wierden stonden, zoals uit de naamgeving ook te lezen valt. Maar uiteindelijk werd de Cosmas en Damianusvloed van 1509 toch teveel voor een aantal (Dollartdörfer/Alle verdronken Dollarddorpen):
    Aan de monding van de Reider Ee, onder Wester-Reide ligt Dallingeweer (of Ditsawehr, Ditsari, Ditwer, Ditsweer, Ditswert, Ditfari, Ditmeer, Tynsweer, Tysweer, Tijsweer, Tijetsweer, Thijswere, Siwetsweer?) delfde kort daarna het onderspit. Uit een onderzoekscommissie van 1565 bleek uit getuigenverklaringen dat het kort daarvoor nog bestond.
    Iets stroomopwaarts lag Stokdorp (Stockdorp, Stagestorp) wordt mogelijk verward met Stocksterhorn / Astock.
    Hieronder ligt het verdwenen Santerdorp (Santdorp, Zanddorp, Sansterdorp).
    Nog verder stroomopwaarts, bij de splitsing lag Hakelsum (of Hacksum, Hakkelsum, Hackelsum, Haaksum). Op sommige onbetrouwbare en oude kaarten staat soms op dezelfde plek Katelmesincke ingetekend. Katelmesincke zou letterlijk 'een bewoonde begraafplaats' betekenen (Historie van namen).
    In totaal verdwijnen er duizenden mensen en dieren in de watermassa.
    Op de diverse kaarten staan de volgende verhalen geschreven:
    kaart 1827
    Anno 1277 den 25 December zijn, door tweedragt der Landzaten, omdat die bij den Dijk woonden niet konden, en die verre woonden, den dijk niet wilden onderhouden, van deze bovenstaande dorpen 33 door Watervloed vergaan, zijnde hierbij vele duizenden menschen en beesten omgekomen.

    kaart 1791
    1277: Aanwijzinge de CARSPELEN zoo vergaen zijn in de DULLAERT, door twiedracht der Landsaten, zijnde XXXIII Dorpen en II Cloosters op den 13 January door Jansumergadt ende zoo voorts op den 25 December 1277, meede door WILGUMERGADT overstroomt, welke stormen tot in't vierde jaer hebben geduurt, zijnde de grondt dargachtigh zoodat de Dijcken niet seckerlijck konden worden herslaegen, daer by queemt, dat de daer bij woonden deselvige alle nimer hebbenkusten maken ende de afgelegene wolden niet dijcken, zijnde duisenden van Mensche ont Beesten hier door verdronken: de stormen waeiden uit den Noortwesten en Noorden.
    Op deze kaart staan de volgende zaken beschreven:
    Anno 1277 doorgebroken: de oude Dyck van Delfzijl (de 3 Delfzijlen) tot de 4 zijlen (oostwaarts) bij Fimel. 13/1 de dijk bij Jansum en 25/12 bij Wilgum.
    In 1673 zijn er nog restanten gezien van de 7 zijlen in de Reider Aa tussen de dorpen Wester Reide en Ooster Reide.
    Over de verdronken plaatsen zijn de volgen bijzonderheden vermeldt:
    Berúm (aan de Eems, schuinonder links van Emden): een groot en Rijk Dorp;
    Thorúm, een stadjen alwaer een Munte en 8 Goudsmeden hebben gewoont en een schone Markt gehouden wert.
    1507: Deze Dullaert is wederom in gebroken anno 1507 zijnde nu Midwolmer Dullaert
    Reiderwolde: een magtig rijk Dorp met 2 Kerken en een canonekerie voorzien
    Palla ofte Palmaer, een Benedictiner Monneke Clooster

    kaart ca. 1735
    1277: Anno 1277 den 25 decemb zijn 33 dorpen door groot watervloet verdronken en te niete gekoomen, waardoor menig duisent Menschen en viesten zijn vergaen gelijk watervloet is den andere en darden en vierden Jaere vernieuwt is heergekomen door Jansumer gat en heeft aldaer den dollaert gemaekt. Welke merkelijk ruine is gekoomen door tweedragt: dat de Lieden die bij den dijk woond konden de dijken niet staende houden ende die verre woonden wilden niet helpen.
    Hendricus Teysinga
    1507: De dijkdoorbraak bij Reijderwolde

    Uit hetzelfde onderzoek (te lezen in 'De Dollard' p. 75-76) van de Groningse stadsbestuurders naar de bekende schuldvraag, kwam het antwoord van een aantal oude mannen uit Termunten, die konden getuigen dat het de schatrijke Tidde Winnenga (of Wijnnengha/Wynnelde) was geweest, die had geweigerd om de dijken te repareren.
    Het zou, volgens Emmius, echter ook om onenigheid kunnen gaan tussen de dorpen uit de Woldt-Oldambt Midwolde, Oostwold, Scheemda, Eexta en de Meeden aan de ene kant en aan de andere kant Noordbroek, Zuidbroek en Muntendam over het repareren van de dijken. Maar hierover zou in 1411 overeenstemming zijn bereikt tussen de pastoors van Midwolda en Scheemda en de hoofdelingen van Groningen. Dit werd bevestigd door de pastoors van Noord- en Zuidbroek en de rechters van de Oldambt (De Dollard/Stratingh, p. 74-75).
    In "Verdwenen dorpen" (Groninger Kerken : Themanummer verdwenen kerken, 28ste jaargang nr. 1 - januari 2011. p. 3-8) beschrijft Otto Knottnerus de situatie van de verdwenen kerkdorpen. Hij komt tot de conclusie dat het niet om 33 maar eerder om 26 of 27 kerkdorpen gingen. Zijn bevindingen staan in het bovenstaande schema vermeldt.

    Oude Ae
    de Oude Ae bij Woldendorp 23-02-2015, genomen vanaf de N992, stroomopwaarts richting Woldendorp.

    > Al met al ben ik niet veel wijzer geworden, wanneer de nieuwe bewoners van Saterland er zijn komen te wonen. Wel ben ik wat meer thuis geraakt en de hele verhuisgeschiedenis, naar aanleiding van de water- en vete-overlast in de Dollard. Ik realiseer me hierdoor dat er een grote verbondenheid bestaat tussen de naamgeving van de veenstroompjes Munter A of Ee en Ooster Ee, de A of Ee, de Pekel A en de Westerwoldsche A naast de Seelter Äi, zoals hun veenstroompje -de Sagter Ems- heet in het Saterfries.
    Daarnaast vraag ik me af, zou de dam in het dorpsnaam Muntendam een dam zijn geweest in de Munter A om het opkomend water vanuit de Dollard tegen te houden?


    Munter A
    De Munter A kennen we ook onder de namen Munte, Munter Ee, Termunter Aa, Oude Ae of Oude Æ. Ae of Æ klinkt als ai - waarbij 'ae' gewoon water betekend, zoals we ook in de andere reeds genoemde veenstroompjes vinden. Dit riviertje vond z'n oorsprong in de veengebieden bij het huidige Wildervank. De meerstal, een veenmeertje, kunnen we op oude kaarten terugvinden onder de naam Swanemeer - ook wel Zwaanemeer, Zwanemeer of Drentermeer. Het Swanemeer lag -voor de ontvening en verkaveling- ongeveer op de plek, welke nu wordt aangeduid als Westerdiepsterdallen. Volgens Stevens senior -welke de desbetreffende kavels vroeger bewerkt heeft- was het echter zo, dat er lange tijd niets op de plek van het Swanemeer wilde groeien. Ook nu ontstaat er - na hevige regenval - soms nog een plas, maar dit meertje ooit lag. Het voormalig meertje ligt ten zuiden van de paar huizen van Westerdiepsterdallen en vier kavels ten zuiden van het zweefvliegveld van
    NNZC.
    Hemelsbreed heeft het veenstroompje een lengte van zo'n 30 km. Maar omdat het behoorlijk meandert, komt de echte lengte al gauw in de buurt van het dubbele, dus zo'n 50 à 60 km. Uit oorkonden van 1391 en 1420 blijkt dat de rivier over de gehele lengte, dus tot aan Termunten nog in takt was. En hieruit blijkt dan ook dat de westerboezem van de Dollard nog niet was doorgebroken. Uit de oorkonden van 1427, 1447 en 1454 kan men de contouren van een dijk maken, dat vanuit het noorden loopt van Jansum naar Tijsweer via Palmaer doorliep om vervolgens richting het oosten een flauwe bocht te maken om uit te komen de zandgronden van Finsterwolde. Hiermee werd het hele -nog toekomstige- westerboezem van de Dollard beschermd en dus ook de loop van de Munter E.
    Dit kan echter niet goed vastgesteld worden, omdat het verloop van dit riviertje niet echt vastgesteld is. Vooral vanaf het begin tot Veendam is het onduidelijk. Maar ook tussen Muntendam en Woldendorp in het onduidelijk vanwege de grote inbraak van de Dollard aan het einde van de middeleeuwen. De inpoldering van de Dollard vanaf de 2e helft 16e eeuw heeft geen rekening gehouden met de loop van dit stroompje.
    De kaart (beschikbaar in de Atlas van Kooper) uit 1869 van J. Kater Tz met de titel Kaart van alle bevaarbare vaarten, kanalen, met de daarin gelegene schut en uitwaterïngssluizen geeft op twee plaatsen nog een aanvulling, waaruit blijkt dat mijn inschatting er volledig naast zit.

    Munter A
    de Munter A in Muntendam 17-03-2013, genomen vanaf de Beneden Dwarsdiep in Veendam, stroomafwaarts richting de Bredeweg in Muntendam.

    Ter bescherming van het achterland is er een dam in de Munter A geplaatst, waar Muntendam gelegen is. Zodoende is er in dit gebied tot de dam zeeklei te vinden en daarna -stroomopwaarts- niet meer. We kunnen deze dam als de huidige Bredeweg herkennen. De naam Brede Weg wordt in deze periode vaker gehanteerd voor de aanduiding van een dijk. Deze dam hoort bij de dijk die tussen de zandhoogten van Muntendam en Meeden is gelegd. Op de kaart van Jan Lubbers uit 1652 -beschikbaar in de Groninger Archieven- zien we tevens een lange veendijk genaamd de Rimpe, zoals we in de "Geschiedenis van Muntendam in hoofdlijnen" van Otto Knottnerus kunnen lezen, die bescherming zou moeten bieden tegen het veenwater, zodat er tussen deze dijk en de Dollard een beheersbare landengte ontstaat, waar veilig en droog gewoond kan worden. Ook zien we weidegrond langs de Munter A, waar de beesten kunnen eten. Dit traject -van de Dollarddijk (Bredeweg) tot aan het Swanemeer- zal ongeveer 10 km meten.
    In een officiële landakte van 1391, waarin Muntendam genoemd wordt, wordt waarschijnlijk ook al over deze veendijk gesproken, wat aantoont dat deze dijk al in deze periode bestond. Deze akte is afgedrukt in bovenstaand boek: De Dollard - Geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems van Goswin Acker Stratingh en Gerardus Azings Venema. In de punten 16-18 van Bijlage 1 staat het volgende door diverse edele en eerzame mannen en hoofdelingen van Reiderland en Oldambt om de scheiding van de landerijen en de staat der waterleidingen te regelen en vast te leggen voor de toekomst:

    Munter A
    de Munter A in Muntendam 22-10-2013, genomen in een zeer oud en diep Pleistoceen dal, nabij de (verdwenen) Wijde. Aan de horizon de bomen die langs de Bredeweg in Muntendam staan.

    "16. [...] dat Revier off Zypen, gelegen tusschen Meden ende Muntendam, sal oock toegeslagen wesen ende opgedaen wesen, gelyck de anderen voorschreven.
    17. Ende de hoge dam oock aldaer in syne volle macht to holden buyten des Landes schaden.
    18. Item al dat moer om Muntendam, ende alle watertochten tusschen Muntendam ende Broeke, die van oldes niet en plegen to wesen, salmen al te samen toeslaen, dat den Landen geen schade en geschie."
    Op de kaart van Lubbers zien we verder dat er een meertje met de Wijde of Wiede is ontstaan, voor de dam de Bredeweg. Dit kan natuurlijk komen omdat het water (bewust, dan wel onbewust) niet snel genoeg weg kan en zodoende het waterpeil stijgt. Maar het kan ook komen, omdat met het aanleggen van de dijk, zand is aangevoerd vanuit het dal van de Oude E. Dit zal met zandmonsters niet zo moeilijk zijn om te verifiëren.
    Tegenwoordig is het meertje verdwenen, maar je merkt als je nu loopt, dat na een regenbui, het regenwater hier langer tussen het sappige gras blijft staan. Zo loop je helder water in het gras en dit blijft ook helder water. Kortom, je loopt op een stevige ondergrond, waar vroeger het meertje lag. Je ziet ook een daling van de oevers, wat de ansichtkaart van "Mooi Muntendam" op de foto linksonder goed te zien is. Vooraan is de steile oever toch zeker 70 cm. Verderop is dit nog zo'n 20 cm.
    Dat het meertje Wijde of Wiede heette, verklaard ook de naam van de straat dat uitzicht heeft over de huidige weiland. De straat heeft de naam 'de Wijde Blik'. Aangezien het voor een Groninger dat Nederlands spreekt het al lastig genoeg is, gebrek aan historisch achtergrond verergert dit alleen maar. Het is namelijk een weids uitzicht, dus ook een weidse blik, zeker als je uitkijkt over een weiland of weide. Helemaal begrepen heb ik het dan ook niet. Zeker wanneer we de uitleg over wijd en weid bij 'Onze taal' erop naslaan. Nu ik weet dat er een meertje met de naam Wijde was, waarop men kon blikken is het verklaard.
    Archeologie rondom Munter A
    16687 -250 tot 2010
    handgevormd Aardewerk, kogelpot, wit- en roodbakkend geglazuurd aardewerk; slak; bot
    16688 -8800 tot -5301
    onderdeel werktuig/gereedschap: vuursteen
    21195 -4200 tot -2001
    onderdeel werktuig/gereedschap: vuursteen, bijl (vuursteen)
    Is de Oude Ae bij in de bovenloop nauwelijks nog als een veenrivier aan te tonen. Bij Muntendam baant het zijn weg door een zeer oude en diep Pleistoceen dal. Het omliggende grasland heeft nog een goed bewaard reliëf en bestaat nog uit oude kavelindelingen. Ook de aanwezige dekzandkoppen zijn nauwelijks aangetast. Deze zijn mogelijk posities van oude nederzettingen, waarvan vermoed wordt dat ze er geweest zijn. Er zijn enkele bekend uit de Steentijd, gezien de vondsten van vuurstenen werktuigen (Archis; 400 jaar Pekela, p. 15; 350 jaar Veendam, p 21; Beschrijving Groningen 1959, p. 27, 40-41).

    Opmerkelijk op de kaart van Lubbers, is dat de Zwaanemeer niet de enige meerstal is dat de Oude E voedt. Middels Hoedmans Gruppel vloeit er water uit de Hoedmansmeer naar het Veenstroompje. Dit in tegenstelling tot andere kaarten die meestal vertellen dat de Pekel A uit de Hoedmansmeer zijn water bekomt. Maar ook het boek "Beschrijving van de provincie Groningen" beschrijft dat tussen Veendam en Wildervank de Hoedmansgruppel zich bij de Ae voegt. Hierdoor is het riviertje tot een beduidende stroom geworden.
    Verder is natuurlijk nog van belang om melding te maken van de roodoorngronden in het stroomgebied, zoals bijvoorbeeld te zien is op grondkaart uit 1837. Naast dit stroomgebied vinden we alleen in het stroomgebied van de Mussel Aa en Ruiten Aa tussen Onstwedde en Vlagtwedde dit ijzeroer, wat een goede grondstof is voor gietijzer. IJzerslakken tonen dan ook aan, dat in dit gebied ook producten werden gemaakt.
    Wanneer we een poging doen om het veenstroompje door Veendam te volgen door de Kaart van Westenberg uit 1852 te projecteren op een moderne Google-kaart krijgen de volgende kaart door het centrum van Veendam. (Wikipedia Munter Ee; gesprek met Stevens; Topografische Militaire Kaart 1850-1864, kaart nummer 8, 1852 / H.J.W. Westenberg, 1852 / H.J.W. Westenberg; Jan Lubbers/Oude Veenkoloniën; Paul Brood / 350 jaar Veendam en Wildervank, p 18-20; Stratingh & Venema/Dollard, p. 307; Wijk/Groninga dominium, kaart 121; Knottnerus/Geschiedenis Muntendam; Beschrijving Groningen 1959, p. 41).


    Muntendam
    Het ontstaan van Muntendam is net zo bijzonder als bijvoorbeeld het ontstaan van de plaatsen in Saterland. Ook de ontstaansgeschiedenis heeft eenzelfde oorzaak als die van Saterland. De stichting is echter niet Fries maar Saksisch. Al zal de bevolking een mix zijn van Saksische monniken en Friese handelslui en kwamen ze beiden vanuit de Dollard of het klooster bij Baamsum/Termunten naar hoger gelegen gebied.
    Ten tijde van de dijkdoorbraken in de Dollard en de daarbij horende overstromingen klost het water uiteindelijk ook tegen de oostelijke uitlopers van de Hondsrug. De monniken van Munten of Menterne stichten vervolgens hier een nederzetting die in 1391 voor het eerst in officiële landakten Muntendam genoemd wordt. Muntendam, een plek die aan de zuid- en westkant was omringd door veen- en moerasgebied en aan de oostkant de Dollard. Ook in 1435 wordt het genoemd in een 12-jarig vredesverdrag met Groningen (de stad).
    Of deze monniken uit de buurt van de aan de Munter A gelegen Termunten, Groote of Lutke Munte komen wordt nog niet duidelijk. Ze zouden bijvoorbeeld uit de wegkwijnende parochie Zwaag kunnen komen die in 1419 vermoedelijk wordt ingelijfd bij het Grijzemonnikenklooster van Termunten. Of ze zouden uit dit klooster kunnen komen.
    In het gebied wat tegenwoordig Tusschenklappen / Tussenklappen genoemd wordt, lag in deze periode een kloosterboerderij of kloostervoorwerk van het Grijzemonnikenklooster te Baamsum. Het gevonden ijzerslakken op het terrein van dit voorwerk zou een onderling verband kunnen leggen.
    De dam in de Munter A, zorgt inderdaad voor de naamgeving Muntendam. Deze dam moet voorkomen dat het zeewater verder dit stroompje opgaat.
    Dit tamelijk geïsoleerde positie hield Muntendam tot de 19e eeuw. In de tijd leefde men voornamelijk van de handel. Met een hondenkar of ander primitief schuifwagen, trokken de mannen van april tot oktober door hun afzetgebied: Kropswolde, Schildwolde, Noordbroek, Zuidbroek en Meeden, maar ook andere dorpen in de huidige provincies Groningen en Drenthe werden aangedaan. Hun handelswaar onder andere sinaasappelen, bokkingen, bezems en borstels. Rijshout (takken en twijgen van wilgen en andere taaie houtsoorten), russen (biezen, gras in veenland en moerasgebied) en plaggen turfsteken en de materialen voor het maken van bezems, waaronder het uitsteken van de pollen harde bentgras of pijpenstrootje (Molinia caerulea) op de vochtige veengronden, waarbij de wortels de haren van de bezems werden, waren ook klussen die gedaan werden. Maar misschien haalde ze ook wel heide om (afwas)borstels van te maken, zoals hiernaast op de foto te zien. Deze zagen we tijdens de rondreis in 2013 in Harkema
    "De Spitkeet". En in het daar gekocht boekje Jeugdherinnering van Jelle Dam wordt ook een beschrijving gegeven hoe het in deze contreien (grensgebied veen/heide en zand/klei). Als kind moest de vrouw van Jelle ook meehelpen om de kost te verdienen door het plukken van heide en snijden van biezen om boenders van te binden en matten te vlechten. School zat er voor deze groep niet in.
    Voor de zachte bezems, voor binnen, werd de stengel van de huttentut (Camelina sativa) of dederzaad, vlasdodder of vlasdotter gebruikt. Daarnaast werden de strikken van de vorige keer leeggehaald en weer gezet.
    Waar de sinaasappelen en de haringen vandaan kwamen wordt nog niet duidelijk. Aangezien de Munter A bevaarbaar was, is het goed mogelijk dat deze producten gehaald worden uit Termunten en dat de bewerking van haring naar bokking mogelijk ook Muntendam gebeurde. Maar ook de aanwezigheid van ijzeroer, geeft mogelijkheden voor diverse producten (Daudt/verkenningen, p. 85-86; Wikipedia Munter Ee, Bokking, huttentut, pijpenstrootje; Kranenburgia; 350 jaar Veendam, p 21; Gerding/Turfwinning, p. 22; Dam/Jeugdherinneringen, p. 9).


    Johannieter klooster van Bokelesch
    Of Saterland, of in ieder geval Bokelesch, ook bij het Friese gebied hoorde, wordt schriftelijk bevestigd doordat het Johannieter klooster van Bokelesch wordt genoemd in een uitspraak van Robertus, Abt van Selwert, Ludolphus de Gronebeke, Praefectus in Groningen en anderen, tusschen den Commandeur van het St. Johans Hospitaalhuis te Steinfurt ter eener, en de Conventen in Vriesland, van dezelfde orde, als te Warffum, Wijtwerd, Oosterwierum, Finsterwolde, Wijmeer, Jemgum en elders, ter andere zijde, betreffende de opbrengst van eenige gelden, de vifitatie der Conventen, de verkiezing der Commandeurs enz. van den 8 September 1319.
    Het Johannieter klooster van Bokelesch
    Dit zou is -volgens Hanne Klöver (Spurensuche, p. 76)- te lezen in de zogenoemde "Groninger Vergleich". Middels de bijgevoegde noten 224 en 225 komen we uit bij de Ostfriesisches Urkundenbuch deel I, nummer 48. Hiervandaan worden verwezen naar Monumenta Groningana III, p. 618 van R.K. Driessen. Dit is ook te vinden bij Cartargo: R.K. Driessen, Monumenta Groningana veteris aevi inedita, III (Groningen 1827), nr. 145. Wanneer en door wie dit klooster precies gesticht is, blijft onduidelijk. Er zijn tot nu toe geen documenten gevonden die hier iets over mededelen. Wel zijn er theorieën die uitgaan dat dit tussen 1254 en 1263 geweest zou kunnen zijn. Er was echter tussen de periode 1260-1587 wel een geestelijke aanwezig in het kapelletje van Bokelesch, die behoorde bij de Johannieter Orde. Ook de theorie dat het gesticht zou zijn de Tempeliers kan niet door documenten bevestigd worden. De Johannieter Orde die in Saterland zat, was bij deze Friese boeren zeer geliefd. Het gebied wat bij het klooster hoorde omvat het huidige Bokelesch, Idafehn-Nord, Elisabethfehn-Nord, Ubbehausen, Osterhausen en Roggeberg. De kapel is gebouwd met bakstenen die ter plaatse waren gemaakt in een romaans-gotische bouwstijl. Op het wapen van dit kapel staat het Ordekruis met acht punten, een houten ploeg (zelfvoorzienigheid) en de twee gekruiste staven (rechtspraak).
    De acht punten zouden staan voor de acht zaligheden (tegenwoordig vertaald als "Gelukkig") uit Mattheüs-evangelie Hfd 5, de verzen 1-16:
    Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen [vs 3].
    Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden [vs 4].
    Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten [vs 5].
    Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden [vs 6].
    Zalig de barmhartigen, want zij zullen baanhartigheid ondervinden [vs 7].
    Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien [vs 8].
    Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden [vs 9].
    Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen [vs 10].
    Ook al kun je er ook negen van maken: [vs 11] Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beschimpt om Mijnentwil: verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel.
    Naast het nog steeds aanwezige kapel stond ten noorden hiervan de Ridderklooster. Op 1 kilometer afstand hiervan lag in het bos van Osterhausen het Nonnenklooster. Deze werd na de grote storm van 13 november 1972 zichtbaar, toen een omgevallen grote eik een stuk van het fundament blootlegde (Heese/Saterland, p. 112, 115).

    De Johannieter Orde verdween hier na zo'n 300 jaar in 1587.
    Tegenwoordig ligt er rechts voor de ingang van dit Kapel een grote steen. Deze steen werd in 1966 gevonden in een klein bos, zo'n 200 meter ten oosten van deze Ridderkapel of Herenklooster, welke de naam Herrenholz draagt. In dit bosje ligt een verhoogde plaats en daarop stond tot 1948 een grote Eik. En men vermoed dat het om een gerechtsteen of -tafel (Thingstätte, Gerichtsstäte of Richtertisch) of steen die de vergaderplaats - de Thing - aangaf. Deze steen heeft ook twee gekruiste balken "X" als teken van een gerecht (Klöver/Spurensuche, p. 77-78; Heese/Saterland, p. 105-109).
    > De vraag rijst dan, hoe het komt dat op een Friese dingplaats vervolgens een kapel wordt gebouwd waarin de Johannieter Orde zich vestigt? Stond deze stenen kapel er al eerder dan dat de orde zich hier vestigde en stond er hiervoor ook nog houten kerk of ander gebouw?
    Het is intussen wel bekend, dat deze rechtspraken, vaak op de kerkhoven werden gehouden.



    Otto Knottnerus geeft in bij eb drooggevallen Dollard uitleg in Anton Tiktak documentaire "Olderliek stee Addinga’s" over het wel en wee over de familie Addinga. (bron: Geschiedenis Oost-Grunnen)

    Jochem Abbes geeft in het vestingstadje Bourtange uitleg in Anton Tiktak documentaire "Westerwolde" over de geschiedenis van Westerwolde. Hierin komen ook de familie Addinga weer aan bod. Maar daarnaast ruim aandacht voor Bourtange, de verhoudingen en landsrechten in dit gebied. Verder wordt het fenomeen Friese tuin met z'n leidijken besproken. (bron: Geschiedenis Oost-Grunnen)

    Verbrokkeling
    Verbrokkeling van de Friese Zeelanden werd mede veroorzaakt doordat de hoofdelingen aan de vrijheden van de medeburgers gingen knagen. In Westerwolde had de bevolking 12 rechters zelf gekozen uit Sellingen, Onstwedde, Vlagtwedde, Wedde en Vriescheloo. De bevolking kreeg genoeg van de willekeur van een hoofdelingenfamilie Addinga. Om zich hiervan te onttrekken besloten ze in 1316 hulp in te roepen van bisschop Lodewijk van Münster. Hierbij bemiddelden Matthias van Raesfeld uit Landeggen en Suffridus van Slege, een rechter uit Westerwolde. Afgesproken werd -onder de nodige voorwaarde: geen kastelen of sterkten bouwen, zonder dit te bespreken, een hoen per huis per jaar af te staan- elkaar voortaan bij te staan.
    Net als de Addinga's naar de oppermacht streefden, waren er in elk ander oord wel families te vinden die ook naar de macht streefden. Waren er meerdere families in een regio, dan was dit aanleiding tot strijd. En werd er aansluiting gezocht met een van de kampen van de Schieringers of Vetkoopers. De bisschop van Münster moest ook ingrijpen bij de priesters en kloosterlingen, die hierbij ook deelnamen aan de strijdende partijen.
    De burgerij van Leeuwarden kozen eieren voor hun geld en sloten zich aan bij de stad Groningen, waar de Friese Vrijheid nog steeds succesvol was en onafhankelijkheid garandeerde. Het verbond tussen Leeuwarden en Groningen werd
    6 december 1317 gesloten. Met Dokkum werd een soortgelijk verdrag getekend op 15 mei 1318 (Witkamp III, p. 644).


    Dordts Stapelrecht
    Aan de andere kant van gebied werd door de laatste van de Friese heren
    afstammende Jan - van Holland en voor ons gemak genummerd met I - net als in vele andere plaatsen bijzondere rechten gegeven.

    Mogelijk zijn er al eerder rechten verleend aan Dordrecht zoals deze van 1220, mogelijk verleend door Willem (±1175 – 04-02-1222) I.
    (bron: Museum "Het Hof van Nederland"
    foto: 21-07-2015)

    Dordrecht kreeg op 6 november 1299 diverse (voor)rechten van Jan van Holland en Zeeland en van zijn oudoom Jan van Avesnes.
    (bron: Museum "Het Hof van Nederland"
    foto: 21-07-2015)

    Dordrecht kreeg op 6 november 1299 diverse (voor)rechten van Jan van Holland en Zeeland en van zijn oudoom Jan van Avesnes. Deze rechten zullen we later als stapelrecht gaan herkennen en dus ook zo gaan noemen. Dit hield in dat alle goederen van alle tolvrije en tol betalende kooplieden, handelaren en geestelijken uit binnen- en buitenland die over de Lek en Merwede voeren, in Dordrecht hun goederen mochten en moesten aanbieden. Om te voorkomen dat ze, de heren van Holland, tolinkomsten zouden missen, want dit werd dus ook voortaan in Dordrecht in ontvangst genomen, kregen de beide andere tolplaatsen Geervliet en Strienemonde de opdracht om te controleren of de handelaren een cambium, een wissel hadden, het bewijs dat de goederen in Dordrecht verhandeld waren. Dit soort rechten krijgen plaatsen altijd in ruil voor steun aan iemand.
    Dit had dan weer zijn weerslag op een volgend treffen tussen de diverse heren. Tijdens de Guldensporenslag (de aanzet hiervoor lazen we al in § Brugge ) van 1302, kreeg een zoon van Jan van Avesnes, tevens Jan de bijnaam Jan sonde ghenade.
    Dordrecht bleef de Hollandse heren echter trouw. Ook Zierikzee bleef trouw aan deze familie, terwijl Gwijde van Namen (±1272 – Pavia, 13 oktober 1311), een zoon van Gwijde van Dampierre of Guido (III) de Dampierre (±1226 - Compiègne, 7 maart 1305), graaf van Vlaanderen (1278 tot 1305), in 1303 Zeeland innam en vervolgens het jaar daarop, in 1304, grote delen van Holland veroverde.
    Dordrecht had zich vanaf 1250 ontwikkeld met verkaveling vanuit de Voorstraat en de Wijnstraat. Daarna ging de uitbouw verder met hieraan parallel lopend Korte Breestraat, Steenstraat - onderbroken door de Augustijner klooster - Doelstraat en Wijngaardstraat richting Noord. Tussen deze en de Voorstraat liepen de verbindingswegen die hier haaks opstaan. Vanuit Noord zijn dit de Torenstraat, Heer Heymansuysstraat, Zakkendragersstraat, Steegoversloot, Nieuwstraat, Kolfstraat, Vriesestraat en Visstraat. De ommuring van de stad zoals getekend op de kaart van Jacob van Deventer blijkt ook ongeveer de situatie te zijn van de ommuring van de 14e eeuw. Opgravingen bij de Palingstraat en het Slikveld bevestigen dit beeld.
    De door Dordrecht ontvangen rechten bleef echter een doorn in het oog van de andere steden, zodat dit geschil uiteindelijk voor de Grote Raad van Mechelen werd gebracht. Dit was op dit moment het hoogste gerechtshof in ons gebied. In de Deductie zou Dordrecht zichzelf die overste stede ende die hoofstede vanden lande van Hollant, Zeelant ende Vrieslant noemen. Het zou voorlopig niet meer goedkomen met de verschillende voorrechten voor allerhande plaatsen en steden.
    En dus blijft de onderlinge strijd op diverse vlakken voortgaan. Piraterij werd dan ook gestimuleerd. Zo was de Dordtse handelaar Johannis de Wardre (Jehans de le Waerde) in 1305 met zijn schip de Waardebourc langs de kust naar de Golf van Biskaje gevaren. Het schip was geladen met laken, wol en 160 vaten wijn. Hier werd hij bij La Rochelle aangevallen door Johan Crabbe, een uit Mude afkomstige avonturier, koopman én piraat. Crabbe, geboren zo rond 1280 in Mude, tegenwoordig Sint-Anna-ter-Muiden en overleden in 1333, Berwick. In 1310 was hij ook actief -in de piraterij- met zijn schip "De la Mue", wat correspondeert met zijn geboorteplaats.
    Ook het vakgebied van piraterij was een serieuze aangelegenheid en daarom had Crabbe het volgende uitgedacht, samen met z'n maten Milo de Uteham, Christian Tobbying, John Labban en een jong familielid, dat de bijnaam Crabbekyn droeg. Waarschijnlijk wordt hiermee zijn neefje Baldwin de Camera bedoeld. De prooi moest een redelijk zwakke verdedigd schip zijn, maar om er zeker van te zijn, dat ze het ook met een paar man de aangevallen schip konden overmeesteren had hij zijn schip aangepast met de juiste bewapening. De tijd van kanonnen en kruit waren nog niet aangebroken. Crabbe gebruikte de katapult als wapen. Hij bouwde er een aantal. Een voor de ronde kogelvormige stenen, die tegen de scheepwanden en dek konden beuken en een die met pijlen met ijzeren gepantserde punten kon afschieten, waarmee de wanden en romp doorboort kon worden.
    En zo voeren ze uit via Sluis en het Zwin, de toegangsvaart tussen Brugge en de zee.
    Na enkele dagen varen op zoek naar de juiste prooi, riep Crabbekyn vanuit het Kraaiennest "Ik zien de schip!", toen hij aan de horizon masten zag opdoemen. Hij zag "De Waardebourc" en dat zou hun - voor zover bekend - eerste prooi worden.
    De beschietingen van de katapulten waren succesvol. Het onophoudelijk afschieten van de kogels en pijlen hadden het effect dat het schip van de Wardre bijna zou gaan zinken, dus er zat niet anders op voor hem en de bemanning om zich over te geven. De bemanning werd gevangengenomen en de lading overgebracht hun eigen schip. Daarna werd "De Waardebourc" in brand gestoken en tot zinken gebracht.
    > Gezien het kaartje dat bij het levendig geschreven verhaal van Gurstelle geplaatst, over de werkmethode, aanval en overwinning, kun je je wel afvragen hoe fantasievol dit geschreven is. Echter ter illustratie is het wel beeldend, hoe gegaan zou kunnen zijn.
    (Frijhoff/Dordrecht I, p. 71, 79-80; Gurstelle/catapult, p. 117-119; p. 335 Johan Crabbe : piraat, koopman en avonturier uit Mude / C.H. Buitenhuis; Genealogisch Database Sint Anna ter Muiden Johan CRABBE; Wikipedia Gwijde van Dampierre, Gwijde van Namen)


    Verrijking van Kampen
    Door een nieuwe keur werd het voortaan verboden om nog buiten de muren nieuwe huizen te bouwen. Sterker, deze behuizing moesten worden afgebroken. Voortaan werden de huizen opgetrokken en met stenen gedekt. Ook de oude woningen moesten met steen bedekt worden. We schrijven 1313 dat deze keur werd getekend. Het behoeft nauwelijks uitleg dat dit de verdediging van de stad ten goede zou komen. Geen gebouwen bij belegering, waarin de vijand zich zou kunnen verschuilen en binnen de poort nam het brandgevaar nam af.
    Boerenopstand Vlaanderen
    In het najaar van 1324 kwamen de boeren van de Brugse Vrije in opstand tegen de zware belastingdruk, maar ook tegen de hogere standen, die hun iedere keer weer uitmolken.
    De uiterst jonge graaf, Lodewijk II van Nevers was twee jaar eerder nog door iedereen vrolijk ingehuldigd. Maar twee jaar later was de houding door allerlei omstandigheden volledig omgekeerd.
    Brugge had de kant gekozen van de opstandelingen en de begoeden van Gent stuurden na overleg met Lodewijk diverse strafexpedities. Door zoveel geweld kozen vele buitenlandse kooplui ervoor om deze regio te verlaten. Terwijl Gent een bastion voor de heren bleef, had Ieper kennelijk ook de zijde van de boeren gekozen, want zij moesten bij een eerste vredespoging op 24 maart 1326, samen met Brugge, Kortrijk en het Brugse Vrije een boete betalen van 200.000 pond tornoois, d.i. de in Tours geslagen munt, aan de koning van Frankrijk (De Maesschalck/Graven, p. 291-298).
    De bedrijvigheid werd flink gestimuleerd door toestromende vluchtelingen en handelaren.
    Zo namen ze onder andere lakenfabrieken en weverijen mee. Deze mensen kwamen vooral uit het gebied van Yperen, waar ze gevlucht waren voor de Graaf van Vlaanderen, toen ze de opstand verloren hadden rond 1324.
    "De Kamper kooplieden in deze tijd dreven grote handel in rood scharlaken, gestreept en saai en het werd hier geweven en bereid," schreef een geschiedschrijver.
    In 1337 werd de houten verdedigingsmuur vervangen door een stenen muur die de hele stad omringde. Dit enorme bedrag, dat hiervoor nodig was, werd zonder bezwaar opgebracht, want de stad was zeer welvarend geworden.
    Aan het eind van deze 14e eeuw was Kampen uitgegroeid tot de belangrijkste handelsstad.
    De omvang van de handel was ongeveer anderhalf maal zo groot als alle Zuiderzee-steden bij elkaar inclusief Amsterdam, Dordrecht en Stavoren. Ze had dan ook het alleenrecht om voor de betonning in de Zuiderzee, die ervoor zorgden dat de grotere schepen veilig van Texel en het Vlie naar de handelssteden konden komen. Uiteraard werd hiervoor een lonend bedrag ontvangen. Lonend waren ook de bijbehorende visgronden die ze claimden. Volgens een kaart van Jasper Adriaenszn uit 1556 waarop ‘Camper vryheit op III1/2 elle' te lezen valt in de zee onder Schokland, wat dus inhoud dat dit allemaal visgronden zijn waar de Kampers het alleenrecht hadden om te vissen.
    En laat dit nu net wateren zijn waar de zalm en steur graag leven om de IJsel op te gaan om te paren. Wel wordt er opgemerkt door Kok dat de rijken rond deze tijd de steur aten. De zalm was voor de armen. Ter illustratie een overbekende schilderij uit het Rijksmuseum: "de biddende vrouw" van Nicolaes Maes (Dordrecht, jan 1634 - Amsterdam, nov 1693), ook wel 'Het gebed zonder end’ genoemd van omstreeks 1656, met daarop zichtbaar als symbolen van de armoede: een homp brood, een kannetje water en een moot zalm. Heeffer bevestigt dit beeld met "Hoewel er zalm op tafel staat, heeft Maes een eenvoudige dis afgebeeld. Zalm was in de zeventiende eeuw heel alledaags. Men at vier keer per dag, meestal brood met kaas of boter en iets erbij." (Kok/Kamper-uien, p. 18, 51-52; K000013; SK-C-535; Heeffer/Nicolaes Maes p. 7).
    > Het geclaimde visgebied lijkt op de getoonde kaart heel groot, maar wanneer we dit gebied bekijken op een overzichtskaart, dan valt dit reuze mee. Ook blijkt de getoonde kaart van het Gemeentearchief van Kampen uit 1534 te komen.


    Wraak West-Friezen 1318
    Ondertussen hadden de West-Friezen behoefte om zich weer te wreken. En dus trokken ze dit jaar (1318) weer over de steeds breder wordende Zuiderzee naar Westergo. Wonseradeel en omliggende dorpen werden geplunderd. Onder leiding van Aylva, Hettinga en anderen verenigden de mannen zich naar de bedreigde kust. Onopgemerkt door de West-Friezen vielen ze aan en geen enkele West-Fries overleefde deze aanval. Ze werden allemaal neergesabeld. De schepen werden ingenomen en gebruikt om rooftocht te starten naar Enkhuizen en Medemblik. De buit werd verdeeld en de schepen werden aan de burgerij van Stavoren gegeven (Witkamp III, p. 644).

    Stadsrechten Appingedam
    Vissen rond de Floem: een bijdrage tot het historisch-topografisch onderzoek van de ontwikkeling van de stad Appingedam tot 1810 / A. Hoft . - Groningen : Wolters-Noordhof - Egbert Forsten, 1990. - ISBN 9062431135
    Door het succes van Groningen, wilden ook anderen aansluiting. Op de bijeenkomst onder de Upstalboom in augustus 1323, beloofden de diverse gouwen elkander wederkerige bijstand, wanneer een bedreigd werd door vorsten of andere groten die hun vrijheden wilden aantasten. En zo werden oudere 17 Friese keuren uitgebreid met de 36 Upstalboomse wetten. Het was echter van korte duur. Het Upstalboomse verbond was te zwak. De vetes bleven heersen en de financiële genoegdoening of schadevergoeding, het zogenaamde mangeld gaf onvoldoende bevrediging. Er ontstonden gemeenschappelijke vete-verbanden, die samenwerkten bij problemen met andere gefuseerde groepen of families, de fiuta. Deze fiuten legden de gezamenlijk afgesproken rechtsregels naast zich neer en gingen onderling duelleren.
    Hierdoor ontstonden er twee groepen of soorten van mensen. Een van partyesluden die van de fiuten, die met mes en degen de eigen vergeldingsbevrediging zochten en die van de meenten, die de afgesproken rechtsregels wilden blijven volgen. En daarnaast waren er nog de conflicten tussen de kampen van de Schieringers en Vetkoopers.
    Dit zorgde ervoor dat er een klimaat van heersende geslachten kon ontstaan, die met geweld macht aan zich kon binden. Ze verzamelde meer en meer mensen om zich heen, die ze op velerlei wijzen aan zich wisten te binden, van wapenknecht, meiers of broodeters. Zijzelf gingen meer en meer als hoofdeling optreden.
    Toen Appingedam in 1327 hun stederecht kregen door de gezamenlijke volmachten, werd daarna de vergaderplaats onder de Upstalboom niet meer bezocht (Witkamp III, p. 644-645, Westerkwartier/Ligterink, p. 38).
    Dat de vergaderingen van de Upstalboom niet succesvol waren, blijkt ook al uit het feit dat de West-Friezen en Westergoërs elkaar al ruim een kwart eeuw in haren vlogen. Ook de Fivelgoërs hekelden de steeds toenemende macht van Groningen. Het Oldambt zag zich verdrukt worden door de geschillen die er waren met de kerkvoogd bisschop van Münster. Er volgde weer een kerkban (Witkamp III, p. 645).

    Het jaar daarop togen de vertegenwoordigers van Stavoren en Westergo naar Haarlem om daar een verdrag te tekenen met Willem III. Deze Friezen erkende zo dat de graaf het recht kreeg om schouten, schepenen en rechters aan te stellen en dat ze zich verplichten om zich aan de uitspraak van deze ambtenaren te houden. Verder hielden ze Willem III voor, dat als hij zijn komst naar hun gebied minimaal zes weken van tevoren meldde, hij op oude traditionele wijze gehuldigd zou worden. Dus op een schild geheven worden en door vier mannen door de hele gemeenschap gedragen worden, waar zij hem de eed van trouw zouden doen.
    Willem III had de Friezen hoog zitten. Zo had hij eens tegen hooghartige Henegouwse en Hollandse edelen die 'dat verachtelijk volk' afkeurden: "Dit volk is de grootste schat van mijn gebied. Mijne voorzaten hebben het door hun zweet en bloed verworven, en ik alleen ben hun heer. Ik zal niet dulden, dat de Friezen verdrukt worden, of dat iemand eenig deel van dit gebied bekome." (Witkamp III, p. 645-646)
    Groot placaat en charterboek van Vriesland
    Het register van Groot placaat en charterboek van Vriesland maakt melding van vier bijzondere brieven om de meningsverschillen tussen Lubeck en Stavoren te slechten. In Cartago zijn deze te vinden: Placaat en charterboek Vriesland, dl. 1, pag. 187-191, onder nummer pcv10187, pcv10188, pcv10189, pcv10190, pcv10191
    Ook had Willem III een zwak voor Stavoren. In 1333 bemiddelde hij met ijver tussen Stavoren en de leidende Hansestad Lübeck, waar een geschil mee was. Hij sloot een verdrag, dat op 18 oktober 1333 werd bezegeld en zo er weer een goede verstandhouding tussen beide steden was ontstaan (Witkamp III, p. 646).
    In 1333 raakte een aantal burgers uit Enkhuizen, Arnold Steyneldersone, Altgheer Jacobssone en zijn broer Thade, in conflict met de stad Lübeck over de inbeslagneming van hun schip tijdens de strijd van deze stad met Stavoren. Willem II [= III] van Holland deed daarop de uitspraak, dat Lübeck de drie Enkhuizers 3 pond groten moest betalen op „den naeste Meyedach” te Haarlem. (Enkhuizen voor 600 jaar / Dr S. B. J. Zilverberg (in: West-Frieslands Oud en Nieuw, 1955, 22e bundel, p. 11-19))
    Of deze 3 items iets met elkaar te maken hebben, kan ik nu niet na gaan. De oud-Nederlandse stukken uit 'Groot placaat en charterboek van Vriesland' zijn voor mij nauwelijks te lezen dan wel te begrijpen. De genoemde personen uit Zilverbergs artikel kan ik niet vinden in de Vriesland-stukken. Overeenkomst met Witkamp en de Vriesland-stukken is de datum van 18 oktober 1333. Maar aangezien de handelsbetrekkingen met Lübeck, de Hanse(hoofd)stad intussen groot waren, kan ik me er van alles bij voorstellen. Mogelijk geven de in Ostfriesland aangeschafte boeken hierover later uitsluitsel.

    Om een beeld te schetsen hoe het met de veiligheid gesteld was in het gebied waarover Willem III heer was, geeft Witkamp het verhaal van de Abt Eelco Liauckema. Dit verhaal doet meer de ronde, dus lijkt het mij wel aardig om deze eens naast elkaar te zetten:
    (Witkamp III, p. 646)
    Hoe gunstig 's Graven gezag voor de welvaart van Friesland, althans voor de westelijke streken, was, hadden de partijschappen een te grooten wrok, de vijandelijke ontmoetingen een te groot woestheid en zedenbederf voorgebragt, dan dat Westergoo zich in eene ongestoorde rust mogt verheugen. Van het tegendeel legt een voorval op de landhoeve Ter Poort bij Boxum getuigenis af.
    Deze hoeve behoorde aan de abdij te Lidlum, die te dezen tijde onder het beheer van de Abt Eelco Liauckema stond. Hij, een man van gestrenge zeden, werd door de leekebroeders aan wien de zorg op Ter Poorte was toebetrouwd, hij een hun gebragt bezoek schijnbaar met de grootste achting en onderworpenheid ontvangen. Zij veinsden berouw toen de Kloostervoogd hun ergerlijk levensgedrag bestrafte, doch spanden in stilte zamen om hem in zijn eigene oogen te vernederen en zich dan van den gehaten tuchtmeester te ontdoen.
    Bij de avondmaaltijd bragten zij hem zoo vele dronken toe, dat de argelooze man voor de uitwerkselen van den zwaren drank moest zwichten. In een half bewusteloozen staat was hij zijn slaapkamer binnengetreden. Naauw echter had bij zich op zijne legerstede nedergevleid, of hij werd eensklaps gewekt door een luid rumoer. In een digten drom drongen de broeders binnen, verweten den verschrikten Abt zich vergeten te hebben en sloegen hem met een knods zoo geweldig op het hoofd, dat de hersens in het ronde spatten.
    Hiermede niet tevreden, wierpen de onverlaten het lijk uit het venster in de gracht, welke het gebouw omringde.
    Het gruwelstuk werd wel is waar gestraft - de daders werden levend aan staken verbrand - doch dat kloosterbroeders zulk een feit konden plegen, en Eelco's gewoonte om steeds honderd en vijftig gewapenden te onderhouden, ten einde zijn Abdij en hare goederen te beschermen, bewijzen hoezeer orde en rust steeds te wensche overlieten.
    uit:
    Geschiedenis der zeventien Nederlanden / P.H. Witkamp. - Tweede deel, laatste gedeelte. 1882
    (Arend II, 2e, p 131-132)
    Het aanzien en de magt van Graaf Willem III waren niet genoegzaam, om in Westergoo de binnelandsche rust en de persoonlijk veiligheid te verzekeren. De rijke kloosters van Lidlum, Ludingaker, Mariëngaard, Foswerd, Klaarkamp, Oudeklooster of Bloemkamp en anderen kweeten een groot getal monniken en leekebroeders op, welke zich aan de grofste buitensporigheden overgaven en om elkander te verdrukken en te krenken, zich nu eens voor de aanhang der Schieringers, dan weder voor dien der Vetkoopers verklarden. Eelco Liauckama, Abt van Lidlum, was in openbaren krijg met eenige Edelen en onderhield, behalve de leekebroeder zijn kloosters, honderd en vijftig gewapenden in zijn dienst. Voor het overige was hij een man van gestrenge zeden, vol ijver voor de godsdienst en ernstig in het bestraffen en vermanen der monniken, waardoor hij bij velen van hen zeer gehaat werd.
    Onder de goederen zijn kloosters, welks bloei hij ongemeen bevorderd had, behoorden twee landhoven te Boxum in Menaldumadeel, de eene Monnikhuis, de andere Ter Poorte genaamd.
    Dikwerf had hij de leekbroeders of conversen, welke deze gronden bebouwden en daar, gelijk op de meeste landhoven plaats had, welke ver van de kloosters verwijderd waren, een ergelijk leven leidden, bestraft, maar hierdoor slechts hunnen onverzoenlijken haat opgewekt.
    Dien ondervond hij bij een bezoek te Ter Poorte. Men ontving hem en zijn gevolg met allee teekenen van berouw, achting en liefde, doch het plan was zich voor altijd van de gehaten tuchtmeester te ontslaan. Bij het avondeten ging de beker vrolijk rond. De argelooze Abt, niet gewoon te drinken, gevoelde de uitwerkselen van de zwaren dronk, welken men hem had toegediend, nam zijn afscheid en begaf zich ter ruste. Op dit oogenblik drongen de leekbroeders met geweld zijn kamer binnen, verweten hem met schampere woorden zijne onmatigheid, waarvan zich de sporen op zijnen tabbard vertoonden, sloegen hem met een dikken knods op het hoofd, zoodat brein en bloed tegen de wanden spatten, en wierpen het lijk uit het venster in de gracht.
    Zoodra 's anderen daags de gruweldaad ontdekt was, geraakte het geheele dorp in beweging. De booswichten werden gevat en aan staken levend verbrand; de landgoederen geraakten in het bezit van anderen, en de stins werd ten gronde toe geslecht.
    uit:
    Algemeene geschiedenis des vaderlands, van de vroegste tijden tot op heden / J.P. Arend. - Tweede deel, Tweede stuk. 1844
    (Marja van Schie)
    Een andere legende is verbonden aan het portret van de abt Eelco Liauckema van het klooster Lidlum. Het is een mooi, in oplichtende tinten geschilderd portret dat naast de deuropening hangt. Deze abt, zo wil de overlevering, maakte bezwaar tegen overmatig drankgebruik van zijn monniken. Die voelden er echter niets voor hun min of meer losbandig leven op te geven en ze bedachten een list met het doel, de abt enige alkoholhoudende dranken te doen nuttigen. Dat lukte. De goede man was niet bestand tegen alkohol, werd misselijk en moest braken. Daar schaamde hij zich bijzonder voor, dus probeerde hij zo onopvallend mogelijk het in de mouw van zijn pij te doen. Maar de monniken hielden hem zorgvuldig in de gaten en triomfantelijk eisten zij dat de abt de inhoud van zijn mouw zou tonen om daarmee aan te geven dat hij door drankgebruik hun gelijke in het kwade was geworden. Toen na veel aandringen de abt zijn mouw opende, bleek deze gevuld te zijn met . . . rozen. De monniken raakten wat oververhit en het verhaal zegt dat ze hun goede abt doodknuppelden.
    uit:
    Marja van Schie in JANUM: EEN BROKJE GESCHIEDENIS
    (van den Akker)
    Hij leidde een sober en degelijk leven. Vanuit Lidlum bezocht hij de kluizenaars die links en rechts verspreid woonden op het Friese land, maar onder zijn klooster vielen. Sommigen vormden weer eigen leefgemeenschapjes; anderen woonden alleen, maar kwamen ze zo nu en dan bij elkaar om te bidden, te zingen, te eten en te praten. De levensbeschrijver van Eelko merkt op: 'Hoe verder zij van het klooster af woonden, hoe minder er van hen deugde.' Er viel op Eelko's rondreizen dus hier en daar nog wel wat recht te trekken en te verbeteren. Hij deinsde er niet voor terug monniken te berispen of te bestraffen, als dat op zijn plaats was, want Eelko stond bekend als uiterst eerlijk en recht-door-zee. Tegelijk was hij als een vader voor zijn mensen, vriendelijk en altijd bereid tot een nieuw begin.
    Zo behoorde ook de gemeenschap van klooster Ter Poorte in Boxum tot zijn mensen. Over hen deden allerlei kwade geruchten de ronde. Omwonenden klaagden over dronkemansgelal, over zuip- en vreetfeesten, over verkwisting en landloperij: ze voerden niks uit en kwamen vervolgens wel bij de boeren bedelen om eten. Op paaszaterdag om twaalf uur, toen de vasten was afgelopen, besloot vader abt zelf eens een kijkje te gaan nemen.
    De broeders ontvingen hem met zwier. Het was paasfeest, dus er stond een welvoorziene tafel klaar. Hoewel het vader Eelko's stijl niet was, liet hij zich verwennen. Intussen vielen er over en weer harde woorden. Uiteindelijk beloofden de grote bekken beterschap: vader abt kon ervan op aan. Zij hadden zijn boodschap begrepen. 'We drinken erop' hadden er een paar geroepen. Het was eigenlijk hun bedoeling hem met de zware tafelwijn dronken te voeren. Maar dat mislukte, omdat vader abt zo'n matig drinker was: één glas maar. Er wordt zelfs beweerd dat hij daar al onpasselijk van was geworden en had moeten overgeven. Om geen opzien te baren had hij dat ongemerkt gedaan in de wijde mouw van zijn pij. Zodra hij kon, glipte hij ertussenuit en stak het bruggetje over naar zijn slaapvertrek.
    Waarschijnlijk heeft het stel nog een tijd zitten napraten onder het genot van de zware wijn. Diep in de nacht hoorde hij ze in de verte al aankomen. Ze bonsden op de deur. Toen die niet vlug genoeg openging, begonnen ze met overslaande stem en dubbele tong te schelden en sloegen ze een paar ruitjes in om zich op die manier toegang te verschaffen. Ze moesten nog eens even met hem praten. Want hij had dan wel de mond vol over armoede, eenvoud en soberheid. Maar ze hadden nu zelf gezien dat hij geen haar beter was dan zij: hij had net zo geschranst en gepimpeld. U hebt er zelfs van moeten kotsen. Ze gristen Eelko's pij van de stoel om triomfantelijk de sporen van hun beschuldiging te kunnen aantonen. Tot hun verbazing vielen er echter met een ruisend geluid versgesneden rozen uit zijn pij... Rozen! In de paasnacht!
    Woedend waren ze. Ze voelden zich te kijk gezet. Ze scholden hem uit voor tovenaar en duivelskunstenaar. Er had er één een knuppel bij zich; ze sloegen hem er zo hard mee op het hoofd dat het bloed tegen de witgekalkte wanden opspatte en vader abt dood neerviel. Met zijn allen gooiden ze zijn lijk door het venster de gracht in.
    De volgende morgen zag een passerende boerin een wit stuk linnen drijven aan de oppervlakte van het water. Toen ze het eruit probeerde te halen, kwam de gruwelijke waarheid aan het licht. Het schijnt dat de booswichten hun straf niet ontliepen.
    Hij werd bijgezet in zijn klooster te Lidlum en als een heilige martelaar vereerd. Volgens zeggen zouden er op zijn graf talloze wonderen zijn geschied. Van dit alles is sinds de reformatie geen spoor meer over.
    uit:
    Heiligen.net
    (Mengel Werk / B.v.S.)
    Zijne nieuwe waardigheid aanvaard hebbende, hield Eelko Liauckama zich, zoo mogelijk nog gestrenger aan de voorschriften zijner orde, door vasten en kastijdingen kwelde hij zijn ligchaam en verrigtte blootsvoets bij nacht en dag, zoo wel in den winter als in den zomer de kerkelijke diensten. De kerken van Sexbierum, Spannum en Berlikum, welke laatste hij zelf gesticht had, blijkens een opschrift nog in de nieuw opgebouwde kerk van dat dorp voorhanden, bragt hij onder het gebied van zijn klooster; bovendien verbeterde hij de gebouwen aan hetzelve toebehoorende, zoo als onder anderen het Abthuis op de St. Michielsberg of Bajum, hetwelk hij voltooide.
    In het vermanen zijner onderhoorige Geestelijken om zich wel te gedragen en het volk door hun goed voorbeeld te stichten, ging hij zachtzinnig te werk, maar wanneer hij onwilligen en ongehoorzamen ontmoette, was hij zeer gestreng in het straffen, en haalde zich daardoor den haat der ongebonden, wellustige en luije monniken op den hals. Voor leidden de zoogenaamde Leeken, wonende in de gestichten van de kloosters, dikwijls ver van hunne opperhoofden verwijderd, een slecht en ergerlijk leven.
    Van tijd tot tijd was Liauckama reeds naar de twee landhoven, onder Boxum gelegen, Monnikhuis en ter Porte genaamd, aan zijn klooster toebehoorende en door zoodanige Leeken bewoond, gereisd, en had hun tot een beter gedrag vermaand, ook wanneer hem zulks noodzakelijk voorkwam, de voornaamste belhamels der oproerigen gestraft. Dit gedrag verbitterde de gemoederen van deze deugnieten meer en meer tegen hunnen Abt en zij wachtten slechts eene gunstige gelegenheid af, om zich van dezen gestrengen opziener te ontdoen. Weldra bood zich deze aan, en wel verre van zich het edele en prijzenswaardige gedrag en de voorbeeldige levenswijze van de godvruchtigen Liauckama, of de slechte gevolgen van hunne misdaad te binnen te brengen, ademden zij niets dan wraak.
    In het jaar 1332 kwam de vrome Abt hen volgens gewoonte weder bezoeken en vermaande hen, daar zij in hunne ongebonden levenswijze volhardden, op nieuw tot verbetering. Ofschoon niets dan haat en wraak in het hart voerende, ontvingen zij hem vriendelijk, verzochten hem ten maaltijd, onthaalden hem voortreffelijk en noodigden hem gestadig om van eenen zwaren drank, welke zij hem toedienden, te drinken, met oogmerk om het beschonken te maken en vervolgens hun plan te uitvoer te brengen. De Abt, een zeer matig man, had wel een tegenzin in dit gedurig drinken, doch om de vriendelijke noodiging zijner gastheeren, welke hij voor opregt hield, niet te versmaden, deed hij hun evenwel bescheid: dan dergelijke overdaad niet gewoon, moest bij braken, hetwelk hij om de schande te bedekken, zoo heimeljik mogelijk in de wijde mouwen van zijn gewaad deed, doch de alles bespiedende verraders hadden het gezien, en naauwelijks was de brave man in zijn slaapcel gekomen, of zij braken dezelve open en verweten hem zijn dronkenschap; vruchteloos wil hij zich verontschuldigen, zij wezen hem de blijken daarvan aan, en toen hij nog iets wilde inbrengen, sloegen zij hem met eene knods op het hoofd, dat de hersenen er uitspatten, en wierpen zijn lijk door het venster in de gracht. Den volgende morgen werd het door eene vrouw, welke daar bij toeval voorbij kwam, ontdekt en het gruwelstuk aan de dorpelingen bekend gemaakt. Het geheele dorp kwam op de been, het lijk werd in een doodkist gelegd, naar Lidlum gebragt, en aldaar in het klooster begraven.
    Eelko is naderhand bij de nakomelingschap als een Heilige vereerd geworden, en heeft volgens het geloof van die tijden, mirakelen gedaan. Zijn lijk, hetwelk eertijds in een tombe rustte, is in het jaar 1528 door Keppel, den toenmaligen Abt van Lidlum, daaruit genomen en achter aan in de kerk geplaatst.
    (Het afbeeldsel van den vromen man was voor eenige jaren nog aanwezig op Liauckama-State bij Sexbierum, en is na het afbreken van dit gebouw, naar men mij berigt heeft, in bezit gekomen van de Heer Baron van Grootenhuis, op de huize Onstein bij Zutphen.)
    De moordenaars van den Abt zijn met list gevangen genomen en aan staken gebonden, levendig verbrand. Het slot, waarin de moord gepleegd was, werd verwoest en de landerijen verkocht.

    Eelko Liauckama schijnt niet geheel van dichterlijk talent ontbloot te zijn geweest, althans men vindt een paar gedichtjes van hem, uit welke (beide later door de uitkomst bevestigd) men bovendien zijn voorspellende geest heeft willen bewijzen. Het eerste doelende op de onlusten tusschen de Schieringers en Vetkoopers, in volgende tijden ontstaan luidt aldus:
    Ws vrij Friesch schill aeck waerda wij
    As ick jumma sidsa meij,
    Och! och! schrijet den al
    Uwt uws neijkomlingen ongeval.
    Want troch uws sounne, sil folle quae schaen
    As ick innerlijkck ken sjaen.
    En het tweede op het toekomende lot van het geslacht Dekama toen nog Dequama genoemd, betrekking hebbende, was van dezen inhoud:
    As Dequama da middelsta boeckstave verliest.
    En for da tredda in othern kiest,
    Schilt haegh acht wessa, en prospererje.
    Den hondert en fuijle jeer daer neij
    Schilt maest wirda weij, en gretlijck declinerje,
    Mar wer boppa comma:
    As ick trogh Gods wijsheijt wol hab vernomma.
    B.v.S. = Jhr. Mr. HOBBE BAERDT VAN SMINIA
    (zie pag. 149-160 Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1859)
    uit: Leeuwarder Courant, 10-12-1833
    ISAN 18331210 90 4124 02 2 1

    (Historische Mengelingen)
    Nog jong zijnde, werd Eelco Liauckama priester gewijd en tot Pastoor van Berlikum verkozen, in welke bediening bij zijne gemeente, door het voorbeeld van een ongemeen gestreng en vroom leven, tot een goed gedrag opleidde. Na den dood van Pibo Sibranda werd hij in het jaar 1328 tot twaalfde Abt van het klooster Lidlum verkozen. Zijne nieuwe waardigheid aanvaard hebbende hield hij zich, zoo mogelijk nog gestrenger aan de voorschriften zijner orde. Door vasten en kastijdingen kwelde hij zijn lichaam en verrigtte blootvoets bij nacht en dag, zoowel in den winter als in den zomer, de kerkelijke diensten. De kerken van Sexbierum, Spannum en Berlikum, welke laatste hij zelf gesticht had, blijkens een opschrift nog in de nieuw opgebouwde kerk van dat dorp voorhanden, bragt hij onder het gebied van zijn klooster; bovendien verbeterde hij de gebouwen daaraan toebehoorende, zoo als onder andere het Abthuis op de St. Michielsberg of Mounike-baajum, het welk voltooide.

    In het vermanen zijner onderhoorige Geestelijken, om zich wel te gedragen, en het volk door hun goed voorbeeld te stichten, ging hij zachtzinnig te werk; maar, wanneer hij onwilligen en ongehoorzamen ontmoette, was hij zeer gestreng in het straffen, en haalde zich daardoor den haat der ongebonden, wellustige en luije monniken op den hals. Vooral leidden de zogenaamde Leeken, wonende in de uithoven van de kloosters, dikwijls ver van hunnen opperhoofden verwijderd, een slechte en ergerlijk leven. Van tijd tot tijd was Liauckama reeds naar de twee landhoeven, onder Boxum gelegen, Monnikhuis en ter Poorte genaamd, aan zijn klooster toebehoorende en door zoodanig Leeken bewoond, gereisd, en had tot een beter gedrag vermaand, ook, wanneer hem zulke noodzakelijk voorkwam, de voornaamste belhamels der oproerigen gestraft. Dit gedrag verbitterde de gemoederen van deze deugnieten meer en meer tegen hunnen Abt, en zij wachten slechts eene gunstige gelegenheid af, om zich van deze gestrengen opziener te ontdoen. Weldra bood zich deze aan, en wel verre van zich het edele en prijzenswaardige gedrag en de voorbeeldige levenswijze van den godvruchtigen Liauckama, of de slechte gevolgen van hunne misdaad te binnen te brengen, ademden zij niets dan wrok en wrevel.
    In het jaar 1332 kwam de vrome Abt hen volgens gewoonte weder bezoeken en vermaande hen, daar zij in hunne ongebonden levenswijze volhardden, op nieuw tot verbetering. Ofschoon niets dan haat en wraak in het hart voerende, ontvingen zij hem vriendelijk, verzochten hem ten maaltijd, onthaalden hem voortreffelijk en noodigden hem gestadig om van eenen zware drank, welke zij hem toedienden, te drinken, met het oogmerk om hem beschonken te maken en vervolgens hun plan ten uitvoer te brengen. De Abt, een zeer matig man, had wel een tegenzin in dit gedurig drinken, doch om de vriendelijke noodiging zijner gastheeren, welke hij voor opregt hield, niet te versmaden, deed hij hun evenwel bescheid; dan degelijke overdaad niet gewoon, moest hij braken, hetwelk hij, om de schande te bedekken, zoo heimelijk mogelijk in de wijde mouwen van zijn gewaad deed. Doch de alles bespiedende verraders hadden het gezien, en naauwelijks was de brave man in zijne slaapcel gekomen, of zij braken deze open en verweten hem zijne dronkenschap vruchteloos wil hij zich verontschuldigen, zij wezen hem de blijken daarvan aan, en toen hij nog iets wilde inbrengen, sloegen zij hem met eene knods op het hoofd, dat de hersenen er uitspatten, en wierpen zijn lijk door het venster in de gracht. Den volgende morgen werd het door eene vrouw, welke daar bij toeval voorbij kwam, ontdekt en het gruwelstuk aan de dorpelingen bekend gemaakt. Het geheele dorp kwam op de been, het lijk werd in eene doodskist gelegd, naar Lidlum gebragt en aldaar in het klooster begraven. Eelko is naderhand bij de nakomelingschap als een Heilige vereerd geworden en heeft, volgens het geloof van die tijden, mirakelen gedaan.
    uit: Leeuwarder Courant: 19 juni 1870
    ISAN 18700619 90 4124 02 2 2
    Oudheidkundige Vereniging Barradeel

    Uit bovenstaande 6 verhalen komt een redelijk beeld naar voren. De details wijken soms (sterk) van elkaar af. De vraag is echter, klopt het überhaupt wel?
    In Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken van de Friese premonstratenzer kloosters Lidlum en Mariëngaarde : Een nadere studie, editie en vertaling / Herman Lambooij wordt ook ingegaan op deze moord, maar ook hoe de bronnen geïnterpreteerd kunnen worden.
    'De auteur [Sibrandus Leo] had een missie die paste bij zijn tijd: hij was uit op een revival van het katholicisme, nadat het protestantisme vaste voet had gekregen in de Noordelijke Nederlanden. Toch bevatten zijn geschriften veel wetenswaardigheden over het Friese kloosterleven in de Middeleeuwen. Dit omvangrijke proefschrift (met teksteditie en vertaling) gaat in op de achtergronden en de context van deze geschiedenissen.'

    De vorsten van Gelder hadden nog steeds de eens verkregen rechten op Friesland. Reinald II had in 1336 door een pandschap een groot deel van het Utrechtsche Over-Sticht in handen gekregen. Hierdoor zag hij mogelijkheden om zijn gebied uit te breidden richting Friesland. De Friezen lagen toch met elkaar overhoop, dus de kaarten lagen gunstig. Hij verzamelde zijn troepen bij Vollenhove. En zoals zo vaak bij de Friezen, zodra er gevaar dreigt, die hun vrijheid wil aantasten, laten ze hun onderlinge veten voor wat het is en vallen de gezamenlijk vijand aan. Zo ook nu. De Friezen kwamen over de Linde aanstormen, overvielen de grafelijk benden, die nog niet helemaal op volle strekte waren, en brachten Reinald een nederlaag toe.
    Reinald, geleerd van dit treffen, verzamelde opnieuw een leger, maar nu op de Veluwe, bij Staveren en stak vervolgens bij Zwartewater over. Op 31 augustus 1337 lukte het hem middels een dure zege bij Barlake een bloedige overwinning te boeken. Hierdoor was dat ook meteen de laatste poging. De benden van Reinald bleven nog een poosje door de omgeving zwerven, dat de Friese bewoners en kloosterlingen van Hemelum, Kuinre en Veenhuizen zelfs Hollandse hulp moesten inroepen (Witkamp III, p. 434, 646).
    Nadat graaf Willem III was overleden en zijn zoon Willem IV zijn titels en gebied overnam, bleek dat de Friezen het niet zo op hadden met deze Willem. Slechts weinigen Friezen erkenden hem. De burgers van Stavoren echter wel. Zij stuurden 16 maart 1338 vier afgevaardigden naar 's-Gravenhage om hem te huldigen "als haar regte en wettige Heer". Dit werd -zoals gebruikelijk- beloond met Willems bevestiging van alle rechten en privileges (Witkamp III, p. 646).
    Appingedam had in 1327 de stadsrechten gekregen. Dit was mede een poging van de Fivelgoërs om zich te onttrekken aan de steeds toenemende invloed van Groningen. Het haalde niet zoveel uit. De invloed van Groningen bleef toenemen. Ook de daarbij komende behoeften om de waterschapsbelangen ten eigen voordelen te beïnvloeden. Dit schoot bij de landbewoners (Fivelgo, Hunsego en anderen in het verkeerde keelgat. De botsingen leidden er in 1334 toe dat Groningen meerdere malen werd aangevallen. Vele verdedigers vonden hierbij de dood. De overwinnaars vonden het verder nodig om zestig burgers het hoofd door beulshanden te laten afslaan.
    de vlag van
    de Ommelanden
    de vlag van
    de stad Groningen
    Echter door tussenkomst van het klooster te Selwerd werd een overeenkomst gesloten en bezegeld. Deze hield slechts vier jaar stand, waarna het wederom tot een treffen kwam tussen Groningen en de Ommelanden. Ook nu weer werd er door tussenkomst van het klooster te Selwerd werd een overeenkomst gesloten en bezegeld. Nu werden ook de schaden, maten en munten geregeld en afgesproken dat er een jaarlijkse bijeenkomst werd gehouden door alle belanghebbenden. Deze belanghebbenden werden vertegenwoordigd door de Abten van Aduard en Wittewierum, de Regters uit de Ommelanden en Drenthe en de Burgemeesters van Groningen. Deze overeenkomst van 1338 zou als grondslag dienen voor de latere vereeniging Stad en Lande (Wikipedia Vlag van Groningen (provincie); Witkamp III, p. 646).

    Tijd voor onderlinge strijd was er verder niet, want op 21 maart 1339 schonk keizer Lodewijk, tegen een vergoeding van 40.000 mark zilver een deel van de Friesche gewesten aan de ook door hem op 19 maart 1339 tot hertog verheven Gelderse graaf Reinald II.
    Groningen, het Goregt en Drenthe haastten zich tot een onderling verbond, waaraan zij, gezien de ernst van de situatie, de naam Pligt gaven. Gelukkig voor de Friezen, Reinald had het te druk met zijn broer, die elders in een strijd ondersteund moest worden.

          Slag bij Warns
    Vanuit het zuiden bleef het even rustig. Daarentegen hadden de burgerij van Stavoren weer eens genoeg van hun heer Willem IV en hoe hij ze ook paaide, ze zegden hun gehoorzaamheid op. De Westergooërs hadden Willem IV sowieso niet erkend. Dus zat er voor Willem IV er niets anders op om dit te straffen. In Amsterdam liet hij een grote voorraad voedsel en wapens bijeenbrengen. De bloem van Hollands, Henegouwens en Zeelands ridderschap werd opgetrommeld en bij Enkhuizen verzameld en ingescheept. En zo ging op 27 september 1345 het grootste leger ooit richting Friesland. Door de onkunde van de vele schippers of door het slechte weer duurde de anders zo korte overvaart nu een stuk langer en kwamen ze allemaal op verschillende Friesche stranden uit. Dit had fatale gevolgen voor dit Hollandse leger.
    Jan van Beaumont landde het eerst, in de nabuurschap van Stavoren, aan de zuidkant van het st. Odulphusklooster. Hij waagde zich onvoorzichtig vooruit en werd door de Friezen in de pan gehakt. Iets noordelijker kwam graaf Willem aan land, maar deze had slechts vierhonderd manschappen bij zich. De Friezen waren veel groter in getal en omsingelden de groep. Bijna alle Hollandsche manschappen sneuvelden hier. Ook de andere gelande troepen delfden het onderspit, want de klokken van de kerken riepen van overal de strijders op en ze waren vastbesloten om de vreemdelingen van de Friesche grond te verdrijven.
    Het grootste treffen vond plaats voorbij het dorp Warns, waar ook het recht werd gesproken. Meer dan 240 ridders en minstens 4500 volgelingen sneuvelden hier.
    Jan van Beaumont ontkwam deze slachtpartij doordat zijn schildknaap Robert de Gluves, hem met geweld van het slagveld afhaalde en in een vaartuig dwong.
    Onder de gesneuvelden waren uit Henegouwen de heren van Ligny, Walcourt en Antoing; uit Zeeland die van Borssele, Reimerswaal en Kruiningen en uit Holland die van Brederode, Wassenaar, Merwede, Teilingen, Asperen, Montfoort, Zandhorst, Swieten, Naaldwijk en Spangen. Geen stamhuis dat geen lid betreurde, geen burgerij die niet in het ontzettende verlies deelde.
    Willem was ook gesneuveld. De Friezen kapten bij hem het hoofd af, als wraak op hun doden.
    Deze overwinning markeert het begin van de Friese Vrijheid, waarin de rechten van de graaf [van Holland] niet langer werden erkend. De nieuwe graven van Holland gaven hun aanspraken echter niet op, al bereikten ze daar niets mee. Zodoende werd de komende anderhalve eeuw de propagandamachine aangezet, dat heden ten dage nog steeds zijn effect heeft op sommige delen van de huidige bevolking. In de ogen van de Hollanders werden Friezen barbaren, die geen door God gegeven hiërarchie - zo zien leiders zichzelf graag - aanvaarden. De Friezen waren ongehoorzaam en rebelleren en daarbij goddeloos, wetteloos en trouweloos. De Friezen hadden van hun kant een afkeer gekregen van de Hollanders.
    De Friezen vielen voortaan direct onder de keizer en dulden geen heer hiertussen. Kennelijk gaat de huidige keizer en volgende keizers hiermee akkoord, want deze vrijheid zal ruim 150 jaar duren, totdat Albrecht van Saksen Friesland onderwerpt. Tussendoor doet Albrecht van Beieren rond 1400 nog poging (Algra/Ein, p. 12; Spanninga/Gulden Vrijheid?, p. 40).


    Middeleeuws weekend de Slag by Warns door peppersreflection

    De overste van de St. Jansheeren in Haarlem, de Heer Maarten, toog naar Friesland om daar het lijk op te halen en bracht het eerst naar de abdij Bloemkamp bij Bolsward. Later werd het naar 's Hage en uiteindelijk naar Valenciennes overgebracht.
    Dit vreselijk drama pakte dus uiteindelijk gunstig uit voor de Friezen.
    Het had echter nog wel een nadeel voor de Friezen in Holland. De echtgenote van Willem, de jeugdige gravin, Johanna van Brabant, was zo verbitterd over wat er in Warns had plaatsgevonden, dat ze alle goederen van Friezen in Holland voor verbeurd verklaarde. Ook de Friesche monniken van Mariëngaarde moesten het ontgelden. Zij, die op hun uithof op Marken vertoefden, liet ze in de Zuiderzee werpen. (Witkamp I, p 242-243, III, p. 647).
    Gelukkig maakt Witkamp ook melding van een correctie met betrekking tot het verhaal over de wraakzucht van Johanna van Brabant, de weduwe van Willem IV (Witkamp II, p. 67).
    Door de Rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink is het oude, algemeen verbreidde verhaal, dat zij de monniken op Marken in de Zuiderzee heeft laten smijten, tot een verzinsel verklaart. In zijn bijdrage 'Markerhoofd' afgedrukt in de Vrije Fries, Deel X, pagina 101-131 (bijlagen 132-143), toont hij aan dat Willem de monniken op Marken van hun uithof heeft ontzet en van in zee werpen was dus geen sprake.
    Ook het 'verbeurd verklaren' komt te vervallen, dit zou ook vooraf al zijn geschied.
    Hoe komt zoiets als dit "in zee werpen"-verhaal tot stand? Net als waarschijnlijk iedereen die zich met (geschiedenis)verhalen bezighoudt, lees ik de verhalen die zijn opgeschreven door mensen waarvan erkend is dat ze dit betrouwbaar kunnen, dan wel waarvan ik denk dat dit zo is. En net als de hierboven vermeldde 6 verhalen, verhaald iedereen datgene wat hij of zij gebruiken kan. Zo lees ik het materiaal door met een Friese bril. Ik wil de geschiedenis van de Vrije Friezen, Friesland en Friezen leren kennen. Dus ik filter alle verhalen op deze context. Alle informatie wat hier niet over gaat laat ik weg. Betrouwbaarheid ontstaat in dit geval door bronvermelding. Het is daardoor voor iedereen na te gaan of het klopt. Vraag is natuurlijk, loopt iedereen de bronvermelding na? Kan iedereen aan de verwezen literatuur komen? En vervolgens, kan het dan ook begrijpend gelezen worden. Ik loop nu al tegen dit probleem op. Zeer oud Nederlands kan ik niet begrijpend lezen. Soms kan ik het niet eens lezen. En als het handgeschreven is al helemaal niet. Laat staan dat dit in het (oud-)Fries of Grieks of Latijn of oud-Germaans, neder-Duits of oud-Engels is. Dan is wel zaak dat je de auteur kunt vertrouwen. Maar, zoals hopelijk nog zal blijken, het is net als in de handel, 'als iets eigenlijk niet voor die prijs te koop kan zijn, dan is dat meestal ook zo en zal je bedrogen uitkomen'. Zo is het dus ook met geschiedenisverhalen. Als het je erg vreemd overkomt, dan zal het dat ook wel zijn. Je bent zelf immers ook een mens en die van 2000 jaar geleden zag er echt niet zo anders uit als nu. Al waren er toen natuurlijk al "man bijt hond"-types, zoals ze er nu ook nog zijn. Dus daarmee dienen we wel rekening te houden.
    Deze dwaling, zoals Bakhuizen van den Brink het noemt, begint volgens hem, bij de Friesche geschiedschrijver Sibrandus Leo (ook de brenger van de 6 hierboven genoemde verhalen! Het boek van Lambooij wordt steeds aantrekkelijker) in de vita et rebus gestis abbatum Horti Divae Virginis, bij Matthaeus, Analecta, t. V., p. 258 aan latere geschiedschrijvers als Wagenaar en Arend overgeleverd. Ook de 'opstandige' Bilderdijk geeft er een zelfverzonnen draai aan, door bendes Hollanders op Marken wraak te laten nemen op de monniken.
    Volgens Bakhuizen van den Brink is het aannemelijk te maken dat volgens een van de oudste rekeningen -beschikbaar in het Rijksarchief- aangeeft dat Willem zijn vijandelijkheden tegen de Friezen al 17 januari had afgesproken in Alkmaar. Het gevangen nemen van de Friese monniken op Marken en het verkopen van hun goederen vond kort daarop reeds plaats. Ook had in West-Friesland iets plaatsgevonden wat strookt met de gebeurtenissen op Marken. Verder wordt er gezocht in de mogelijkheid dat Willem voor de Friezen zag: een gemakkelijke uitvalbasis voor Friese plunderschepen zo dicht bij de Hollandse kust, waar ze ook nog eens voldoende voedsel konden halen bij hun stamgenoten.
    In de charters van 23 juli 1346 bij v. Mieris, dl. II, blz. 719 en 720 wordt verteld, dat nadat de pachten over de jaren 1344 en 1345 in plaats van in de abt van Mariengaard waren gekomen, nu in de (lege) schatkist van de graaf was gekomen, werden die goederen openlijk verkocht.
    Hiervoor zou het gehele eiland van Nicolaas Persijns gekocht zijn en hij noemde het eiland reeds Markenhoofd. En dat is hetzelfde als het daarna genoemd werd Markenhoef. Uit de Friese vorm hovede, is het woord hoofd ontstaan. En deze vorm doet vermoeden dat de Friezen er voor 1352 een vestiging hadden, waar veeteelt of landbouw werd bedreven. Waarschijnlijk heeft Sibrandus Leo met de benaming van de kapel de handschrift van Persijns verkoopbrief, verkeerd gelezen: S. Mariae curia in plaats van Marcae curia, in het Hollands Markerhoofd.

    Maar ik wil ook even stilstaan bij de individuele gevolgen van deze slag. De Friezen nog immer strijdend tegen overheersing van wie dan ook en elke keer weer iemand treffen, soms ver weg, een keizer die tegen gunsten of erkenning van zijn bestaan, iemand heerschappij geeft over een gebied, waar hij niet over gaat. Soms dichtbij, een zogenoemde graaf, heer of hertog, die met geweld land wil veroveren en zo heerser wil worden en hierin erkend wil worden of het als wingebied of belastingbetaler ziet. Deze mensen die hun eigen gebied verdedigen tegen andere mensen die dit van hun willen afpakken. En dan de mensen de het willen afpakken, gevangen in een web van netwerken. "Ik heb jou deze gunst verleend, dus nu vraag ik je om voor mij te vechten en je zult rijkelijk beloond worden", of woorden van zo'n strekking. Telkens weer hetzelfde liedje.
    4500 volgelingen. Dit zijn allemaal zonen en vaders, die gezinnen achterlaten, waar minder voor gezorgd gaat worden. En waarom? Omdat een heer het niet kan hebben dat een vrij volk niet naar hem wil luisteren. 240 ridders. Allemaal mannen van eer. Welk een eer? We komen daar nog over te spreken, over eer. En het verschil van deze riddereer en -wat ik dan maar even- Friezeneer zal noemen. 240 ridderfamilies die hun zonen en vaders moeten missen. Maar ook in dit systeem, de veiligheid die deze mensen aan hun omgeving beloofden en nu niet meer zullen geven. Welke gevolgen? Hoe zullen de ridderfamilies reageren op de dood van hun dierbaren? Waar zal het stoppen? Waarschijnlijk bij de hebzucht van de mensen.

    Gedurende het tijdvak van 1316-1345 waren de Friesche gouwen, even als vroeger, door herhaalde watervloeden, ziekten en andere rampen geteisterd. Tegenover het verlies langs de kusten der Zuiderzee kwam echter eene belangrijke aanwinst. De Middelzee, die Oostergoo en Westergoo van elkander scheidde, slijkte allengs op en vereenigde beide landschappen. De hoofdplaatsen aan de Middelzee (Bolsward, Sneek en Leeuwarden) werden daardoor landsteden, zoo als zij vroeger zeehavens geweest waren. Nogtans belemmerde deze herschepping haren bloei niet, want het "Nieuwland' was en heerlijke gifte: het is der vruchtbaarste oorden van Friesland (Witkamp III, p. 647).








    Van de voormalige st. Maartenskerk in Bolsward is een steen bewaard gebleven en tijdens de bouw van de nieuw kerk ingemetseld. Deze steen is uit de periode 12e-begin 13e eeuw.
    J.H. Koster zal het vermoedelijk getekend hebben en vervolgens is er door F. Orloff een houtgravure van gemaakt, anders kan ik de twee namen hierbij niet verklaren.
    De steen zelf is een rode Bremer zandsteen met voorstellingen uit het leven van Christus en Sint-Maarten. (Witkamp III, p. 647, Martinikerk Bolsward).

    Deze steen troffen we aan tijdens onze reis in 2013 in Bolsward

    Middelzee uit de Friesche Volksalmanak van 1889, p.158


    Deze kaart is een mix van een Google-maps uit 2011 en de Middelzee-kaart VI c uit het boek 'Nederland als Polderland'. Hierin is de Middelzee in gearceerd weergegeven en de dijk van waarschijnlijk het groot-Middelzee -zoals het ver voor 1300 was- met een afwijkende kleur ingetekend.
    De schalen van ongeveer 1:87000 komen bijna met elkaar overeen. De kaart van VI c is met 101% vergroot en komt grotendeels overeen met de Google-Maps kaart. En dat is op zich al een hele prestatie van de kaartmakers van weleer!
    Om de kaart enigszins leesbaar te houden zijn van de kaart VI c alleen de dijken + namen, de vaarten, kanalen, riviertjes en enkele kloosters overgenomen. Alle plaatsnamen zijn weggeretoucheerd, maar de plaatsaanduidingen -aangeduid met rondje + stip- zijn wel gehandhaafd, maar wel opnieuw ingetekend.

    Middelzee uit Nederland als Polderland, kaart VI c
    Wikipedia merkt op, dat steden als Sneek -wel aangegeven op beide kaarten- rond de dichtslibbing nog niet bestonden.
    Letterlijk gezien klopt dit, maar als dorpen waren ze er wel al.
    Tussen 1200 en 1300 slibde de Middelzee tot aan Het Bildt dicht. Het stuk wat afgesloten is met de Hooge dijk is aangeslijkt tot de 14e eeuw.
    Sneek (aan groot Middelzee) ontstaat rond 1000, 1496 stadsrechten (in 13e eeuw al enige stadsrechten).
    IJlst (aan groot Middelzee) ontstaat rond ...., 1268 stadsrechten. (bevestiging 1450)
    Leeuwarden (aan Middelzee) ontstaat rond ...., 1285 (als Nijehove) en 1435 (als Leeuwarden) stadsrechten.
    Bolsward (aan groot Middelzee) ontstaat rond begin van de jaartelling, 1455 stadsrechten.

    Tirns (aan Middelzee, in dichtgeslibd groot Middelzee); Van 1406 tot en met 1572 stond bij Tirns het klooster Thabor
    Scharnegoutum (aan Middelzee, in dichtgeslibd groot Middelzee); begon als terp, vermoedelijk bewoont 4e eeuw
    Irnsum (aan groot Middelzee); slag aan de Boorne, Het leger van de Friese koning Poppo werd in de slag door de Frankische hofmeier Karel Martel verslagen.
    Deersum (aan Middelzee, in dichtgeslibd groot Middelzee); heeft kerk uit 13e eeuw
    Rauwerd (aan groot Middelzee); bestond al.
    Weidum (aan Middelzee); heeft kerktoren uit 11e eeuw
    Jeltum (aan Middelzee)
    Marsum (aan Middelzee); rond 1300 ontstaan op kruispunt oude zeedijk naar Bolsward en een zeedijk die een gedeelte van de Middelzee afsloot.
    Beetgum (aan Middelzee)
    Berlikum (aan Middelzee); ontstaan als terpdorp aan de monding van de Riedstroom, destijds een slenk uit de Middelzee; in 1355 zichzelf stadsrechten mogelijk toegekend, dus bestond toen al.

    de Boorne - Middelzee - Zwette
    Oostergoo en Westergoo werd gescheiden door de Boorne (ook wel Boorn/Boarn), de Middelzee en Zwette. Het riviertje begint boven Bakkeveen en stroomt naar het westen, onder Beesterzwaag door, om bij Akkrum noordwaarts te gaan. Hier stroomde het ooit (2300 vOJ.-1200 nOJ.) bij Raerd / Rauwerd de Middelzee in.
    Intussen was de Middelzee zodanig opgeslibd dat de afwatering niet meer lukte en er een kanaal werd gegraven naar het Sneekermeer. De oude loop van de Boorne het nu Mûzel of Moezel. Na de bedijking van de Middenzee en de benodigde afwatering van het nieuw ingepolderd gebied werd de in het midden lopend stroompje Zwette de grens tussen deze twee goën, die tevens een eigen separate jurisdictie waren (Wikipedia Boorne; Algra/Ein, p. 14; Beekman/Polderland, kaart VI c).
    Ondanks de eendracht die de aanval van Willem IV had gebracht of de Friese gouwen, ook uit Hunsego en het Oldambt waren Friezen komen opdagen om het gevaar te bestrijden. Maar nu het gevaar weer geweken was, stak de partijenkwestie weer de kop op. Groningen en de Ommelanden gingen eigenlijk gewoon weer verder waar ze gebleven waren. Groningen richtte met een uitval een bloedbad aan in Hunsego. In Langewold kregen ze echter zelf de kous op de kop.
    Er werd op 2 februari 1346 een verdrag gesloten tussen de Abt van Aduard (of Adewert) en Groningen, waarin werd afgesproken dat alles wat te regelen viel tot behoud van de vrede in het Zeeland tussen de Lauwers en de Eems, eenmaal per jaar door elk 2 afgevaardigden in Groningen geregeld zou worden (Witkamp III, p. 648).
    Groningen werd in de gaten gehouden door Jan van Arkel, de kerkvoogd van het Sticht Utrecht, dat ze niet te zelfstandig werden. Door eenzelfde belang - het huis van Coevorden zou door huwelijk meer macht in Groningen krijgen dan hun lief was - sloten ook Groningen en van Arkel een verdrag op 7 juni 1360, waarin de burgers volledige vrijheid behielden en bescherming van de Over- en Nedersticht zouden krijgen.
    Intussen zagen de Friezen tussen het Vlie en de Eems met lede ogen aan, dat steeds meer gebieden werden ingelijfd onder een heer, graaf of hoofdeling.
    Een hoofdeling was intussen iemand geworden, die onderscheidde van andere vrijen, doordat hij bijvoorbeeld een bepaald territorium beheerde, een zogenaamde heerlijkheid, bijvoorbeeld een dorp. Hij was dan een dorpshoofdeling. Hij bezat (eventueel daarnaast) heerlijke rechten, zoals jurisdictie, heerban, recht op hofdiensten, belasting en het slaan van munt. We zien hier de betekenis van heer.
    De vrijen zouden hierdoor dan ook gezien worden als "hogere" vrijen. Zij hadden meer eer en aanzien dan de "gewone" vrijen. Hiermee deden denken aan de Germaanse nobiles. Ze vormden een soort militaire kaste, woonden in versterkte huizen (stins), hadden een aantal militairen (ruters, wonders) ingehuurd. Afwijkend en te verwachten van militair ingestelde vrijen, is dat ze hun aangetaste eer of aangedane onrecht niet meer in de rechtbank werd uitgevochten, maar met het zwaard.
    West-Friesland was Hollands geworden, Westerwolde Münstersch. In Oost-Friesland waren diverse hoofdelingen macht aan het verwerven:
    Edo Wimken in Rüstringen, Ostringen en Wangerland;
    de Cirksena's rondom Greetsiehl;
    de ten Broeke's (of Then Brok's) in Broekmerland, Marienhaf en Auricherhafe.
    verbond 9 september 1361
    Bij Cartago zijn naast de 2 originele handgeschreven pagina's (1 en 2) ook nog twee andere gedrukte beschikbaar.
    In "Oorkondenboek Groningen en Drenthe, nr. 509" staan twee pagina's waarin "De overheden van Westergo, Oostergo, Humsterland, Hunsingo, Fivelgo het Oldambt, Reiderland, Eemsgo, Brokmerland en die van de stad Groningen hernieuwen voor de tijd van zes jaren de bepalingen, vroeger bij den Upstalboom vastgesteld, met bijvoeging van enige andere.": ogd0509a en ogd0509b;
    In "Monumenta Groningana, pag. 229, nr. 66" bestaande uit zes pagina (1, 2, 3, 4, 5 en 6) is ook voorzien van Nederlandstalig commentaar en opmerkingen.
    Kortom de vrijheid van de Friezen in het nauw. Groningen ondernam actie. Ze kochten het sterke slot Kortinghuis van Herman van Couvorden en sloopten het. Op 9 september 1361 sloten ze een plechtig verbond met alle omliggende gewesten: Oostergoo, Westergoo, Humsterland, Hunsego, Fivelgo, het Oldambt, Reiderland, Emesgo en Broekmerland. Alle vroegere overeenkomsten werden weer bevestigd en met nieuwe bepalingen vermeerderd. Ook werd wederom afgesproken om dit jaarlijks te bespreken in Groningen. Alle genoemde Friese Zeelanden zouden elkaar bijstaan bij bedreiging van de vrijheid. De dichtbij wonende zullen hun hulp binnen acht dagen geven en die verder wonen binnen 14 dagen.
    Door dit verbond werd Groningen, hoewel het eigenlijk buiten Friesland lag, toch de hoofdplaats van de Zeelanden tussen Vlie en Eems (Witkamp III, p. 650-651; Algra/Ein, p. 102-105).

    Helaas zorgde dit verdrag er niet voor dat de binnenlandse onrust niet meer voorkwam. De wraakoefeningen vonden veelvuldig plaats. Ook de kloosterlingen, door rijkdom en weelde baldadig geworden, wilden door de wapenen hun gelijk halen. Zo werden de lekenbroeders van Bloemkamp of Oldeclooster naar de proostdij 's-Heeren-Wijngaar (bij Pingium) gestuurd om deze te bevechten (Witkamp III, p. 651).

    In deze tijd ging het in de handel rond de Noordzee goed. De burger kregen ook steeds meer te zeggen. In Kampen trad het vroedschap (de stadsregering) krachtig op tegen allerlei edelen, die zich als roofridders gedroegen. Van de ergste soort werden de roofburchten aangevallen en vernietigd. Zo werd in 1362 het sterke kasteel van Zweder van Voorst ingenomen. Aanleiding hiervoor was de wens van de Zwollenaren om een gracht naar de IJssel te graven. Precies over het land van Zweder. Hij nam hiervoor wraak en stak op 14 oktober 1361 enkele huizen buiten de stadswallen van Zwolle in brand. Dit heette toen de Nieuwstad (bij de huidige Thomas a Kempisstraat). Zwolle, Kampen, Deventer en de bisschop van Utrecht Jan van Arkel, hadden een verband met elkaar om elkaar in strijd te helpen. Dus allen trokken naar het kasteel van Zweder op en begonnen een goed voorbereidde belegering vanaf 29 juli 1362. Na ruim drie maanden, op 9 november, gaf hij zich over, omdat de belegeraars het drinkwater onbruikbaar maakten door dode beesten over de kasteel muren schoten en zo ook het drinkwater aantastte. (Dus biologische oorlogsvoering bestond in deze tijd ook al [opmerking WP].)
    Een zware ijzeren poortdeur, die was buitgemaakt vanuit het kasteel, werd in het Kamper Raadhuis geplaatst. Bij een brand in het Raadhuis van bijna twee eeuwen later, in 1543, redde deze deuren het Stadsarchief in de schepentoren. Het kasteel is nooit meer herbouwd. Op de zandduin Stinspark in de wijk Westenholte staat nu een speelkasteel voor kinderen (Kok/Kamper-ui, p. 19; Canon van Overijssel: Het kasteel Voorst 1, 2; Wikipedia Westenholte)
    De Hanse-steden deden ook goede zaken. Ook aan de Friese kusten.
    Zo lag er in Noord-Friesland waarschijnlijk tot 1362 een bloeiende stad met de naam Rungholt. In deze stad leefden en werkten een paar honderd mensen. De stad was rijk geworden omdat er turf gewonnen werd. Nu is turf op zich niet veel waard, maar wel als er zout in zit.
    Dit zout werd dus gewonnen uit de turf. Dit turf werd eerst verbrand en de as werd in blokken geperst en aangeleverd. Door het met water te spoelen, kwam het zout eruit. Men bleef spoelen tot dat het water zout genoeg was. De zoutconcentratie werd gemeten met een rouw ei. Wanneer deze bleef drijven, dan kon met verder met de volgende fase van de zoutwinning. Hierna kon men verder met het verdampen van het water. Uiteindelijk hield men 25 kg zout over, gewonnen uit 1 ton turf. Kortom, zout was het witte goud. En daar werd men rijk van.
    Door deze zoutwinning kon ook ander waar langer bewaard worden, zoals vlees en vis. En dus vond ook deze werkzaamheden hier plaats. Zo versterkte het een het ander.
    En het leven was een feest. Ook zal het zo in de andere opkomende handelssteden toe zijn gegaan.
    Maar op een namiddag kwam er een storm opzetten. Deze bleek zo heftig te zijn dat het een stormvloed veroorzaakte en golven produceerde die hoger waren dat tot nu voorgekomen waren, want ze overspoelden zelfs de wierden. Alles werd vernietigd langs de Friese kust en andere Noordzee kusten. Sint-Marcellusvloed begon om 17:00 op 16.01.1362.
    En zo verdween ook Rungholt (Rongholt op het ingebroken eiland Nordtstrandt in Atlas Maior). Sinds de 20e eeuw zijn er archeologische vondsten gedaan en heeft men bewijs gevonden dat deze stad echt heeft bestaan.

    Het verbond met Groningen van 1361 werd 29 augustus 1368 door een uitgebreidere in Groningen vervangen, echter nu alleen door de gewesten tussen de Lauwers en Eems. Groningen was ook toegetreden tot de Hanse-steden en zo steeg het aanzien nog meer. In Stavoren ging het wat dat betreft slechter. De haven begon te verzanden (Witkamp III, p. 651).


    Hanze oorlog van 1368
    De Hanze had al enige tijd problemen met de Noorse koning Haakon en Deense koning Waldemar. De Hanzesteden besloten in te grijpen. Dit zou de eerste in de geschiedenis zijn dat een groep samenwerkende steden of eigenlijk een grote groep handelaren de strijd aangegaan tegen landbezitters, al werden ze ook gesteund door hertogen uit Denemarken en Sleeswijk, naast de koning van Zweden. De koningin van de Hanzesteden, Lübeck, nam het voortouw, maar besloot dat er geen schip onder zeil mocht gaan voordat de schepen uit Kampen waren aangekomen. Dit geeft aan hoe de machtsverhoudingen liggen of eigenlijk de handelspositie of handelsgrootte van de steden. De deelnemende steden Dordrecht, Amsterdam, Stavoren en Harderwijk en alle andere Zuiderzeehavens leverden tezamen één Kogge met 100 manschappen. Kampen leverde in z'n eentje een Kogge, twee Rijnschepen en 150 manschappen.
    In april werd Kopenhagen aangevallen door 37 schepen en zo'n 2000 man. De stad viel op 2 mei en werd vernietigd. De zomer werd gebruikt om Schonen te heroveren op de Denen, die bij een vorig treffen was veroverd door de Waldemar. Ook werd Zuid-Jutland en Noorwegen veroverd. De belangrijk en strategische stad Helsingborg hield echter langdurig stand. Pas aan het einde van de zomer van 1369 kwam de stad in Hanse handen. De daden van de manschappen uit Kampen in deze strijd bestonden uit het vernietigen van enkele vijandige schepen. Daarnaast plunderen ze Thiorn en andere eilanden en veroverden ze de stad Morstrand welk een sterk kasteel had, die ze samen met kerk en klooster in de brand staken, waardoor de Deense koning een schade van 10.000 Mark opliep. (Kok/Kampen, p. 17; Wikipedia
    Zweiter Hanse-Dänemark-Krieg; Moulin/Kamper kronijk, p. 148).


    Vrede van Stralsund 1370
    Na de strijd tussen de Hanzesteden en koning Waldemar werd er op 24 Mei 1370 in Hanzestad Stralsund de vredesonderhandelingen afgerond. Er waren van de volgende steden vertegenwoordigers aanwezig: Lübeck, Stralsund, Greifswald, Stettin, Kolberg, Stargard, Kulm, Thorn, Elbing, Danzig, Riga, Reval, Dorpat, Kampen, Briel, Harderwijk, Zutphen, Elburg, Stavoren, Deventer, Dordrecht en Amsterdam.
    Bij de voorbereidingen waren er van de zijde van Kampen maar liefst drie vertegenwoordigers bij de onderhandelingen aanwezig: Everhard Bose (burgemeester), Thiderik Rode en Goswinus Ludekensson (advocaat van Kampen). Ook was er nog een advocaat uit Kampen Ertmar van Herken, die samen met Hendrik van der Heide de andere Zuiderzeesteden vertegenwoordigden. Bij de het sluiten van de vrede van de burgemeester van Kampen Everhardus Bose aanwezig.
    Het verdrag is te bewonderen in het Kulturhistorische Museum van de Hansestad Stralsund. (Kok/Kampen, p. 17; Wikipedia Friede von Stralsund; Moulin/Kamper kronijk, p. 148-150).


    Vetes
    Het stoken van bevolkingsgroepen tegen deze of gene vorst, door een of andere geestelijke had vaak z'n uitwerking niet. De opstand van de bewoners van Terschelling tegen de Hollandse graaf hertog van Albrecht van Beijeren kwam hun duur te staan. Ook de binnenlandse vetes gingen gewoon door. In 1378 gingen in Hunsego en Fivelgo door brandstichting verschillende plaatsen in vlammen op. In 1380 vond in Arum in Wonseradeel een bloedig gevecht plaats tussen Reinier Cammingha, Abt van Bloemkamp, aanhanger van de Schieringers en de monniken van Ludingakerk (aanhangers van de Vetkoopers). Aan beide zijden sneuvelden minstens 150 personen (Witkamp III, p. 652).

    In Oost-Friesland raakten de hoofdelingen Edo Wemken en Hajo Huseken met elkaar in de clinch. Stonden de zwagers eerst nog op goede voet met elkaar, Hajo was gehuwd met Jarste, Edo's zus, nadat Hajo Jarste had verlaten verkeerden ze in staat van oorlog. Hajo trok aan het kortste eind en stierf een wrede hongerdood in een van Edo's burgen. Edo was daarnaast een van de gevaarlijkste tegenstanders van de Hollandse koopvaarders.
    Tussen 1378 en 1380 brachten diverse stormen verschillende overstromingen voort, zodat diverse plaatsen van de aardbodem verdwenen. Ook vaarroutes veranderden en de haven van Stavoren kreeg kwijnde steeds verder weg.
    In 1381 verklaarde de hoofdeling Okko ten Broeke, die in Aurich zetelde en aan beide oevers van de Eems bezittingen had, zich leenman van hertog Albrecht van Beijeren, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. En hierdoor werd het steeds kleiner wordende Friese land omringd door Hollands gebied. Geen enkele echte Fries vergaf het Okko, dat hij op deze manier zijn macht en aanzien wilde vergroten, dit ten kostte van de vrijheid en onafhankelijkheid van alle Friezen. Hiermee had hij zichzelf tot vijand van alle Friezen gemaakt. Er zat dan ook niets anders op dan dat Oostergoo en Westergoo op 22 september 1381 het verbond met Groningen aangingen. Deze werd door de andere Ommelanden op 11 november 1382 bekrachtigd.
    Groningen had al enige tijd zijn eigen regering gekozen uit en door de bevolking, maar het recht zetelde nog steeds bij vazallen van de Utrechtse Bisdom. In 1392 creëerde Groningen de mogelijkheid om dit ook zelf te mogen doen, door dit recht voor honderd jaar af te kopen. De jaarlijkse pachtsom bestond uit 83½ goede gouden Fransche schilden en alle twintig jaar zou dit met 7 mark Lodewijk zilver vernieuwd moeten worden. Tevens zou deze gunst vervolgens voor 50 mark zilver verlengd kunnen worden.
    De huidige bisschop Floris van Wevelighoven had geen bezwaar te deze verpachting. Zijn opvolger in 1393 Frederik van Blankenheim echter wel. Onder voorwaarde dat voortaan het slot van Coevorden voortaan een verdedigingswerk van alle "Vrije Friezen zou zijn, werd hiermee de verbonden tussen de Drenten en Coevordenaars met Groningen bevestigd. Maar ook dat Groningen voortaan ook hun oude verplichtingen zouden nakomen ten aanzien van de bisschoppen van Utrecht.
    Ondanks enkele schermutselingen tussen Vetkoopers en Schieringers was het in de Ommelanden rustig (Witkamp III, p. 653-654).

    Onder druk van het Franse hof, dat nu weleens wraak wilde zien op Willem IV, die in 1345 sneuvelde, moesten hertog Albrecht en zijn zoon Willem van Ostrevant de Zuiderzee over (Witkamp III, p. 654).

    In 1396 ging een Hollandse oorlogsvloot naar Friesland om dit te onderwerpen aan het toen heersende gravengezag. Een deel van het Friese leger stond hun reeds op te wachten op de dijk. De schepen kwamen steeds dichterbij en opeens kwam er achter de Friese mannen een vrouw tevoorschijn. De Hollanders kwamen steeds dichterbij en toen ze op een pijlschot afstand waren gekomen, trok de vrouw haar (volgens Witkamp blauwe) jurk en hemd omhoog en draaide zich om, zodat de Hollanders (en met hun de Henegouwers en Zeeuwen) haar blote achterste konden zien. "Hier zijn jullie welkom!" schreeuwde ze, vermoedelijk wijzend op haar derrière.
    Omdat deze vertoning voor de Hollanders als een aantasting van hun eer werd beschouwd, moest dit met geweld gewroken worden. En dus werd de vrouw met pijlen bestookt, die haar benen en billen doorboorden. Daarna werd ze gegrepen door enkele strijders en in stukken gesneden (Nijdam/Lichaam, p. 56-57).
    De voorbereidingen van deze oorlogsvloot had echter wel wat voeten in de aarde. Hertog Albrecht ging voortvarend te werk. Hij zocht steun bij Henegouwen, schreef de Zeeuwen aan, zond iemand naar Brittanië om steun van koning Richard II en bestelde in Utrecht ettelijke donderbussen. De Friezen poogden tot een vergelijk te komen, maar daarop ging Albrecht niet in. 19 augustus 1396 stak Albrecht van Amsterdam naar Hoorn over. Bij Enkhuizen vond de hertog zijn Engelse steun onder leiding van Cornwallis, Colleville en nog een derde ridder. De Henegouwers waren vanuit Antwerpen gaan varen en via het Marsdiep het meest oostelijke punt van West-Friesland bereikt. De Zeeuwen en Hollanders volgden hen snel en na elf dagen kwamen ook de 500 beloofde Fransen aan. Op zondag 27 augustus ging het hele gezelschap aan boord in vele honderden koggen en andere vaartuigen, beladen met proviand, ossen, schapen, tarwe, bier, vuurpannen en toortsen, bussen, kruid en steen voor de magneelen en ander werpgeschut.
    Het weer was uitstekend en zonder problemen komen de Hollanders met hun bondgenoten voor de Friese kust van Oostzingerland bij Kuinre, waar ze begroet werden met naast wapens dragend ook kruisbeelden. "Liever sterven als vrije mannen, dan ons aan eenig heer te onderwerpen", riepen ze hun toe.
    Echter, heer Herman van Kuinre, had de landing van de Hollanders begunstigd. Voor de bisschop van Utrecht was het heerlijkheid Kuinre, wetende dat de bewoners een hekel hadden aan hun heer, om middels een verdrag ook zeggenschap over dit heerlijkheid te krijgen. Dit zat er echter voorlopig niet in.
    De Hollanders landen en op enkele schermutselingen na, lieten ze het daarbij. Een halve mijl van kust werd bezet door de Hollanders en hun bondgenoten. En ze pakten de schepen uit en richten hun kampement in.
    Op 29 augustus trokken ze op naar Schoterzijl en uiteindelijk delfden de Friezen het onderspit tegen zoveel overmacht, ook het Friese legerhoofd Juw Juwinga liet het leven. Slechts vijftig overleefden de aanval, waaronder de heer van Kuinre en werden gevangengenomen en afgevoerd naar 's-Gravenhage. Na de overwinning op diverse bolwerken verlieten de hertog en de zijnen op 6 september het Friese land. Enkele dorpen waren in brand gestoken en havens werden geblokkeerd. De Amsterdammers hielden de Lauwers gesloten om de Friezen te stremmen.
    Omdat Albrecht geen zegepraal had, liet alsnog nog kaperbrieven uitreiken aan Engelsen en Hollanders. Tevens werden er bij alle Hollandse plaatsen aan de Zuiderzee beveiliging aan te stellen, variërend van 32 (Edam) tot 200 (Amsterdam) man.
    De Friezen kenden ook dit trucje en brachten ook kapers in de vaart, zodat de handel en scheepvaart aan beide zijden grote schade werd toegebracht (Witkamp I, p. 258-259; III, p 572).

    In 1397 brak ook weer de pest uit, zodat vele duizenden de dood vonden (Witkamp III, p 572).

    In de lente van 1398 besloot Albrecht nogmaals tot een tocht naar Friesland. Nu onder leiding van zoon graaf van Ostrevant. Wederom kregen de Hollanders hulp van Henegouwers, Zeeuwen en enkele honderden Engelsen. 17 juli zetten ze voet aan land te Lemsterland. De Hollanders waren extra gegriefd omdat de Friezen de Hollandse bezetting, die nog in Stavoren en op andere plaatsen toefden, zonder enige uitzondering Friesland hadden uitgedreven.
    Graaf Willem trok vanuit Gaasterland door naar Stavoren. Onderweg ondervond hij geen hindernissen, want op 20 juli kon al zijn tenten op het Rode Klif opzetten.
    Stavoren zat klem. Aan de zeekant lagen twintig grote zeeschepen en via land konden ze niet meer in contact komen met de andere Friezen. Uiteindelijk moest Stavoren zich onderwerpen aan de Hollandse graaf. Heel Oostergoo en Westergoo volgden. Alleen Achtkarspelen bleef weigeren.
    De zoen, die op maandag 29 juli in het leger voor Stavoren getroffen werd, bestond uit het Hollandse recht om overal waar de heren en edelen het wilden, ze steden en burgten mochten stichten. De Friezen konden hun "Friesk recht" behouden. Verder moesten ze met al hun vermogen Hertog Albrecht en zijn zoon helpen om de nog niet bedwongen delen van hun gewest aan het Hollandse gezag te onderwerpen. De Friezen konden niet buiten hun land voor de strijd opgeroepen worden.
    En zo werd hertog Albrecht in Medemblik op 10 augustus 1398 door twaalf "aanzienlijke Friesche heeren" gehuldigd.
    De hertog van zo zeker van zijn Friese bezit, dat hij het aandurfde op een leenstelsel in te voeren.
    Als dank voor de hulp ontving heer Arend van Egmond het eiland Ameland en het Bildt tussen Minnertsga en Mariëngaarde (Witkamp I, p. 259-261; III, p. 655).


    In Ostfriesland ondernamen de tom Brok (tom Broke, tom Brook, tom Broek, ten Brok, ten Broke) familie dit gebied onder controle te krijgen. Keno Hilmerisna (* ± 1310 - † 1376) begon ermee en kreeg in 1371 pauselijke erkenning met capitaneus Brocmanie. En werd zo hoofdeling van Brookmerland met naam Keno I. tom Brok.
    Ocko I. tom Brok
    (* ± 1345; † 7. August 1391),
    volgde zijn vader in 1376 op.
    Werd door de koningin van Napels tot ridder geslagen.
    Trouwde in 1377 met hoofdelingsdochter Foelke Kampana (Hinte, ± 1355 - Aurich, † > 16 augustus 1417 - < augustus 1419), of Folkeldis Kampana (ook Quade oftewel Kwade Foelke genoemd).

    Beeld Foelke Kampana in Dornum.

    Zij kregen drie kinderen
    Keno II, Tetta en Ocka.
    Ocko I. had al een onecht kind:
    Widzel tom Brok († 25. April 1399).
    Ocko I. neemt het stokje over in 1389 van zijn vader (en voor zijn minderjarige broertje Keno II), samen met zijn stiefmoeder Foelke.
    Keno II. tom Brok
    (* ± 1380 - † 16. August 1417)
    volgde zijn gedode halfbroer op van 1399 tot 1417.

    Aan de andere kant zagen de edelen van de Vetkoopers het leenstelsel van Albracht wel zitten en zelfs aan de andere kant van de Lauwers boden ze de Hollandse hertog landschappen aan. In een bijeenkomst op 11 september 1398, op de burg Onsta te Sauwerd, werden door Vetkooper edelen opdracht brieven geschreven, waarbij zij niet alleen hun goederen bij de hertog verhieven, maar hem zelfs de landschappen Hunsego, Fivelgo en het Oldambt in hun geheel opdroegen, met alle huizen, burgen, Heerlijkheden, hoog en lage rechten, renten, voordelen, zeevonden en andere privilegiën. Al deze goederen ontvingen zij weder van Albrecht te leen, nadat zij hem als heer hadden gehuldigd en zich verbonden om hem binnen de Friesche landpalen getrouw te zullen dienen. Van zijne zijde beloofde de hertog deze edelen, hen als zijn leenmannen te zullen beschermen en bij te staan indien zij in hunne rechten en bezittingen mochten worden aangevallen.
    Zelfs aan de andere kant van de Eems bleven ook de opvolger van Okko ten Broeke, zijn zoon Keno, i.c. zijn voogd en stiefbroer Widzelf, omdat hijzelf nog onmondig was, Albrecht volgen.
    Naast de Vetkoopers stonden ook de hooge geestelijken in de rij om hem genegenheid te tonen (Witkamp III, p. 655). Om aan de hertog eis te voldoen stond heer Feije van Dockum vooraan om Achtkarspelen menig gevoelige klap toe te brengen. Veel verder kwam het ook niet omdat de buurman aan de andere kant, Groningen, hun ondersteunde.
    Echt van hart harte ging de erkenning verder niet. Albrecht was dan ook genoodzaakt om ten aller tijde een soort van bezettingsmacht van Hollanders en Zeeuwen aanwezig te houden.
    Albrecht beleende verder op 7 februari 1399 aan Jan van Arkel Terschelling, 22 maart Jan van Heemskerk het gerecht van Koudum.
    Fije van Dockum en zijn vrienden werden beloond voor hun inzet. Ook steden die meehielpen werden bevoorrecht. Harlingen ontving vrijheden en poorterrecht (stederegt) op 31 december 1398, Bolsward 5 april 1399 een keur en Workum 19 april 1399 een gelijke keur.
    Verder werden nog Friesche edelen beloond: Tymen Hopper met de Heerlijkheid Warns, Hero Henting met Doedenkerk (Nyland), Taike Ailsum met Aalsum, Hessel Up ten Geest met Driezum, Tyarch Walta met Wirdum, Herman Willemsz met Hemelum en Gerrit Cammingha met Leeuwarden, Stiens, enz. Al konden deze heren er niet lang van genieten (Witkamp I, p. 261-262; III p. 656).


    De oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen in de laatste jaren der XIVe eeuw, naar onuitgegeven bescheiden / Dr. Eelco Verwijs. - Werken Historisch Genootschap, nieuwe serie, no. 8. - Utrecht : Kemink en zoon, 1869

    Tjaden besteed tientallen pagina's aan het verschijnsel Likedelers:
    Ostfriesland : Vom Leben unserer Vorväter zwischen Meer und Moor / Jan Tjaden
    ISBN 978-3-937843-23-0
    vanaf pagina 111 geeft hij een verklaring voor de piraterij of zeeroverij op de Oostzee en de verdere gevolgen. Veroorzaakt door rivaliteit tussen koningin Margaretha 1353-1412 (Denemarken en Noorwegen) en de Koning Albrecht van Mecklenburg (Zweden). Door een zeeblokkade op te zetten, probeerde ze Zweden d.m.v. uithongering onder druk te zetten. Echter de hoofdstad Stockholm hield stand, mede door hulp van ene Fries Klaus Störtebeker uit Friesland of Groningen (Termunten) die met zijn clubje de Likedelers (gelijkdelers), de schepen van de Denen beroofde en deze voorraden (de victualiën) afdroeg aan Stockholm en zo kregen ze de bijnaam Victualiënbroeders.

    In de periode dat de stiefbroers tom Brok hoofdelingen waren in stukken Ostfriesland, gaven ze de Victualiënbroeders onder leiding van Klaus Störtebeker ruimte om hier de havens aan te doen. Ze werden er immers beiden beter, rijker en sterker van. Widzel tom Brok gebruikt deze versterking om Saterland met geweld te veroveren. Hij had in november 1398 een vrijbrief hiervoor gekregen van de graaf van Holland hertog Albrecht van Bayern. De in het voorjaar van 1399 gehouden Hanzedag werd echter nog eens duidelijk dat Widzels ondersteuning van de Victualiënbroeders minder dan voorheen op prijs gesteld werd, omdat ook de Hanzeschepen aangevallen werden.
    De verovering van Saterland mislukte faliekant. Widzel werd met zijn 80 man sterke leger op 25 april 1399 bij Detern verslagen door de Saterlanders. De strijd werd gestreden tussen twee partijen. Aan de ene kant de aartsbisschoppen van Bremen, Minden, Münster en de graaf van Oldenburg. Aan de andere kant Keno en Widzel. Widzel vluchtte tijdens de strijd in de kerk van Detern, die door brand werd gedwongen zich over te geven en door zijn woedende vijanden werd afgemaakt.
    Dat er tussen de 80 mensen van Widzel ook Victualiënbroeders, interesseerden de Saterlanders niet. Dat blijkt ook uit de zegel van de Saterlanders die op 23 mei 1400 in Emden aan het verdrag werd gelakt. In dit verdrag van de afgevaardigden van de Hansesteden werd geloofd om de Victualiënbroeders niet meer te ondersteunen (Ostfriesisches Urkundenbuch, Band 1, nr.
    325, 171; Klöver/Spurensuche, p. 39; Heese/Saterland, p. 47).

    Ostfriesisches Urkundenbuch, Band 1, nr. 171
    Emden, 23 Mai 1400

    Witlik sy allen den ghenen, de sessen bref seen edder horen lesen, dat wy hovetlinge unde menheyt des ghantsen landes to Ostvreslande, also dat beleghen is twysschen der Emese unde der Wesere, up dat wy schullen unde willen nummermer to ewyghen tyden Vytalienbrodere edder ander rovere, de den kopman beschedighen edder beschedighen laten to lande ofte to watere, husede ofte heghede in unsen landen ofte ghebede.
    Were dat id iemand dede, so wille wy unde schullen mid rade, mid dade, mid alle unser macht darto helpen unde volghen to lande unde to water, dat de vorghescrevenen rovere vorstoret werden.
    Ok schullen wy unde willen, dat alle koplude schullen velich unde vry varen unde keren to lande unde water by nacht unde by daghe, wanner dat id om beqweme is, uppe oren rechten tollen, den se oldinghes pleghen to ghevende. Weret dat se iemand daran hinderde edder wolde hinderen laten, so scholde wy unde willen se vorbidden unde vordeghedinghen mid alle unser macht mid ghantsen truwen.
    Ok weret, dat God vorbeden mote, dat dar ienich schipbrokicht worde in der se bynnen landes edder buten in der se, wat ghud daraf gheberghet worde van inwoneren de vorgheschrevenen landes edder van anderen luden, de dar to kemen ofte to essched werden, nemen schullen redelik arbeydes loen.
    Were aver dat de schipper mid eines schepes kinderen edder mid den kopluden sulven wes berghede, dat schollen se beholden unde dar nicht afgheven, unde dat voren, wannen unde wore on dat bekeme (sic) is, sunder hindernisse. Ok schullen alle de breve, de den menen hensesteden edde eyner stad besunderghen ghegheven sint, by orer macht bliven unde unvorbroken.
    Dyt hebbe wy ghedeghedinge mid den erliken luden, hovetlude van der hense utghesand, van Lubeke her Henning van Rintelen, her Iohan Krispin, van Hamborch her Albert Schrege, her Iohan Nanne, van Bremen her Ludger Wolders, van Groningen Sweder van Winden, Alef Scheling unde Albert Scheling, de nu to der tyd to Emede sind.
    Alle desse vorgheschrevenen stucke unde artikele unde eyn islik bysunderen love wy alle, de hirna gheschreven stat, in guden truwen stede, vast, unghebroken to holdene sunder ienegherlege holperde, alle arghelist ughenomen, unde hebbet des unse ingheseghele witliken ghehenget laten an dessen bref, wy Kene, heren Okken sone, van de Broke; Leward van Emede, hovetling to Norden; Volkmar Allen, hovetlink to Osterhusen; Ede Wymmekens hovetlink in Rostringes verdendel; Haro Aldesne, hovetlink to Valren; Hisseke hovetling, provest to Emede; Haytedissone tho Hlerlete; Haro Ydzerdissone, hovetlink in der Grede; Affo Beninga, hovetlink to Pilsem; Lubbe Tyvetissone; iunge Hero, hovetlink to Dornum; Nonko Duressone; olde Hero, hovetlink to Dorzum; Tzasse Dressone; iunge Folkolf to Schortinse; Volkerd Iagens sone; Isbrand Redlins sone, hovetlink to Repisholte; Gherke Unckenssone; Dido Lubensone, hovetlink to Rodenkerken; Konka Hikna; Hikka sin sone; Hayo Ylyessone, hovetlink to Varle; Eggo Heringes; Peko Egkardessone; Tonto van Lanwarde; ok alle Murmurland mid orem seghele, Lantsingerland mit orem seghele, Overlodigerland myd oren twen seghelen, Sagharderland mit orem seghele und Astringerland mit orem seghele.
    Weret dat eyn edder twe edder mer, de hyr vorgheschreven stad, nicht geseghelden, dar scholde desse vorgheschrevene breff nicht mede vorbroken wesen. Gheschreven to Emede, na Dodes bord in deme verteynhundersten iare, des sondaghes vor senthe Urbanus daghe.

    De Utrechtse bisschop Frederik III zag met lede ogen aan hoe Albrecht ook probeerde Groningen in z'n macht te krijgen. De leden van de Magistraat luisterden echter liever naar de bisschop met z'n beperkte macht. En dus werd er nog maar eens een overeenkomst gesloten, dat de stad alleen de bisschop als heer had en dat de bisschop zijn stad zou verdedigen (19 februari 1399). En zo werd het vorige verdrag uit 1392 met bisschop Floris van Wevelighoven weer grotendeels tenietgedaan.
    Bisschop Frederik had ook goede contacten met enkele Groningse Vetkoopers, en deze wilden hun afgepakte eigendommen weer terug, daarnaast wil Frederik ook weer de installatie van zijn schoutambt. De Schieringers weigerden dit. Voor Frederik reden om met een leger naar Groningen op te rukken, om dit af te dwingen. Frederik had hiervoor verdragen gesloten met andere steden (Utrecht, Amersfoort, Deventer, Kampen en Zwolle) over geld en oorlogstuig te leveren. Omdat het jaar te ver was gevorderd voor een succesvolle aanval, werd een mijl ten zuiden een kampement opgebouwd en bij Noordlaren een sterkte die zijn naam zou dragen Blankeweer gesticht. Groningen werd zo vanaf het zuidwesten en oosten afgesloten (Witkamp III, p. 574, p. 658).

    Groningen was intussen overspoeld met gevluchte Friezen, die zich niet wilden schikken aan de Hollandse heren. Hieronder bevond zich een rijk uit Stavoren uitgeweken burger, Jarges Coppen, die de hertog uit alle macht probeerde tegen te werken. Eppo van Nittersum, hoofdeling van Stedum, hield een vurige toespraak voor het behoud en handhaven van de voorvaderlijke vrijheid. De Fivelgoërs grepen naar de wapens en onder zijn leiding gingen ze enkele Vetkoopers te lijf en richtte een slachting aan onder hun. En zoals dat gaat bij een vete, de Vetkoopers kwamen bij elkaar en zochten Eppo op om het te verdrijven. Eppo en de zijnen vluchtten naar Groningen, waarvoor ze voor een dichte poort kwamen te staan. Waarschijnlijk hield Groningen de poort dicht om zo meer macht te krijgen. Ze moesten beloven om zich aan de Groningse macht te onderwerpen. Nadat ze dit gedaan hadden, mochten ze naar binnen. Verheugd was de Groningse regering over deze afgedwongen belofte. Maar zoals iedereen weet, een afgedwongen belofte heeft geen enkele waarde.
    De Schieringers voeden deze afkeer tegen de Hollandse overheersing en ondersteunden de burgers in Achtkarspelen met hun verzet. Ze brachten een macht bijeen die onder leiding van Sytse Dekama, Gale Hania en Ode Botnia de Hollandse bezettingsbende bij Dockum gingen aanvallen. Graaf Willem vertrok op 28 mei acuut uit Stavoren met hulpbenden en levensmiddelen en bereikte 2 juni Holwerd en de volgende dag Dockum. Om de aanvallende Friezen blijvend uit de buurt te houden, stichtte Willem aan de monding van het Dockumerdiep een sterkte "ter Luine".

    De Vitalienbroeders worden gevangen genomen.
    Kaperfahrten in der Nordsee, 1398-1402. - p. 25
    Klaus Störtebeker : Ein Mythos lebt! / Dr. Andreas Seeger (MS Europa, 7. September 2005)
    De Friezen gingen echter door met hun aanvallen. Kollum ging aangestoken door Albrechts leger, in vlammen op en de Hollanders en Hollandsgezindten werden regelmatig opgeschrikt en geplunderd. Om sterker te worden verbonden ze zich met de Victualiebroeders of Likedeelers, zeeschuimers die zich beroemden door alle buit in gelijke deelen aan elkander toe te kennen (Witkamp I, p. 262; III, p. 656).
    Ter zee en op het land werden de Hollanders en Zeeuwen belaagd en al gauw was de heerschappij van de hertog nog beperkt tot slechts een aantal steden. De Vetkoopers-partij, die Albrecht veelal steunden en van hem leenden en gunsten verwierven. Onder de geestelijken, waren er de Kommandeur en st. Jansridders te Sneek, de kloosterlingen van ten Zande, de priors van Stavoren en Ludingakerk. Van de edelen kreeg Feije van Dockum de helft van Dongeradeel beleend, Jouke Donia kreeg Irnsum en Aalsum aan de Boorn, Baubo van Sauwert kreeg Oudega, Schelte Liauckema - Pietersbierum (m.u.v. Winaldum, Sexbierum, Minnertsga, Menaldum, Dronrijp en Boxum), Galtinga Aninga - Ferwerd, Gjeerd Walt - Cornwerd, Goslik Heslinga - Tjummarum (inclusief Oosterbierum, Tjum, Franeker, Midlum, Ludingakerk, Herbayum, Achlum en Hitzum) en Azigo van Pellenze kreeg tenslotte Hichtum, Burgwerd, Hartwerd, Witmarsum, Achlum en Parrega. Er werden nog veel meer anderen lenen toebedeeld (Witkamp III, p. 656).
    Ze werden echter langzamerhand allemaal verdreven door de Schieringers. In de zomer van 1400 moesten de heren Feije van Dockum, Gerrit Cammingha en hun medestanders zich als ballingen naar Holland begeven.
    De Friezen zochten en vonden intussen steun bij de Hamburgers. De Hollandse hertog poogde nog steeds om voldoende mensen voor een leger op de been te krijgen, maar de Hollandse en Zeeuwse steden waren er niet meer zo happig op. Beiden waren op zoek naar steun. De Friezen probeerden de Engelsen te neutraliseren. Albrecht won de Denen voor zich. Hierdoor kwamen de Hamburgers zodanig in knoei, dat de Hamburgers vrede sloten met de Hollanders. De Likedeelers kwamen bij beiden partijen in een kwaad daglicht te staan (Witkamp I, p. 262-263).
    De daden van een van deze zeeschuimers, een zekere Stortenbeker, leefden nog lang in de herinnering van de Friezen. Bij zijn gevangenneming ontrukte met hem een grote hensebeker, waarin de volgende woorden gegrift stonden:
    Ick Joncker Sissingha
    Van Groningha,
    Dronck dees hensa,
    In een flensa,
    Door myn kraga,
    In myn maga.
    (Witkamp III, p. 658, noot 1)


    Aankomst van de gevangen genomen Vitalienbroeders in Hamburg.
    Kaperfahrten in der Nordsee, 1398-1402. - p. 26
    Klaus Störtebeker : Ein Mythos lebt! / Dr. Andreas Seeger (MS Europa, 7. September 2005)


    De executie van Klaus Störtebeker en andere Victualiënbroeders in 1401.
    Flugblatt von 1701: Die hingerichtete See-Räuber Störtebek und Gödeke Bicheel, zum 300. Jahrestag der Hinrichtung der Vitalienbrüder Gödeke Michels und Klaus Störtebekers auf dem Hamburger Grasbook 1401. Gedruckt bei Nicolaus Sauer, Hamburg. Im Bestand des Hamburger Staatsarchivs.

    Groei + aantal inwoners per stad
      13e eeuw 14e eeuw 15e eeuw
      + tot + tot + tot
    Kampen     6231   3989 15 à 16000
    bron: Kok/Kamper-uien, p. 19
    In de lente van 1401 trok het bisschoppelijk leger op Groningen aan. Met de hulp van de Friezen hield de stad de belegering geruime tijd uit. Af en toe braken ze uit om het leger van de bisschop schade toe te brengen. Na een half jaar verlangden beide partijen naar een overeenkomst. Op 30 november 1401 werd een wapenstilstand voor een jaar afgesloten en men zou in die tussentijd verder onderhandelen over verder vrede (Witkamp III, p. 574, p. 659).
    De gebroeders Van Limburg in dienst bij Jean de France, Duc de Berry (1340 - 1416) illustreren manuscripten als Les Belles Heures en Les Très Riches Heures.

    Meer informatie op www.gebroedersvanlimburg.nl

    Na aanleiding van en geïnspireerd door deze kleurrijke miniaturen is fotograaf Stef Verstraaten aan de slag gegaan en heeft in Edelman Bedelman de kleding uit de wereld van de Gebroeders Van Limburg fantastisch gefotografeerd. In dit boek met ISBN 978 90 814500 1 0 poseren de personen individueel in de klederdracht van die tijd.

    11 Juni 1401 doet de hoofdeling Keno tom Brok nog een poging om Saterland onder zijn heerschappij te krijgen. Dit doet hij door te luid verkondigen dat, volgens Klöver, dat lant von Sagelter Lande mit den sloeten darin gelegen en volgens Heese, dat land van Sagelterlande mit den sloeten darin gelegen voortaan onder zijn heerschappij valt. Letterlijk staat er Item dat lant van Sagelterlande mit den sloeten dairin belegen. Hiermee beleent hij het gebied, samen met zijn andere gebieden, over aan de hertogen van Gelre en Gulik. Van echte invloed van de kant van Keno tom Brok over Saterland is echter niets gebleken (Ostfriesisches Urkundenbuch, Band 2, p. 698-699, nr. 1739 / Cartago; Klöver/Spurensuche, p. 39; Heese/Saterland, p. 47).

    Juni 1401 deden de Friezen nog een poging om Stavoren weer onder controle te krijgen. Binnen enkele weken hieven ze het beleg alweer op. De Hollanders kwamen ook niet meer veel verder. Tijdens een aanslag op Molkwerum door de Hollanders werden de bevelhebbers, waaronder de officier Walraven van Brederoden, gevangengenomen. Echter hij wist door slechte wacht aan Friese zijde, te ontkomen (Witkamp III, p. 657).
    Uiteindelijk waren ook de Hollandse en Friese partijen zo moegestreden, de kapers oorlog zo zat en het beu om de strijd op het land door te voeren, dat ze besloten tot een vrede te komen. Albrecht tekende te 's-Gravenhage op 30 september 1401 en op 1 oktober tekenden de volmachten van Oostergoo en Westergoo te Bolsward. De hertog bleef in bezit van Stavoren, echter het st. Odulfsklooster vier buiten zijn gebied. De gesloten vrede gold ook voor alle andere Friese landschappen van tot aan de Wezer en Lenne, met inbegrip van de eilanden Terschelling, Ameland, Grind en anderen. De handel werd wederzijds beperkt tot drie steden. Voor de Friezen waren dat Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. De Hollanders op Harich, Harlingen en Holwerd. Stavoren zat nu weer in een gunstige omstandigheden, want ze waren voor iedereen, Hollanders en Friezen tolvrij en handelsvrij (Witkamp I, p. 262-263).

    Intussen spanden de Groningers samen met de Schieringers van de Ommelanden om de Vetkoopers in Fivelgo en Omdambt te verjagen. De eerste Schieringers aanval - of zoals men in de stad zei, Onstamans - gold voor de hoofdelingen Onne en Popke Snelgers van Appingedam. Hun sloten stonden aan weerszijden van de kerk en werden verwoest. Meer problemen hadden ze met de burg van wijlen proost Onke Ripperda in Farmsum. 's Nachts waren er namelijk zo'n 500 zeeschuimers (Likedelers) vanuit Greetsiehl overgestoken om te komen helpen. De Schieringers moesten uiteindelijk wijken en keerden naar Appingedam terug. Enkele dagen later gingen het nog een keer proberen. Nu hadden ze ook lichte vaartuigen op wagen meegenomen en zodoende konden ze de burg van alle kanten aanvallen en wonnen nu wel. De meehelpende zeerovers werden allen in de burggracht en zijlrijd verdronken.
    Daarna ging het verder: het slot van Menno Houwerda in Termunten, gevolgd door de burg in Broek of Oosterbroek van hoofdeling Eyolt Gockinga. Deze kostte weinig moeite, maar ging niet echt eervol. Gockinga had namelijk in 1399 al zijn wal gesloopt en gracht gedempt. Ook had hij zijn wapenknechten afgedankt. Hij gaf zichzelf over en wilde met alle voorwaarden van de Schieringers akkoord gaan. Echter de buren haten ze Vetkopers zo, dat het slot 'geslecht' werd. En kennelijk waren de andere aanvallers niet in staat om zich billijk of edelmoedig op te stellen.
    Met deze overwinning beschouwden Groningen zich eigenaar van het Klei-Oldambt en het Wold-Oldambt. Ze stelden een kastelein aan op de burg van Termunten en in Winschoten een ambtenaar van gelijke rang. Voortaan spraken zij het recht.
    De gevangenen Eyolt Gockinga, Hajo Gockinga en Hajo Addinga werden naar Groningen gebracht (Witkamp III, p. 658-659).
    Door het verdrag met de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim van 30 november 1401, waarin ook vrije handel tussen alle Friezen van Lauwers tot Eems, maar ook tussen hun en de burgers van Over- en Neder-Sticht van Utrecht, leefde de samenleving weer op. Vrede, vriendschap en ongestoorde handel! Hieraan hadden alle weldenkenden reikhalzend naar uitgekeken, want dit zijn de factoren voor welvaart en bloei!
    Keno ten Broeke had zich problemen op de hals gehaald van de machtige Hanse, door de Likedelers te begunstigen.
    Ook de naar Holland uitgeweken Friezen, keerden van lieverlee weer terug naar hun voormalige stinsen, voor zover deze er nog waren en anders bouwden ze het weer op.
    Onder de terugkerende bevond zich onder andere Rienk Bokkema, heerschap van Sneek, die terugkeerde naar zijn huis Rodenburg in de Burgstraat. Een ander was Gerrit Cammingha (Witkamp III, p. 659).

    Oostergoo en Westergoo vormden samen een eenheid in de vorm van bijvoorbeeld een graafschap, maar ze hadden wel ieder hun eigen invulling gegeven aan de rechtsgang. Deze kwam uiteraard wel redelijk overeen, zoals ze ook (grote) overeenkomsten hadden met de andere gebieden.
    Later, nadat men het veen had ontgonnen en deze woeste wereld ook enigszins bewoonbaar werd, sloot het eerst aan bij de bovenliggende goo. Nog later vormde het een eigen district, namelijk Zevenwouden.
    Oostergoo was onderverdeeld in een noordelijk en zuidelijk 'negen' of 'Leppa' dan wel district. In het noordelijk deel lagen de grietenijen Ferwerderadeel, de Dongeradelen en Dantumadeel. In het zuidelijk district lagen Leeuwarderadeel, Tietjerksteradeel en Idaarderadeel. Oostergo viel kerkelijk gezien onder het bisdom Utrecht en viel onder het archidiakonaat Oud-munster (samen met Bornego).
    Deze grietenijen werden in de loop van de tijd aangevuld met andere, dan wel gesplitst. De naamgeving kan iets zeggen over de leeftijd van zo'n gebied. Heeft een uitgang op -deel, dan is dit een oudere naam dan wanneer het eindigt op -land (Algra/Ein, p. 14-15).
    Bedrijven-winsten-natiestaten
    Op zaterdag 25 mei 2013 stonden er 3 artikelen in de Volkskrant, die grappig genoeg éénzelfde problematiek behandelen. Ze staan alle drie in de Economiekatern, p. 21, 23 en 29.
    De titels van deze artikelen luiden als volgt: Nul winstbelasting, toch de schatkist spekken, Europese visser verlaat Mauritanië : Mauritanië heeft zichzelf in de voet geschoten. Het land maakte visserijlicenties duurder om meer geld te krijgen, maar de vissersschepen blijven weg. 'Het is een beroerde situatie' en Overal evenveel winstbelasting: goed idee, maar haalbaar? Nee.
    In het eerstgenoemde artikel van Frank Kalshoven, waarin de belastingenafdracht van mondiale bedrijven wordt behandeld, wordt gevraagd "Moeten grote bedrijven meer winstbelasting afdragen?". Dit wordt eenvoudig met "Ja" beantwoord.
    Het antwoord op de volgende vraag wordt genuanceerd. "Gaat het ook gebeuren?" "Nee."
    Kapitaal is mobiel, er zijn ruim tweehonderd belastingstelsels in de wereld, en - netjes binnen al die wetgeving - belasting ontwijken is een lucratieve bezigheid. Dit is een belangrijke essentie.
    Zoomen we nu in op het tweede artikel van Gerard Reijn en op het land Mauritanië, met de kennelijk onlangs gewijzigde spelregels in hun belastingsysteem, die we zo uit de doeken doen. Naast de natiestaat Mauritanië, zijn de EU, de Europese vissers, de Russen, Oekraïners en IJslanders speler in dit spel. De natiestaat Mauritanië heeft met de EU in de zomer van 2012 een nieuw visserijakkoord gesloten om de visgronden van Mauritanië te huren voor 70 miljoen, welke meteen van kracht werd. Het Europees Parlement (ja wel, de volksvertegenwoordigers) moet hier echter nog een besluit over nemen, die echter alleen uit een vóór of tégen mag bestaan. Voortaan mogen de vissers niet meer in de productiefste zeestrook van 13 mijl uit de kust vissen, maar moeten ze minstens 20 mijl uit de kust blijven. Verder moeten de vissers voor hun eigen visvergunning ongeveer viermaal zoveel betalen als voorheen en dienen ze tevens 2 procent van de visopbrengst af te staan aan Mauritanië. Daarnaast moet de vissersbemanning voor 60 procent uit Mauritaniërs bestaan. Dit is bijna een verdubbeling.
    Verder is in dit akkoord afgesproken dat andere landen niet goedkoper mogen vissen dan de Europese vissers.
    De gevolgen zijn desastreus. Voor de Europese vissers is het niet meer rendabel en blijven weg. Dit geldt ook voor de andere vissers uit Rusland, Oekraïne en IJsland. Kortom, er wordt niet meer gevist en de EU betaald 70 miljoen voor de huur, waar geen gebruik van gemaakt wordt. Daarnaast zijn alle Mauritaniërs die voorheen aanmonsterden op de vissersvloot hun baan kwijt. Ook de werknemers in de visverwerkende sector in Mauritanië hebben een stuk minder te doen. Van deze duizenden arbeiders kunnen de kinderen niet meer naar school, omdat ze het niet meer kunnen betalen. En uiteraard zijn deze mensen ook niet meer in staat om een belastingbijdrage te leveren in welke vorm dan ook. Dus inderdaad, zoals de titel schrijft "Mauritanië heeft zichzelf in de voet geschoten".
    Het derde artikel van Peter de Waard, start met de bewering dat 75% van de multinationals voorstander zouden zijn van een mondiale harmonisering van de fiscale stelsels. In Azië 90%, wat dus inhoud dat ze er elders iets minder hard voor gaan.
    Echter, de meesten maken nu gebruik van die vele belastingstelsels die deze planeet rijk is. Zo blijven ze netjes binnen door de overheden van de natiestaten vastgelegde regeltjes. Het is ook aan diezelfde overheden om hun regeltjes te harmoniseren met die van de andere natiestaten. "Een wereldwijde politieke consensus over winstbelastingen wordt op z'n minst een zeer moeizaam gevecht," aldus Frédéric Donnedieu de Vabres, bestuursvoorzitter van Taxand, een wereldwijd opererende belastingadviesbureau.
    Ik ben bang dat hij daarin gelijk heeft. Zolang de machthebbers van de natiestaten denken dat ze leidinggeven aan een bedrijf, weet u nog wel: BV Nederland, gaat het mis. In de tot nu toe beschreven geschiedenis staan meerdere voorbeelden van machtliefhebbers die op de één of andere manier "bedrijfsmatig" willen opereren. Stuk voor stuk blijken het mislukte ondernemers. En ook heden ten dage zien ze zichzelf zo graag als ondernemers. Uit het vertelde verhaal van Mauritanië blijkt dat het nog steeds een drama oplevert. En we hebben hier natuurlijk niet alleen over de overheid van Mauritanië, maar doelen ook op de technocraten van de EU.
    Bregmans uitspraak: Europa heeft geen leiders, maar bedrijfsleider, sluit hierbij wel aan, al doelt hij meer op feit, dat er in de politiek nauwelijks iets te kiezen valt, omdat de partijen denken in termen van procenten in plaats van ideologieën. En die procenten zitten erg dicht op elkaar bij de "verschillende" partijen (Bregman/Vooruitgang, p. 268).
    De volksvertegenwoordigers moeten nu eens een keer leren, dat ze volksvertegenwoordigers zijn om de dingen voor de mensen die ze vertegenwoordigen, zodanig te regelen, dat de mensen er vrij, veilig, gezond en gelukkig kunnen leven. Daarvoor zijn wij, de mensen (ondernemers en niet-ondernemers), bereid om geld bijeen te brengen om dit te financieren.
    > Het feit dat in deze periode ook een begin gemaakt is met een lappendeken aan grondgebieden, waarover iemand iets over te zeggen wil hebben, is eigenlijk een stuitende bezigheid. Een heer voor het innen van de belastingen, tienden voor de kerk, schouten met rechtsgebieden ontstonden na een lange periode, dat iedereen gewoon genoeg te doen had met zichzelf en de anderen uit de omgevingen waar men zich ook begaf. Tot dit moment dus. Nu kwamen er allerlei lui, die begonnen te trekken en van mening waren, dat ze iets moesten krijgen. Voor bescherming die ze gaven, materiële bescherming van mensen die zich, hertogen, graven, koningen en keizer gingen noemen. Vreemd genoeg waren het echter de zonen en vaders zelf, die uiteindelijk de verdediging moesten verzorgen. Deze bescherming was dan tegen soortgelijke types elders. Of bescherming op het geestelijk vlak. Deze noemden zich pastors, priesters en pausen (ook hiervan waren er soms meerdere tegelijkertijd). Deze bescherming was dan voor de onzichtbare, ongrijpbare en onbegrijpelijke zaken. En dan was daar de schout, die recht sprak. Vreemd genoeg gingen de boetes die geïnd werden niet naar de in recht uitgemaakte slachtoffers of benadeelden. Dit rechtspreken hadden ze zelf ook vanaf het begintijd zelf gedaan.
    Dit trekken aan en uitmelken van mensen, heeft hier in de Frieslanden nu ook een of meerdere ingangen gevonden, al was er nog steeds verzet.
    Het zal niet een verrassing zijn, dat ze uiteindelijk niet in hun verzet zijn geslaagd, zoals we in het schema over de indelingen van Nederland in de 20e en 21e eeuw kunnen zien. Zo is Nederland dan verdeeld in onder andere provincies, gemeenten, politie, ziekenhuizen, waterschappen, bisdommen, veiligheidsregio's, GHOR, RAV, arrondissementen en rechthoven om er enkele te noemen. En allen hebben wederom prachtige titels voor zichzelf verzonnen met bijbehorende franje, statussymbolen, en natuurlijk de kosten.

    In een vergadering in 1405 te Hartwerd hadden de Friezen verklaard dat de Amelanders vrij en onbelast van alle rechten in Oostergoo en Westergoo waren. De Amelanders konden zelf recht schrijven en spreken.
    De zoon van Albrecht, Willem VI, had z'n vader inmiddels opgevolgd. Eerst dreigde hij dat hij voornemens was om Friesland weer zo snel mogelijk onder zijn heerschappij te krijgen. Om diverse redenen was hij niet in staat om dit dreigement uit te voeren. In plaats daarvan sloten hij en de Friezen op 14 november 1406 een bestand, waarin ze overeenkwamen dat ze binnenkort een vast vredesverdrag zouden gaan sluiten.
    De inlijving van het heerlijkheid Kuinre door de Utrechtse bisschop baatte de omliggende bewoners zorgen. En daarom werd op 13 juli 1408 een verdrag gesloten ter bevrediging van allen.
    Doordat de hoofden van de Vetkopers en Schieringers, Odo Botnia en Sytse Dekama, vroeger elkaar tientallen jaren bestreden, zich nu met elkaar hadden verzoend, gaf dit ook rust. Hierdoor waren er maar weinig vijandelijkheden onderling. Helaas, na hun overlijden, begonnen weer de talrijke monniken met het doen herleven van de veten.

    "In dese tyden rees oock in West Frieslant weder op die olde partye als Schieringe ende Vetcoepers tusschen die heerschappen ende conuersen vanden cloosteren daer vele dootslaegen, bloedtstortingen ende andere quaedt van quam," schrijft Worp van Thabor, te lezen in het vierde deel, op pagina 4. Witkamp merkt hierbij het volgende op: "De Hollanders van de 14de en 15de eeuw noemden de huidige provincie Friesland veelal Oost-Friesland, terwijl de Oost-Friezen en Duitschers, ja zelfs de Friezen, zoo als hier blijkt, haar den naam gaven van West-Friesland." (Witkamp III, p. 660).
    > Kijk, dan is mijn beginvraag of er misschien ook een Zuid-Friesland bestaan heeft, niet zo vreemd. Dit zou dan, wat mij betreft, kunnen bestaan uit het gebied tussen het Zwin en Holland, dus het huidige Zuid-Holland en Zeeland tot aan het Zwin. Immers, je noemt je buurgebied 'Oost' als je zelf in het midden zit.
    Tussen 1410 en 1412 werden over en weer een vete uitgevonden en gewraakt rond Bolsward.
    21 december 1413 sloten de Friezen en de Utrechtse bisschop ook en vredesovereenkomst voor het gebied van de Ooster- en Westergoo. Dat was voor de bisschop ook wel nodig, want Groningen vergde veel van z'n aandacht op, nu de Vetkoopers aldaar toch aan macht wonnen. De Schieringers waren echter nog steeds aan de macht. Dit wist ook de Oostfries Proost van Emden, Hiske Abdena. Hij was gevlucht voor de hoofdeling Keno ten Broeke (ook Vetkooper). Keno was op weg om het oppergezag in Oost-Friesland te verwerven. Hiske zocht naast bescherming ook hulp en wende alle middelen aan. Zodoende ontstonden er wederom te facties. Degenen die Keno ten Broeke steunden, de Broekhorsten en degenen die Hiske hulp wilden geven, de Hikhorsten. Hierdoor liepen de spanningen hoog op, tot dit op 23 oktober 1413 in geweld uitbarstte.
    Witkamp schrijft hierover: "Van dag tot dag werd de verbittering tusschen de Hikhorsten en Broekhorsten grooter, want de eersten drongen aan om Hiske Abdena hulp te verleenen, terwijl de Broekhorsten nadrukkelijk aanrieden om zich niet in de twisten der Oost-Friesche Hoofdelingen te mengen. De werderzijdsche verbittering barstte, den 23ste October 1413, op het vreeselijkst los. De Broekhorsten drongen het Raadhuis binnen, doodden den Burgemeester Rengers, wierpen de Raadsheeren Albert Barelts en Johannes Hekman het venster uit, vermoordden vervolgens Hendrik en Albert Clant en dwongen den Magistraat om de Vetkoopers en Broekhorsten de stad uit te drijven." (Witkamp III, p. 661-662)

    Ik lees hier dat de Broekhorsten het Raadhuis binnendrongen en de Magistraat dwongen om de Vetkoopers en zichzelf (!) de stad uit te drijven.

    Worp van Thabor schrijft op pagina 20, door mij vrij hertaald:
    "want in het jaar 1413 op 23 oktober, sloegen de Schieringen in Groningen op het rechthuis Johan Ringers, die Reynolt Hueginga's zwager was, dood en Johan van Heckum wierpen zij dood, boven van het rechtshuis.
    Als de doodslagers vanuit het rechthuis op de markt kwamen, vonden zij daar Hendrick Clandt, Otto Clandts zoon, die ze in een huis genaamd "de Schone gevel" joegen en hem daar doodsloegen. Voorts gingen ze naar het huis van Albert Clandts, gelegen aan de westerzijde van de markt, vlakbij de Boteringe poort en sloegen hem dood aan de tafel waar hij net zijn maaltijd nuttigde."

    Letterlijk staat er:
    "want int jaer duisent vier hondert ende darthien, opten xxiij en dach Octobris, sloegen die Schieringen doot toe Groningen op dat rechthuis, Johan Ringers, die Reynolt Hueginga suaeger was, ende Johan van Heckum worpen sy doot bouen vanden rechthuis.
    Als die dootslaegers vanden rechthuis op den merckt quaemen vonden sy daer gaen Hendrick Clandt, Otto Clandts zoon, dien jaechden sy in een huis geheten die Schone geuel daer sy hem doot sloegen. Voort gingen sy tot Albert Clandts huis, gelegen aen die westerzyde van die merckt, nae Botteringe poorte, ende sloegen hem doot daer hy sadt aen zyn taefel ter maeltyt;

    Ook Eise Engelsma schrijft dit (dus Schieringers in plaats van Broekhorsten) op pagina 26 in zijn 'Student thesis' De Grote Friese Oorlog.
    Ik vermoed dan ook dat Witkamp hier een schrijf- dan wel zetfout heeft gemaakt.

    Coppen Jarges, nu de grote man in Groningen, was echter niet tevreden met alleen het verdrijven van de Vetkoopers en Broekhorsten uit de stad. Hij verzamelde de mensen van de oproer en trok met hun de Ommelanden in. Met deze overmacht werden de Onsta's, de Ripperda's, de Houwerda's, de Gockinga's en vele andere Vetkooper-hoofden gedwongen hun gebied en verlaten. Ze vluchtten bijna allemaal richting Emden, waar Vetkooper Keno ten Broeke, ze met open armen ontving.

    In Westergoo keerden de kansen echter voor de Vetkoopers. Zij verrasten de Hollandse bezetting van Stavoren en verjoegen de Hollanders. En zo maakten zij in maart 1414 een einde aan enige Hollandse bezetting in Friesland (Witkamp III, p. 662).


    Verloochening
    Keno ten Broeke vond in deze omwenteling in Groningen voldoende argumenten om richting de Hunse te trekken. Coppen Jarges zag dit uiteraard aankomen en had de stedelingen en landbewoners zich te wapenen. Ook had hij vreemde krijgslieden aangetrokken.
    Beide machtshebbers of krijgsheren gebruiken afschuwelijk middelen om hun zin door te drijven, want met de Friese Vrijheid had dit allang niets meer te maken. De Schieringers verbrandden twee sluizen in het Reiderland dat onder beheer van Keno stond en staken daar de dijken door. De Vetkoopers gingen op gelijke wijze elders te werk. Zo kreeg de Dollard in 1414 al ruimte om zich verder en verder uit te breidden.
    Het jaar erop had Keno een vloot bijeen gebracht en was van plan om naar Farmsum (onder Delfzijl) over te steken. Coppen Jarges spoedde zich naar de westoever van de Eems en kwam hierbij in een hevig gevecht. Talloze doden en gewonden had dit tot gevolg. Hieronder was de laatste mannelijke telg uit het geslacht Idsinga uit Norden: Everard Idsinga, die door een pijlschot het leven liet.


    Meer informatie stadskaarten op Universiteitsbibliotheek Groningen
    De Vetkoopers naderden de stad in 1415 dus vanaf het westen. We zien links op de kaart de A-kerk en links daarvan de A-poort. Deze kaart is weliswaar van 1575, maar geeft vast wel een redelijk beeld van wat waar lag zo'n 150 jaar eerder.
    Keno had tevens in Eelde de ballingen uit Groningen en Ommelanden laten verzamelen, zonder dat Coppen Jarges hiervan afwist. In de avond van 14 september 1415 trokken ze -ondersteund door Drenten- naar Groningen op. Bij de A-poort gekomen, zwommen enkele de vestgracht over en liepen de stad in, waar ze de poort konden openen voor de rest. De Groningers konden deze overmacht niet tegenhouden. Ten teken dat deze aanval was gelukt staken ze drie woningen in brand. Voor Coppen Jarges en zijn troepen, was het onmogelijk geworden om de machtsovername tegen te houden en iedereen zocht een veilig heenkomen. Coppen vluchtte en kwam uiteindelijk in Kampen in het Over-Sticht terecht.
    Nu waren plotseling de rollen omgekeerd en Keno zag goedkeurend toe. Voor zijn 'hulp' ontving hij alle eer van de nieuwe burgemeesters en oldermans en ontving ongeveer 1000 gulden.
    Maar de Vetkoopers waren nog niet vergeten wat de Schieringers twee jaar eerder hadden gedaan en nu waren zij dus aan de beurt. De burgen van de Schieringers werden gesloopt, zowel in de stad als in de Ommelanden, waar de Vetkoopers nu ook de macht over hadden verworven.
    Keno's ster was rijzende. Deze steeg nog hoger, toen Willem VI in plaats van weer een poging te ondernemen om Friesland op de knieën te krijgen, de vroegere gesloten wapenstilstand met de Friezen hernieuwde en zich met Keno ten Broeke verzoende op 18 mei 1416 (Witkamp III, p. 662-663).

    Op 10 augustus 1416 laat Keizer Sigismund middels lastbrieven opeens van zich horen. Hij zag het zo vruchtbare Friese landen ten onder gaan aan onderlinge twisten en vreemde vorsten van omliggende gebieden, dat hij het noodzakelijk vond om in te grijpen. In deze lastbrieven liet hij nog eens weten dat de Friezen niemand anders dan de keizer als heer hoefden aan te nemen. De Friezen gaven blijk van deze erkenning en alles bleef bij het oude. Behalve dan dat er intussen wel iets was veranderd in de onderlinge verhoudingen. Groningen en het Gorecht lag namelijk niet in het Friese gebied en als zodanig lag hierin dus ruimte voor de Utrechtse kerk om weer meer aanspraak te gaan maken. Intussen had ook Willem VI aan de keizer te kennen gegeven, dat zijn onderdanen in deze omstandigheden hem nog enige schatting te geven of als heer te erkennen. Willem wilde namelijk wel aanspraak blijven maken op de aan hem ontnomen Friese gebieden. Maar Willem had geen middelen om deze woorden en eisen kracht bij te zetten.
    En zo ontving bisschop Frederik van Blankenheim 10 november 1416 van de keizer een oorkonde waarop het recht van het bisdom op Groningen en Gorecht nog eens bevestigd werd.
    Reactie hierop kon natuurlijk niet uitblijven. En dus hernieuwden Groningen en de Ommelanden hun oude verbond om elkaar bij te staan bij vreemde overheersing. De keizer deed een poging om hun hiervan af te houden, maar dit had geen succes. En dus deed hij de Groningers en Ommelanden in de rijksban (Witkamp III, p. 663).
    > Dit hield in dat de stad en Ommelanden alle burgerlijke, feodale en politieke rechten bij deze waren ontnomen. Maar aangezien de Friezen en de stad Groningen hun eigen gekozen regering hadden, vraag ik me af hoeveel indruk dit maakte. Ik vermoed niet erg veel.
    Sterker, Groningen kreeg steeds meer handen op haar buik. Het vernieuwde akkoord, op straffe van 1000 olde schilden voor het niet nakomen hiervan, zorgde ervoor dat als eerste het Westerkwartier inclusief Achtkarspelen overstag gingen. Hiermee beloofde Groningen eigenlijk te hulp te schieten wanneer deze gebieden lastig werden gevallen door de Duesschen of de de Zuderschen heren (de 'Duitsers' of 'bisschoppen van Utrecht'). De laatsten werden met opzet expliciet genoemd omdat zij de Schieringers steunden tegen de Vetkopers. Groningen was in deze tijdsorde juist op de hand van de Vetkopers.
    Al eerder had de stad aangetoond dat ze de invloeduitbreiding serieus namen. Wegens het Upstalboomse verband hadden ze in 1366 al een keer de Humsterlandse hoofdelingen ondersteund met 100 man om een vredebreker op te sporen. Het klooster van Aduard kreeg in noodgevallen beschikking over zelfs 200 man. In ruil daarvoor moesten de Humsterlanders wel de stad bijstaan bij bijvoorbeeld een strafexpeditie door Langewold met 60 man. Dit zal waarschijnlijk verband houden met de Slag bij de Oxwerderzijl . Dat Groningen ook haar rechtsmacht binnen de poort wilde krijgen, blijkt wel uit het feit, dat in de gesloten akkoorden steeds werd afgesproken dat dit voortaan in Groningen zou gebeuren. De regels werden tevens verscherpt, dit natuurlijk om hun stapelrecht en handelsmarkten te beschermen, ten slotte kwamen de goederen van buiten en dit kon schade ondervinden op de vaart/weg naar Groningen toe. De straffen - lees geldsommen toekomende aan de rechters - werden verhoogd. Doodslag gedurende de 'warfvrede' of de heervaart (naar de stad) gepleegd 'op diken en dammen, op weghe, but of tho hues' zou gestraft worden met veertienvoudig mangeld. En zo ontstond binnen korte tijd een nieuwe rechtsorde onder gezag van Groningen: de Gemene Landswarf, welke later gesplitst werd in een Oosterwarf en Westerwarf.
    Het gedeelte wat we Westerkwartier noemen, maar overduidelijk als geheel niet is, werd het meest afhankelijk van de Groningen, omdat de drie delen, verscheurd als het was door het water en moeras, niet in staat was om een eenheid te vormen en gezamenlijk op te treden.
    Nieuw was in 1428 dat er zaken voortaan ook met lijfstraffen bestraft konden worden en dat er op zaken als moord met voorbedachten rade, de moertdaad, een knecht die zijn heer verraad, moertbrandt en deverie zelfs de doodstraf werd ingevoerd. Dit verlangde dan natuurlijk ook een instelling van een soort van recht op beroep en een betere bewijslast. Er kwam een Hoofdmannenkamer, een uit vier hoofdmannen en meestal oud-magistraten bestaand lichaam, die uiteindelijk vele eeuwen heeft kunnen functioneren in Stad en Ommelanden. (Westerkwartier/Ligterink, p. 39-40)


    Wordt er nog gehandeld?
    Zoals het de keizer was opgevallen, het is erg stil met de succesverhalen over de handel. Zijn deze er dan niet? Ze zijn er wel, maar dan moeten we bij de Hanse zijn. Deze groep van samenwerkende handelaren, hadden intussen de steden onder hun controle, ze waren het bestuur van de stad, waren in staat om regels en wetten op te stellen en konden ze zelfs handhaven. Ook waren ze in staat om zelfs oorlogen te voeren tegen territoriumvorsten en deze te winnen, belastingen te heffen om deze oorlogen te kunnen voeren, zolang het maar winst op leverde, want daar ging het de Hanse om. Zij wilden winst maken en dan moesten er niet allerlei vorsten de (vaar)weg blokkeren. En dus hadden ze ook macht nodig.
    Rijzende ster was en werd het nieuwe Lübeck. En het nieuwe goud, zout speelde hierin een belangrijk rol. Probeerde men elders zout uit veen te halen, Lübeck had al enige tijd een karreweg -die Alte Salzstraße- lopen naar Lüneburg, dat heel veel zout had in de daar liggende zoutkoepels.
    Waar geld wordt verdiend, ontstaan mogelijkheden om te investeren. Wanneer politiek, macht en handel in één is gaat dit ook zonder problemen plaatsvinden. Zout werd steeds belangrijker als conserveringsmiddel en de behoefte aan meer werd vanwege de groeiende handelspositie steeds groter. En aangezien schepen veel meer tegelijkertijd kunnen vervoeren dan karren, werd bedacht om de route per schip tussen Lüneburg en Lübeck mogelijk te maken. De omweg, om Denemarken langs het Sont en over de gevaarlijke en verraderlijke Noordzee, was nauwelijks een optie. Er werd dan een kanaal gegraven, het Stecknitz-Kanals, dat in 1398 gereed was.
    Tot die tijd voerden de Lüneburger het zout zelf uit en het was dan ook een zeer rijke stad.
    Toen de graaf- en bouwwerkzaamheden na 8 jaar klaar waren, voeren de eerste 30 pramen geladen met het kostbare goed in kolonne naar Lübeck, waar ze na 5 weken op 22 juli 1398 aankwamen. Men kon nu vanuit de zoutmijn over Ilmenau, Elbe, het Stecknitz-Kanal en vervolgens over Trave naar Lübeck varen. Hier werden ze gelost en werd het zout opgeslagen in de zoutwinkels, de pakhuizen (zie foto), die aan de Trave lagen. Het Stecknitz-Kanal werd de eerste kanaalverbinding tussen twee gescheiden zeeën ter wereld, die tussen de Oostzee en Noordzee.
    Dit is echter een kwestie van definiëren en afspraak. Je kunt evengoed stellen dat de stroming die we de Oostzee hebben genoemd zich bij Denemarken in de Noordzee stroomt.
    Desalniettemin een hoogstandje om dit 97 km lange kanaal met 13 (tevens Palm)sluizen, 18 meter hoogteverschil te overwinnen. Tussen de Delvenau, dat in de Elbe uitmondde en de Stecknitz, dat in de Trave, al vlak bij Lübeck uitmondde, moest nog wel een kanaal van 11,5 km gegraven worden, der nyge graven. En er moest natuurlijk voor water gezorgd worden in het kanaal.
    Het kanaal werd 3 voeten diep en 25 breed, dus ongeveer 85 cm diep en 7,5 m breed. Dit had tot gevolg dat de gebruikte pramen, de Salzkähne of de zogenaamde Stecknitzprahmen, zich hieraan moesten aanpassen. Deze pramen hadden daarom een lengte van 12 en breedte va 2,5 m, met een diepgang van ongeveer 40 cm. Zodoende kon er ongeveer 7,5 t (7500 kg) mee vervoerd worden. De eerste 30 konden dus 225.000 kg zout vervoerd hebben.
    Dat de tocht van een kleine 100 km er 35 dagen duurde, kwam mede door het schudden in de sluis en uitvaren 'stroom'opwaarts. Dit kon -afhankelijk van de water toevoer van elders- soms wel drie dagen duren. Daarnaast werden de pramen veelal gejaagd door mens en dier.
    Hoogtepunt bereikte dit kanaal in de 15e eeuw, waarna het langzaam wegzakte tot het in 19e eeuw door de Elbe-Trave-Kanal en de Nord-Ostsee-Kanal werd vervangen.
    (Rörig/Town, p. 37; Wikipedia Alte Salzstraße, Lüneburg, Stecknitzkanal, Lauenburg/Elbe, Mölln)
    > Ook in deze uitwerking zit maar weinig verschil met een territoriumvorst.
    De Handel ging echter ook gewoon door, maar hoe gaat zoiets?
    We nemen bijvoorbeeld de twee broers Hildebrand en Series. Veelal zijn het toch familiebedrijven, omdat men vreemden niet vertrouwde of niet kon vertrouwen. Hildebrand is gevestigd in de grootste overslagplaats van dat moment in Noordwest-Europa Brugge. Broer Series zit in Riga en bereikt daarmee het Oostzeegebied en Oriënt. Beiden hebben hier zo'n duizend handelscontacten.
    Beiden drijven ze op drie manieren handel: voor zichzelf, binnen het samenwerkende gezelschap (in dit geval z'n broer) en op commissiebasis. Met de handel voor zichzelf moet hij zichzelf van de dagelijkse levensonderhoud voorzien, want uit de rest komt weinig contant geld, want dat zit in de handel(svoorzieningen) zelf.
    De vormen van handel hebben -zoals altijd in de fysieke handel- behoefte aan grote en goede opslagcapaciteit.
    Hoe werkt dit in de praktijk? Series uit Riga stuurt zijn broer pelzen en was. Hildebrand verkoopt dit in Brugge en koopt voor het ontvangen bedrag bijvoorbeeld laken. Dit stuurt hij terug naar Riga.
    Waar zit dan de winst, is de vraag. Allereerst zit er winst in het feit dat beiden niet naar een andere plaats hoeven en dus alleen de transportkosten hebben. Daarnaast is het Series' bedoeling om meer geld te verdienen aan de lakens, dan dat hij voor de lading pelzen en was heeft betaald. En evenzo werkt dat dus ook voor Hildebrand.
    De lakens kunnen bijvoorbeeld in zijn detailhandel verkocht worden aan de burgers, boeren en buitenlui (vorsten et cetera). Van de boeren koopt hij dan weer allerlei levensmiddelen, die ook weer in dezelfde detailhandel aan de diverse partijen voor contacten kan worden verkocht.
    Met dit contant geld kan worden deelgenomen in een wedderleginge, kumpanie of societas. Hierin voegen een aantal "kapitalisten" (handelaren met kapitaal) een berg geld tot één bedrag (bedrijfskapitaal, later werken banken ook zo). Hiermee worden "jongelingen" (leerlingen van de handelaren) op pad gestuurd om in te kopen en te verkopen, kortom handel te drijven. De winst wordt gelijkmatig verdeeld tussen de jongeling en handelaar. Voor de jongeling hoort deze fase bij zijn opleiding (Graichen/Hanse, p. 231-232).
    Het bijzondere in de handelsvormen van deze tijd zijn het ontbreken van concurrentiebedingen en het kosteloos verhandelen en terugsturen van nieuwe waar naar de partner, volgens het reciprociteitsbeginsel of wederkerigheid en dit kon in deze periode nog zonder schriftelijke contracten (Graichen/Hanse, p. 248).
    Tijden veranderen en ook deze manier van handelen zouden spoedig over zijn.
    De meeste Friese handelaren zullen waarschijnlijk wel op een laag pitje doorgaan met handelen, want vetes uitvechten kost een hoop tijd en geld.


    Slag bij de Oxwerderzijl
    Intussen waren de Schieringers bezig om zich te hervinden. Een van de aanvoerders, Sikke Sjaardema uit Franeker, had intussen zoveel partijgenoten verzameld, dat ze al tot Langewold waren doorgedrongen.
    Dit gaf Keno aanleiding om ook een nieuwe krijgstocht te organiseren. Onder leiding van hoofdeling Fokko Ukena gingen ze van Edermoor naar het westen en ontmoeten de Schieringers bij de Oxwerderzijl in het dorp Noordhorn. De Schieringers dolven het onderspit in dit treffen op 10 juni 1417, waarbij van hun tenminste 500 de dood troffen. 400 werden krijgsgevangen genomen. De vluchtende werden tot in Achtkarspelen gevolgd, waarbij de bende van Fokke wel de tijd nam om hier te roven (Witkamp III, p. 664).
    >Dit stukje tekst was voor mij aanleiding om iets meer informatie over de geografische positie te krijgen van deze gebeurtenis. Waar liggen Langewold, Edermoor, Oxwerderzijl?

    Noordhorn is een plaats dat nog steeds bestaat.
    Edermoor of Edermoer vond ik via een genealogische pagina, waar dit genoemd werd en verwezen werd: Um 1400 nannte man den Ort "Eramoere", später "Edramona" und "Edermoer". En nu kon ik dus vrij simpel naar Neermoor gaan zoeken.
    En ja hoor, op de plek waar nu Neermoor ligt staat op de oude kaart Edermoer.
    Dit had ik eigenlijk gewoon moeten weten, want op dag 1 van deze vakantie zijn we daar doorheen gereden. We waren alleen ons nog niet bewust van deze feiten.

    Oxwerderzijl zou dus liggen in het dorp Noordhorn. Oxwerderzijl heb ik nog niet exact kunnen vinden.
    In De kroniek van Sicke Benninge (Werken, NR 48, 1888) en in het recentere bundel van opstellen Het Noorden in het midden met het opstel van Oebele Vries 'Enen doetslach an de Westvrezen'. Rond de slag bij Oxwerderzijl staat informatie die ons verder brengt. De uitleg van J.A. Feith in 'De kroniek' op p. 72-73 beschrijft het voorval als volgt:
    Item voert van dat oerloech van de Groningen ende Westvreeslant beginde int jaer van MCCCCXV. Doe Groningen gewon(nen) was ende Coppijn vorss. mijt sijnen pertijesluden verdreven waren uut Groningen ende uut den Ommelande, de allegaeder togen mijtter wone in Westvreeslant to den Schijringe pertijesluuden, de do verdreven hadden de Vetcopers, als heer Ffije van Dockum mijt sijnen kinderen als Yhewen ende Juen ende alle andere Vetcopers pertijesluden to Lewerde ende in anderen steden, als Saspet Swyade, hovelinck to Lewerden, Abbe Heemster, hovelinck in Dongerdeel ende alle de anderen lueden van den Vetcopers, de to Groningen quemen mijt der wonen hen ter tijt to, dat de van Groningen uuttogen met den Ommelanden bij Groningen gelegen ende deden daer enen doetslach an de Westvrezen van de westerzijt Northoern off hent bij Awerderzijl, daer doet bleven ende geslagen worden van den Vrezen Ve mannen ende IIIIe mannen worden daer gevangen ende togebrocht int jaer MCCCCXVI.
    Hierbij geeft Feith diverse opmerken, waaronder dat een later schrijven het in plaats van Awerderzijl het had over Sloeterzijl en Oxwerderzijl, waarbij wordt opgemerkt dat Oxwerderzijl de juiste is en 3/4 uur ten westen van Noordhorn moest liggen. We weten inmiddels dat men 5,5 km/u liep en komen dat uit op 4215 meter.
    Ook Oebele Vries vraagt zich af waar dit Oxwerderzijl zou kunnen liggen en komt met een verhelderend kaartje op p. 55. Naast de beschreven strijd in 1417 haalt hij tevens de Groninger Zoen uit 1422 aan, waarin melding gemaakt wordt van -het opruimen van- een slot bij Oxwerderzijl, dat waarschijnlijk rond 1417 even snel is aangelegd. De plaats van deze versterking zou gelegen kunnen zijn, daar waar het spoorweg het Stille diep kruist. Even ten westen hiervan ligt een weiland omgeven door de vroegere grachten. Hoe deze grachten eruitzien wordt helaas niet vermeldt.
    Ook een verdrag uit 1426 van de stad met het ten westen van de Lauwers gelegen Achtkarspelen geeft aan dat dit een belangrijke weg tussen beide gebieden is.
    Verder wordt er aangegeven dat er omstreeks 1457 een nieuwe zijl wordt aangelegd in een nieuwe -noordelijker gelegen- nieuwe dijk.
    Wanneer we met deze gegevens kijken naar deze omgeving met behulp van GoogleMaps, dan kunnen we een volgend beeld creëren om de plaats van Oxwerderzijl aan te geven.
    Op de oude kaart kunnen we nu ook de boerderijen van Oxwert terugvinden. En zien we tussen Oxwert en Oxwerderzijl een weggetje naar een omgracht versterking? Hieronder staat Ularsma (voor zover ik dit goed lees). Wanneer we een zoekslag op het internet doen, komen we al gauw uit bij een variant dat voor de hand ligt: Allert Ullersma. Allert is rond 1380 hier geboren (Okwerd) en in 1432 is het aan de stad verkocht (bron: Stamboom Jellema » Allert Ullersma). Van deze familie is echter alleen iets gefragmenteerd iets bekend. Wel bijzonder is dan, dat de naam nog terugkomt op een kaart uit 1781.
    Ook zien we op de oude kaart op het kruispunt dijk/diep iets wat lijkt op 't Spuigat!

    Nog volledig onbekend met het begrip Langewold was ook dit lastig om te vinden. Aangegeven in het verhaal is, dat de mannen zich hier verzameld hadden en vervolgens naar Noordhorn gingen. Het zal dus 'in de buurt' van Noordhorn moeten liggen. GoogleMaps bracht ook hierin uitkomst. Door 'Langewold' in te tikken waren er slechts een handjevol mogelijkheden. Immers, (straat)namen werden vroeger logisch gegeven, dus Haarlemmerweg, duidt op de weg náár Haarlem en kon in verschillende plaatsen voorkomen. Door deze aan elkaar te verbinden, zie je vanzelf Haarlem opdoemen, hoop ik. Door de onlogische mogelijkheden uit te sluiten bleven er nog twee over. Door in GoogleMaps een route te leggen tussen deze twee opties, stuitte ik op iets opmerkelijks. De gevonden route doorsneed een gebied die erg vreemd verkaveld was. Omdat dit wel vaker zichtbaar is, duidt dit meestal op dat het later verkaveld is, omdat het eerder niet mogelijk was. Zou hier ooit een rivier gelopen hebben? Ik zoek naar een Woud, dus een bos lijkt logischer. Een aangezien het Langewold heet, komt dit aardig overeen met de verkaveling die ik zie. Een lang uitstrekt, smal strook bos zou hier inderdaad gelegen kunnen hebben.
    Nu kan ik op oude kaarten gaan kijken, om te zien of het nog ergens vermeld wordt.
    Tussen het gebied van Surhuisterveen met een boogje naar de stad Groningen en onder het Peebos (dat zal hier vast aan vast hebben gezeten), Doezum, Grootegast, Niekerk en Zuidhorn tot Aduard kun je op GoogleMaps een 'vreemde' strook zien lopen, waar ooit het Langewold gelegen moet hebben. En op de oude kaart staat het netjes aangeven met Langewolt (Langewoldij op de kaart uit 1680). Dit woud strekte zich uit naar het noordoosten. Tussen Grootegast en Grijpskerk had je het Wester deel Langewolt. En van Niekerk tot aan Noordhorn het Ooster deel Langewolt. Geweldig!
    En nu is ook de aanlooproute, slagveld en vluchtroute aan te geven. Al blijft dit giswerk.
    Hoe lang de rit van Fokko Ukena, vanuit Edermoor heeft geduurd is mij niet bekend. Maar er van uitgaande dat hij waarschijnlijk via Groningen gereden is, ligt voor de hand. Het ligt op de route, hij kon dan met de anderen gesproken hebben en ook zijn mannen verzameld hebben.
    Daarnaast hebben we natuurlijk te maken met vervoer. Waarschijnlijk ging hij te paard. Met harnas of zonder? Of reisde er compleet gezelschap met paard en wagens mee? Dit zou zo'n rit enorm vertragen. Op de site van Bokt.nl lees ik, dat een stapvoets rijdend paard met een gemiddelde snelheid van 5-7 km/u gaat. En we gaan er dan maar vanuit dat hij niet alleen rijdt, dus ook met wagens. Dan blijft er misschien 4 km/u over. De route naar Groningen is zo'n 75 km. Hierover doet hij dan zo'n 19 uur. Dan is hij toch minstens 2 à 3 dagen onderweg geweest.
    Daarnaast zal hij in een drafje van 15 km/u, met pauze binnen 2½ uur naar Noordhorn kunnen rijden. Met gezelschap zal hij daar een dag mee kwijt geweest zijn.
    Maar misschien is het vervoer ook wel per schip gegaan. Dat ging in die tijd vaak een stuk sneller en het was ook minder vermoeiend.

    Keno ten Broeke verrijkte zichzelf met de helft van de buit en losgeld wat hij voor de 400 krijgsgevangenen ontving. Lang kon hij er niet van genieten, want hij overleed kort daarop. Zijn zoon, Okko (Kenaska) volgde hem op en huwde Ingelborg (uit het huis van Oldenburg), zodat hij zijn aanzien behoorlijk verhoogde. Hij volgde zijn vaders strategie t.a.v. Groningen en de Ommelanden.

    Hertog Jan van Beijeren -broer van de op 31 mei 1417 overleden Willem VI (van Oostervant)- aasde ook op het Friese land. Hij bood de Schieringers steun, als zij hem als heer zouden erkennen. De Schieringers zaten er zo door heen, dat ze -tijdens hun bijeenkomst in Stavoren in 1418- besloten om dit aanbod aan te nemen. En zo werd elk huis belastingplichtig aan de nieuwe heer, bleef het Friese recht gehandhaafd, maar wel in zijn naam uitgesproken en de boeten zouden voor Jan van Beijeren zijn. De Hertog zou de voorrechten en vrijheden van de Friezen handhaven en hun tegen hunnen vijanden beschermen, zodat de ballingen terug konden keren. Ook zou geen Fries buiten Friesland hoeven te vechten.
    Woest waren de Vetkoopers over deze uitverkoop en verenigden zich om de plannen van de Schieringers te verijdelen. Onder leiding van Fokko Ukena trokken ze naar de Schieringer-plaatsen. Als eerste van Dokkum aan de beurt. Deze werd geplunderd en vervolgens door brand verwoest. De ene naar de ander stins volgde, totdat ze uiteindelijk tegen een blokhuis te Ezumazijl. Dit werd ook al vanuit de waterkant aangevallen door de Oosterlingen (de Hamburgers en Lübeckers). Alle bewoners verloren hier door beulshanden hun leven.


    "Freeska Landriucht"
    In 1417 wordt een cleen tractaet van de Zeven Zeelanden getekend. Hieruit blijkt ook dat Saterland bij de Zeven Zeelanden hoorde: "Item Segelterland is aec een deel fan disse saun zelanden ende iout tribuet ende schat den biscop fan Munster." (Heese/Saterland, p. 47)
    Bouwe Brouwer heeft dit vertaald als: "En ook Saterland is een deel van deze zeven zeelanden en geeft tribuut en schatting aan de bisschop van Münster." Dit tractaat is opgenomen in "Dat aelde freeska landriucht, mey en taefla bi disse oder sida neifolgende beschrioun" welke in druk is verschenen tussen 1484-1486. Op de pagina's 192 - 193 is het gehele tractaat te lezen. Alle opgenomen Friese landrechten zijn hierin trouwens te lezen, waaronder een uitleg in Wat is recht?, het Oude Skeltariucht, de Sage van Karel en Redbad, de Magnuskeuren, de Zeventien keuren, het proloog Keuren en Landrechten, Vierentwintig Landrechten, de Acht doemen, de Zes Wenden, het Zeendrecht, het Jongere Skeltariucht, de Willekeuren van de Vijf Delen, Bireknada Bota, een verhandeling over muntwaarden, het Rudolfsboek, het Marktrecht, de Swarte Swengen, Skaafrecht en de Willekeuren van de Opstalboom.
    Uit deze rechtsgeschriften blijkt dat er in de 'gewone' rechtsgang een driedeling zit. Grof gezegd op dorpsniveau, deelniveau en landsniveau (Algra/Ein, p. 17). Of in termen van de paragraaf 'Rechtelijke functies' te spreken: buurschap, meente en landen.
    Er was tegen 1450 zelf sprake van dat men er nog een klein onderdeel wilde toevoegen (Algra/Ein, p. 17, noot 100). Dat zou dan op terpniveau komen.
    Mijn conclusie dat de rechtspraak plaatselijk werd afgehandeld en dat de rechtsteksten op deel en landsniveau werden besproken, wordt hier door Algra onderuitgehaald. Hij stelt namelijk dat de hoogte boetebepaling voor een begaan misdrijf leidend is. In de Papena Ponten van Wymbritseradeel uit 1404 staat dat alle delicten met een boete meer dan acht pond door een landsgrietman worden uitgesproken en meer dan twee pond door de eeheren van de deelgerecht. De atten doen dan lokaal de zaken minder dan twee pond. In de Papena Ponten staan verschillende ambtseden voor deze personen, de landsgrietman, deelsgrietman en gagrietman (atta, tollegrietman).
    De ambtseed van de landsgrietmannen luidt als volgt: Jef thi biscop, jefta thi grewa, jefta eng landis hera in or jowe Freska merka scadia jefta scenda welle iddere jefta lete, that ghi that scette mit reed and mit deed. And tha i thisse strete, ther ti Fresland gheet, alle biferdie bihale wit joe fiandum and were mit tha mena lande and mit jo sellum. (uit: Abriss der altfriesischen Grammatik / Walter Steller, p. 129)
    Er is mogelijk zelfs een onderscheid te maken in een herengerecht en liedengerecht, waarbij de heren bestonden uit de 'vrijen' of in het latijns 'nobiles', zoals de adel, geestelijken en boeren die geen onderzaten waren. Ook zouden we nobiles kunnen bestaan uit de oude Germaanse oeradel, dit zijn de edelingen of edele vrijen, dan wel de Frankische dienstadel (in dienst van de koning) (Algra/Ein, p. 20; Henstra/Graafschappen, p. 23).


    Keizer Sigismund
    In 1418 zijn er ook weer Hansedagen belegt. Vertegenwoordigers uit 35 Hansesteden (Ratssendeboten) hadden het volgende op hun agenda staan: vrede sluiten met Friesland. Ook Sigismund had gezanten gestuurd om dit probleem te komen bespreken (Graichen/Hanse, p. 302).
    > Wat er aan de hand was en het resultaat is mij momenteel niet duidelijk. Ik hoop hierop terug te komen.

    Later liet keizer Sigismund liet ook weer van zich horen. Tijdens de landdag der Friezen in Leeuwarden in 1419 kregen ze bezoek van de keizerlijke afgezanten. Wederom weigerden de Friezen en sprak de keizer andermaal de rijksban uit.
    De Groninger Vetkoopers zagen echter een achterstelling in dit voorstel en boden alsnog de Utrechtse bisschop Frederik III aan als heer te aanvaarden. Aldus geschiede in juni 1419, wanneer de bisschop statig in de stad werd ontvangen en evenzo de aan Groningen verbonden Friese gebieden, Hunsego, Fivelgo, Humsterland, Langewold en Vredewold beloofde hun rechten, vrijheden en bezittingen zou erkennen, mits ze hun vriendschap en daaraan verbonden verplichtingen bleven nakomen (Witkamp III, p. 664-665).

    Keizer Sigismund ziet met lede ogen aan, hoe de strijd tussen Schieringers en Vetkoopers maar niet tot een einde komt. Wederom probeert hij -nu op neutraal terrein- ze tot elkaar te brengen op een congres te Deventer en later nog eens in Kampen. Steeds weer waren onoverbrugbare items die niet opgelost konden; over gesloten verdragen of kwijtgeraakte bezittingen.
    Coppen Jarges, de gevluchte Schieringer burgemeester van Groningen, had na vele omzwervingen in het Stichtse, eindelijk een huis gekozen in Bolsward. Maar ze zagen deze twistenaar niet zitten en zetten hem uiteindelijk buiten de muur. De Schieringers van andere plaatsen brachten in allerhaast een bende bijeen en namen op 30 april 1420 Bolsward in en lieten de daders boeten. Twee dagen later werd het Haskerklooster verwoest en joegen ze de monniken het veld in.

    Steenhuis

    Steenhuis
    Steenhuizen waren in het begin sterkten, dat wil zeggen verdedigingsgebouwen. Hierdoor zien we op de begaande grond geen deur, deze zit op de 1e verdieping. Dit om te voorkomen, dat indringers naar binnen konden komen. De muren waren dan ook behoorlijk steviger dan de huizen die wij kennen met een enkel of dubbel steens muurtje. Deze muren konden wel tot een meter dik gebouwd worden. Geen doorkomen aan dus.
    Enkele stenen gebouwen van 1429 (pastoraat) en 1442 (Drakenmond) zijn nog te zien in Stapelmoor. Ook zijn er in de documentaire ’Stilte na de Storm’ oude bewegende beelden te zien van de steenfabriek uit Jemgum.

    bron: ’Stilte na de Storm’ / Anton Tiktak - deel 1

    Stapelmoor is natuurlijk ook wereldberoemd met het satische ARD-programma: "Dat geiht vor in Stapelmoor".

    Naar aanleiding van dit en ander geweld zochten de Vetkoopers uit Oostergoo en Westergoo hulp, uiteraard bij de oosterburen, Groningen en Oost-Friesland. Wederom trok hoofdeling Fokko Ukena ten strijde (Witkamp III, p. 666).
    Witkamp laat hem weer uit Edermoor komen, maar vermeldt nu tussen haakjes (
    Nüttermoor). Dit ligt ongeveer 5 km zuidelijker dan de door mij aangenomen Neermoor (Wikipedia).

    Fokko Ukena meende dat het nu beter was om op een plek aan te vallen, waar de Schieringers het niet zouden verwachten. En zo scheepten ze in, om over de Waddenzee en Zuiderzee te zeilen en landen op de kust van Hemelumer-Oldephaert (tot 1984 Hemelumer Oldeferd), het achterland van Stavoren. De Schieringers in Westergoo, verzamelden zich en masse toen ze hiervan hoorden en bij Palesloot (tussen Molkwerum, Koudum en Hindeloopen) troffen ze de Vetkoopers. Ook dit treffen op 12 mei 1420 redden de Schieringers niet. Honderd overleefden het gevecht niet en honderden werden weer als krijgsgevangene naar Groningen en Oost-Friesland afgevoerd. Dit succes smaakte naar meer en dus togen de Vetkoopers naar Hindeloopen, waar ze zich vast installeerden. Vervolgens gingen ze naar Sloten. Echter Sloten gaf niet toe. Alle geweld van de Vetkoopers had geen succes. En spoedig kwam er hulp van de bendes van Hertog Jan van Holland. Voor de Vetkoopers zat er niets anders op, dan om af te druipen. Ukena liet een groot gedeelte van zijn troepen terugkeren naar Hindeloopen. Zelf keerde hij terug naar Oost-Friesland om waarschijnlijk nieuwe benden te werven (Witkamp III, p. 666).


    verbond 5 augustus 1420
    Bij Cartago zijn de 2 originele handgeschreven pagina's (1 en 2) beschikbaar.

    Bij Cartago zijn de 6 originele handgeschreven pagina's van de overeenkomst gesloten te Leeuwarden 14-9-1420 tussen de diverse kloosters (1, 2, 3, 4, 5 en 6) beschikbaar.

    Verhoging veteboeten
    Sikke Sjaardema, hoofd van de Schieringers in Franeker en Franekeradeel achtte, na de redding van Sloten door een Hollandse heer, het wenselijk om een verdrag te sluiten met de Groningers en Oost-Friezen, om zo een einde te maken aan het bloedvergieten tussen de Friezen en verwoestingen van de goederen. In deze geest werd onderhandeld en op 5 augustus 1420 kwam een verdrag tot stand, waarbij er een schorsing van de vijandelijkheden kwam voor 20 jaar. Tevens werd vrij verkeer weer mogelijk.
    Sommigen protesteerden echter hiertegen. De in ballingschap verkerende Schieringers vonden dat hun belangen volledig over het hoofd waren gezien. Echter, zij konden zich individueel met Okko ten Broeke en Groningen verdragen.
    Dat sommige zaken moeilijk tot overeenstemming te brengen was, blijkt uit de gebeurtenissen op een congres in de omstreken van Harlingen en Bolsward:
    "De Cisterciënsers van Bloemkamp wilden het den Kanuniken van Ludingakerk niet vergeven, dat deze tot de overeenkomst tusschen Sjaardema en de Groningsche bondgenooten hadden medegewerkt. Gebruik makende van de afwezigheid van hun Abt, wapenden zij zich en trokken uit Wonseradeel naar den omtrek van Midlum in Franekeradeel, de streek waar het convent Ludingakerk en zijne voornaamste bezittingen lagen. In het nachtelijk duister verkrachtten zij de kloosterpoort, ten einde de abdijgebouwen binnen te stuiven. Toen echter werden zij gestuit door de Ludingakerker broederen en eenige Edelen, zoo als Sikke Nyenhuis, Gale Hania en Sikke Gratinga, die in de abdij gehuisvest waren, om het werk des vredes te gaan bevorderen. De aangevallenen ondersteunden elkander zoo wakker, dat de Bloemkampers moesten terugtrekken. Dan de Kanuniken lieten het niet bij het afslaan van den aanval, maar zetten de Cisterciënsers tot het dorp Arum na, bij welke vervolging negenendertig der laatsten sneuvelden. Daarmede niet tevreden, beraamden de Ludingakerkers - die eveneens eenige verslagenen telden - wederkeerig een aanslag tegen het "Oldeclooster" der Cisterciënsers."
    Ook hun aanval slaagde niet en ook hierbij vielen weer doden. De lijken werden aan een boomtak opgehangen.

    Gelukkig werd bij de vergadering te Leeuwarden op 14 september 1420 een verdrag getekend om vergiffenis te schenken en te ontvangen en de vrede te bewaren. Om doodslag te voorkomen, werd hierop voortaan een bepaald bedrag gezet, dat zo hoog was dat alleen zeer welvarende hieraan konden voldoen. Er waren echter wel enkele uitzonderingen. (Witkamp III, p. 666-667).

    De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog / Bernard Mandeville

    Eer
    Er zijn, volgens mij, rond deze periode tot nu toe twee definities voor eer te vinden. Riddereer en Friezeneer. Riddereer is een voor de zelfbenoemde heren, hertogen, vorsten, koningen en keizer, naast de ridders, maar geldt ook voor andere -door mij- zogenoemde "machtliefhebbers". Friezeneer is er dan voor "de gewone mens", die vrijheid boven macht stelt, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de ander. En dus niet de macht zoekt of wil hebben. Maar bij verkozen te zijn, de taak deugdzaam uitvoert en vervolgens weer -zonder morren- overdraagt aan de volgende.

    Om iets meer inzicht te krijgen over eer, kijken we eens wat filosoof Mandeville hierover zegt. In 'De oorsprong van de eer' legt hij middels een dialoog het een en ander uit.
    Om met het een te beginnen: Er bestaat geen twijfel over dat alle wiskundige waarheden eeuwig zijn, maar toch zijn ze aangeleerd (p. 28).
    Vervolgens legt hij uit wat hij met zijn psychosomatische kernbegrip 'zelfvoorkeur' bedoeld. We krijgen er waarschijnlijk allemaal wel een bepaald gevoel of beelden bij, wanneer we er iets langer bij stilstaan. In diverse digitaal beschikbare documenten wordt uitleg gegeven: De mens is sociaal heel ongeschikt in Trouw of iets uitgebreider Wie deugt er meer dan Bernard Mandeville?, beide van de vertaler Arne C. Jansen, Domheid en beschaving door Matthijs van Boxsel.
    Kijken we naar een baby, nog voordat het kan spreken of lopen, dan zien we dit verschijnsel voor het eerst. Wanneer ze belonend worden toegesproken, ook al is dit volledig onterecht en weet de baby dit zelf ook, toch kunnen we zien dat ze er blij van worden. Worden ze daarentegen terecht of onterecht terechtgewezen of berispt, ook wanneer ze zelf weten, dat ze fout zaten, dan worden ze verdrietig of zelfs boos. De zelfvoorkeur is dus al bewust bij de baby aanwezig. De volwassen mens kent ook dit verschijnsel en weet dat anderen dit ook weten en zodoende weten ze elkaar hiermee te paaien of juist niet: behagen of mishagen.
    Wanneer ManX iets doet, dat in de ogen van Yman lofwaardig is en dit lofwaardig iets van ManX prijst en zegt dat ManX hiervoor best geëerd mag worden, wakkert Yman eigenlijk de zelfvoorkeur van ManX aan: ManX, je hebt gelijk om jezelf de hartstocht van zelfvoorkeur toe te staan of te gunnen. De genoten eer wordt groter naarmate de groep personen groter worden die ManX overspoelt met complimenten (p. 42-43). So that the highest Honour which Men can give to Mortals, whilst alive, is in Sustance no more, than the most likely and most effectual Means that Human Wit can invent to gratify, stir up, and encrease in Him, to whom that Honour is paid, the Passion of Self-liking (An enquiry into the origin of honour and the usefulness of Christianity in war, p 9). Kortom, de grootste eer die men aan andere kan geven is het aanwakkeren van de zelfvoorkeur bij de ander. Plat gezegd: veren in iemands achterste stoppen.
    Maar ... we schijnen het wel allemaal fijn te vinden, omdat het van nature zo is ingegeven. Al zit aan de achterkant van dit fijne ook het niet fijne. Een vergelijking met eten verduidelijkt dit. Een mens met een buitengewone eetlust, smult met genoegen wat voor hem lekker is. Voor de ander, buitengewoon hongerig, die niets te eten heeft, is het eten een kwelling.
    Of misschien iets duidelijker in de huidige tijd, vergelijk het maar met de sociale media van tegenwoordig. We maken allen veelvuldig gebruik van , door het bij anderen in te drukken. En het liefst zien we bij ons zelf of meer. En daarom vinden we op facebook dus ook geen -buttons. Een 'Vind-ik-niks'-button zal er ook niet gaan komen, aldus oprichter Mark Zuckerberg (in de Volkskrant 13-12-2014, p.4).
    Echter, wanneer we niet of zelden een ontvangen op onze berichten, kan dit uitmonden in frustratie, boosheid of verdriet, dus de kwelling bij geen eten.
    Een goed voorbeeld over het ontstaan van een negatief gevoel bij zelfbenoeming en het aanwakkeren van iemands zelfvoorkeur vinden we in een artikel van Olaf Koens (Volkskrant 26-7-2014, p. 6) over de vliegramp in Oekraïne. In de reportage over de mogelijk zending van marechaussees naar het rampgebied schrijft hij: "Eerder heeft ook de zelfbenoemde premier van de Volksrepubliek Donetsk Alexander Boroday laten weten dat hij geen bezwaar heeft tegen Nederlanders in het gebied. 'Laat ze maar komen, desnoods met wapens', zei Borodaj. Hij vecht een oorlog uit met Kiev, niet met Den Haag. Bovendien komt iedere vorm van erkenning of internationaal contact hem goed uit. Je zag hem glimlachen toen de Maleisiërs hem 'excellentie' noemden."

    Naar aanleiding van de bankencrises, die rond het jaar 2008 in de Verenigde Staten begon, liet Arnon Grunberg in zijn Voetnoot van zich horen om zelf als bank te gaan fungeren. Dit leidde tot een artikel in de Volkskrant : Vonk op 15-02-2014 waarin hij de resultaten en aanleiding bespreekt. Hierbij haalt hij Mandeville ook aan. Vreemd genoeg leest hij er andere conclusies uit, dan ik onderaan dit stukje zal doen. Grunberg vindt het evident dat een wereld zonder hebzucht slechter, armoediger en treuriger zou zijn. Immers, waarom zal je doorwerken als je geld genoeg hebt? Oftewel, waarom dan nog kunst maken, literatuur schrijven of andere producten maken. Vele grote schrijvers waren broodschrijvers, schilders en andere kunstenaars eveneens. Ook zou er volgens Grunberg geen filantropie bestaan, want alleen de hebzuchtigen hebben geld genoeg op zich filantropie te kunnen permitteren. Ook de wetenschap zou er onder te lijden hebben, want de eerste wetenschapper zonder eerzucht moet hij nog tegenkomen.
    Bijzonder in dit verhaal is om na te gaan waar Grunberg zelf staat. In zijn gesprekken met de 'klanten' van zijn 'bank' blijkt dat hij zich niet laat leiden door cijfers, maar zich laat leiden door emotie. In een andere betekenis dan die van Grunberg hierboven gegeven betekenis, zou ik dit toch een filantropische wijze willen noemen. Is hij volgens zijn eigen definitie geen broodschrijver?
    Ook zijn sluitzin Je wordt ook bankier om andermans pijn te verlichten. geeft een tegenstrijdig gevoel. Hij is van mening dat we onze ondeugden hard nodig hebben om zaken of dingen te bereiken, maar dat we ze af en toe moeten beteugelen (Grunberg/Iedereen bankier).
    En dan komen we toch al dichtbij wat ik aan het einde van dit stukje onder deugd en deugdzaam versta en de oneerlijke strijd die dit op zal leveren.
    Er zijn immers talloze deugdzame mensen bezig, die niet geld of eer als motivatie nodig hebben om 'iets' te doen voor anderen of maatschappij, maar net als Grunberg zelf, omdat ze het als een soort vanzelfsprekende noodzaak achten. Kijken naar alle mensen die vrijwilligerswerk doen. Dit zijn veelal de mensen die niet 'loaded' zijn.


    Herman Paul: Kiezen we bij wetenschapsethiek voor regels of voor deugden? van filmer Alexandra Gabrielli.

    Komen we even terug op Grunbergs uitspraak, dat hij "de eerste wetenschapper zonder eerzucht moet nog tegenkomen". Dit verschijnsel is ook doorgedrongen in de wetenschappelijke wereld. Herman Paul, historicus in Leiden roept in een film de vraag op, of de wetenschappelijke wereld dat net als de 'andere werelden' zucht onder het gewicht aan wetten, protocollen, commissies van toezicht en beleidsadviezen, zich niet meer moet bezig gaan houden met zaken als 'kennis en begrip' in plaats van 'roem en reputatie'. Dit voorkomt ook het onnodig leidende mantra van deze tijd "meten is weten", waar op zich niets mis mee is, zolang het op een deugdzame manier wordt toegepast. Martin Sommer brengt hierover -in "Karakter moet op het rapport"- het voorbeeld dat "meten is weten" ook verkeerd kan worden gebruikt. Het betekent namelijk bij de prikklok-registratie "ik vertrouw jou voor geen cent". De prikklok registreert dat iemand ook daadwerkelijk op het werk is. Maar of degene aan werk is niet.
    Ook zorgen deze procedures en regels ervoor we eigenlijk nergens verantwoordelijk voor kunnen worden gehouden. Dat is de werkelijke reden waarom we ons graag achter structuren en systemen verschuilen. Bedrijven als N.V.'s en maatschappelijke, maar ook overheidsorganisaties zijn hiervan volgens mij dan ook sprekende voorbeelden! Niemand is de eigenaar en niemand is verantwoordelijk, terwijl dit bij familiebedrijven en jawel, bij gezinnen toch wel anders is.
    Van Herman Paul hoeven we ook niet meer terug naar de tijd, zoals hij het noemt de wetenschappelijke deugden: zorgvuldigheid, accuratesse, voorzichtigheid, matigheid, waarheidsliefde, eigenwijsheid, intellectuele moed en toewijding. Maar wat mij betreft kan een beetje terug naar deze begrippen helemaal geen kwaad. Het ontbreken ervan hebben we nu lang genoeg gezien en dat brengt ons mijns inziens niet deugdzaam verder.

    Om een man van eer te zijn, dient deze man naast deze titel aanvaarden, ook dapper te zijn in de oorlog en tegen de vijanden van zijn land te vechten. Met zijn land wordt uiteraard het land van de (over)heerser in dat gebied bedoeld. Daarnaast moet hij zich ook bezighouden met de privéruzies, wat Gods wetten en dat van zijn land weliswaar verbiedt. Hij mag geen belediging verdragen en als hij een uitdaging op de juiste manier ontvangt, dient hij deze aan te gaan (p. 47).
    Tot zover zou ik de betekenis van eer willen scharen onder riddereer.
    Volgens Mandeville is het woord eer een volledig gotisch woord, uitgevonden na de Romeinse tijd en voor de aanvang van de moderne tijd rond de 13e eeuw. Het lijkt erop dat het een uitvinding is geweest om mensen, die ongevoelig bleken voor kerstenen en zodoende buiten het machtsgebied bleven van de opleggende heersers, om toch enigszins grip op deze groep te krijgen.
    Religie, het christendom, met helse vlammen en eeuwig vuur in een hel, waar de verdorven, dit zijn onder andere de rovers, moordenaars en verkrachters, zouden ontzag krijgen voor het hiernamaals en hun daden niet of in ieder geval minder doen. Alle geestelijke leiders pleegden dit ook allen te verkondigen, maar niemand heeft ooit aangetoond dat dit waar is (p. 48).
    We weten heden ten dage echter ook wel beter met bijvoorbeeld de kinderverkrachtings- en aanrandingzaken binnen de kerk van de afgelopen decennia. Helaas is dit van alle tijden. We weten immers dat de verdorvene vaak opgenomen werden in het klooster, omdat dat de enige plek was waar ze nog hun leven 'veilig' konden doorbrengen. Dit zien we tegenwoordig ook nog gebeuren met bijvoorbeeld Dutroux en zijn vrouw.
    Het hel-beeld werkt dus niet om het slechte in de mens te doen temperen.
    Volgens Mandeville wordt het ontzag veel beter bereikt door wereldlijke straffen en wet- en regelgeving. De redenen die hij daarvoor geeft zijn onder andere de volgende. Alle regeringen en heersers beginnen altijd met mensen handelbaar en gehoorzaam te maken. Om dit te kunnen, moeten de gegeven instructies en bevelen geloofwaardig zijn, het moet voor iedereen helder zijn dat dit het goede is voor iedere persoon en het dient altijd waar te zijn. Om dit te kunnen dient de leider zich rekenschap geven van de menselijke natuur en dit goed bestuderen, zodat het de passies en zwakheden kent: het verlangen naar geluk en zelfbehoud en de angst voor alles wat het leven ongemakkelijk maakt, pijn, het onzichtbare en onbekende kwaad. Religie geeft dit onbekende en onzichtbare kwaad een gezicht door het in te vullen met bijvoorbeeld plagen, stormen, onweer en overstromingen, of het verlangen van bloed- of menselijke offers. Welke volgens sommige weer afgekocht kunnen worden, maar dit geheel terzijde.
    Zodra de mens geloofd, dat er een wezens is dat hem kan bestraffen als hij liegt of meineed pleegt, dan heeft zweren of het geven van een eed een grote waarde gekregen. Het is althans een betere toetssteen dan enige andere verbale verzekering, laat Mandeville Cleomenes zeggen in dit dialoog (p. 49-52).
    Ik kan me deze gedachtegang wel voorstellen, voor in zijn tijd. Echter, voor mij zal de Friezeneer dit niet nodig hebben. En de Frankeneer speelt hier het spel gewoon mee, dus de vrees voor bestraffing van hogere hand zal bij hun niet werken. Voor de massa zal het dus wel werken en dus kunnen degenen die zich de leiders noemen, die met geweld of manipulatie aan de macht zijn gekomen of blijven, hier met hun Frankeneer (riddereer) goed gebruik van maken.
    Doordat er nog steeds veel mensen waren die God of de duivel niet vreesden, ging men deze mensen beter bestuderen en ontdekte men dat ze wel ingetoomd konden worden met de vrees voor schande (het omgekeerde van eer)! Door deze kennis toe te passen in de opvoeding werd deze vrees zelf sterker dan de dood. Dit, de zelfmoorden, zien we helaas nog steeds dagelijks om ons heen.
    Deze ontdekking zou echter vele 'edele doelen' in de samenleving gaan dienen. Mandeville gaat er bij monde van Cleomenes vanuit, dat dit de oorsprong is van de eer, waarvan het fundament ligt in de zelfvoorkeur, met het argument dat er niets in iemands gemoed zou kunnen worden gestopt, als zo'n passie (de schande) er niet al enigszins in had gezeten. Dit is echter niet het werk van een enkeling. Velen zijn er generaties mee bezig geweest, enerzijds om de mens handelbaarder te maken voor het gemak van de leiders en anderzijds voor het maatschappelijk geluk in het algemeen (p. 61).
    Zoals reeds aangehaald heeft dit ook een vreselijke keerzijde.
    We komen dichter in de buurt van de Friezeneer, wanneer de discussie over deugd en eer gaat. Deugd is saai en eer is passievol komt hieruit naar voren. Beiden zijn echter menselijke verzinsels, waar deugd er eerder was dan de eer. Dit past ook goed in het beeld, wat ik voor ogen heb. Eer wordt beter beloond dan deugd en de beloning is tastbaar, terwijl die van de deugd dat niet zal zijn. Ook vergt deugd meer zelfverloochening. De uitvinding van de eer is voor de beleefde samenleving veel gunstiger geweest dan die van de deugd en voldeed meer aan zijn doel waarvoor het is uitgevonden. De verhouding is volgens hem 20 eer tegen 1 deugd. De deugdzamen zullen er een edel genoegen aan beleven om iemand te vergeven voor de gedane beledigingen, terwijl de man van eer het liefst zelf voor rechter speelt en het met de dood probeert te straffen. Een deugdzame verwacht van anderen geen bewijzen van erkentelijkheid en als ze hem niet geloven dat hij deugdzaam is, zal hij ze niet dwingen met middelen om dit toch te doen. De man van eer neemt de vrijheid om zichzelf zo uit te roepen en iedereen ter verantwoording roepen die dit betwijfeld.
    In de eer zitten verleidingen van het laagste niveau die zelfs de ondeugdzamen aantrekken (p. 61).
    Met deze definities in de hand, kan ik Friezeneer overtuigd vertalen naar deugd en deugdzamen.
    Het probleem met de deugdzamen is echter net als met de geweldslozen en oorlogszuchtigen. De geweldslozen zullen het altijd verliezen. Dit geldt ook voor de deugdzamen. Wanneer ze met bedreigingen gedwongen worden tot het verrichten van ondeugdzame daden en zo van zijn principes af moet stappen, verliest hij het altijd en zal hij zich met zijn zelfverloocheningskracht (er boven staan) moet redden. Er wordt hierbij vermeldt dat zo'n persoon dus niet te vertrouwen is, maar dit vind ik een flauw argument, immers wanneer een dief je een pistool op je hoofd zet, geef je hem ook zijn zin. Dit maakt je niet tot een lafaard, maar verstandig, welk ook meteen weer een verschil tussen eer en deugd duidelijk maakt. Ook zou de stem van de deugd altijd tegen grove toegeeflijkheden aan de menselijk natuur zijn, waar zich vele beloningen bevinden die de eervollen praalzuchtig aan de dag leggen, welke lijnrecht staan tegenover de leer van Christus, wat niets meer met de kerk van Rome te maken heeft (p. 63-64).

    Witkamp vraagt zich af (!) wat voor nut deze overeenkomsten hebben, wanneer de haat tussen de Vetkopers en Schierings zo groot was.
    Een scheef getrokken waarborg in het verdrag was dat de Vetkooper edelen hun zonen bij Okko lieten plaatsen. De Schieringer edelen moesten hun zonen als gijzelaars aan de Groningers uitleveren. En dit om de vrede te waarborgen.
    Dan kun je je dat inderdaad gaan afvragen. Iedere Schieringer, behalve Sjaardema, kon zich hier niet in vinden. Dus 12 dagen na het verdrag van Leeuwarden, gingen de Vetkoopers vanuit het door hen bezette Hindeloopen naar Stavoren om het te vernielen. Bij deze strijd sneuvelde de oud-burgemeester van Groningen Coppen Jarges (Witkamp III, p. 667).

    > We komen nu wel bij een kern van het probleem. Witkamp haalt met de zin "Om doodslag te voorkomen, werd hierop voortaan een bepaald bedrag gezet, dat zo hoog was dat alleen zeer welvarenden hieraan konden voldoen." iets aan (zie hierboven), wat om verduidelijking vraagt.
    Hiervoor val ik terug op het
    boek van Han Nijdam: Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland : Een studie naar de Oudfriese boeteregisters.
    Ook wil ik de Lex Frisionum hierbij melden. De andere boeteregisters zijn hierbij ook te vinden.
    Nu hebben we de hoofdrolspelers bij elkaar staan.
    We stellen met Nijdam vast, dat de 'Lex Frisionum' (8e eeuw) wordt opgevolgd door de Oudfriese boeteregisters (13e eeuw en verder) en dat het om een authentiek Fries verschijnsel gaat (Nijdam/Lichaam, p. 74). Ook nieuw gesloten verdragen bevatten nieuwe elementen voor deze boeteregisters, zoals we hierboven bij Witkamp kunnen zien. Deze zullen later worden bijgeschreven in het Boeteregister van dat gebied, als ze akkoord gaan.
    In mijn naïviteit ging ik ervan uit dat deze boeteregisters en wondlijsten er sowieso voor waren, om te voorkomen dat mensen andere mensen iets aandoen. Of in ieder geval een waarschuwende drempel opwerpen, zo van let op, hier gaan wij als samenleving niet mee akkoord. Nu hebben mensen over het algemeen niet de neiging om anderen steeds maar weer vervelende dingen aan te doen. Behalve kennelijk een bepaalde groep mensen, die hiervan veelvuldig gebruik -let wel: gebruik!- maken. Maar ik wil het eerst even over de grote groep mensen "de gewone mens", hebben die waarschijnlijk nooit met deze regels in aanraking komen. Mocht er onverhoopt iets gebeuren, per ongeluk of in een wilde onbezonnen bui, dan waren deze boetes voldoende om de schade te vergoeden, excuses aan te bieden en beiden partijen konden weer deugdzaam verder gaan met hun leven.
    De tweede groep "machtliefhebbers", stond echter iets anders in het leven. Deze gaan er kennelijk berekenend mee om. Bij een bloedvete of adelsvete -waarbij aanleiding, de schaal (grote van het aantal 'deelnemers') en rechtsstatus bepaalde met welke we van doen hebben- kunnen we dit al gauw plaatsen in een van de twee groepen.
    Zoals we hierboven al gelezen, komen er meerdere momenten voor dat een 'heer, hertog, vorst' ervoor kiest om even niet aan te vallen. Er is geen geld meer. Dit heeft ook alles te maken met het beginnen van een vete, de adelsvete. Het voeren van een vete-oorlog was niet goedkoop. De deelnemers moesten betaald worden, gevoed worden, maar ook na afloop, moest de schade betaald worden, met de bedragen die genoemd worden in de wondenlijst of boeteregister. Een uitgestoken oog, een afgehakte vinger, hand of arm, alles had z'n prijs. En als je dan met tientallen, dan honderden aan de gang ging en je verloor, naast je eigen mensen, wilden ook de vijanden uitbetaald worden. En dus moest de geldkist goed gevuld zijn, om überhaupt te kunnen beginnen (Nijdam/Lichaam, p. 126).
    Kortom, handel. Om een gebied als nieuw wingebied te annexeren, kon je dus -bijna- uitrekenen of het wel zo winstgevend zou worden.
    In dit kader zou ik wil stellen dat dit soort gedrag onacceptabel is, en dus ook verre van deugdzaam dan wel eervol. Dus wat dat betreft zijn er volgens mij twee definities voor eer. Riddereer en Friezeneer (deugdzaam). Riddereer is een voor de ridders, maar ook voor de zelfbenoemde heren, hertogen, vorsten et cetera de zogenoemde "machtliefhebbers". Friezeneer is er dan voor "de gewone mens", die vrijheid boven macht stelt, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de ander. En dus niet de macht zoekt of wil hebben. Maar bij verkozen te zijn, de taak deugdzaam uitvoert en vervolgens weer ter zijner tijd overdraagt, om precies datgene te voorkomen, wat er nu niet gebeurd is in de Friese geschiedenis.

    Ook in de Boeteregisters -in dit geval de Boeteregisters van Wonseradeel en de Vijf Delen- wordt de eer gebruikt om de eiser aan te sporen tot rechtvaardig handelen:
    143. [...] Ende hi scel thine beenbreke eer wita, eer hi thera benena vvtgung moghe habba. Alsoe is hi thet metadolch onbrocht haeth an thin man, deer hyt oensprecht, soe scel hij thine beenbreke and thera benena vvtgungh allerlick mit ene ethe onbringae, jef hi tha bota habba wil; hi witet self, thet hi riuchte dwe. [...]

    143. [...] En hij moet eerst zweren dat er sprake is van botbreuk, voordat hij aanspraak kan doen op de compensatie voor het naar buiten treden van botsplinters. Wanneer het slachtoffer compensatie voor een maatwond heeft geëist van de man, die hij daarover aanklaagt, dan moet hij de botbreuk en het naar buiten treden van botsplinters elk met een eed bezweren, als hij de compensatie wil hebben; hij wete zelf, dat hij het rechtvaardige doet. [...]
    (Nijdam/Lichaam, p. 162)

    143 [...] Und er [der Verletzte] soll den Knochenbruch eidlich bezeugen, bevor er (die Buße für) das Heraustreten der Knochensplitter haben darf. Sobald er die Maßwunde dem Manne, dem er sie zur Last legt, bewiesen hat, soll er den Knochenbruch und das Heraustreten der Knochensplitter mit je einem Eide beweisen, wenn er die Bußen haben will; er bezeuge es selbst unter Eid, daß er rechtmäßig handelte. [...]
    (WesterlauwersR. I 508)

    Deze boeteregel lijkt me een logisch gevolg van het claimen van het andere boeteregel.
    Om botsplinters te kunnen laten zien, zullen de botsplinters naar buiten moeten kunnen komen. En dit kan alleen, als ze door een (maat)wond naar buiten zijn gekomen. Heb je dit niet, dan kun je bijvoorbeeld alleen een botbreuk claimen. Vooral het "hij wete zelf, dat hij het rechtvaardige doet" is, vind ik veelzeggend. Men vertrouwt erop dat de eiser deugdzaam handelt, dus het rechtvaardig claimt, en niet onnodig of overbodig de ander op de kosten jaagt.

    Een ander aspect waarover Nijdam op attendeert zijn de boetes voor littekens op zichtbare lichaamsdelen, voornamelijk het gelaat. Voor de Fries was het belangrijk om een onbeschadigd gezicht te houden, gezien de hoge boetes die er staan op beschadigingen. Zelfs het doorsnijden van rimpels werd bestraft, hoger dan sneden die evenwijdig lopen. Nu kan ik me hierbij nog wel iets voorstellen als het om de handen en voetzolen gaat (Nijdam/Lichaam, p. 202-203, 220).
    Immers bij handlezen worden er voorspellingen gedaan naar aanleiding van je "rimpels" of lijnen in de hand. En je levenslijn zal maar tijdens een gevecht doorsneden worden. Dan zal je toekomst er voortaan anders uitzien. Nu weet ik alleen niet of de Friezen aan handlezen deden, dus dit zal moeten worden uitgezocht, maar dit is een fenomeen die van alle tijden is. En ook de Friezen kregen natuurlijk bezoek van 'vreemde kermisklanten'.
    Het punt waar het mij eigenlijk om gaat is, als de Fries het zo belangrijk vindt om een ongeschonden lichaam heeft en houdt, dan zal hij ook wel uitkijken om de haverklap een vete te moeten uitvechten. Liever zal hij de geleden schade beperken tot wat er is en de rest afdoen middels het gerecht.

    In de loop van de eeuwen wordt het bewijzen van je onschuld ook steeds meer een ondeugdzame kwestie. Was het in de tijd van de 'Lex Frisionum' vanzelfsprekend dat het aantonen van je onschuld nog gedaan kon worden met zeggen dat je onschuldig was, de ethar. Soms was een vergrijp ernstiger en waren er meerdere zogenaamde 'onschuldseden' nodig. Deze onschuldeden zijn te verkrijgen van andere die bij de rechtszaak vertellen, dat je echt niet gedaan heb, omdat je bijvoorbeeld nooit een vlieg kwaad doet of andere soortgelijke kennisverontschuldigingen.
    Over dit soort 'eervolle' onschuldseden werd uiteraard niet licht gedacht. Maar na enkelen eeuwen en toename van minder deugdzame mensen was dit soort onschuldseden aan slijtage onderhevig.
    Een begin van zo'n slijtage geeft Nijdam met het volgende verhaal van Sidach in Vita Ethelgeri:
    De juridische strijd die rond 1250 om het bezit van de Wydemeer werd gevoerd tussen Ethelger en Sidach, de abten van de kloosters Mariëngaarde en Klaarkamp, illustreert dit prachtig.
    De Wydemeer was een verlandend moeras, rijp voor ontginning, dat lag in Oostergo, ongeveer tussen Stiens en Birdaard. Beide kloosters claimden de eigendomsrechten op dit gebied. Tijdens een onderhoud had Sidach een ruil voorgesteld aan Ethelger: Klaarkamp zou de Wydemeer in bezit nemen en Mariëngaarde zou daarvoor een ander stuk land krijgen. Ethelger ging hiermee akkoord, op voorwaarde dat hij er eerst ruggenspraak over zou houden met zijn functionarissen. Sidach liet echter de volgende dag al riet oogsten uit de Wydemeer. Hierdoor ontstond een grote ruzie tussen de twee kloosters, die in het wereldlijk gerecht werd behandeld. Toen dit niets oploste werden er scheidslieden aangesteld. Dezen stelden beide abten voor de keuze een eed te zweren. In tegenstelling tot de gewoonte moesten bovendien de tegenstanders elkaars eedhelpers aanwijzen.
    In de levensbeschrijving van Ethelger, waar we dit verhaal aan te danken hebben, wordt verteld dat de gewetensvolle abt Ethelger van Mariëngaarde terugschrikt voor het zweren van de eed en denkt dat zijn rivaal de eed zoals die is geformuleerd ook niet kan zweren zonder de waarheid geweld aan te doen. Sidach moet namelijk zweren dat Ethelger hem het land zonder voorwaarden (simpliciter) heeft overgedragen. Deze toont minder scrupules en stemt toe in het zweren van deze eed. Als beide partijen bijeen komen om de zaak af te handelen, komt toevallig een vriend van Ethelger, Sigebod, op bezoek. Deze probeert de zaak voor Ethelger gunstig te beïnvloeden en stelt de volgende formulering van de eed voor: ‘Ik getuig plechtig voor God en zijn heiligen, bij mijn orde en mijn kleed, dat het voorwerp van het geschil dat op dit ogenblik heerst tussen de functionarissen van mij en die van de abt van de Gaarde door die abt zelf aan mij zonder enig voorbehoud te maken (sine omni excepcione) is overgegeven, zodat hij dit terecht niet mag betwisten. Zo helpe mij God en het heilig evangelie. Amen.’
    Deze formulering wordt aanvaard door de scheidslieden en Sidach spreekt deze tekst onder ede uit. Aldus wint Sidach – door meineed te plegen suggereert de schrijver van de Vita Ethelgeri – de zaak. We lijken daarmee in een overgangstijd te zitten. Er wordt duidelijk nog voorzichtig omgesprongen met het zweren van eden. Van de aanwezige monniken van Klaarkamp, die door Ethelger aangewezen zijn om als eedhelpers op te treden, zegt de auteur dat ze ‘niet tegen hun abt in durven te gaan door ieder voor zich apart aan hem te vragen van de eedsaflegging ontheven te worden’. Maar toch deinst Sidach er niet voor terug om de gewenste eed af te leggen. We zien ook hoezeer het zweren hing op de juiste formulering van de tekst, en dat deze ad hoc opgesteld kon worden, maar daarna precies zo door de eedzweerder uitgesproken moest worden.

    (Nijdam/Lichaam, p. 165-166)
    In Friesland gold ten tijde van de 17 keuren en 24 landrechten, dat iedere Fries met elf eedhelpers (en dus samen 12 eden) een tegen hem gerichte eis kon afwijzen. Voorbeelden van de rechtsregels zijn te vinden in de vierde en zesde landrecht, de vijfde keur/zevende landrecht. Later kon men kennelijk af met minder eden, zes, drie of twee. Maar mocht het in bepaalde gevallen onvoldoende blijken, dan kon men altijd weer terugvallen op twaalf eden. In de verschillende voorkomende redacties worden soms ook verschillende aantallen eedhelpers genoemd en soms zelfs geen. Aangezien de eedhelpers veelal familie zal zijn, wordt er niet zozeer aan waarheidsvinding gedaan. Er wordt partij gekozen. Echter, met een 'vooreed' bezwoeren zij geen meineed te plegen. Met dit partij kiezen, gingen ze ook akkoord om de vete, met alle (financiële en fysieke) kosten van dien, uit te vechten (Algra/Ein, p. 50-53).
    Om te voorkomen dat de koning zelf in een tweekamp (mara strid) zou terechtkomen, wanneer een Fries middels een procedure zijn land is kwijtgeraakt, en een ander, bijvoorbeeld de koning dit land heeft toegewezen gekregen, hij, de koning, dit land voortaan zonder 'strid' mag bezitten. Verder werd geregeld, dat er bij betwisting van de uitkomst van deze procedure, dit niet meer middels een tweekamp gedaan mocht worden. Immers, alle kampvechters streden onder 's konings ban. We hadden reeds gelezen dat 'raf' ook reeds verboden was, zodat er alleen met lichtere vormen de strijd tegen de koning aangegaan kon worden. Met eden. En zoals we hierboven reeds konden lezen, ging dit niet altijd even rechtvaardig. Hierbij komt ook nog dat de gedaagde (de koning) de benodigde eedhelpers kon kiezen. En wie heeft er meer helpers dan de koning? (Algra/Ein, p. 54-55)
    Opvallend is dat zo'n 'slijtage'-begin mede wordt ingezet door degenen die het goede christelijke voorbeeld zouden moeten geven, de geestelijken en abten van kloosters, maar echt verbaasd hoeven we -gezien de eerdere verhalen- hierover niet te zijn.
    Opmerkelijk is ook, dat we er tegenwoordig nog steeds moeite mee hebben, om de geweldscirkel te doorbreken. Arnon Grunberg geeft in één van z'n Voetnoten kort en krachtig met een voorbeeld aan 'waar de pijn zit'.

    Ook komt de 'eden' van de getuigen onder druk te staan. Zij moeten immers 'meegaan' in de onjuiste verklaringen. Hieraan voldoend plegen ze meineed, iets waar ze ook liever niet voor gaan. En dus trekken ze zich terug. Om toch aan de eisen van de rechtszaak te kunnen voldoen, begint men langzamerhand met de door Karel de Grote ingevoerde schepenbanken, waar de rechters al overgingen naar waarheidsvinding.
    Zoals ook nu bij ons in het heden, is dit vaak nog steeds problematisch, zelfs met alle technische hulpmiddelen die ons daarbij ter beschikking staan.
    Dus of deze ontwikkeling een echte vooruitgang is, vraag ik me ten stelligste af. Dè 'waarheid' bestaat immers niet. Een maatschappij waarbij eer, of eigenlijk deugd, met de paplepel is ingegoten, verschoont van alle 'riddereren', zou dan ook veel vaker leiden tot waarheidsvinding.
    Een ander voorbeeld van oneervol gedrag zijn activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen en daarom 'verhuld in het donker' gebeuren. Hiermee verspeelde de Vrije Fries zijn fria hals, zijn vrije hals oftewel zijn vrijheid, zijn eer, zijn recht en zijn positie. Een Vrije Fries handelde zijn kwalijke zaken namelijk altijd in het daglicht af en bij voorkeur in het bijzijn van getuigen, zodat er hierover op de rechtszaak geen misverstanden komen:

    Hweer soe di fria Fresa dis ioendes wtgheeth efter senne sedle ende eer senna opgunghe ende hi ti oers huus gheet ende dat jnbrect ende deerjn kriept, wirt hi dan jn dae hoele bigensen, soe haet hi mit dae smughe zijn fria hals wrlern ende naet ferra ti besekane etta lioedware, aldeer hi sijn riocht ontfaen schel. Jef hi in dae hoele slain vvirt, zijn frihals wrlern. Jef hi an dae flechtiga foete ende mitter fatiande berdene beghenzien wirt, alsoedeen riocht.

    Wanneer de Vrije Fries ’s avonds na zonsondergang en voor zonsopgang zijn huis verlaat en naar andermans huis gaat en daar inbreekt en daar naar binnen kruipt, en wanneer hij in het gat (dat hij onder de muur gegraven heeft) betrapt wordt, dan heeft hij door de insluiping zijn vrije hals / vrijheid verloren en hij mag deze zaak niet ontkennen op het gerecht waar zijn zaak behandeld wordt. Als hij in het gat doodgeslagen wordt, dan heeft hij zijn vrijheid verloren. Wanneer hij voortvluchtig en met het gestolene op zijn rug gevangen wordt, dan geldt hetzelfde recht.
    (Nijdam/Lichaam, p. 165-166)

    Eigenlijk zijn deze regels zo vanzelfsprekend en helder, dat hierover geen uitleg nodig is. Elk weldenkende Fries laat het ook wel uit z'n hoofd om dit te doen, lijkt me.


    Fria hals
    De vrije hals van de Friezen was in de tijd van Karel de Grote gesymboliseerd door de verwijdering van de houten (slaven)halsband door een gouden halsketting als sieraad: Thiu siugunde kest. Vse fri lond, thet is thi riuchta fria stol, ther mugu wi wel binna hebba fri spreka and ondwarda; thet urief us thi kining Kerl umbe thet, thet wi thene daniska kining urtegon and an thene rumeska kining hnigun, thet wi him tins ieue and tegotha ouirgulde and riuchtere herskipi bikande; tha lethogade hi us fon Redbate, tha deniska kininge, and fon there clipskelde and fon there etszena withtha, ther alle Frisa and hiara halse drogon, and fon allere unriuchtere herskipi. [Die siebente Küre. Unser freies Land, das ist der rechtmäßige freie Stuhl; an diesem dürfen wir sehr wohl freie Sprache und Antwort haben; dies verlieh uns König Karl dafür, daß wir dem dänischen König den Gehorsam verweigerten und uns dem römischen König unterwarfen, daß wir ihm Zins gäben und den Zehnten entrichteten und (seine) rechtmäßige Herrschaft anerkennten; da befreite er uns von Redbad, dem dänischen König, und von der Abgabe in klingender Münze und von dem Band aus Eichenholz, das alle Friesen um den Hals trugen, und von jeder unrechtmäßigen Herrschaft. (Rüstringer Recht,
    134, [7])
    Dit word ook weergegeven in het landrecht, 'een gouden band' waarmee de zeedijk bedoeld wordt. In het Oudfriese recht betekent halsfriainge halsbevrijding. Wanneer iemand ter dood veroordeeld was, kon z'n hals alleen gered worden door zijn eigen weergeld te betalen.
    De uitdrukking sa stonde hit uppa sine hals staat voor: ‘dan moet hij met zijn hals (i.e. zijn leven) betalen (Nijdam/Lichaam, p. 253-254).

    Het Brokmer Recht spreekt van halsfriainge slechts éénmaal in § 121:
    Fon halsfriainge.
    Hwasa ene monne sinne hals friath, and werth hi aslain, sa nime hi thet ield, theret vteracht heth, hit se thi sibbe ieftha thi fremeda.
    Von der Halslösung.
    Wenn jemand einem Manne den Hals auslöst, und dieser (danach) erschlagen wird, so nehme der das Wergeld, der es ausgezahlt hat, es sei Verwandter oder Fremder.
    Dat sa stonde hit uppa sine hals of synoniem havedlesene of varianten hierop, veelvuldig zou voorkomen, heb ik in de DEUTSCHES RECHTSWÖRTERBUCH (DRW) niet bevestigd kunnen krijgen.

    Is dit een halszaak?
    Wat wel belangrijk is hoe men in zo'n rechtszaak met elkaar omging. Hoe men elkaar benaderde, dat zegt namelijk heel veel over de eer. De dader stelde zich namelijk uitermate kwetsbaar op tegen (de nabestaanden van) het slachtoffer. Dit komt tot uitdrukking in punt 8.
    Westerlauwerssches Recht, 396, XX (FORMEL FÜR DAS ANGEBOT DER TOTSCHLAGSSÜHNE):
    [1] Wjldi hera ende haldat an hleste ende bidde mij her A. ene onmanege werd ti spreckane ende clagath dat Gode fan himelrijke sere ende dir milde moedir sincte Maria ende alla himelsche heerscipe ende alla eerdscha lioedem, dat him di fiand alsoe seer wrwinna sculde, dat hi dae wonda dwaen sculda, deer her D. sijns lijfs fan theruia sculde, ende hetet mij alhijr biada dae allerschenista wrthinghnese, deer om engne fri Fresa allerschenist deen is, toluasim an dae helgum ti swarane, dae hia dit alleraerst heerden, dat hi an nede sijns lijues was, dat hit him dae leed was ende nv leed is ende emmermeer leed bliwa schel, also lange so hi him riuchte bithinzia kan iefta mei; ende dit haet ma mi alhijr biada Gode to loue ende toe erem ende di riochta erfnama ende alle sine friondum an federsida ende an moedirsida, an sibbum ende an siaringhum, an winem ende an megum ende alle dae ienum, deer dit leeth is om sijn daedbannethe.
    [1] Wollet (mir) zuhören und stillschweigen, da Herr A. mich bittet, einige Worte zu sprechen, weil er es bei Gott im Himmel und dessen barmherziger Mutter, der heiligen Maria, und allen himmlischen Heerscharen und allen Leuten auf Erden sehr beklagt, daß ihn der Teufel so sehr in seine Gewalt bekommen konnte, daß er die Wunden schlagen mußte, durch die Herr D. sein Leben verlieren sollte; und er trägt mir auf, hier das allerhöchste Lösegeld anzubieten, das jemals für einen freien Friesen als höchstes bezahlt ist, (und er erbietet sich), mit elf Eidhelfern, die dies zuerst hörten, als er [Herr D.] tödlich verwundet war, auf die Reliquien zu schwören, daß es ihm damals leid tat und nun (noch) leid tut und für immer leid tun wird, solange er recht bei Sinnen ist oder bleibt. Und man trägt mir auf, dies hier Gott zu Lob und zu Ehren sowohl dem gesetzlichen Erben anzubieten als all seinen Blutsfreunden väterlicherseits und mütterlicherseits, sowie den Sippen und Nachkommen, den Freunden und Verwandten und all den jenigen, die seine Tötung mit Leid erfüllt.

    [2] Deerefter haet ma mi biada dae lettera tollif edum an dae helgum ti swarane dat hi nis slayn bi redena rede ner bi leider lege ner bi nen bede ner bi eer nide, mer bi dis fiandis sponste, deer se op dine dei toegaera brochte. Gode ti loue ende ti erum etcetera.
    [2] Danach trägt man mir auf anzubieten, mit den nächsten zwölf Eiden auf die Reliquien zu schwören, daß er weder mit Vorbedacht noch aus einem Hinterhalt noch auf Anstiftung anderer noch aus früherer Feindschaft erschlagen ist, sondern durch die Verführung des Teufels, der sie an jenem Tage zusammenbrachte. Gott zu Lob und zu Ehren usw.

    [3] Deerefter haet ma mi biada dae tredda toulif eden an dae hellighum ti swarane, hoe dae fiouwer ende tweintich alle riocht se ende dae sex ende tritich alle ful se, Gode ti loue ende ti erum.
    [3] Danach trägt man mir auf anzubieten, die dritten zwölf Eide auf die Reliquien zu schwören, damit die vierundzwanzig völlig wahr und die sechsunddreißig ganz vollständig sind, Gott zu Lob und zu Ehren.

    [4] Nv j heren alle mene, nv habbet hit wise lioede set, dae lande ti rede ende dae lioedem ti riochte, dat ma disse sex ende tritich eden pligath ti lesane mit achte pundem om dat, dat ma hiara mislike swara wil. Dit haet ma mi biaden alsoe schene, soe se omme engne fria Fresa allerschenist ae beden sint, Gode ti loue ende ti erum etcetera.
    [4] Nun denn, ihr Herren alle zusammen, nun haben rechtskundige Männer zum Nutzen des Landes und als Recht des Volkes bestimmt, daß man diese sechsunddreißig Eide mit acht Pfund abzulösen pflegt, deshalb, weil man sie fälschlich schwören kann. Man trägt mir auf, diese (acht Pfund) so gut anzubieten, wie sie je für einen freien Friesen aufs allerbeste angeboten sind, Gott zu Lob und zu Ehren usw.

    [5] Deerefter haet ma mi biada tweintich punda foer dine brand, tiaen foer dine breke ende dat werda, dat hi ende sine frioundt moete sitta zonder brand ende zonder breke. Gode ti loue etcetera.
    [5] Danach trägt man mir auf, zwanzig Pfund (als Abkaufsumme) für die Niederbrennung und zehn (Pfund als Abkaufsumme) für den Bruch (des Hauses des Mörders) anzubieten und zu bedingen, daß er und seine Verwandten ohne Brand und Bruch wohnen bleiben dürfen. Gott zu Lob usw.

    [6] Deerefter haet ma mi tollif pund ieftigis goedis dae frioundem ti iowane, dat se dinen erfnama mania wille, dat hi riocht iulde ontfaen wille.
    [6] Danach trägt man mir auf, zwölf Pfund an gangbarem Gute den Verwandten (des Erschlagenen) zu geben, damit sie den Erben auffordern mögen, die gesetzlichen Wergeldbeträge anzunehmen.

    [7] Deerefter haet ma mi biada, dae meyntele dae megum, dae fyftene fenghan, alsoe schene ti bisettane, soe hia om engne fria Fresa allerschenist ae biset sint. Gode ti loue etcetera.
    [7] Danach trägt man mir auf anzubieten, die Magsühnebeträge den Verwandten, den fünfzehn Familienstämmen, so gut zu verbürgen, wie sie für einen freien Friesen je aufs allerbeste verbürgt sind. Gott zu Lob usw.

    [8] Deerefter haet ma mi biada dine graeta Godis dom ende dis graeta Goedis dommis wrfellingha, dat hine wille makia willen ende berfoet, dine top an da hand ti nimane, dat nekede swerd op sine fria hals ti lidziane ende dan ti gane an Godis wald ende an des eerfnama wald an dat werda, dat hi onder dae swirde mote thinghia, dat hi zijn fria hals lese ende sont wederkomme toe sine frioundem.
    [8] Danach trägt man mir auf anzubieten, (daß er) das Urteil des großen Gottes und die Buße für das Urteil des großen Gottes (annehmen will), indem er im wollenen Bußgewand und barfuß vortreten, seinen Haarschopf in die Hand nehmen, das entblößte Schwert auf seinen freien Hals legen und sich dann in Gottes Gewalt und in die Gewalt des Erben begeben will, unter der Voraussetzung, daß er sich unter dem Schwerte ausbedingen darf, daß er seinen freien Hals auslöse und unversehrt zu seinen Verwandten zurückkehre.

    [9] Deerefter haet ma mi biada (ti betane ) mitta fiouwer geldim: mitta raeda golde, mitta hwita seluere, mitta grena eerwe ende mitta onscepena wede; mitta rada golde, als hit dio wichte weith; mitta hwita seluere, als hit itter smitta gheith; mitta grena eerwe, als hit des koningis orkunden bi hiara siele settath ende hit buta oenbrakanda owere leith, deer hi en ieer ende en oer ende dat tredde ende dat fiarde bisetten ende binetten haet ende zijn frij ayn is, deer ma twiska ieer ende vnieer wr hals ende wr haed iowa ende ielda meda mei; des allermaest ierne toe gewane, alsoe fijr soo hijt onder sine frionden winna mey; mitta onscepena wede, als hit jn dae tolneda merkede ti riuchte set werth, alsoe fijr soe dis merkeda habbe riuchte hofscolda golden; [mithta grena erwe, ast thes coninghes orkundan buta onbracanda oure bi hira sele setta twiska ieer and vnieer and ma wr hand iouwa and ielda mey, this allermast te iewane, alsoe fijr soe hit onder friondem winna mughe]. Gode ti l oue etcetera.
    [9] Danach trägt man mir auf anzubieten, mit den vier Zahlungsmitteln zu büßen: mit dem roten Golde, mit dem weißen Silber, mit dem grünen Lande und mit unverarbeitetem Tuch; mit dem roten Golde, wie es die Waage abwiegt; mit dem weißen Silber, wie es in der Münzschmiede gängig ist; mit dem grünen Lande, wie es die Königszeugen bei ihrem Eide anweisen und das außerhalb des nicht urbar gemachten Geländes liegt, das er ein Jahr und ein zweites und ein drittes und ein viertes besessen und bebaut hat und das sein freies Eigentum ist, das man in guten und schlechten Jahren zur Hals- und Hauptlösungssumme geben und mit dem man zahlen kann; davon (ist er) gern (bereit), das allermeiste zu geben, sofern er es von seinen Verwandten bekommen kann; - mit dem unverarbeiteten Tuch, wie es auf dem zollpflichtigen Markte rechtsgemäß abgeschätzt wird, falls für diesen Markt die gesetzliche Königssteuer entrichtet ist. Gott zu Lob usw.

    [10] Hijrefter hat ma mi biada her D. ti ieldane mith xvijhalre merc wichtegis selweris binna riuchta deithinghum and thet werda, thet hi mith there fria iofte mughe thine ferde bihwerua and thine cos capia and ta sone winna, alangne ferde, soe langhe soe thi wind wie and gers gre, senne opthie and ti wrald stande. Gode ti loue etcetera.
    [10] Danach trägt man mir auf anzubieten, ein Wergeld von sechzehneinhalb Mark vollwichtigen Silbers für Herrn D. innerhalb gesetzlicher Fristen zu zahlen und das zu bedingen, daß er mit diesem freiwillig gegebenen Betrag den Frieden erlangen und den Friedenskuß kaufen und die Sühne herbeiführen möge, einen ewigen Frieden, solange der Wind weht und das Gras wächst, die Sonne aufgeht und die Welt besteht. Gott zu Lob usw.

    [11] Hijrefter hat ma mi biada, xij ethan an tha heilegum ti swerane, hede hia thine slacta vndfenZen, as hiane den habbat, thet hia vmme iowa and vmme ield ti sette and ti sone coma welde.
    [11] Danach trägt man mir auf anzubieten, mit zwölf Eiden auf die Reliquien zu beschwören, daß sie (der Täter und seine Sippe), wenn an ihnen ein Totschlag begangen wäre, wie sie ihn verübt haben, für die Gaben und das Wergeld zur Bürgschaft und zur Sühne schreiten würden.

    [12] Hijrefter habbick aut ebeden, ther ic swigia scolde, ieftha suigat ther ic biada scolde, so ist mijn sceld, ner thet allermaste, ther vmme engne fri Fresa ae iowen is, thet hat ma hir biada nei this landis wilkere, Gode ti loue etcetera. And bidde this truch God and ther milda moder sente Maria willa, thet ma mi anderthie an thet sceneste vndfe and thine fiand scende in alla logum and lastrie and God ereth werde. Ther helpe hio thi fader and ti sone and ti heilige gest Godes.
    [12] Habe ich weiter etwas angeboten, was ich verschweigen sollte, oder verschwiegen, was ich anbieten sollte, so ist es meine Schuld; nur das Allermeiste, was je für einen freien Friesen gegeben ist, das trägt man mir auf, hier nach der Landessatzung anzubieten, Gott zu Lob usw. Und ich bitte um Gottes und der barmherzigen Mutter, der heiligen Maria, willen, mir zu antworten und das Allerbeste zu empfangen und den Teufel allerorten zu schänden und zu schmähen, damit Gott geehrt werde. Dabei helfe euch der Vater und der Sohn und der Heilige Geist.


    Amen.
    Et est finis, sit laus deo.

    Amen.
    Und damit Schluß, Gott sei Lob!

    Nijdam citeert enkele belangrijke passages:
    1. Wilt u naar mij luisteren en stil zijn, want heer A. vraagt mij enige woorden te spreken omdat hij het zeer beklaagt, bij God in de hemel en diens barmhartige moeder, de heilige Maria, en bij alle hemelse heerscharen en alle mensen op de aarde, dat de duivel hem zo in zijn macht had, dat hij de wonden toegebracht heeft, waardoor heer D. zijn leven verloren heeft. En hij draagt mij op hier het allerhoogste losgeld aan te bieden, dat ooit voor een Vrije Fries betaald is.

    8. Daarna draagt men mij op aan te bieden dat hij het oordeel van de grote God en de boete voor het oordeel van de grote God wil aannemen, doordat hij hier in een wollen boetekleed en blootvoets wil verschijnen, zijn haarlok in zijn hand wil nemen en het ontblote zwaard op zijn vrije hals wil leggen en dan onder de heerschappij van God en van de erfgenamen te gaan op voorwaarde, dat hij zich van het zwaard mag vrijpleiten, dat hij zijn vrije hals mag loskopen en ongeschonden mag terugkeren naar zijn verwanten.

    9. Daarna draagt men mij op aan te bieden om te compenseren met de vier betalingsmiddelen: met het rode goud, met het witte zilver, met de groene aarde en met de onbewerkte stof [...]

    10. Daarna draagt men mij op aan te bieden een weergeld van 16 1/2 mark volwaardig zilver binnen de rechtmatige termijnen zodat hij met deze vrijwillige gave de vrede kan verwerven en de vredekus kopen en de zoen bewerkstelligen, een eeuwige vrede, zo lang als de wind waait en het gras groeit, de zon opkomt en de wereld bestaat. Tot lof van God etc.

    12. Heb ik verder iets aangeboden dat ik moest verzwijgen, of iets verzwegen dat ik moest aanbieden, dan is dat mijn schuld; slechts het allermeeste wat ooit gegeven is vanwege enige vrije Fries, dat heeft men mij opgedragen hier aan te bieden volgens de rechten van dit land, tot lof van God etc.
    (Nijdam/Lichaam, p. 133-134)

    In de modernisering van de rechtspraak komt ook de beloning en belang van de rechter in het geding. In de uitspraak van de rechter op het ding (thing) - zo heet de bijeenkomst waarin de vrije Friezen hun rechtszaken et cetera afhandelen - bestond de boete uit compensatie voor de aanklager, dit is het slachtoffer, en daarnaast ook uit vredegeld voor het volk én de rechters. Hierdoor werd het ambt van rechter naast een aanzien verhogende kwestie ook een geldkwestie. Gevolg was dat de rechter bij het begin van het ding expliciet dernsona 'heimelijke verzoening' verbood. Hij zou dan immers zijn commissie mislopen (Nijdam/Lichaam, p. 23, 173).
    We raken zo dan ook steeds verder van het deugdzame pad, lijkt me.
    > Tijdens het lezen van de conclusie "vrijheid, vete en recht" (Nijdam/Lichaam, 3.6) kwam de volgende vraag bij mij naar boven komen: Hoeveel rechtszaken zouden er eigenlijk geweest zijn? Want het lijkt wel of de hele maatschappij bezig was met het uitvechten van vetes of het recht halen op een ding. Dit gevoel bekruipt je natuurlijk al snel, als je specialistisch boek over eer en recht leest. Dus vandaar waarschijnlijk dat er bij mij een relativerende vraag op plopt. Als je kijkt hoeveel rechtszaken er vandaag de dag de revue passeert, dat is niet bij te benen. De kranten staan er vol van. En dat is slechts een fractie van de werkelijkheid. Ik heb er niets mee te maken en ik krijg er ook niets van mee, als ik geen krant lees, tv kijk of andere media benader. Onze Vrije Fries had helemaal geen media. Die had hele andere informatiebronnen. En al waren de mensen toen waarschijnlijk net zo nieuwsgierig als nu, ik krijg niet de indruk dat er zo vreselijk veel zaken zich aandienden, gezien de hoeveelheid bekende zaken. Ook de frequentie van het aantal thing (landdagen, in de regio en per dorp) getuigen niet echt van grote hoeveelheden. Dit behoeft verder onderzoek, lijkt me.

    Ook andere vakgebieden kunnen meegezogen worden in kennelijk frauduleuze handelingen. En hierop moeten de rechtsteksten op aangepast worden. Een voorbeeld hiervan komt uit de Oud(west)friese boeteregister Bireknada Bota uit Franekeradeel (D XIV,36 (BBr, groep C)) en Westerlauwers Boeteregister (A IV,